|
|
|
| |
| | | |
Verantwoording
| | | |
Half maart 1913 vertrok Couperus met zijn vrouw naar Spanje. In Barcelona ontmoetten zij volgens afspraak hun Italiaanse vriend Giulio Lodomez. Samen met hem maakten zij toen een rondreis van drie maanden door Spanje en Noord-Afrika. Zij bezochten onder andere de plaatsen die in de vroege Middeleeuwen onder Moorse heerschappij hadden gestaan, zoals Valencia, Cordoba, Sevilla en Granada. In de laatstgenoemde stad bezichtigde Couperus de Alhambra, een van de beroemdste monumenten van de islamitische bouwkunst.1
Van half april tot eind november 1913 deed Couperus, onder de verzameltitel ‘Bladen uit mijn dagboek’, verslag van zijn Spaanse reis in zijn wekelijkse feuilleton in Het vaderland. Aan de Alhambra besteedde hij maar liefst zes feuilletons.2 Onder de titel ‘Wie de Alhambra bewoonden’ vertelde hij over het lot van de stichter, Mohammed 1, en van de laatste bewoner, Aboe-Abdal-lah of Boabdil. Over hem schreef hij in Het vaderland van 12 juli 1913 onder andere: ‘De geschiedenis van Boabdil is geheel en al een roman. De karakters der hoofdpersoon en wie hem omringden zijn tragiesch en dramatiesch beide. De psychologische romanschrijver zoû een dankbaren arbeid vinden in de ontleding der ziel van den jongen vorst, in die van zijn vader, in die van zijn moeder, in die van de tweede vrouw zijns vaders, in die zijner eigene gemalin. Ook de bigotte, Katholische zielen van Ferdi- | | | | nand en Isabella te midden hunner dweepzieke, ridderlijke edelen zouden mooi contrasteeren met die fatalistische Moslem-zielen der bewoners van de Alhambra. Ik denk dien roman u waarlijk niet te geven in deze bladen, wier luchtigen vlucht ik niet bezwaren wil met zoo wichtigen last als dit historisch-letterkundige werk zoû zijn.’3 Het is niet bekend of Couperus toen al had besloten de roman te schrijven die de geschiedenis hem als het ware aanbood. Vermoedelijk is hij enkele maanden later, in de herfst van 1913 aan De ongelukkige begonnen.4
De totstandkoming en de publikatie van De ongelukkige gingen met veel problemen gepaard. Couperus schreef de roman niet achter elkaar, maar met onderbrekingen. De gedeelten die voltooid waren, werden onmiddellijk in Groot Nederland voorgepubliceerd. Begin 1914 begon uitgever L.J. Veen met de produktie van de vijf bundels Van en over alles en iedereen. Couperus werd overstelpt met proeven. Hij kon de correctie daarvan op een gegeven moment niet meer combineren met andere zaken. Op 17 april 1914 schreef hij aan Veen: ‘Ik moet een beetje rust hebben, werk ook niet aan mijn Ongelukkige en schrijf alleen maar mijn feuilleton (en corrigeer proeven!!)’5 Door de gespannen politieke situatie vlak vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stagneerde de postverzending en werden gedeelten van De ongelukkige zonder verwerking van correcties van Couperus in Groot Nederland afgedrukt.
Couperus voltooide de roman begin augustus 1914. Maar hij kon zijn kopij niet meer versturen. Bovendien begon hij te twijfelen aan de waarde van het werk. Na de oorlogsverklaring van Duitsland aan Frankrijk noteerde hij op 5 augustus in zijn tweede
| | | |
‘Brief van den nutteloozen toeschouwer’: ‘Daar ligt mijn werk, dat ik niet kan verzenden, omdat het misschien geconfisqueerd kan worden. Arme, onschuldige werk; het is het slot van een roman, die van “historie” spreekt en van “oorlog” tusschen Spanjolen en Mooren. En het lijkt mijzelven knutselwerk van woorden toe nu de Historie zelve mij driftig omruischt en de Oorlog zelve is los gebarsten. En weemoedig leg ik dat werk weg, het erg waardeloos vindend in deze tijden. Wie geeft om Boabdil, dien laatsten Vorst van Granada en Isabella la Catolica, in deze tijden, dat de twee machtige volkerengroepen elkander zullen bestrijden om de suprematie in dit aardsche Dis, in deze wereldhei?’6
Op 13 oktober 1914 stuurde Couperus het laatste gedeelte van de kopij van De ongelukkige naar Frans Coenen, de opvolger van W.G. van Nouhuys als redacteur van Groot Nederland. Het slot van de roman zoû pas in de januari-aflevering van 1915 verschijnen. Een maand later keerde Couperus terug in Nederland. Op 20 februari had hij een ontmoeting met zijn uitgever Veen in het Doelen Hotel te Amsterdam.7 Zij zullen toen ongetwijfeld over de boekuitgave van De ongelukkige gesproken hebben. Een afspraak over het honorarium werd niet gemaakt. Wel zegde Veen een voorschot of lening toe van ƒ1000,-, uit te betalen in twee termijnen van ƒ500,-. De eerste ƒ500,- stuurde Veen op 22 februari via Couperus' bank Scheurleer & Zn in Den Haag.8
Ervan uitgaande dat hij wel met Couperus tot overeenstemming zoû komen, liet Veen half maart 1915 drukkerij Thieme beginnen met het zetten van De ongelukkige.9 Maar op 29 maart liet Couperus hem weten: ‘Ik woû je alleen zeggen, beste vriend, dat ik voortaan toch wel weêr zou willen behouden mijn recht op “nieuwe condities met volgende uitgaven”, zoo als wij het vroe- | | | | ger steeds deden: ik kan toch maar waarlijk niet voort gaan, zoo als ik het een paar jaren van “crizis” gedaan heb, je dadelijk alle rechten af te staan. Maak dus voor De Ongelukkige contract op; geef mij watje denkt en laat mij behouden mijn auteursrechten voor “volgende uitgaven” [...].’10 Begin april stuurde Veen het concept-contract van De ongelukkige. Hij bood een honorarium van ƒ500,-.11 Couperus reageerde afwijzend: ‘Ik heb je concept-contract ontvangen maar kan waarlijk niet ingaan op zulk een voorstel. Ik meende uit ons laatste gesprek te hebben kunnen opmaken, dat je hooger honorarium kon geven. Heb ik mij vergist, dan moeten wij werkelijk maar niet meer samen werken maar ik kan niet voortgaan met een groote, historische roman af te staan voor zulk een prijsje.’12 Veen antwoordde: ‘'t Beste zal zijn dat gij mij opgeeft, wat gij voor uw boek moet hebben. Is het mij te hoog, ik zeg het dan gerust. [...]
