Terug naar Hongkong, over de breede Parelrivier. Des morgens in teeder, werkelijk parelkleurig licht. Wat zachte grijszilveren tint over oorlogsschepen en jonken, met even wat smook er door heen. De jonkezeilen als drakevlerken of immense vinnen van reuzenvisschen. Een graf op een eiland in rose gloor van doorbrekende zon. Duidelijker lijnen de bergen op, de lange kust langs. Zij grilligen in onverwachte karteling en gaven zeker aan Chineesche architectuur en kunst het baroque en getourmenteerde. Natuur gaf steeds haar eigen karakter aan de kunst, die in haar sproot. Hellas' berglijnen deden mij eens aan hexameters denken. Zwitserland geeft in hare hoogtoppige grootschheid de zucht naar vrijheid, maar in hare lagere dalen àl het sentimenteele der pastorale. Noorwegen's hooglanden waren mij somber als haar literatuur en ziel. Deze langs mij wegglijdende pieken en punten, waartusschen gladde tafelgesteenten, laten mij denken aan Chineesche poorten, muren en tempeldaken.
Wij zijn terug op onze brave Tji-Kembang, op weg naar Shanghai. Hooge zee, wind. Hebt ge ooit de zee overspannen gezien als met een netwerk van schuim, waaronder de golven rijzen en dalen? Werkelijk, zeeroovers hebben een Japansch stoomschip aangehouden en voor duizenden kunnen rooven! De wind weent in het want! (Wat een mooie alliteratie!) Visschersbootjes den volgenden dag: ze dansen en duiken in de
golven! En slingeren! Ter zijde en achter- en voorover. Altijd met hun beidjes, want zoo beter tegen minstens één zeeroover bestand.
De modderige Gele Rivier op: Shanghai daarginds. Iets van Londen en de Theems, op een dag van werkstaking en slappe traffic. Slechts één dag te Shanghai! Is er veel te Shanghai te zien? Het zal wel. Wij hebben er alleen even gewinkeld. Hadden geen tijd. Weet ge, daarginds gaan de kerseboomen bloeien. Ik meen in Japan. Dat is zoo broos! Dat is met één windvlaag weg! O, als we de kersen niet in bloei zagen in het licht der Rijzende Zon! En morgen vertrekt de ‘Empress of Asia’ naar Kobe! Is er nog een hut? Cook zegt van ja. Brave Cook. Dus één dag maar in Shanghai. Met een sleep koffers naar Astor House Hôtel en den volgenden morgen met denzelfden sleep weêr terug. Anderhalf uur met de launch. Dan op de ‘Empress of Asia’. Een van de mooie booten van de Canadian-Pacific Ocean Service Ltd. Wit waterkasteel, vele étages hoog. Zijn alle koffers er? Goddank, ja. Het was op het nippertje.
Wat een klein hutje! Maar met rood brokaat behangen. Het is een prachtig schip. Je trekt weêr eens je smoking aan. Een echte Salon, met een open vuur! En dat op een schip. Overal cosy-corners, leeskamers, rookkamers. En, natuurlijk Pêches Melba. Studie maak je op medereizigers. Veel Engelschen. Altijd wel echt kalm. Bij voorbeeld, die frissche, blonde jongen, wien één been, hoog, was afgezet en die zich op zijn twee krukken voortbeweegt, impassibel en snel, alsof hij zoo geboren is. Ik bewonder hem. Een paar dagen kiezen, American style, uit een lang menu, maar onveranderlijk natuurlijk: Pêches Melba. Nagasaki ligt voor ons. Japansche formaliteiten aan boord. Dokters gelooven, dat eerste-klasse pasagiers op hun eerewoord gezond zijn. Passen worden in de smokingroom bestudeerd. Een glimlachende Japanner buigt voor me. Het is de gids. Ik mag hem wel. Hij praat heusch Engelsch. (Het zal me blijken, dat dit niet regel zal zijn met alle Japanners, met wie je te doen hebt). Hij bestelt een oude kar van een auto. En wij gaan naar Moji. Vreemd, als je ergens bent op reis, ga je altijd weêr ergens anders heen. Moji is een badplaatsje, een visschersdorp. Ik zie mijn eerste Japansche landschap.
Ons oog is al vele jaren lang bedorven door leelijke reproducties van Japansche kunst. Maar heusch, als je nu in eens ziet, met één blik, dat het Japansche landschap wèl dat is van alle Japansche kunst - goede en slechte - dan is dat toch wel een verrassing, die aangenaam aandoet. Ze hebben je dus niet voor den gek gehouden. Het Japansche landschap, zooals je het kent van lakwerk en porcelein en schilderkunst... bestaat. Het is precies zoo, als ze het je hebben afgebeeld. Gestyleerd maar toch realistisch. Het was geen aardigheid en fantasie van de Japansche artisten. Wat je reeds kende als kunst of wat daarvoor doorging... zie je nu, niet in een droom, maar met je lichamelijke oogen.
