's Anderen daags kwamen de serjanten en omroepers der gemeente in de hut van Klaas om al den huisraad op straat te brengen en tot de verkooping over te gaan. Van uit Katelijnes huis zag Soetkin de wieg van ijzer en koper beneden komen die van vader tot zoon, altijd in Klaas zijn huis was geweest, in
dewelke de arme doode geboren was en ook Uilenspiegel ter wereld kwam. Vervolgens bracht men ook het bedde beneden, in hetwelk Soetkin heuren zoon had ontvangen. En vervolgens de schapraai, en de ketels, pateelen en pannen, die niet meer blonken lijk wijlent, maar nu vuil van het stof waren.
En vervolgens ook eene tonne enkele en een klein vaatje dobbele kuite en, in eene groote mande, ten minste dertig flesschen wijn; en alles werd op straat gezet tot den laatsten stoel uit het huis.
Met bloedend harte, doch zonder schreeuwen of klagen, zag zij zich heuren nederigen rijkdom, alle die herinneringen van vroeger, alle die vrienden ontnemen. De omroeper stak de keers aan en de huisraad werd stuk voor stuk verkocht. De keers was bijkans op, als de deken der vischverkoopers alles tegen een spotprijs gekocht had om het voort te verkoopen. Hij scheen vergenoegd als eene wezel die de hersenen eener henne uitzuigt.
Uilenspiegel zei in zich zelven: ‘Gij zult niet blijven lachen, moordenaar.’
De verkoop was gedaan en nochtans bleven de serjanten overal zoeken, zonder de karolussen te vinden. De vischverkooper riep:
- Gij zoekt slecht: ik weet dat Klaas over zes maanden zevenhonderd karolussen bezat.
Uilenspiegel zei in zich zelven: ‘Gij zult niet erven, moordenaar.’
Eensklaps keerde Soetkin zich naar hem en sprak zij, met den vinger naar den vischverkooper wijzend:
- Daar is de aanbrenger!
- Ik weet het, zei Uilenspiegel.
- Duldt gij, sprak zij, dat hij uw vaders bloed erve?
- Nog liever zat ik een heelen dag op de pijnbank, antwoordde Uilenspiegel.
- Ik ook, sprak Soetkin, maar spreek niet uit medelijden, hoe groot ook de smart weze die ik lijde.
- Eilaas! gij zijt eene vrouwe, zei Uilenspiegel.
- Arme jongen, sprak Soetkin, ik bracht U ter wereld en kan tegen 't lijden. Maar gij, als ik U zag... Vervolgens verbleekend: Ik zal de Heilige Maagd bidden die heuren zoon aan het kruis zag...
En zij weende, en kuste Uilenspiegel.
En aldus werd onder hen een verdrag gesloten, hetwelk hun haat en kracht gaf.