terug  begin  verderprepost

VI

Den vijfden van April, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk van Nassau, van Kuilenburg, Brederode, met drijhonderd andere edellieden het hof van Brussel binnen, bij mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van Parma. In rangen van vieren klommen zij de groote trappen van 't paleis op.

Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur een verzoekschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om den koning te bewegen de plakkaten op

[p. 266]

't stuk der religie, alsmede de Spaansche inquisitie af te schaffen, verklarende dat in onze misnoegde landen er anders niet konde uit voortvloeien dan muitmakerij, puinhoopen en algemeene ellende.

En dat verzoekschrift wierd het Eedverbond geheeten.

Berlaimont, die later zoo valsch en zoo wreed was voor den grond zijner vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de armoede van eenige der edele eedgenooten:

- Mevrouwe, vrees niets, het zijn maar ‘geuzen’, wat bedelaars bediedde.

Daarmede wilde hij zeggen dat die edelen ten onder gegaan waren in den dienst van den koning of door in weelde te willen wedijveren met de Spaansche edellieden.

Om de woorden van Berlaimont met verachting te bejegenen, verklaarden de heeren naderhand dat zij er eere in stelden geuzen geheeten en genaamd te zijn, voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.

Zij begonnen met een gouden penning te dragen, met de beeltenis des konings op de eene zijde, en op de andere, twee handen die eenen bedelzak hielden, en deze woorden: ‘Den koning getrouw tot den bedelzak.’ En op hunne hoeden en mutsen droegen zij ook gouden juweelen in den vorm van schoteltjes en van bedelaarshoeden.

Intusschentijd liep Lamme met zijnen buik door de stad om zijne vrouwe te zoeken, maar hij vond ze niet.

prepostterug  begin  verder