De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart, en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was, of die geesten met hem den spot gedreven, ofwel hem op raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij vinden moest om 't land zijner vaderen gelukkig te maken.
En te vergeefs stelde hij zijn verstand op de proef, hij konde niet vinden wat de Zeven en de Tooverband bediedden.
Aan den dooden keizer, den levenden koning, de regentesse, den Paus van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend, vond hij daar zes groote beulen die hij onverwijld levend hadde willen verbranden. Maar hij dacht dat zij het niet waren, dat zij zelven te geerne brandden, dat hij elders moest zoeken.
En gedurig herhaalde hij in zich zelven:
- Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinhoopen, zeven vinden, zeven branden, zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan verbrandt zijne minne?
De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van stappen in het zand en eene stemme die zong:
Uilenspiegel klopte met 't averechtsche der hand op Lamme zijnen buik en sprak:
- Houd uwen adem in, dikzak.
- Laas, antwoordde Lamme, 't is lastig voor iemand die zoo dik is.
Doch Uilenspiegel aanhoorde hem niet, maar verborg zich achter het zeil van de kar. De stemme nabootsend van een dronkaard die zingt, neurde hij:
- Thijl, zei Lamme, ge zingt slecht dezen morgen.
Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel zijn hoofd door een gat van het zeil.
- Nele, herkent gij mij? riep hij.
Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat, sprak zij:
- Ik zie U, leelijke deugniet!
- Nele, sprak Uilenspiegel, als gij mij wilt slaan, heb ik t'huis eenen stok. Hij is zwaar en slaat door, knoestig en laat merkteekenen na.
- Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?
- Ja, antwoordde Uilenspiegel.
Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan Uilenspiegel en sprak:
- Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis te gaan, zonder eene goede vette gans, eene hesp en wat Gentsche worsten mede te nemen. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.
Mits Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch te nemen, stak Lamme zijn hoofd door een ander gat van het zeil en sprak hij:
- Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is 't uit vergetelheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik zal ze bewaren voor hem.
- Welk aardige smoel is dat? vroeg Nele.
- 't Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die, met het harte vol wee, zou uitdrogen gelijk een stoksken, als hij zich niet vlot hield door dag en nacht te eten en te drinken.
- Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.
De heldere zonne drukte loodzwaar op Neles hoofd. Zij dekte zich met haar voorschoot. Mits hij met heur alleen wilde zijn, sprak Uilenspiegel tot Lamme:
- Ziet gij ginder die vrouw in de beemde?
- Ja, zei Lamme.
- Herkent gij ze niet?
- Daar? sprak Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als eene poorteresse.
- Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.
- En als zij het niet was?
- Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar het Noorden, is er een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar zullen wij U vervoegen. En hier is hesp, om U te vergezelschappen.
Lamme kwam uit het voertuig en liep met groote schreden naar de vrouw in de beemde.
Uilenspiegel vroeg tot Nele:
- Waarom komt gij bij mij niet?
Toen hielp hij heur in den wagen komen en dede hij ze zitten naast hem; hij nam heure huik van de schouderen, en heur honderd kussen gevend, sprak hij:
- Waar gingt ge, liefste?
Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En Uilenspiegel, in vervoering als zij, zegde tot haar:
- Ik heb U zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft de zachte tint niet uwer donzige huid. Ge zijtwel geene koninginne, doch laat mij maar eene krone van kussen maken voor U. Lieve zoete armen, die God maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees

Neemt gij de straat voor een bedde? (Hoofdstuk XIII.) 17
dat mijne ruwe mannenhanden die schouderen zullen verwelken! God is in den hemel, de koning op zijnen troon en de zonne ginder zegevierend in de hoogte; maar ben ik God, koning of licht, dat ik zoo dicht bij U wezen mag? O, dat haar is zachter dan vlokzijde! Nele, ik ben woest, ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe komt het dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?
Zij wilde opstaan.
- Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch de zonne niet die op ons schijnt en U teenemaal in 't goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie in de mijne welk vuur dat er brandt. Luister, liefste mijne; 't is 't stille middaguur, de landman keert huiswaarts; laat mij nog spreken. Duizend jaren lang zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.
- Schoone spreker! zegde zij.
De zonne straalde door het zeil van de kar, een leeuwerik kweelde boven de klaveren, en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.