De twee weken waren drijmaal voorbij en de vijf dagen insgelijks, maar de duivel kwam geenszins terug. Doch Katelijne wanhoopte niet.
Soetkin werkte niet meer, doch stond gedurig voor het vuur te hoesten. Nele gaf heur de beste en geurigste kruiden; maar dat alles konde niet baten. Uilenspiegel ging de hut niet meer buiten, uit vreeze dat Soetkin onderwijl stierf.
Vervolgens kon de weduw niet meer eten of drinken zonder over te geven. De chirurgijn-baardemaker kwam en dede heur eene lating; en toen was zij zoo flauw dat zij van heure bank niet meer konde opstaan. Eindelijk, uitgemergeld van verdriet en van smart, sprak zij op een avond:
- Klaas, mijn man! Thijl, mijn zoon! Dank, de Heere neemt mij!
En zij blies den laatsten adem uit.
Katelijne dorst bij heur niet waken, daarom deden Uilenspiegel en Nele het getweeën, en heel den nacht baden zij voor de aflijvige.
Bij de ochtendschemering vloog eene zwaluwe het open venster binnen.
- De vogel der zielen, sprak Nele, dat is een goed teeken: Soetkin is in den hemel.
De zwaluwe vloog drijmaal rond de kamer en verdween met een schellen kreet.
Vervolgens kwam eene andere zwaluwe binnen, die grooter en zwarter dan de eerste was. Zij vloog rondom Uilenspiegel en hij sprak:
- Vader en moeder, de assche klopt op mijne borst, ik zal doen wat gij vraagt.
En de tweede zwaluwe vloog kwetterend heen als de eerste. De oosterkim verbleekte. Uilenspiegel zag duizenden zwaluwen rakelings over de weide vliegen, en de zonne stond op.
En Soetkin werd op het armenveld begraven.