‘Ik verdiende aan Herakles 500.38 netto en dacht hetzelfde voor dezen roman. [...]
‘Het finantieel resultaat legt wel eens bij eene uitgave gewicht in de schaal maar niet altijd, maar vindt gij het resultaat van Herakles nu zoo dat ik werkelijk veel meer kan geven dan 500. =.’13
Begin mei 1915 ontmoetten Couperus en Veen elkaar opnieuw in Amsterdam.14 Na het gesprek schreef Couperus vanuit zijn Amsterdams hotel: ‘Ik geloof, dat [...] het beter is, dat ik mijn fortuin eens probeer bij een anderen uitgever, wat De Ongelukkige aan gaat. Ten minste, je laatste voorstel kan ik niet aannemen. Het geen echter niet insluit, dat wij behoeven te breken voor altijd.
‘Het voorschot, datje zoo vriendelijk was, mij te geven zal ik door Scheurleer je weêr over doen maken.’15 Hierna wendde
| | | |
Couperus zich tot Van Holkema en Warendorf, de uitgever van het tijdschrift Groot Nederland. Op 17 juni sloot hij met deze firma een contract voor de uitgave van De ongelukkige. Couperus ontving een honorarium van ƒ1500,- en de belofte dat bij een eventuele herdruk nadere condities zouden worden afgesproken.16 De overeenkomst was al in mei mondeling overeengekomen. Toen Couperus Veen hierover had ingelicht,17 antwoordde deze op 17 mei: ‘Geluk gewenscht want ƒ1500. = is een mooi honorarium en ik vrees dat het mooie alleen aan een kant is. Het verschil is zoo reusachtig dat ik er paf van stond en begrijp ik volkomen dat waar gij zoo'n honorarium kunt krijgen, gij over mij ontevreden zijt maar wij spreken elkander later nog wel eens en wanneer daar die mooie honoraria niet aanhouden, dan is zoo'n enkele maal geen maatstaf. Toch kan [...] onze goede vriendschap daaronder niet lijden en zie ik nog wel eens een boek van je bij mij uitkomen. Want ik ben te lang in het vak om te gelooven dat een ander zooveel meer kan dan ik.’18
De boekuitgave van De ongelukkige verscheen uiteindelijk in november 1915 bij Van Holkema en Warendorf te Amsterdam. Op 11 december publiceerde Couperus in Het vaderland nog een feuilleton, onder de titel ‘De dood van den Dappere’, over het tragische einde van El Zagal.19 In het januari-nummer 1916 van De nieuwe gids publiceerde Willem Kloos een lovende recensie van De ongelukkige.20 Couperus reageerde op 4 januari met een brief aan de vrouw van Kloos, Jeanne Reyneke van Stuwe: ‘Het ligt niet in mijn aard te “bedanken” voor een kritiek maar ik voel
| | | |
mij toch gedrongen U - zoo niet, uit schuchterheid, aan Uw echtgenoot zelven - te zeggen hoe innig warm de waardeering van Willem Kloos voor mijn laatste werk mij aan doet. Zulk een boek, dat men alleén schrijft voor zich - want het wordt noch verkocht noch gelezen - zulk een “nuttelooze” daad, die alleén kunst was en nìets meer, doorvoeld en op waarde geschat te zien, vervult mij met een ontroerde dankbaarheid.’21
In de voordrachten uit eigen werk die Couperus vanaf februari 1915 hield, heeft hij ook voorgelezen uit De ongelukkige. Uit een overgeleverd manuscript van de inleiding van de lezing blijkt dat hij hiervoor koos de passage over het Godsoordeel.22
| |
Bronnen
Voorzover ons bekend, zijn van de roman De ongelukkige de volgende door de auteur geautoriseerde bronnen overgeleverd:
A. een manuscript: een onvolledig kladhandschrift van de hand van Couperus dat zich bevindt in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (sig. 76 d3/4).
