Herakles (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert, Jan Fontijn en Marijke Stapert-Eggen)


auteur: Louis Couperus


editeur: H.T.M. van Vliet, Jan Robert, M. Stapert-Eggen en Jan Fontijn


bron: Louis Couperus, Herakles (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert, Jan Fontijn en Marijke Stapert-Eggen). Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen 1994  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 271]

Verantwoording

[p. 273]

Begin 1903 liet Couperus zijn uitgever L.J. Veen weten dat hij van plan was een aantal ‘Antieke Sproken’ te schrijven. Hij dacht aan verhalen over mythologische figuren als Dionysos en Herakles.1 In juli 1903 voltooide hij een roman over Dionysos. Over Herakles schreef Couperus pas voor het eerst in februari 1912. In een feuilleton over het museum van Napels beschreef hij het beeld van de klassieke held, een kopie naar Lisyppos.2 Aan de roman Herakles is Couperus waarschijnlijk in de eerste maanden van 1912 begonnen. In juli van dat jaar verscheen de eerste aflevering van Herakles in Groot Nederland. Couperus voltooide de roman vermoedelijk pas aan het eind van 1912.3

Op 20 oktober 1912 schreef Couperus aan Veen: ‘[...] zoû je er reeds over kunnen denken wat je van mij kunt uitgeven het volgende jaar. Ik had gedacht [...] in het najaar tegen Dec. mijn groote mythologische roman Herakles, die nu in Groot-Nederland verschijnt. Die roman beslaat nog Groot Nederland tot en met Februari; dus 8 nummers met ± 25 à 30 bl: ieder nummer (240 à 250 bl. Groot Nederl.). Enfin, denk er eens over na, en reken uit wat je er mij voor geven kunt; ik weet het gaarne voor-

[p. 274]

uit om een beetje mijn budget te arrangeeren.’4 Omdat Veen niet direct reageerde, herhaalde Couperus zijn voorstel een maand later en nogmaals begin januari 1913.5 Op 13 januari antwoordde Veen hem dat hij de roman wel wilde uitgeven, bij voorkeur in het voorjaar. Over het honorarium schreef hij aan Couperus: ‘Ik zou na ernstige overwegingen en berekeningen willen geven ± 400.= of ƒ300.= direct en valt de verkoop nu eens mee nog een 150 à 200.=.

‘Het eerste trekt mij meer aan omdat dan de zaak afloopt en later geen soezah meer.

‘Het is vervelend dat het niet meer kan zijn maar die ongelukkige feiten. B.v. Out & de Bussy, 2 firma's die voor Indie koopen, kunnen van jou boek als het in Groot Nederland (of ander bekend tijdschrift) verschenen is, niet meer koopen dan 7 en 20 [...]. Kramers in Rott. koopt er 30 gewoon, maar nu 7. Dit zijn cijfers die voor ons uitgevers spreken, niet waar, en waaraan ongelukkig genoeg niets te doen valt.

‘Hoewel ik weet dat je mij gelooft, moet ik je dit toch even schrijven want als je zelf eens in mijn binnenste kondt zien, zou je bemerken [dat] ik het land heb niet meer te kunnen geven.’6 Couperus antwoordde hem: ‘Ik vind het goed zoo als je het het beste voor komt.

‘Dat je mij voor 3 bundels ƒ1000, geeft maar voor 1 roman van den om vang als Herakles ± 300 à 400... is mij een raadsel als zooveel mij raadsel is. Ik dacht altijd dat “bundels” nooit “verkoopbaar” waren maar een “roman” nog wel. Enfin... Ik schrijf zoo een omvangrijk werk voornamelijk voor Groot-Nederl: Herakles bracht mij er meer dan ƒ1000.- op, een som, die je zeker nooit op

[p. 275]

het hon: zoû toe leggen, zoo ik je het werk aanbood zonder dat het in een tijdschrift verscheen.’7 Het honorarium werd bepaald op ƒ400.- en in maart 1913 aan Couperus' bankier Scheurleer overgemaakt.8 De boekuitgave van Herakles verscheen vervolgens in september 1913 bij L.J. Veen te Amsterdam.

Herakles was de laatste roman van Couperus die door Veen werd uitgegeven.

In januari 1914 ontstond het plan een aantal romans van Couperus te verfilmen, waaronder Herakles.9 Tijdens zijn leven is dit echter niet gebeurd. Wel heeft Couperus Herakles nog gebruikt bij zijn (voor) lezingen uit eigen werk, die hij vanaf 1915 hield.10

Aan de classicus Kuiper, die een artikel aan de romans De berg van licht en Herakles had gewijd, schreef Couperus in maart 1916: ‘Het is mij eene behoefte U te zeggen, dat ik, trots de “goede pers”, die ik wel heb, in langen tijd niet een artikel gelezen heb [...] dat mij zoó trof door gewetensvolle aandacht en bezonken belezenheid van het beoordeelde werk. Ik kan U niets anders zeggen, dan dat ik U zeer dankbaar ben voor de liefdevolle beschouwing, die U - is het niet toevallig - mijne twee liefste groote boeken wijdde. [...] Uwe beschouwing heeft iets in mij geroerd.’11