Dit land van het Uiterste Oosten openbaart zich niet dadelijk als grootschheid, zooals bijvoorbeeld, de machtige natuur van Sumatra. Mogelijk, dat later, bij inniger doordringing, Japan - het oude Nippon - wier vulkanische katastrofen toch legendarisch zijn, plots onverwachts dergelijke titanische lijnen mij toonen kan. Hoewel ik er voor vrees. Op het oogenblik kan ik mij niet losmaken van al de souvenirs van lakwerk en porcelein. De heuvelen golven met de bekende lijn; dáár zijn de baaien en kapen, de puntig uitstekende voorgebergten, en wat klein van silhouet, precies als ge het wist. Maar nu is het toch wel curieus, dat ook die pijnboomen, met hunne ijle, stekelige kwasten, zich verwringen op zoo een voorgebergte, precies zooals ge het honderd maal op Japansche prenten gezien hebt. Dat zij zoo eerlijk waren, die kunstenaars! Hoe dikwijls hebben wij eigenlijk niet in ons binnenste vermoed, dat deze kunstnatuur eeuwenoude conventie was. En nu zien wij haar als natuur-natuur. Dan zijn het de dorpjes, die wij op onmogelijknauwen weg door tuffen: wij kennen die dakjes, die ruitjes van papier tusschen bamboestijltjes, die tuintjes; een boompje gekronkeld tot even over het dak ter zijde en ook de stoffeerende figuurtjes: de bontgekleede kinderen - hoe jonger hoe bonter zich de Japanner kleedt - als poppen uit den eersten den besten winkel in Europa. Dan de vrouwtjes met de kapsels, die wij kennen, dan de mannen in de kimono's, die wij kennen. Het is alles als een reeds opgelost raadsel, misschien zelfs nu en dan een ontwijd geheim. Wij zullen ons moeten
losmaken van de souvenirs van goedkoop Japan in Europa. Wij zullen een anderen blik moeten leeren krijgen op deze natuur, die toch werkelijk, een beetje aangelegd en artificiëel, zoo heel curieus aandoet, maar wier gratie en bijna zich bewuste sierlijkheid niet is te ontkennen. Wij zullen ons moeten herinneren al de werkelijke en echte Japansche schoonheid, die wij ook reeds - overvloedig - leerden kennen in Europeesche verzamelingen. En niet méér eischen. Japan is ons nu eenmaal geen mysterie meer.
Het is nog de koude Lente. De kamferboomen rillen met hunne glanzende bladeren, die wij plukken om ons te vergewissen, dat er een kamfer-aroom aan kleeft. De fijne bamboe's - de Japansche - zijn als dooreen gewoelde, even kruivend gebogen, zeer lange struisveêren, bij trossen in den grond gestoken of decoratief op een rots geplant. De wistaria's - de blauwe regen - doen nog niets: hun eeuw-oude, verkronkelde stammen krinkeren verderop met takken als slangen langs latwerk van priëelen en pavillioenen en blijven nog naakt in afwachting van eerste blad en tros. Dan, heel ijl, in den te kouden wind, bibberen de eerste perzikbloesems, paars, als gestrooid en geblazen door de bevende twijgjes heen. Dan, de eerste kerseboompjes, in bloei, povertjes wemelend de rose bloesems tegen een staalgrauwe lucht en huiverend zich klemmende aan den moedertak: armelijk waaien de bloemblaadjes af. Het is nog geen Lentefeest. Hier, aan het strand, de theehuizen, papieren ruitjes, matten vloer en zitplaats, twee treden hoog, die geen stoffige zool mag ontwijden, en tuintjes met dwergboompjes, meestal ook een stukje rotssteen decoratief bij het boompje geschikt. En de ons toebuigende vrouwtjes, glanzend hoog gekapt, bezig met wasch uit te hangen.
Eerste Japansche indrukjes. Je moet je best doen er niet om te lachen. Ben je nu zóó ver gekomen om dat te zien? Was dat de moeite en de kosten waard? Maar het zal toch wel mooier worden, overweldigender! Dit is nog maar om en bij Nagasaki en dit is nog niets.
Vóór den Japansch-Russischen oorlog was Nagasaki een vrij importante plaats. De Japanners spraken er Russisch en er waren steeds vele Russen. Wie weet welke spionnage er om-
ging. Intusschen was er traffic en business en lagen er oorlogsschepen en handelsschepen in de haven. Nu schijnt Nagasaki zijn rol te hebben gespeeld; het stadje doet vervallende aan. Kom, laat ons in dit middaguur opgaan naar den Tempel van het Bronzen Paard.
Wij moeten ons een beetje inwerken in godsdienstige kwesties, willen wij tempels gaan zien. En dus vooral weten wat Shinto-godsdienst is.
