terug  begin  verderprepost
[p. 261]

IV

En ze reden samen voort. De ezel, met hangende ooren, trok traagzaam de kar voort.

- Lamme, sprak Uilenspiegel, wij zijn gevieren: de ezel, die op het toeval van de wegen de distelen zoekt; gij, dikzak, die uwe wederhelft achternazit; zij, de teedere en zoete geliefde, die iemand vindt die harer onweerdig is, 't is te zeggen mij, den vierde.

Nu, kinderen, moed! de bladeren worden geel, en de hemel zal helderder worden; weldra zal, in de najaarsnevelen, de zonne ondergaan en de winter verschijnen, als het beeld van de dood, om degenen die onder onze voeten liggen met eene sneeuwen lijkwade te dekken. En ik zal gaan voor de redding van Vlaanderenland. Arme dooden: Soetkin stierf van smarte; Klaas door den viere: eik van goedheid en eiloof van liefde, ik, uw zoon, lijd grootelijks en zal U wreken, assche die klopt op mijne borst.

Lamme sprak:

- Gij moogt ze niet beweenen die voor de gerechtigheid stierven.

Maar Uilenspiegel bleef nadenken; eensklaps zeide hij:

- Nele, de ure van scheiden is gekomen, en 't zal voor lang zijn.

Nele bezag hem met hare oogen die glinsterden als sterren en sprak:

- Waarom komt gij van den wagen niet, om met mij in het woud te treden, alwaar gij lekker eten zult vinden; want ik ken de kruiden en kan de vogelkens bijroepen.

- Meisje, sprak Lamme, 't is slecht voor U, Uilenspiegel te willen ophouden die naar de Zeven moet zoeken en mijne vrouw helpen terugvinden.

- Nog niet, sprak Nele; en zij weende, doch lachte te midden heurer tranen haren vriend Uilenspiegel liefderijk toe.

[p. 262]

Dit ziende, antwoordde deze:

- Uwe vrouw, die zult gij wel in tijds terugvinden, als gij lust naar eenige nieuwe smart zult gevoelen.

- Thijl, sprak Lamme, gaat gij mij, voor dat meisje, in mijne kar alleen achterlaten? Gij antwoordt niet en denkt aan het woud, waar de Zeven niet zijn, en mijne vrouw even min. Help ze liever zoeken op dezen steenweg, waar de kar zoo gemakkelijk rijdt.

- Lamme, sprak Uilenspiegel, er ligt eene volle weitasch in de kar, gij zult dus niet sterven van honger als gij van hier naar Koolkerke gaat, alwaar ik U zal vervoegen. Gij moet er alleen zijn, want daar zult gij vernemen naar welke windstreek gij U richten moet, om uwe vrouwe te vinden. Luister. Gij rijdt stapvoets naar Koolkerke, op drij uren van hier. Op den toren staat een windhaan op zijne roestige hengsels te draaien. Dat geknars wijst aan de arme mannen die hunne liefste verloren, den weg langs welken zij die zullen vinden. Maar vooreerst moet men zeven reizen met een hazelaarstaksken op elk muurvlak slaan. Als de hengsels knarsen, terwijl de wind uit 't Noorden blaast, is 't die kant dien gij nemen moet, doch met omzichtigheid, want Noordenwind is oorlogswind; blaast hij uit 't Zuiden, ga dan maar blijgemoed: 't is minnewind; uit het Oosten, loop dan gezwind: 't is licht en vroolijkheid; uit het Westen, ga traagzaam: want die wind brengt regen en tranen. Ga, Lamme, en wacht mij te Koolkerke.

- Ik ga, zei Lamme.

En hij reed weg met de kar.

Terwijl Lamme naar Koolkerke reed, joeg de sterke, zoele wind de grijze wolkjes als eene kudde schapen door het luchtruim; de boomen huilden als de golven eener deinende zee. Uilenspiegel en Nele waren lang alleen in het woud. Uilenspiegel had honger en Nele zocht naar smakelijke wortels, en vond niets anders dan eikels en de kussen die heuren vriend heur in overvloed gaf.

Uilenspiegel had strikken gespannen en floot om de vogelen

[p. 263]

bij te roepen, ten einde diegenen te braden die zich zouden laten vangen. Een nachtegaal kwam omtrent Nele op de bladeren zitten; zij ving hem niet, om hem voort te laten zingen; toen kwam eene grasmusch, en zij had er medelijden mee, omdat zij zoo lief en zoo hupsch was; vervolgens kwam een leeuwerik, maar Nele zei hem dat hij beter zou doen hoog in de lucht te vliegen en de Natuur te bezingen dan dom ga weg te komen dartelen boven de doodelijke punt van een braadspit.

En 't was de waarheid, want inmiddels had Uilenspiegel een vuur aangestoken en een braadspit gesneden, dat op anders niet wachtte dan op de lichtzinnige slachtoffers.

Maar de vogelen kwamen niet meer bij, tenzij eenige kwaadaardige raven die zeer hoog boven hunne hoofden krasten.

En zoo kwam het dat Uilenspiegel niemendal te eten had.

Doch Nele moest vertrekken en terugkeeren bij Katelijne. En weenend stapte zij op, en Uilenspiegel keek heur achterna.

Doch ze kwam terug en viel hem om den hals:

- Ik ga henen, sprak zij.

Vervolgens dede zij nog eenige stappen, doch ze kwam opnieuw terug, zeggende:

- Ik ga henen.

En zoo twintig reizen achtereen en nog meer.

Vervolgens vertrok zij, en Uilenspiegel bleef alleen. Toen ging hij ook henen om Lamme weder te vinden.

Als hij hem vervoegde, vond hij hem, aan den voet van den toren gezeten, met een grooten pot bruinbier tusschen zijne beenen, weemoedig bezig met op een hazelaarstakje te knagen:

- Uilenspiegel, sprak hij, ik geloof dat gij mij maar weggezonden hebt, om met 't meideken alleene te blijven; ik heb met den hazelaar zeven reizen op elk vlak van den toren geslagen, en hoewel de wind blaast als een duivel, toch hebben de hengsels niet geknarst.

- Men zal ze zeker gesmeerd hebben, antwoordde Uilenspiegel.

Vervolgens togen ze henen naar het hertogdom Braband.

prepostterug  begin  verder