Het handschrift bestaat uit 40 gelinieerde bladen van eenzelfde (folio)formaat, die eenzijdig zijn beschreven. De bladen zijn genummerd van 15-331, 332-53. De bladen zijn beschreven in zwarte inkt. De ductus is vrij gelijkmatig. Er zijn doorhalingen, verbeteringen en toevoegingen, maar er zijn ook bladen zonder één verandering. Dit handschrift heeft waarschijnlijk niet gediend als kopij voor de tijdschriftpublikatie. De bladen bevatten wel een verticale vouw die erop kan duiden dat ze verstuurd zijn geweest, maar ze bevatten geen zwarte vegen en vlekken die vroeger op de zetterij ontstonden. Op blad 26 staat een kruisje in paarse inkt: misschien een teken om aan te geven tot hoever Couperus of zijn vrouw gekomen was met overschrijven.
| | | |
De tekst van het handschrift omvat het slot van de roman, vanaf de tweede alinea van hoofdstuk xlvi. Hij wijkt inhoudelijk niet ingrijpend af van de gepubliceerde versie van De ongelukkige. Meestal gaat het om kleine, vooral stilistische, varianten.
B. een voorpublikatie in Groot Nederland 11 (1913). Dl. 11 [december], p. 621-635; 12 (1914). Dl. 1 [januari/maart-mei], p. 57-67, 321-326, 454-462, 594-624; dl. 11 [juli-augustus/oktober], p. 42-79, 179-222, 468-491; 13 (1915). Dl. 1 [januari], p. 4-52.
De tijdschriftpublikatie is gezet naar een kopijhandschrift van Couperus. Door de oorlogsomstandigheden begon vanaf augustus 1914 de post van en naar het buitenland te stagneren. Couperus, die in Italië verbleef, kon zijn kopij en gecorrigeerde proeven niet verzenden. Anderzijds kwamen zendingen van de redactie en van de uitgever van Groot Nederland niet in Italië aan. Op 7 oktober 1914 schreef Couperus aan de uitgever van Groot Nederland: ‘Ik ontvang Groot-Nederland en zie dat het vervolg van De Ongelukkige zonder revizie is af gedrukt, met dit gevolg dat er vele fouten en zelfs onverstaanbaarheden in zijn gebleven. [...]
‘Er ligt aan de drukkerij van mij nog copie, begin hoofdstuk xlvi, ènkele regels (6 of 8 geloof ik), in der tijd door den drukker af gesneden en achterwege gehouden. Ik hoop, dat die niet verloren zijn en er meê rekening worde gehouden.
‘Ik hoop, dat copie en proef u bereiken. De helft van mijn correspondentie gaat verloren; ik ontvang mijn post uit Holland na 7 dagen minstens. Aangeteekende stukken worden niet gegarandeerd. U begrijpt, dat deze toestand mij [...] paralyzeert en ik niet veel energie heb tot verzenden. Ik zal er echter weêr meê beginnen en het beste hopen.’23 Een week later schreef Couperus
| | | |
aan Frans Coenen, de nieuwe redacteur van Groot Nederland. Hij zou hem wel eerder hebben geschreven: ‘[...] indien de Oorlog mij niet had verlamd in mijn arbeid, in mijn daden en gedachten. Voeg daarbij de geheel verwarde post-toestand, zoo dat ik eigenlijk noch copie, noch proeven noch brieven verzend met een zeer overtuigd gevoel, dat zij hunne bestemming bereiken. Aangeteekende stukken worden in Italië niet gegarandeerd en van uit München kon ik geen Hollandsche manuscripten of drukwerk verzenden. [...]
‘Ik zend u [...] proef en copie van De Ongelukkige, mijn roman, die, hoewel voltooid, eenigen tijd om “oorlogstoestand” bleef liggen. Revizie zult u mij van de proef dan doen toe komen, niet waar. Het vorige gedeelte verscheen, zeker door vergissing, zonder revizie, dus met véle fouten. Ik zond aan de uitgevers een lijstje van onduldbare errata, te plaatsen in het volgende nummer. Ik hoop, dat alle deze zendingen over en weêr hun doel zullen bereiken.’24
C. een uitgave in boekvorm: Louis Couperus: De ongelukkige. Amsterdam, Van Holkema & Warendorf, [november 1915].25
Toen Veen er nog van uitging dat hij De ongelukkige zou uitgeven, vroeg hij op 22 februari 1915 aan Couperus: ‘Hebt gij geen afdruk van den roman uit Groot Nederland? Ik moet er anders een koopen voor 14.=. Hebt gij er geen dan is het niets, maar allicht hebt gij er een en dan is het zonde van die 14.=.’26 Couperus antwoordde eerst dat hij wel voor kopij van De ongelukkige kon zorgen, maar begin maart liet hij weten dat hij alleen beschikte over ‘zeer “vuile” drukproeven’.27 Veen kocht daarop de desbetreffende afleveringen van Groot Nederland en gaf op 15 maart
