Sedert Soetkins dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond hij 's nachts op.
Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zegde Katelijne hem dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was, steeds antwoordde Uilenspiegel:
- De assche klopt.
En hij geleek een uitzinnige en Nele weende als zij hem zoo nargeestig zag.
Doch de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder, en dorst slechts 's avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de kleine kinderen vluchtten voor hem, mits men hun gezegd had dat hij de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam rond, zonder
eene taveerne te durven binnengaan; want men wees er hem met den vinger, en als hij er maar eene handwijl bleef, gingen al de klanten de een na de andere weg.
Vandaar dat de bazen hem noode zagen komen, en liever de deur voor zijn neus dicht deden. Toen dede de vischverkooper hun nederig zijn beklag, maar zij antwoordden hem dat zij wel mochten tappen, doch dat zij hiertoe geenszins waren gedwongen.
Eindelijk ging de vischverkooper drinken in den Rooden Valk, eene kleine herberg verre van de stad, aan de vaart van Sluis. Daar wilde men hem bedienen, want 't waren arme lieden, wien alle geldstukken welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uit den Rooden Valk spraken nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als hij den hond riep, toonde deze zijne tanden.
Op een avond ging Uilenspiegel aan de zulle staan; als Mathijssen, de kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:
- Gij moet werken met uwe handen, om de smart te vergeten.
- De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
- Ha! zei Mathijssen, de jammerende vischverkooper leidt nog een treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem, zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uit den Rooden Valk te gaan, om eenzaam zijn kapperken bruinbier te drinken. 't Is eene groote straffe.
- De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.
Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naar den Rooden Valk en, ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren onder de boomen langs de vaart. 't Was een heldere maneschijn.
Hij zag den moordenaar komen.
Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien en, luide sprekend gelijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren zeggen: - Waar mogen die karolussen steken?
- Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, hem een vuistslag in 't gezicht gevend.
- Wach! sprak de vischverkooper, ik herken U, gij zijt de zoon, ik ben oud en krachteloos! Wat ik dede was geenszins uit haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Geef mij vergiffenis. Ik zal U den huisraad afstaan dien ik gekocht heb, en gij moet er mij geen oortje voor geven. Is 't niet genoeg? Ik kocht hem voor zeven gouden florijnen. Ik geef U alles en nog een halven gulden daarbij, want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.
En knielend vroeg hij vergiffenis.
Als Uilenspiegel hem zoo leelijk, zoo bang en zoo lafhartig zag, smeet hij hem in de vaart.
En hij toog henen.