In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij Soetkin binnen en sprak zij:
‘Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok die met zalve was bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon te dragen. En heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps verhief zich van op een brandstapel eene zwarte gedaante, die omtrent mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in zijn leven, met zijne kooldragerskleeren. - “Wat doet gij hier op Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij. - Maar gij zelf, antwoordde ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw? - Ik ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel niet?” Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lijf niet vast was gelijk dat der levenden, maar zoo subtiel dat ik er doorging als in een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door, flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: “Zij die vroeg opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.”
En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En toen zag ik eene andere gedaante omhoog stijgen; deze kwam uit Spanje; zij was oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de schouders had zij een karmozijnpannen mantel gevoerd met hermelijn, op het
hoofd eene keizerskroon, in eene harer handen eene ansjovis aan dewelke zij knabbelde, in de andere eenen beker vol bier.
Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren zitten. Nederknielend vroeg ik heur: “Gekroonde Majesteit, vol eerbied lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Waar komt gij vandaan en wat doet gij op de wereld? - Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura, en was Keizer Karel. - Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen, in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken? - Ik ga, sprak zij, naar het oordeel.”
Als de keizer zijne ansjovis wilde voorteten en zijn bier wilde uitdrinken, schalde de engel op zijne trompet. En, grommelend omdat hij niet kon voorteten, verhief de keizer zich in de lucht. Ik volgde Zijne Heilige Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis, blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overeting gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen boog van kornoeljehout. De sterren vlogen voorbij ons en lieten vurige strepen in den hemel. De trompet des engels weerschalde, met een machtig, klaterend gedruis. Bij elk geschal dat in het luchtruim weerklonk, opende het zich alsof een orkaan had geblazen. En aldus wierd ons de weg gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen wij Christus in volle glorie op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde zat de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die gedurig de zondaren voorsprak.
Klaas en Keizer Karel knielden neder voor den troon.
De engel sloeg hem de krone van 't hoofd. “Christus alleen is hier keizer,” sprak hij.
Zijne Heilige Majesteit scheen grammoedig, doch nederig vroeg hij: “Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want 'k heb honger van die lange luchtvaart?
- Gelijk heel uw leven, antwoordde de engel; nu, eet en drink maar.
Als hij gedaan had, vroeg Christus:
- Komt gij met zuivere ziele naar 't oordeel?
- Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde Keizer Karel.
- En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk dien keizer.
- Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver, ik heb diensvolgens geen schrik van U, die het opperste goed en de opperste rechtveerdigheid zijt, maar ik vrees toch voor mijne zonden die groot in getal waren.
- Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.
- Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer priesteren, wierd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhouding van de macht die van U komt ter harte en te dien einde ging ik de ketterije te keer met den viere, zweerde, putte, de kwartieringe, de galge.”
- Schrokkige leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland duldet gij de ketteren, want gij vreesdet dezelve, maar gij deedt ze onthalzen, branden, hangen en levend begraven, daar waar gij anders niet vreesdet dan van niet genoeg te erven van die noeste bijen, die zoo rijk zijn aan honig. Honderd duizend menschen werden om hals gebracht, niet omdat gij Christus mijnen Heere bemindet, maar omdat gij dwingeland, landopvreter waart, die niemand bemindet dan U zelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn, want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.
- En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.
Doch de engel stond recht en sprak:
- Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den eed gestand bleef denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in den waan dat zijne vorsten ook den
hunne gingen houden. Hij had geld, hij werd in beschuldiging gesteld, en mits hij een ketter gehuisd had, wierd hij levend verbrand.
- Ha! sprak Maria, arme martelaar, maar in het hemelrijk zijn frissche bronnen, fonteinen die melk en die wijn spruiten, kom mee, kooldrager, ik zal er U leiden.’
‘Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met eene ijzeren krone op het hoofd. En op den band van de krone stond geschreven: “Droevig tot op den dag der gerechtigheid.”
Hij naderde den troon en zegde tot Christus:
- Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.
- Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop meesters noch slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, dewelke hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.
- Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.
Vervolgens naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:
- Wat moet ik hiermee doen?
Christus antwoordde:
- Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, in dewelke al de foltertuigen verzameld zijn die onder zijne regeering gebruikt werden. Telkens dat een rampzalige onschuldige de pijne des waters verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der keersen die hun de voetzolen en de okselen verbrandt; of de pijne van de radbraking die de ledematen plettert; of die van de spriete; telkens dat eene vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik zal geven, moet hij op zijne beurt die dood, die tormenten verduren, opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die aan millioenen andere gebiedt: hij rotte in de gevangenissen, sterve op de brandstapels, zuchte in ballingschap; hij worde geschavotteerd, ontpoor-
terd, gegeeseld, gekortoord; hij weze rijk en de bedezetters ontnemen hem alles; de afgunstige klage hem aan, de verbeurte brenge hem ten onder. Gij zult van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een werkman, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge; vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden heeft, maakt gij ervan een hond, opdat hij braaf weze en slagen krijge; een Indischen slaaf, opdat hij aan den meestbiedende verkocht worde; een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden zonder te weten waarom. En als hij na afloop van drijhonderd jaar aldus alle smarten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed gelijk Klaas was, geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de eeuwige ruste aan zijn gebeente. En zijne vrienden zullen op zijn graf komen weenen en bloemen strooien te zijner gedachtenis.
- Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij dede, want macht doet het harte versteenen.
- Geene genade, sprak Christus.
- Kom, sprak Satan, 't is uit met wijn, met gebraad, met hoenderen.
En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den keizer, die nog aan zijn stukje ansjovis knabbelde.
Uit medelijden liet Satan hem begaan. Vervolgens zag ik de Heilige Maagd die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren met trossen aan 't gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem, tot dat hij schoon en jong was. Vervolgens gaven zij hem rijstpap met zilveren lepels. En de hemel ging toe.’
- Hij is in den hemel, sprak de weduwe.
- De assche klopt op mijn hart, zei Uilenspiegel.