terug  begin  verderprepost

LXXVII

De vischverkooper moest maar de helft van de koopsom betalen, mits de andere helft hem als aanbrenger toekwam, tot dat men de zevenhonderd gouden karolussen vond die hem tot zijne eerlooze daad aangezet hadden.

Soetkin weende 's nachts en werkte 's daags in het huishouden. Dikwijls hoorde Uilenspiegel haar in zich zelve zeggen:

- Als hij erft, laat ik mij dooden.

Nele en hij, wel begrijpende dat zij doen zou wat zij zeide, deden hun best om Soetkin te bewegen naar Walcheren te trekken, alwaar zij magen had. Soetkin wilde niet, zeggende dat zij zich niet verwijderen wilde van den bodem, die weldra heur weduwgebeente zoude ontvangen.

Ondertusschen ging de vischverkooper opnieuw bij den baljuw en zegde hij dat de aflijvige eerst over eenige maanden zevenhonderd karolussen geërfd had, dat Klaas een spaarzaam man was en dat hij dus die groote som niet verteerd had, dewelke ergens verborgen moest zijn.

De baljuw vroeg hem wat kwaad Uilenspiegel en Soetkin hem hadden gedaan om, na den vader van den eene en den man van de andere te hebben genomen, hen nu nog zoo wreedelijk te kunnen vervolgen.

De vischverkooper antwoordde dat hij, als hoogpoorter van Damme, de wetten van het rijk wilde doen eerbiedigen en aldus 's keizers goedertierenheid verwerven.

[p. 206]

Daarop liet hij in handen van den baljuw eene geschrevene aanklacht en bracht hij getuigen die, in volle waarheid sprekende, huns ondanks moesten bevestigen dat de vischverkooper niet loog.

Op die getuigenissen verklaarden de heeren van de Schepenkamer dat de vermoedens van plichtigheid voldoende waren om de torture toe te passen. Dienvolgens lieten zij het huis opnieuw afzoeken door de serjanten, die last hadden moeder en zoon naar het Steen te brengen, alwaar zij zouden opgesloten blijven, tot dat de scherprechter van Brugge kwam, dien men op staanden voet had ontboden.

Als Soetkin en Uilenspiegel gekoord en gebonden door de straat kwamen, stond de vischverkooper aan zijne deur naar hen te kijken.

En de poorters en de poorteressen van Damme stonden ook aan hunne deur. Mathijssen, de naaste gebuur van den vischverkooper, hoorde Uilenspiegel tot den lafhartige zeggen:

- Gij, die eene weduwe martelt, wordt gedoemd door den Heere.

En ook Soetkin die zei:

- Gij, die eenen wees vervolgt, zult eene kwade dood sterven.

Die van Damme, aldus vernomen hebbende dat het op eene tweede aanklacht van Grijpstuiver was dat men weduw en wees naar 't gevang bracht, jouwden den vischverkooper uit en smeten 's avonds steenen in zijne ruiten. En zijne deur wierd vol vuiligheid bestreken.

En hij dorst niet meer buitenkomen.

prepostterug  begin  verder