| | | |
Thieme opdracht met het zetten van de roman te beginnen. Het moest dezelfde uitvoering worden als Herakles.28
Eind maart bevestigde Couperus de ontvangst van de eerste proeven. Maar hij liet tevens weten dat hij voor De ongelukkige betere voorwaarden van Veen wilde dan hij de laatste jaren had gekregen.29 Op 7 april schreef Veen aan Thieme dat er geen haast gemaakt moest worden met het zetten van De ongelukkige.30 Toen Couperus enkele dagen later het concept-contract afwees, schreef Veen aan Thieme: ‘Laat De ongelukkige niet verder zetten. 'T Moet rusten.’31
Toen Couperus op 3 mei Veens voorstel definitief afwees, beloofde hij: ‘Mocht ik met een anderen uitgever klaar komen, dan zal ik niet verzwijgen, dat een gedeelte van het boek reeds gezet was en kan je misschien over dit zetsel met hem onderhandelen.’32 Veen wilde niet alleen het zetsel overdoen aan Van Holkema en Warendorf, maar ook het geld terug van de gekochte nummers van Groot Nederland. Hoe de collega-uitgever hierop heeft gereageerd is niet bekend. Op 18 mei schreef Veen hem: ‘Je antwoord op Gr. N. ontving ik en tevens je vraag omtrent het zetsel Couperus. Dit laatste gaat hierbij (9 1/4 vel). [P.S.] Couperus heeft de Proeven ook reeds.’33 Aan Thieme berichtte Veen dezelfde dag: ‘Van Holkema gaan Couperus’ Roman uitgeven, mischien kun je daarmee het reeds gezette wel in orde maken? Ik bood het hem wel aan, maar als gijzelf er heen gaat, krijg je het wel dunkt mij.34 Begin juni liet Couperus aan Veen weten: ‘Holkema en Warendorf schijnen een ander type te willen gebruiken voor De Ongelukkige: iets kleiner. Het spijt mij wel, maar wij hebben allen wel
| | | |
eens onze kleine (en groote) decepties.35 Het is echter de vraag of Veen aanzienlijke schade heeft geleden. Van Holkema liet uiteindelijk de roman bij Thieme zetten en drukken, en in het archief van Veen is geen rekening van Thieme voor De ongelukkige aangetroffen.
Hoewel er geen correspondentie tussen Couperus en Van Holkema en Warendorf over de produktie van De ongelukkige is overgeleverd, staat het vast dat de tijdschriftpublikatie als kopij heeft gediend voor de boekuitgave. Een aantal zetfouten komt zowel in Groot Nederland als in de boekuitgave voor. Deze fouten moeten uit Groot Nederland zijn overgenomen en door Couperus over het hoofd zijn gezien. Couperus zal, zoals hij gewoon was, de proeven van de boekuitgave zelf gecorrigeerd hebben. Hierop wijzen trouwens ook talrijke veranderingen die onmogelijk aan de zetter of de corrector van de drukkerij kunnen worden toegeschreven.36
De uitgave van 1915 is de eerste en enige druk van De ongelukkige die tijdens Couperus' leven is verschenen. De oplage was waarschijnlijk 1500 exemplaren.37 De uitgever heeft in november 1915 niet de gehele oplage laten binden. Een deel van de oplage werd in plano bewaard. In latere jaren werden deze vellen in verschillende bindpartijen op de markt gebracht. De vellen werden daarvoor soms tot een kleiner formaat afgesneden. Zo is De ongelukkige in het kleinere formaat ook verschenen in de Daalders-editie, een serie goedkope uitgaven van Van Holkema en Warendorf.
| |
Tekstkeuze
Voor deze uitgave van De ongelukkige is de eerste en enige tijdens Couperus' leven verschenen druk als basistekst gekozen: hij verte- | | | | genwoordigt de laatste door de auteur actief geautoriseerde versie. Couperus heeft de kopij ervan geleverd en de proeven ervan zelf gecorrigeerd. Voor de tekstsamenstelling is gebruik gemaakt van het exemplaar van de eerste druk dat zich bevindt in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (sig. 1013 c83).
| |
