Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, kwamen de buren, uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele samen opsluiten in Katelijne heur huis.
Maar zij hadden er niet aan gedacht dat zij van verre de kreten van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den brandstapel zien konden.
Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, zeggend:
- Maakt een gat: de ziel wil er uit.
Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen gebonden op den rug, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom eenen staak die voor den steiger van 't schepenhuis geplant was. De beul en zijne knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.
Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig tot zij gedaan hadden, terwijl de provoost te peerd, de staffieren van 't baljuwschap en de negen uit Brugge ontbodene landsknechten groote moeite hadden om het morrende volk tegen te houden.
Allen zeiden dat het wreedheid was van een man die steeds goed, gedienstig en vlijtig was, in zijn ouden dag aldus onverdiend en wreedelijk te martelen.
Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok luidde.
De uitzinnige Katelijne stond vooraan in de volksmenigte.
Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij schuddebollend:
- Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit
Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar Uilenspiegel dede het niet, zeggende dat hij God niet wilde bidden op de manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, belett'en het hem.
Doch Soetkin sloeg eensklaps haar voorschoot vóór heur gezicht en gilde:
- De rook!
De drij bedrukten zagen inderdaad eene groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog stijgen. 't Was die van den brandstapel op denwelken Klaas aan eenen staak was gebonden en dien de scherprechter aan drij kanten aangestoken had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.
Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.
Klaas zegde een gebed, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden, Katelijne sprak: - Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er uit, - en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.
Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch heur lichaam en wees naar den hemel. Eene lange, smalle vlam was uit den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken van de lage huizen. Zij was bitter smartelijk voor Klaas, want naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij zijne beenen vaneen, verschroeide en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.
Uilenspiegel hield Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor het venster trekken. Zij hoorden een schellen kreet, 't was Klaas, wiens lichaam maar aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En zijne borst was nat van zijne tranen.
Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. 't Waren poorters, vrouwen en kinderen die riepen:
- Klaas werd niet veroordeeld om met stil vuur te branden, maar met de groote vlamme. Beul, pook het vuur aan!
De beul dede het, doch het vuur kwam niet genoegzaam in brand.
- Verworg hem, riepen zij.
En zij smeten steenen naar den provoost.
- De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.
Inderdaad, te midden van den rook, zag zij eene roode vlam ten hemel stijgen.
- Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne nagelen het hart uitrukke?
En de doodklok klepte.
Soetkin hoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde ter wille van de smarte des vuurs, noch zijn gezicht dat zich ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, als plotselings heel de brandstapel ontgloeide, en allen hoorden Klaas, te midden van rook en van vlammen, zeggen:
- Soetkin! Thijl!
En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.
En van uit Katelijnes woning hoorde men een schellen, droeven kreet komen. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige die schuddebollend sprak: ‘De ziel wil er uit.’
Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak, aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.
En de doodklok klepte.