Eveneens in 1916 verklaarde Couperus tegenover André de Ridder dat hij vooral trots was op zijn mythologische romans: ‘[...] op Herakles bijv.... misschien mijn beste boek... En 't is een genre dat ik zelf geschapen heb... men vindt in geen andere literatuur romans gelijk Dionyzos en Herakles... Ik zie de mythologische helden als bepaalde menschen, als mannen en vrouwen uit mijn omgeving... maar toch blijven ze in half-goddelijke atmosfeer schuilen, al verlang ik soms familièrement bij hen te lo-

[p. 276]

geeren... [...] 't Zijn vizioenen van schoonheid... half-goden die vermenschelijkt zijn... Ik heb veel te danken aan het landschap van het Zuiden, aan de Musea van Italië en aan mijn liefde voor de oudheid... De oudheid is voor mij als een vage periode van vele eeuwen waarin de oude goden nog heerschen en de helden hunne groote daden verrichten en waar uit Hellas het ideaal der Schoonheid en der Levensliefde ons toestraalt, en wondere illuzies glanzen in me na, om heel die Antieke Schoonheid...’12

Bronnen

Voorzover ons bekend, zijn van de roman Herakles de volgende door de auteur geautoriseerde bronnen overgeleverd:13

A. een voorpublikatie in Groot Nederland 10 (1912). Dl. 11 [juli-december], p. 40-62; 165-194; 289-315; 365-396; 504-534; 631-662; 11 (1913)- Dl. 1 [januari-maart], p. 47-73; 144-171; 271-283.

De tijdschriftpublikatie is gezet naar het kopijhandschrift van Couperus. Hij heeft echter niet zelf alle drukproeven gecorrigeerd: de laatste aflevering van de roman in Groot Nederland is gecorrigeerd door W.G. van Nouhuys.14

B. een uitgave in boekvorm: Louis Couperus: Herakles. Amsterdam, L.J. Veen, [september 1913]. 2 dln.

De eerste druk is gezet naar de tijdschriftpublikatie van de roman. Eind januari 1913 vroeg Veen aan drukkerij Thieme een prijsopgave voor het drukken van Herakles.15 Op 6 februari 1913 schreef hij aan Couperus: ‘Ik kreeg afl. Feb. Groot-Ned. en zag daaruit dat er nog 1 stuk komt. Wilt gij mij misschien de proef

[p. 277]

van Groot Ned. zenden van dit slot opdat ik precies de grootte ken of even per kaart bereken hoeveel blz. het slot beslaat.’16 Couperus reageerde twee dagen later: ‘Het slot van Herakles bedraagt 13 (dertien) bladzijden Groot Ned. [...]

‘Drukt ge naar Gr. Ned. af of wenscht ge van mij de proeven. Het eerste is natuurlijk minder werk voor mij.’17 Veen antwoordde hem op 10 februari: ‘Ik druk dan van copie Groot-Nederland en zal de proeven geregeld zenden want het is toch je bedoeling dat je zelf het boek naziet.

‘Hebt gij nog een proef van de laatste 13 bladzijden dan gaarne. Ik behoef dan geen afl. G.N. te koopen.’18 Drie dagen later schreef hij aan Thieme: ‘Begin maar spoedig met Herakles. Hoe vlugger hoe liever omdat door den afstand van Italië en hier, het gewenscht is, dit zoo spoedig mogelijk in proef te hebben.’19 Eind februari liet Veen twee keer een titelpagina en twee keer het eerste vel van Herakles afdrukken, zodat hij de roman op zijn voorjaarsreis aan de boekhandels kon aanbieden.20

Begin maart vroeg Veen Couperus nogmaals om een drukproef van het laatste hoofdstuk van Herakles in Groot Nederland.21 Couperus antwoordde hem: ‘Ik heb geen afdruk slot meer, daar v. Nouhuys dat gecorrigeerd heeft.’22 Het laatste hoofdstuk in de boekuitgave werd vervolgens ook gezet naar een exemplaar van Groot Nederland.

Half maart zond Veen de eerste drukproeven aan Couperus. Deze schreef hem in april: ‘Ik verzend je heden een deel correctie terug, maar moet absoluut revizie hebben; ik heb hier en daar iets veranderd, dat niet goed was; zend mij die revizie [...], dan zal ik zoo gauw mogelijk terug zenden.’23 Op 20 mei meldde Veen aan

[p. 278]

Couperus dat een deel van Herakles al was afgedrukt.24 Couperus corrigeerde de overige drukproeven, en op 3 juli schreef hij aan Veen: ‘Ik zend je de laatste proeven van Herakles. Ik zoû eigenlijk nog revizie moeten hebben want er staan veel fouten in, het geen mij verwondert omdat het toch maar letterlijk nadrukken was. Er kan dus afgedrukt worden, maar met den meesten zorg en grootste oplettendheid.