Correcties
In de tekst van deze uitgave zijn, mede op grond van een woordvoor-woord vergelijking van het overgeleverde gedeelte van het kladhandschrift (h) met de tijdschriftpublikatie (gn), en van de tijdschriftpublikatie met de eerste druk van De ongelukkige, de hieronder volgende correcties aangebracht. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de verbeterde versie gegeven; na de ‘Duitse komma’ (/) volgt de oorspronkelijke, foutieve lezing van de eerste druk. De laatste is voorzien van een asterisk (*) als zij in alle genoemde versies voorkomt. Indien dit niet het geval is, worden ook de lezingen van de vroegere versies vermeld. Hierbij is de volgorde gn, h aangehouden, omdat de tijdschriftpublikatie als kopij voor de eerste druk heeft gediend.38
| 7,8 |
uw/ùw* |
| 8,15 |
vrouwen vertelden/vrouwen |
| 10,2 |
Toekomst/toekomst |
| 10,31 |
doorzichtigheid/doorzichtigheìd |
| 11,21 |
met/met, |
| 13.18 |
kolonnetten/kolonetten* |
| 13.30 |
dansende/dansendn |
| 13.31 |
vermengden/ vermengdee |
| 14,25 |
Ali-Atar/Ali-Altar |
| 15,11 |
in/ìn |
| 15,17 |
fluisterde/fiuisterde |
| 15.19 |
minstreelen/mìnstreelen |
| 17,16 |
oogen/oogcn |
| | | |
| 19,11 |
koppen./koppen.. |
| 19,19 |
gulden/gùlden |
| 20,5 |
noodlotsgetallen/noodlotsgevallen |
| 20,25 |
Ali-Atar/Ali-Altar |
| 21,28 |
Ali-Atar/Ali-Altar |
| 21,30 |
Elvira/Elvìra |
| 22,2 |
Aboe-Abdallah/Abdallah* |
| 22,21 |
geheimzinnig/geheìmzinnig |
| 22,25 |
richtten/rìchtten |
| 23,6 |
vallei/valleí |
| 24,33 |
man,/man. |
| 26,8 |
Nu/Nu, |
| 28,4 |
melancholiek/melancoliek* |
| 28,9 |
blauwe/bláuwe |
| 29,5 |
trots:/trots: |
| 29,13 |
reeds/steeds |
| 29,30 |
buiten/buìten |
| 31,11 |
der/des |
| 33,25 |
Aboe-Abdallah/Abdallah |
| 34,22 |
achterlijven/achterlijvén |
| 35,1 |
God.../God...: |
| 35,34/35 |
heilige-beelden/heilige beelden |
| 40,12 |
zij/zijn |
| 41,19 |
zich/zìch |
| 41,21 |
dan/den |
| 42,33 |
in/ìn |
| 43,4 |
buiten, buiten/buiten, |
| 43,12 |
gijzelaar/gijzelaar |
| 43,27 |
wie,/wie |
| 45,31 |
nù/nû* |
| 46,20 |
lied!/lied? |
| 47,21 |
hem in/hem ìn |
| 50,13 |
vlamgloed/vlamgoed |
| 50,20 |
wierpen/werpen |
| 51,30 |
Granada/Cranada |
| | | |
| 54,19 |
Zagal,/Zagal |
| 56,2 |
troostten/troosten* |
| 56,17 |
binnen./binnen |
| 58,17 |
infanta/infante |
| 58,24 |
zei/zeì |
| 58,34 |
Doña/Doña |
| 60,19 |
uit gestroomde/uìt gestroomde |
| 64,30 |
vrouw/vróuw |
| 65,12 |
Aboe-Abdallah/Alboe-Abdallah |
| 66,11 |
Iberische/Ibersche |
| 73,20 |
wachteden/wachtteden* |
| 74,26 |
privilegiën/previlegiën* |
| 75,11 |
nièt/nìèt |
| 76,21 |
in/ìn |
| 77,1 |
in/ìn |
| 77,14 |
strijd/stijd |
| 78,28 |
regen/regen, |
| 79,15 |
gevangenname/gevangename |
| 86,8 |
troostte/trooste |
| 92,33 |
officier/officier,* |
| 94,24 |
in/ín |
| 100,5/6 |
overrompelen/overrompelden |
| 100,25 |
patriarch/patriach |
| 104,2 |
beduidenissen/beduidenìssen |
| 104,17 |
zelfs/zelf |
| 104,27 |
vizioen/vizoen |
| 105,14 |
rondom/romdom |
| 105,35 |
Aboe-Abdallah/Abdallah |
| 106,19 |
allen/alles |
| 106,32 |
torens/tórens |
| 109,15 |
volgens/volgels |
| 119,4 |
tuinen/túinen |
| 119,27/28 |
bevreemdde/bevreemde* |
| 121,24/25 |
buiten./buiten |
| 121,30 |
gij/hij |
| | | |
| 121,33 |
dreigt/dreìgt |
| 122,16 |
vermetelheid/vermetelheíd |
| 124,2 |
geschiede/geschiedde* |
| 124,22 |
steeds/steed |
| 124,28 |
zich/zìch |
| 125,7 |
liefdezege/liefdezegen* |
| 125,23 |
torenramen/torenramèn |
| 125,31/32 |
flakkerende/fiakkerende |
| 125,34 |
weg./weg, |
| 125,35 |
bespeurde/bespeurdde |
| 127,4 |
verwarring/verwarríng |
| 128,34 |
viel/vìel |
| 131,31 |
antwoordde:/antwoordde.* |
| 131,34 |
ik/ìk |
| 135,13 |
vervolgde:/vervolgde; |
| 135,22 |
stem./stem |
| 138,8 |
als/àls |
| 138,32/33 |
verblind/verblindt |
| 139,8 |
muilen/muílen |
| 139,12 |
Christelijke/Chrìstelijke |
| 147,2 |
Martin, Don Alonzo/Martin |
| 147,29 |
Turksche/Tursche |
| 149,1 |
hoofdwrong/hoofwrong |
