Telkens dat hij geld noodig had om aan Katelijne 't gemeenschappelijk verteer te betalen, ging Uilenspiegel 's nachts den steen opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.
Op een avond zaten de drij vrouwen te spinnen; Uilenspiegel sneed eene doos die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed hij er eene schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabandsche honden die getweeën loopen en
ooreneters genoemd worden, voorders allerhande dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazenwinden.
Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren schat niet elders verbergen zoude. De weduwe antwoorde argeloos dat hij niet beter konde zijn dan nevens den muur van den steenput.
Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze dacht diensvolgens dat het niets was, en sliep weder in.
Als Soetkin en Uilenspiegel 's Vrijdagmorgens met den dageraad opstonden, zagen zij, tegen de gewoonte, Katelijne in de keuken niet; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar, in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.
- Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?
- Ha! zegde zij, ja, ja, groot wonder!
En zij wees naar den hond die, verworgd, levenloos ten gronde lag.
Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het hol was ledig en de aarde in 't ronde gestrooid.
Hij vloog naar Katelijne, en heur driftig slaande, vroeg hij:
- Waar zijn de karolussen?
- Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.
Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:
- Genade voor haar, Uilenspiegel!
Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.
Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.
Soetkin werd doodsbleek en sprak:
- Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijne arme voeten!
En zij zegde dat ter wille van de smart die zij uitstond en van de tortuur die zij nutteloos geleden had voor de gouden karolussen. Nele, als ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne, met een stuk perkament in de hand, vervolgde:
- Ja, groot wonder. Dezen nacht is hij gekomen, braaf en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en mijn hert was aan hem. Hij zegde mij: ‘Nu ben ik rijk en weldra breng ik U duizend gouden florijnen. - Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen voor U dan voor mij, Hansken, liefste mijn. - Maar is hier niemand in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan? - Neen, antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben van niemand van noode. - Zijn Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij. - Zij leven zonder de hulpe van iemand, antwoordde ik. - Niettegenstaande de verbeurte? sprak hij. - Daarop antwoordde ik dat gij liever de torture onderstaan hadt, dan U uwe have te laten ontnemen. - Dat wist ik wel, sprak hij.’ En, stille en zachtjes giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen, omdat zij U geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik insgelijks. ‘'t Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in het huis te verbergen...’ Ik lachte. ‘Of in den kelder?’ Ik knikte van neen. ‘Of in de lochting?’ Ik antwoordde niet. ‘Ha! sprak hij, dit ware zeer onvoorzichtig. - Integendeel, sprak ik, want water noch muur zullen iets uitbrengen.’ En hij lachte voort.
Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten sabbat zoude gaan. Ik dede hem uitgeleide tot aan de deur van de lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had, naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is een wreede slag
voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk hem mijne ziele. Maar ik zal U alles geven wat ik bezit, en dag en nacht werken om U te onderhouden.
- Ik ben het ijzer op het aanbeeld; God en een dief van een duivel treffen mij beiden te gelijk, zegde Soetkin.
- Zoo moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief, maar een duivel. Ten blijke daarvan ga ik U het perkament toonen dat hij in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: ‘Vergeet nimmer van mij te dienen. Binnen drijmaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij dubbel terug. Koester geen twijfel, of het kost U het leven.’
- Arme zinnelooze! sprak Soetkin.
En dat was heur laatste verwijt.