‘Laat s.v.p. de afgedrukte vellen van het heele boek mij op zenden.’25 Couperus heeft deze vellen vermoedelijk half juli ontvangen.

Uit commerciële overwegingen, en gebaseerd op een berekening van de vermoedelijke omvang van de roman, vroeg Veen begin februari 1913 aan Couperus of de roman in twee delen kon worden uitgegeven.26 Een uitgave in één deel zou voor de ingenaaide exemplaren met hun kwetsbare papieren omslagen waarschijnlijk te omvangrijk worden. Couperus antwoordde hem: ‘Ik geloof wel, dat de roman groot genoeg is om in twee deelen te verschijnen, heb er niets tegen.’27 Op Veens verzoek om aan te geven waar hij de delen moest scheiden, liet Couperus weten: ‘Deel het boek in twee gelijke helsten, hier is geen bezwaar tegen.’28 Op 11 april schreef Veen aan Thieme: ‘Couperus schrijft Herakles kan in twee gelijke helsten verdeeld worden. Daar gij de geheele copie hebt kunt gij zelf wel ongeveer nagaan waar dit kan.’29 De roman werd vervolgens door de drukker na hoofdstuk achtentwintig gesplitst. Het tweede deel kreeg een nieuwe titelpagina en een nieuwe paginering, en begon met hoofdstuk negenentwintig. De tweedeling stond volledig los van de inhoud van het verhaal. Om de verkoop te bevorderen liet Veen op de titelpagina's als ondertitel afdrukken: ‘Roman in twee deelen’, respectievelijk met de toevoeging ‘Eerste deel’ en ‘Tweede deel’.

[p. 279]

De roman werd in juli 1913 gedrukt op twee verschillende soorten papier: 750 exemplaren op dik papier, de rest op een dunnere papiersoort.30 Op 6 augustus gaf Veen opdracht aan Thieme de afgedrukte vellen naar binderij Tenthoff te zenden.31 Deze kreeg op 21 augustus van Veen opdracht om van de exemplaren op dik papier zeshonderd exemplaren in te naaien en de rest naar de firma Brandt te zenden, die voor de gebonden exemplaren zorgde. De exemplaren op dun papier werden in plano bewaard.32 De wisseling van het papier bij het afdrukken van de roman heeft overigens geen consequenties gehad voor het zetsel. De exemplaren met een verschillende papiersoort zijn tekstueel geheel identiek.

Voor de band van de exemplaren op dik papier gebruikte Veen het ontwerp dat R.N. Roland Holst in 1893 had gemaakt voor Couperus' roman Majesteit.33 De titel werd aangepast maar onjuist gespeld op voorplat en rug: Herackles. Op de rug van de delen stond onder de titel respectievelijk ‘1’ en ‘11’.

Toen Couperus eind september 1913 een exemplaar van Herakles had ontvangen, schreef hij aan Veen: ‘Lees eens mijn feuilleton Vad. over een week: een pamflet op jou! Nu, niet àl te bar!! Ik schrijf over “alles en iedereen”, dus ook over mijn uitgever!!’34 Veen was benieuwd: ‘Ik zie met verlangen naar Zaterdag-Vaderland en hoop dat je mij maar niet te zwart hebt gemaakt want heusch dat zou niet verdiend zijn.’35 Het feuilleton verscheen op 4 oktober, onder de titel ‘Mijn zooveelste’: ‘Toen ik van middag thuis kwam, struikelde ik er tegen. De brievenbesteller had het als een pakketje op den drempel van mijn kamer geschoven of de dienstmaagd misschien, zonder zich te vergewissen, dat mijn deur

[p. 280]

niet gesloten was, had mijn zooveelste niet op mijn tafel maar buiten op de gang neêr gelegd.

Ik raapte mijn zooveelste op. Ik had een zeker medelijden er meê, dat het daar zoo armzalig lag op den drempel. Met zekere teederheid opende ik zijn bruin papieren reisjasje, en zag toen mijn zooveelste aan. Niet mijn zooveelste kind, maar mijn dito boek. Zoodra ik hem echter aan zag, was ik verbaasd over zijn malle pretenties en slingerde ik hem op mijn tafel.

Er was geen vaderlijke teederheid meer in mij om mijn zooveelste. In plaats, dat hij, in wie ik zekere mythologische aandoeningen van schoonheid had willen leggen, zich vertoonde in een passend klassiek gewaad, dat goed zoû gestaan hebben aan wie Herakles was gedoopt, zag ik hem mal en pretentieus gedost in het kleed van een zijner oudere broeders. Een véel oudere broeder, die, Majesteit geheeten, in der tijd zijn intrede in de wereld gedaan had in een soort passende, modeste maar smaakvolle en moderne uniform, grijs en geel, waarbij hij intusschen kroon, schepter, rijksbal en -zwaard niet had versmaad. Herakles had echter zich niet beter kunnen kleeden dan in die hem al zeer dwaas staande uniform: ja, hij droeg zelfs een soort kroontje op de h van zijn naam en hij vertoonde eveneens kroon, schepter, rijksbal en -zwaard!!