| 150,16 |
haalden/haalde |
| 151,25 |
Allâh/Alláh |
| 153,18 |
grootofficieren/grootoficieren |
| 160,6 |
bliksemstralen/bliksemsstralen* |
| 162,22 |
Gomèr/Gomér |
| 163,14 |
stalactietgewelven/stalactietgewelfen* |
| 165,16 |
meldden/melden |
| 167,2 |
aandeed/aandeedt* |
| 169,1 |
zoû/zoù |
| 173,15 |
Gomèr/Gomer* |
| 174,35 |
haalde/haalden* |
| 181,7 |
Uit/Uít |
| | | |
| 188,26 |
hem/hen* |
| 190,15 |
wenschten/wenschte |
| 192,3 |
Gibralfaro/Gilbralfaro |
| 192,3 |
Heer,/Heer |
| 193,2 |
De/Dé* |
| 197,12 |
Aboe-Abdallah,/Aboe-Abdallah* |
| 197,18 |
Ongeloovigen/Ongeloovígen |
| 198,12 |
ons?/óns?* |
| 198,32 |
zich en wrongen zich/zich |
| 201,33 |
Wie/wie* |
| 202,32 |
Scheherazade-paleis/Scheharazade-paleis* |
| 204,17 |
zich/zích |
| 207,5 |
Aboe-Abdallah/Aboe-Adballah |
| 210,3 |
burcht/bucht |
| 210,12 |
vorstin/vorstìn |
| 213,10 |
die/dìe |
| 215,4 |
Baza,/Baza (Baza gn, Baza, h) |
| 215,14 |
neêr/neer (neer gn, neêr h) |
| 218,28 |
Rondom/Romdom (Romdom gn, Rondom h) |
| 219,2 |
vijandige/vijandíge (vijandige gn, h) |
| 220,21 |
Alcâzar/Alcàzar (Alcàzar gn, Alcâzar h) |
| 220,23 |
in/ín (in gn, h) |
| 221,15 |
klimaat, in/klimaat, ìn (klimaat, in gn, h) |
| 222,2 |
stad/stàd (stàd gn, stad h) |
| 224,32 |
doodesstil/doodestil (doodestil gn, doodesstil h) |
| 225,26 |
koningin,/koning, (koning, gn, koningin, h) |
| 229,28 |
pluimen/pluímen (pluimen gn, h) |
| 229,35 |
hielden/híelden (hielden gn, h) |
| 230,2 |
kind/kínd (kind gn, h) |
| 231,12 |
vromen/vrouwen (vrouwen gn, vromen h) |
| 231,19 |
zich/zích (zich gn, h) |
| 231,29 |
zoû/zoù (zoû gn, h) |
| 232,17 |
in/ín (in gn, h) |
| 234,9 |
nacht,/nacht (nacht, gn, h) |
| 234,16 |
gestalten/gestalte (gestalten gn, h) |
| | | |
| 234,23 |
zoû/zou (zoû gn, h) |
| 236,5 |
dien/díen (dien gn, h) |
| 236,7 |
kort/kort,* |
| 236,13 |
ginds/gínds (ginds gn, h) |
| 241,14 |
Romeinsche/Romeínsche (Romeinsche gn, h) |
| 242,22 |
Aboe-Abdallah,/Aboe-Abdallah (Aboe-Abdallah gn, Aboe-Abdallah, h) |
| 242,26 |
liepen/líepen (liepen gn, h) |
| 242,30 |
Aboe-Abdallah! zeide hij./Aboe-Abdallah, zeide hij! (Aboe-Abdallah, zeide hij! gn, Aboe-Abdallah! zeide hij. h) |
| 243,13 |
Muza/Moeza* |
| 250,7 |
meer/meêr (meêr gn, meer h) |
| 252,14 |
ziel/zíel (ziel gn, h) |
| 252,15 |
zoû/zou (zoû gn, h) |
| 253,25 |
bannelingen/banneling (banneling gn, bannelingen h) |
| 254,20 |
schudde/schudde, (schudde, gn, schudde h) |
| |
Varianten
De eerste druk van De ongelukkige vertoont ten opzichte van de tijdschriftpublikatie (gn) en het overgeleverde deel van het kladhandschrift (h) de hieronder volgende woordvarianten. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de lezing van de eerste druk gegeven; na het ‘ontstaan-uit-teken’ (<) volgen de afwijkende, vroegere versies.39
| 3,2 |
De ongelukkige < De ongelukkige; Romantische Epizoden uit Moorsche Eeuw |
| | | |
| 7,34 |
Vader van Abdallah < ontbreekt |
| 10,12 |
mijn kind < het kind Aboe-Abdallah |
| 11,17 |
zijne < hare |
| 11,18 |
zijn < haren |
| 11,19 |
hij < zij |
| 11,34 |
den < dien |
| 14,8/9 |
bijna blond < blond |
| 14,17 |
breed < heel |
| 15,9 |
Mijn zoon < Abdallah |
| 15,28 |
steden < de steden |
| 16,4 |
Zoon < Abdallah |
| 17,6 |
boven de zeer breede teugels < de oogkleppen langs |
| 17,8/9 |
sprankelenden beukelaar < sprankelende schild |
| 18,2 |
scheen < was |
| 22,34 |
trouwe < de trouwe |
| 24,12 |
teugels < kleppen |
| 24,27 |
een < den |
| 25,6 |
Cordoba, graaf van Cabra, < Cordoba |
| 26,5 |
àl de gaarden < met de geuren*40 |
| 26,24 |
in de maan, die betooverde < zag, in de maand, die betooverd was, in de maand41, die betooverde... |
| 28,4 |
amberlokkig < zwartlokkig ook |
| 28,30 |
geheimnisvolle < een geheimnisvolle |
| 31,4 |
haar zoon < Abdallah |
| 31,25 |
het kind < Berredin |
| 33,2 |
haar zoon < Abdallah |
| 33,7 |
aan Spaansche dingen < aan Spaansche mensen, Spaansche dingen |
| 33,14 |