Japan eert het Boeddhisme en het Shinto-isme; de eerste godsdienst kwam door Korea en China uit Voor-Indië; de tweede was - mag men aannemen - geboortig van dezen grond, want Japan's oorsprong van taal en volk en eerste beschaving is nog een onopgelost mysterie. Alle latere cultuur heeft Japan aan China te danken. En zelfs zou men meenen, in aanmerking nemend hoe China zijn voorouders godsdienstige eer bewijst, dat de Shinto-godsdienst ook wellicht uit duisteren Chineeschen invloed is. De Shinto-godsdienst - Shinto beteekent den Weg der Goden - is de nationale religie, die hare mythen en legenden heeft; zij hangt in haar geloof en eeredienst vooral samen met al wat de geloovige voelt voor Vaderland en Keizer. Hoewel zij langzamerhand een geheel pantheon van grootere en kleinere natuur-godheden samenstelde, is zij een godsdienst van eenvoudige uiterlijke vormen, en die vooral de eeredienst der Voorouders voorschrijft. De Keizer is de afstammeling in rechte lijn van de Zonnegodin - er is ter wereld geen zoo oude dynastie als de Japansche - en te Isê wordt aan deze Voormoeder nog eere bewezen. Het is vreemd een volk, zoo reeds doordrongen van Westersche Cultuur - een cultuur niet opgedrongen, maar uit eigen beweging gezocht - nog te zien vasthouden aan de meest mythische overlevering van de afstamming zijner vorsten.
De tempel, dien, vrij hoog gelegen op een tempel boven Nagasaki, wij gaan zien, is dus zulk een Shinto-tempel. Wij klimmen een slingerenden rotsweg op, als door een park van groote boomen - in vergezicht ginds de stad en de zee -. Het zal ons treffen, dat wij eigenlijk nooit een tempel zullen binnengaan: tusschen een complex van tempelgebouwen blijven wij dwalen.
Boven, voor den tempel, zien wij den steilen tredenopgang, dien wij hebben ontweken door een omweg te maken en de treden gaan onder enkele ‘toriï’ door. De ‘toriï’ is een der architecturale eenheden van een Shinto-bouw, de ‘toriï’ is de Poort der Loutering in de eenvoudige lijnen als van een symbool. Wie een ‘toriï’ doorgaat, is reeds eenigszins gezuiverd van zijn laatste wereldsche gedachte; wie enkele ‘toriï’ is doorgegaan, is reeds gelouterd om in het offerblok vóór den tempel zijn penning te werpen, driemaal te klappen in de handen, te buigen eerbiedig voor de godheden, wien geene beelden zijn opgericht en te bidden in zich tot zijn beschermgod en zijn voorouders. Soms hangt een gedraaid strooien koord met kwasten aan den boog van den ‘toriï’; ook dit koord is een symbool van zuivering en vergeestelijking.
De tempel is eenvoudig in blank hout opgetrokken, zonder kleur of goud, en zijn dak van dikke cypres-schors, aan de uiteinden geschoren, met enkele kruislings òpstaande, uitstekende binten, is de voornaamste eigenaardigheid van dezen bouwtrant. De tempels, steeds in hout, zullen dus een paar malen in de honderd jaren vernieuwd worden: zij worden dan, vervallen zij, afgebroken en weêr identiek opgetrokken. Zie, daar staat het Bronzen Paard, het symbool van het Ros, dat de Boodschapper der Goden op den Eindelijken Dag zal bestijgen. Maar behalve het symbool, wacht een goedige hengst, in werkelijkheid en levenden lijve, ginds eveneens den Boodschapper der Goden. Hij staat daar even buiten zijn stal gebonden, precies als een heel gewoon paard, dat zijn berijder zoû wachten. Tusschen bronzen paard, levend paard, ‘toriï’ en tempelgebouwen, krioelt een drukke menigte van spelende kinderen en slenterende Japansche mannen en vrouwen.
Bandeletten van wit papier, wigvormig gevlochten aan elkaar, zijn de ‘gohei’, symbolen van zuiverheid; zij hangen hier en daar aan de tempelgebouwen te bengelen. Een witte voorhang van lijnwaad, waarop zwarte, ronde motieven of heilige letterteekens, sluit nog den tempel af. Ginds, in een bijgebouw waar een priester kriebelteekens zit te schrijven, staat iets als een metalen spiegel: het is inderdaad de geëischte reproductie van
den heiligen Zonnespiegel - dien der Goden - die te Isê aangebeden wordt.
Het geheel is verwarrend vreemd den Westerling, maar zekerlijk veel eenvoudiger dan de inrichting eener Roomsch-Katholieke kerk den Oosterling moet zijn. Maar hier wil ik mijn ‘charm’ koopen, op aanraden van den gids...