- Waarom zie je er zoo gek uit? vroeg ik verstoord aan Herakles.

- Het is ùw schuld! wierp mij Herakles woedend tegen. Het is ùw schuld! Kan ik het helpen, dat oom Veen mij geen ander pakje wist te vinden, dan die uniform-jas van Majesteit? Maar u bemoeit zich ook héelemaal niet meer met ons! U geeft nièts meer om uw jongste boek-kinderen en hoe zij er uit zien! En nu zièt u hoe oom Veen ons toe takelt, als u niet van te voren hem vertelt hoe hij ons aan moet kleeden!

Een zekere weemoed mengde zich in mijn boosheid.

- Het zoû toch zoo gemakkelijk zijn geweest, mompelde ik, het hoofd schuddend over oom Veen. Als hij je maar een ros goud leeuwenvel over een blanken of rooden band had geslingerd of je naam geschreven had op een devies tusschen twee Herkules-zuilen of je portret naar den Farnezischen Herakles, zwart op wit,

[p. 281]

had geplakt op roomkleurig linnen of minstens maar Herakles sober had laten drukken op een dood-eenvoudig bandje... dàn zag je er fatsoenlijk uit, mijn arme jongen, maar nu, o mijn Herakles, ben je belàchelijk!

Herakles poefte minachtend tusschen zijn bladzij-lippen, die van ergernis gingen open waaien.

- En dàt is nog niet alles! riep uit mijn arme, misdeelde zooveelste.

- Wàt is er dan nog? vroeg ik ontsteld.

- Heb ik niet gelijk, dat u ons niet meer bemint? nijdaste36 Herakles. U staart maar op mijn mallen band en u heeft mij nog met geen blik in gezien! Daar dan!!

En Herakles, met een nijdig gebaar, sloeg open van zelve - zonder dat ik een vinger verroerde - en toonde mij zijn titelblad.

Ik werd bleek want ik las:

Herakles.
Roman in Twee Deelen.

- Maar zoo heb ik je niet ondertiteld! riep ik woedend uit.

- Dat doet dan ten minste uw smaak eer aan! riep Herakles uit. Maar oom Veen heeft mij wèl zoo betiteld. Oom Veen heeft mij ondertiteld: Roman, om u te logenstraffen, daar u wel eens verteld schijnt te hebben, dat u geen romankinderen meer hebben wilt en daarbij heeft hij mij nog in twee stukken gehakt en noemt die stukken deelen!

Ik begreep, dat ik tegen Herakles' onstuimige jeugd den rijperen leeftijd verdedigen moest.

- Oom Veen, overtuigde ik zacht maar nòg weemoediger, als het kon; is een uitgever, beste jongen. Hij is heelemaal geen echte oom, hij is zelfs wel een brave oom, maar hij is een uitgever. Hij is een “uitgever”, beste jongen. Hij geeft je “uit”. En dat doet hij om je te verkoopen. Je moet verkocht worden, beste jongen. Je bestaat minder om gelezen te worden (want dat kan je eigenlijk in een tijdschrift als Groot-Nederland, om het voornaamste van ons land te noemen, ook wel) dan om gekòcht te worden. Nu is het

[p. 282]

waar, dat oom Veen met je hemdje bijna even ongelukkig is geweest als Deianeira met den mantel, dien zij beteekend had met Nessos' bloed. Als ondertitel, mijn arme kerel, had ik je kunnen noemen: mythologische roman, en dat met zekeren trots, omdat vader misschien wel zoo een vreemd genre heeft uit gevonden. “Roman in twee deelen”... neen, dat is nièt mooi en bijna even mal als je Majesteit-uniform, maar ik herhaal: oom Veen is een uitgever en met: “Roman in twee deelen”37 denkt hij, dat je vreeslijk verkoopbaar wordt, watje, mijn jongste, eigenlijk heelemaal niet bent. Zie je, oom Veen denkt, dat een “Roman in twee deelen” wèl verkoopbaar is maar niet éen dik deel, dat Herakles heet en van goden en halfgoden vertelt. Beste Herakles, de menschen zijn verkoopbaarder in onze eeuw dan38 de halfgoden, zoo als jij er de pretentie hebt een te wezen: van de gòden rep ik heelemaal niet. Maar kom nu in je vaders armen, ik meen, in zijn handen en laat ik eens zien, watje mij te vertoonen hebt, als we je jas en je doopceêl even vergeten...

‘Daarop, o lezer, sloeg ik mijn zooveelste verder open en ging ik weemoedig zoeken naar drukfouten, die zeker waren blijven staan of zelfs ingeslopen bij het “afdrukken” van Herakles...

[...]