der < van den |
| 35,4 |
de klokken < der Christelijke klokken |
| 36,1 |
was < had |
| | | |
| 36,22 |
alles uit een voorbestaan en hij < alles, maar hij |
| 38,30 |
met < van |
| 40,11 |
zoon < kind |
| 40,12 |
hem [...] hij < het [...] het |
| 40,31 |
kleine Abdallah < Berredin |
| 42,17 |
diens < zijn |
| 42,24 |
kleine Abdallah < Berredin |
| 42,29 |
Dat < Wat |
| 43,15 |
het kind < Berredin |
| 45,18 |
het kind < Berredin |
| 50,23 |
om < om den |
| 50,34 |
broeder < moeder |
| 51,15 |
trokken < trokken de |
| 51,18 |
trouwen < trouwen. Zij waren alles wat Aboe-Abdallah restte |
| 53,26 |
als de uwe < als de oogen van vrouwen, als de uwe |
| 55,18 |
kleine Abdallah < Berredin |
| 55,23 |
op < zij op |
| 55,29 |
Met fronsende < Maar fronsende de |
| 56,8 |
mij. Voor < mij. Voor ons. Voor |
| 56,14 |
het is hier < hier is het |
| 57,10 |
Diego de Cordoba < Diego |
| 57,29 |
over < langs |
| 60,27 |
een der < er een der |
| 60,29 |
smakte < wierp |
| 63,20 |
kwamen < waren gekomen |
| 66,14 |
van < niet boven |
| 67,23 |
donkerbruin < donkerrood |
| 68,6 |
borduursels < borduursel |
| 68,32 |
het wijde kamp < het kamp, het wijde kamp |
| 69,21/22 |
die die < die in die |
| 74,19 |
drong < wrong |
| 75,33 |
af van < van af |
| 77,7 |
kerkerbewaarder < slotbewaarder |
| 77,33 |
vergeten, zij vergeten < vergeten, vergeten |
| | | |
| 82,21 |
dreven laag aan < sleepten zich |
| 84,29 |
leefde < leefde, dat zij hem lief had |
| 85,29 |
door God verkozen < die God heeft verkozen |
| 89,22 |
Een < Op een |
| 95,11 |
wellicht van < van |
| 95,22/23 |
aarzelde te < nooit kon |
| 95,32/96,1 |
de werkplaatsen van < van |
| 96,2 |
magazijnen van < van |
| 96,8 |
dauwvochte < het vochtig geblaârte der |
| 99,10/11 |
ontmoetten: hun beider paardenvolk wrong, hun beider voetvolk werd handgemeen; zij < ontmoetten, dat hun beider paardenvolk wrong zich tegen elkander, dat hun beider voetvolk handgemeen werd, dat zij |
| 99,14 |
schild tegen schild, < tegen elkander |
| 99,14 |
tusschen, boven, < tusschen en boven en |
| 99,17 |
twee vorsten < twee |
| 100,4 |
Dagen vol onrust gingen voorbij. Een < Een |
| 100,6/7 |
waren omgekocht < omgekocht |
| 101,11 |
Zagal < Zagal, te voet |
| 101,20/21 |
geleidden, < geleidden en |
| 101,30 |
als de < als blank de |
| 104,35 |
uw < uuw |
| 105,7 |
langzaam < langzaam, langzaam |
| 105,12 |
zal zijn < reeds ligt |
| 108,11 |
De tijd talmde. De manen rezen, de een na de andere. El < El |
| 108,28 |
lente-avonden < avonden |
| 109,28 |
blauwer en blauwer < langer en langer |
| 110,19 |
talmend bewoog. Want < bewoog. Maar |
| 114,21 |
groote < grootste |
| 115,4 |
vederspriet < vederpluim |
| 117,28 |
toen rukte hij < hij rukte |
| 120,3 |
vermetel < vermetel te |
| | | |
| 120,4 |
woorden < woord |
| 121,26 |
mij < mij, uw liefde ontroerde mij |
| 126,18 |
hem < hen |
| 127,4 |
lantaren < lantarens |
| 138,13 |
Verhevene Moeder < Verhevene, o Moeder |
| 141,12 |
blaakte < blankte |
| 152,30 |
schuldig < schuldig, zij was schuldig |
| 153,32/33 |
Aïscha < de vorstelijke Aïscha |
| 168,19 |
klip [...] klip < rots [...] rots |
| 170,24 |
boodschap < gezanten |
| 171,4 |
drongen < dwongen |
| 175,33 |
hen < hem |
| 179,7 |
jongelingen < jongelieden |
| 185,15 |
niet < bijna niet |
| 190,5 |
niet < niet, wisten niet |
| 192,35 |
En zeg dan < Vertel |
| 194,13 |
kerkerverlies < kerkervertrek |
| 198,12 |
de < deze |
| 198,24 |
el Zagal < ik, El Zagal |
| 205,13 |
oogen < oogen, haar geest |
| 210,15 |
torsten < droegen |
| 213,31 |
hand < hand uit |
| 214,11 |
hen < hem |
| 215,11 |
gebaar < gebaren |
| 215,19 |
slechts < ooit gn < ook h |
| 216,32 |
vanen < vaan h |
| 217,4 |
tot in < naar h |
| 217,15 |
waren < was h |
| 218,15 |
doorvoelen < gevoelen h |
| 219,28 |
leger < kamp h |
| 220,12/13 |
zij, de vrouwen < zij h |
| 220,20 |
een < de h |
| 221,6 |
daags < des daags h |
| 221,27 |