Dat is ùw boek, o lezer, of liever, o schrijver, gij! Dat is uw boek! En ge zijt er niet trotsch om, en zelfs niet gelukkig: ge zijt er alléen weemoedig om, zóo weemoedig, zoo vreemd weemoedig... als ik geweest ben toen ik Herakles door heb gebladerd, mijn arme “Roman in twee deelen”, waar in ik de antieke schoonheid, die mijn ziel vervulde, heb willen gieten als helder water in een zuivere vaas... zonder aan een “roman” te denken, zonder aan “deelen” te denken, aan “verkoopbaarheid”-van-mythologie, ja eigenlijk zònder te denken: alleen droomende een zaligen droom van blanke vizioenen, niet meer... [...]

Ik heb mijn zooveelste mede gebracht naar mijn Zieke. [...]

En ik toon haar mijn zooveelste en zeg:

[p. 283]

- Hier is Herakles...

Zij ziet ook vreemd naar de uniform en het doopceêl. En lacht er even om, omdat alles haar nu eigenlijk wel onverschillig laat, behalve de vreugde van nòg te leven, van weêr te leven... hoe wreed soms het Leven is. En terwijl ik diep in mij geroerd ben om diè vreugde, die ik in hare oogen plòts heb zien glanzen, vraag ik:

- Wil ik er soms iets uit voor lezen? Je kent het en daarom zal het je niet te veel op winden en dan, je moet dadelijk zeggen, als het je vermoeit...

Zij wil wel, dat ik lees. Ik lees met halve stem, heel gedempt, en het rythme ruischt niet meer dan als murmelend water door de bloemen mijner woorden tusschen ons in...

- Het is zóo mooi... zegt zij zacht en drukt mijn hand. Haar woord is mijn éerste kritiek. Er zwelt iets héel vol in mijn hart. Ik lees niet meer, bang haar nu te vermoeien met de Monsters, met al het Gewèldige van mijn jongen Herakles. Het boek ligt open op mijn schoot. Een blanke stilte weeft rondom, in de witte ziekenkamer...

En plotseling voel ik, dat ik om mijn zooveelste, om Herakles toch wel éven gelukkig ben, trots al mijn weemoed. En daarom zal ik, als wij weêr in Florence zijn, in de dierbare, verre, o zoo verre stad, Herakles laten ontdoen van de uniform zijns ouderen broeders en hem héel eenvoudig doen in binden in geel blank perkament, met groote, zacht gouden letters, die niets anders zullen melden dan: Herakles...’39

[p. 284]

Merkwaardigerwijs bracht Couperus in het feuilleton de verkeerd gespelde titel ‘Herackles’ niet ter sprake. Toen hij echter begin mei 1917 bij Veen nog een exemplaar van de roman bestelde, schreef hij over de titel: ‘[...] als je blief zonder c er in’.40

Veen liet na het verschijnen van ‘Mijn zooveelste’ een nieuw exemplaar van de roman in perkament binden met goudopdruk. Hij zond dit exemplaar aan Couperus, die hem op 15 oktober 1913 schreef: ‘Je hebt je misdrijf op een charmante manier goed gemaakt, ten minste tegenover Herakles’ vader: tegenover het publiek, dat hem “koopen” moet, gaat het, helaas, nìet en zullen ze hem wel eens voorbij loopen, denkende, dat... hij “Majesteit” is. Heusch, toen ik hem zag, wist ik niet of ik goed zag, zoo gek deed het mij aan. En het titelblad heb ik zoo niet gekregen, anders had ik er dadelijk op opmerkzaam gemaakt. Je kan wel ondertitelen:

Extaze
Een Boek van Geluk,

Maar

Herakles
Roman in Twee Deelen,

dat zal je me nu toch wel toe geven, is een fout in smaak bij het drukken; er had nog moeten bij komen: Oorspronkelijke Roman, dan was het compleet geweest!!!

‘Enfin, we zullen nu maar nìet meer brommen en hartelijk dank voor je zoo charmante gedachte mij dadelijk mijn zooveelste te zenden in een perkamenten jasje.

‘Toch, nog dit. Er staan in Herakles vreeselijk veel drukfouten, van dit genre:

guustig, voor gunstig

Keyk voor Keyx, terwijl overal anders goed: Keyx staat.

vrouwetrekken voor vrouwevertrekken.

‘Fouten, te wijten alleen ter drukkerij, want ik geef veel tijd en zorg aan mijn proeven en mijn vrouw leest ze nog op het laatst

[p. 285]

over en zulke dingen zijn dus eenvoudig slordigheid aldaar. Het wemelt er van.’41 Veen antwoordde hem op 18 oktober: ‘Het deed mij natuurlijk genoegen dat gij de perkamenten H mooier vondt dan die andere verknoeide. Ik zal een nieuwe titel drukken en de ex. in een ander gewaad steken maar moet dan eerst de ex. terugvragen die ik den boekhandel ter inzage zond. Mij dunkt dan is een gedeelte goedgemaakt van hetgeen ik door onoplettendheid verknoeide.

‘Verder zal ik de vellen die gij ter afdrukken zondt terugvragen en je opzenden opdat gij kunt zien bij wien de fout ligt van die k in x. Ik denk zeker dat de fouten van de auteur zijn.’42 Dezelfde dag schreef hij aan de drukker: ‘Zet nog even den titel van Couperus, Herakles maar dan zonder toevoeging van “Roman in twee deelen”. Geef mij daarvan Dinsdag s.v.p. proef. Zend mij dan ook even de vellen met titel waarop ik “afdrukken” opzette. De auteur maakt verschillende aanmerkingen en ik moet nazien of deze bij hem schuilen wat ik wel veronderstel. Ik tik de lui gaarne op het vestje.’43 Een week later zond hij Couperus de bewuste vellen: ‘Hierbij de proeven die gij ter afdrukken gaaft van Herakles. Zie nu eens na of gij of de drukker de schuld zijt van x in k enz.

‘Hierbij ook titel nieuwe. Geef die s.v.p. even terug.’44 Couperus heeft, zoals Veen veronderstelde, de genoemde fouten in de drukproeven ongetwijfeld zelf over het hoofd gezien.45

Op 23 januari 1914 schreef Veen aan Couperus: ‘Kan titel Herakles nu afgedrukt worden. Ik drukte n.m. 600 Ex. op dik papier en 900 op dun papier en kan die dunne wel in een passend gewaad laten verschijnen.’46 Couperus antwoordde hem eind januari:

[p. 286]

‘Natuurlijk, Herakles (zonder Roman in Twee Deelen) kan afgedrukt worden.’47 Op 2 februari gaf Veen opdracht aan Thieme de titel op dun papier af te drukken.48 Vervolgens liet hij een gedeelte van de voorraad op dun papier binden in één band, per deel voorzien van de nieuwe titelpagina.49 Een onbekend aantal ingenaaide exemplaren van de eerste bindpartij (op dik papier) werd eveneens opnieuw gebonden, in twee delen, nu met een correct gespelde titel.50 Ook in die exemplaren liet Veen nieuwe, correcte titelpagina's invoegen. De honderdvijftig gebonden exemplaren op dik papier met de ‘Majesteit’-band werden hoogstwaarschijnlijk niet aangepast.

 

De uitgave van 1913 is de eerste en enige druk van Herakles die tijdens Couperus' leven is verschenen. De oplage was waarschijnlijk 1650 exemplaren.51 De roman was geen verkoopsucces. Anderhalf jaar na verschijning, op 12 april 1915, schreef Veen aan Couperus: ‘Ik verdiende aan Herakles 500.38 netto [...]. Er werden 451 Ex verkocht.’52 In het voorjaar van 1917 liet hij nogmaals een aantal exemplaren binden van de in plano bewaarde voorraad op dun papier.53 Er zijn later (waarschijnlijk na 1919, toen Veen al was overleden) opnieuw exemplaren van de voorraad gebonden in één - opnieuw andere - band. In de exemplaren van deze laatste(?) bindpartij is per deel de oorspronkelijke titelpagina gehandhaafd, mèt de door Couperus gewraakte ondertitel ‘Roman in twee deelen’.

[p. 287]

Tekstkeuze

Voor deze uitgave van Herakles is de eerste en enige tijdens Couperus' leven verschenen druk als basistekst gekozen: hij vertegenwoordigt de laatste door de auteur actief geautoriseerde versie. Couperus heeft de kopij ervan geleverd en de drukproeven ervan zelf gecorrigeerd. Voor de tekstsamenstelling is gebruik gemaakt van het exemplaar van de eerste druk dat zich bevindt in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (sig. 917 C40).54

Correcties

In de tekst van deze uitgave zijn, mede op grond van een woord-voor-woord vergelijking van de tijdschriftversie van Herakles met die van de eerste druk, de hieronder volgende correcties aangebracht. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de verbeterde lezing gegeven; na de ‘Duitse komma’ (/) volgt de oorspronkelijke, foutieve lezing. De laatste is voorzien van een asterisk (*) als zij ook in de tijdschriftversie voorkomt.

14,31 Herakles/Herakles'
20,21 neêr/neér
21,14 oververzadigd/overzadigd
27,6 juichende/juchende
29,12 duldt/duld*
36,9 toe;/toe:*
38,30 Herakles/Herakles'*
46,15 flikkerden/flikkerden
59,20 mij/wij*
64,22 rug./rug,
67,33 vaarwel dan,/vaarwel, dan*
68,25 spanning/spanning,
73,4 hoornen,/hoornen (ontbreekt gn)
80,25 gelegd,/gelegd
82,11 bloeiende/bioeiende

[p. 288]

83,7 Keyx/Keyk55
83,13 wilde/wilden
83,28 haat;/haat:
85,19 heilig/helg
88,20 vizioen/vizoen
90,21 leed/leedt*
90,33 liefde./liefde
102,18 gindsche/gindsch
103,6 wien niemand/wien niemànd*
104,20 Eenzaamheid.../Eenzaamheid,..
107,3 Herakles/Harkeles
109,2 spanden/spande
113,25 boei/bloei
114,30 achtsten/achsten
114,33 koningszoon/koningzoon
118,22 stille/stilte
119,28 slechts/slecht
121,32 hinnikend/hinnekend*
122,25 stevig/stevìg*
124,17 vluchten/vluchtten*
125,23 Herakles!!/Herkales!!
125,31 Rossen/rossen*
127,22 Thrachis/Trachis*
129,3 Deianeira's/Deaneira's
129,14 Deianeira/Deianeîra
131,12 handen;/handen,
132,19 vorsten,/vorsten.
134,1/2 hinnikende/hinnekende*
134,26 Thrakië's/Thrakie's
136,9 kenden/kende
136,11 Thrakië's/Trakië's
136,23 doelloos/doelloes

[p. 289]

137,34 verwilderen,/verwilderen.
138,16 Herakles,/Herakles.
139,16 gestrekt:/gestrekt;56
139,26 stemme/stemmc
140,11 Thrachis/Trachis
142,7 zich/zîch
144,4 hinnikten/hinnekten
144,12 vreugde/vreuge
144,23 Thrachis/Trachis
146,6 de/de de
148,34/35 zonk zwaar [...] neêr/steeg hoog [...] òp*57
149,5 zinkt diep [...] neêr/stijgt hoog [...] òp*58
152,15 Thrakië/Thrakie*
152,26 vast.../vast,..
153,9 Noodlot,/Noodlot
153,11 allerverschriklijkst/allerverschiklijkst
154,18 meê/mêe
154,20 Thrachis/Trachis
154,27 wollig/wollige
155,6 Thrachis/Trachis
155,8 eere van/eer van*
156,33 vermoord/vemoord
158,17 weemoedig/weemoedlg
162,18 hinnikend/hinnekend*
168,10 eerden/eerde
173,25/26 teederheid/teerderheid
175,29 òm/ôm
176,25 elkander/elkanker
177,12 Herakles'/Herakles*
179,33 Thrachis/Trachis

[p. 290]

180,3 Hinde,/Hinde.
181,21 smart.../smart,..
186,15 meldt/meld
190,17 goudgelokte/godgelokte*
192,1 rechterhart/linkerhart*59
192,24 verschrikt/verschikt
195,13 xxxix/xxxviii*
200,5 Thrachis/Trachis
200,35 onze!/onze
201,18 xxxx/xxxix*
203,14 riepen:/riepen!
205,1 xxxxi/xxxx*
206,12 als in het/als het
210,1 Atlas/Altas*
213,25 goddelijke/goddelijk
215,3 knieën/kniëen*
215,21 xxxxii/xxxxi*
216,18 die/dien
219,8 vooruit/voouit
219,14 xxxxiii/xxxxii*
221,9 Thrachis/Trachis
222,19 onsterfelijke/onsterfelijke,
225,1 xxxxiv/xxxxiii*
231,25 xxxxv/xxxxiv*
232,10 bronzene/brozene
235,9 harpen:/harpen
237,9 xxxxvi/xxxxv*
240,19 zuster/zusters
240,26 vrouwevertrekken/vrouwetrekken*60
241,18 xxxxvii/xxxxvi*
244,26 Herakles'/Herakles
245,25 zoû hij/zoù hij

[p. 291]

246,10 zoû/zoü
247,1 xxxxviii/xxxxvii*
250,16 ommantelen/onmantelen*
252,18 Spreek!/Spreek?*
255,4 Thrachis'/Trachis'
255,5 xxxxix/xxxxviii*
255,19 Thrachis'/Trachis'*
255,22 Thrachis/Trachis
256,32 Thrachis/Trachis
257,8 klacht/kracht
258,23 neêr/neér*
258,31 ik?!/ïk?!
259,16 treê/trêe*
264,24 om/op*
265,3 krachten./krachten,
265,5 poging/poging.
265,30 harstigen/hartsigen*
266,8 stapel/stapel,
266,27 storten/stortten*

Varianten

De eerste druk van Herakles vertoont ten opzichte van de tijdschriftpublikatie de hieronder volgende woordvarianten. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de lezing van de boekuitgave gegeven; na het ‘ontstaan-uit-teken’ (<) volgt de vroegere tijdschriftversie.

8,33 dichte < de dichte
12,8/9 het eerst geboren maar klein < geboren klein
13,7 troon en < troon, haar
21,32 die < dat
34,12 oude herder < herder
35,21 morzele koppen < koppen
36,26 Wat, o vrienden, heden < Dat, o vrienden, wat heden
37,21/22 begonnen < beginnen
37,30/31 wier muilen < die

[p. 292]

38,21 adem steeds halend < nauwlijks hijgend
39,16 wagen < wagen met gevlochtene rijs te bevesten om het
39,18 en < door het wolkende stof, naar Argos, en
39,20 spoelen < zich spoelen
41,28 bezeten < bemind
41,34 of zij gevoelden, dat zij de Liefde niet waren geweest... Met < Met
43,25/26 water... Maar zij waren de Liefde niet < water en smachtte hij ze te omhelzen
44,15 allerverschrikkelijkste < onafweerbare
45,15 allerverschrikkelijkste < onafweerbare
45,17 hooge en < hooge,
45,29/30 ratelend [...] schoot blank weêrlicht < ratelde [...] als blank weêrlicht
49,16 doet Afrodite < doet Hermes, doet Afrodite
50,19 Apollo en Zeus < Zeus
51,10 zelfs < zelf
53,10 een kop van sneeuw < een sneeuwen kop
55,24/25 waarlijk geen god, zijt gij geen held < een god, zijt gij een held
56,20 dubbel ge-öorde < berkenhouten
58,26 diepe, dubbel ge-öorde bekers < diepe bekers van berkenhout
59,14 Gij zijt, < Gij zijt hèm,
63,4 had < had hij
63,21/22 was [...] ook < al was [...] wel
64,2/3 hoe, samen met Iolaos, hij den onsterflijken Hydrakop met de steenen had overstapeld; hoe hij < hoe hij
65,29 rijden < mennen
70,28 Maar < En
70,29 vooral < wel
70,29 en verweigerde < naar Admete of Deianeira, maar verweigerde
70,33 wellust-trillende < liefde-trillende

[p. 293]

71,23 blanke < gele
72,25 een stralenden < met een stralenden
73,4 hoeven en hoornen,61 < hoeven
82,23/24 huis met boog en pijlenkoker < huis
84,1/2 sloeg of, zinneloos, worgde trouwe, teedere Deianeira als hij Megara verworgd had < sloeg, zinneloos, en trouwe, teedere Deianeira versloeg als hij Megara verslagen had
86,14 hand < bevende hand
89,16 zoo de oude < zoo de zuilen en de poorten van dit paleis, zoo de oude
89,17 op < op hun marmer en brons, op
129,8 zorge en < zorge en van
130,31 hem < zich
136,12 even min als < even vroom als
141,29 den droom < een droom
142,32 veel < alles
143,1 bijna alles < alles
143,18 bezeten < bemind
146,2 maakten < maakte
146,10 brachten < zij brachten
152,6 draag < droeg
152,15 in < in ver
155,28 maar < en
160,30/31 merrie, [...] trappelend < merrie en [...] trappelden
163,25 om < aan
168,3 heerlijk < heerlijk en heilig
176,8 omhoog < hoog
182,4 tot < toe tot
182,7 dan zeggen < doen weten
188,5 melden moesten < hadden melden moeten
190,5 vielen velen < velen vielen
192,33 af, < af en

[p. 294]

201,14 hoogen < hoogeren
211,25 steken < uit steken
216,32 zegt < meent
229,14 dans < Pyrrhischen dans
229,29/30 weemoedig < bijna weemoedig
232,22 bladgoudbol < bladgoudbal
242,18 ter < naar de
245,22 bal < bol
246,18 volvoeren < volbrengen
254,17 raakten < roerden
256,7 beminde < beminde, hoe zij hem beminde
256,30 de < naar de
257,27 den wagen van haar gemaal < de kar haars gemaals
259,11 lijf < kleed
260,33 hem meer < meer hem
261,35 de weg < deze weg
263,7 langs < uit
263,31 Herakles < hij

Afbrekingstekens

In deze uitgave van Herakles moeten de volgende afbrekingstekens als een koppelteken gelezen worden:

6,12 vissche-
20,11 damp-
20,14 klauwe-
29,7 Foibos-
35,23 Hydra-
47,30 zuilen-
51,25 Vèr-
72,18 maagde-
72,24 adem-
73,1 wonder-
73,3 goud-
73,16 Foibos-
84,24 ge-
107,27 Vèr-
120,32 rood-
130,5 rood-
150,1 schubbe-
152,26 manne-
155,16 rei-
156,21 bladgoud-
157,24 maagde-
168,22 mensche-
175,13 godinne-
175,34 godinne-
200,25 Hera-
206,29 heelal-

[p. 295]

216,3 zonlicht-
229,12 Rheia-
239,8 Alkaïos-
245,23 liefde-
266,5 hydra-
267,14 weêrlicht-
292,28 Hydra-

* Voor de bibliografische gegevens werd onder meer gebruik gemaakt van het Bibliografisch Repertorium Louis Couperus, een door zwo gesubsidieerd project, onder redactie van G. Borgers, E. Braches, K. Reijnders, uitgevoerd door Marijke Stapert-Eggen.

Zie voor de editieprincipes van de Volledige Werken Louis Couperus: Algemene verantwoording van de Volledige Werken Louis Couperus. Utrecht/Antwerpen, 1987. De editieprincipes zijn vastgesteld door Ernst Braches, Jan Fontijn, Karel Reijnders, Marijke Stapert-Eggen en H.T.M. van Vliet.