vaak een < een h |
| 221,27 |
dat < die gn, h |
| | | |
| 221,28 |
op uit < over heen h |
| 222,17 |
bloed, in < bloed en gn |
| 222,21 |
zij het zelve konden zeggen < zij het had [lees: hadden] kunnen zeggen h |
| 223,13/14 |
een banderol met hun naam < vaak hun naam h |
| 223,26 |
bij < in gn |
| 223,29 |
avondwandeling < avondwandelingen h |
| 224,26 |
uit < uit en vergaten hare sluiers... In den duister zagen zij een bezetene te paard, die rende, rende, rende... Zij volgden hem niet h |
| 224,29 |
aanzwelden < aanzwelden, aanzwelden gn, h |
| 224,33 |
torens, de < torens en h |
| 225,10/11 |
verbonden < stelpten h |
| 225,25 |
eindelijk < eensklaps h |
| 226,9 |
kavalkade < stoet h |
| 226,17/18 |
ontving < onthaalde h |
| 226,25 |
myrtetuinen < tuinen h |
| 226,32/33 |
vergeven zoû < zoû vergeven h |
| 227,11 |
deden < hier deden h |
| 227,32 |
dat < dit h |
| 228,9 |
goddelijke < goddelijke, het stralende gn, h |
| 229,16 |
vorsten < vorst gn |
| 229,19 |
wendden < hieven h |
| 231,10 |
zijne < hare h |
| 231,10/11 |
bergeinder < bergeneinder h |
| 231,17 |
enkele < enkel h |
| 231,18 |
van den < der h |
| 232,16 |
als < zoo42 h |
| 233,26 |
woelige < zwarte h |
| 233,26/27 |
bemerkten < zagen h |
| 234,29 |
slaat < gaat h |
| 235,11 |
dit < aan dit h |
| 235,14 |
doffe < rosse h |
| | | |
| 236,10 |
duizenden, duizenden < duizenden, het waren duizenden h |
| 237,13 |
pluimen < pluim h |
| 237,13 |
van < aan h |
| 238,9 |
vertrapt, vertreden < vertreden, vertrapt h |
| 241,32 |
zinneloos < zinneloozen h |
| 243,16 |
om < op h |
| 243,29 |
wisten < het wisten h |
| 244,4 |
aan < op h |
| 244,8 |
zaalpoort < poort h |
| 245,26/27 |
nu niets < niets h |
| 245,32 |
Granada's < De h |
| 247,10 |
van < voor h |
| 248,21 |
bogen < zuilen en bogen gn, h |
| 250,5 |
De poort < Zij h |
| 251,6 |
geheschen < gerezen h |
| 251,20 |
hij < zij h |
| 252,6 |
beantwoord < hoffelijk beantwoord gn, h |
| 252,23/24 |
gegroeid en grooter < geworden en ouder h |
| 252,26 |
wien < dat h |
| 252,28 |
voor < om h |
| 252,34 |
naar < op h |
| 252,35 |
voerde voor < bracht h |
| 253,1 |
je was < ge zijt h |
| 253,25 |
was toe < toe was h |
| 253,26 |
Afgestegen begroette de knaap zijne grootmoeder < [alinea] Het kind begroette de grootmoeder h |
| 253,33/34 |
trompetten op < trompetten h |
| |
| | | |
Afbrekingstekens
In deze uitgave van De ongelukkige moeten de volgende afbrekingstekens als een koppelteken gelezen worden:43
| 11,17 |
tin- |
| 33,1 |
Muley- |
| 35,34 |
heilige- |
| 43,13 |
Hamet- |
| 43,15 |
el- |
| 46,8 |
el- |
| 52,10 |
Aben- |
| 53,7 |
roze- |
| 69,35 |
blauw- |
| 71,14 |
lila- |
| 92,4 |
knie- |
| 98,35 |
Alhambra- |
| 105,7 |
transe- |
| 105,31 |
nevel- |
| 126,24 |
stuc- |
| 131,25 |
zuile- |
| 133,24 |
Ali- |
| 145,12 |
Ali- |
| 155,5 |
Moskee- |
| 160,9 |
Moskee- |
| 165,18 |
Velez- |
| 173,12 |
el- |
| 197,2 |
wind- |
| 201,17 |
goud- |
| 202,11 |
Grooten- |
| 215,21 |
ben- |
| 235,19 |
Moskee- |
| 235,22 |
Comares- |
| 244,22 |
Comares- |
* Voor de bibliografische gegevens werd onder meer gebruik gemaakt van het Bibliografisch Repertorium Louis Couperus, een door zwo gesubsidieerd project, onder redactie van G. Borgers, E. Braches, K. Reijnders, uitgevoerd door Marijke Stapert-Eggen.
Zie voor de editieprincipes van de Volledige Werken Louis Couperus: Algemene verantwoording van de Volledige Werken Louis Couperus. Utrecht/Antwerpen, 1987. De editieprincipes zijn vastgesteld door Ernst Braches, Jan Fontijn, Karel Reijnders, Marijke Stapert-Eggen en H.T.M. van Vliet.
|
1Vgl. F.L. Bastet: Louis Couperus; Een biografie. Amsterdam, 1987. p. 434-440.
2De feuilletons werden gebundeld onder de titel Spaansch toerisme. Deze bundel verscheen in juni 1915 als deel v in de serie Van en over alles en iedereen. Vgl. Louis Couperus: Van en over alles en iedereen. Utrecht/Antwerpen, 1990. Volledige Werken Louis Couperus [dl.] 35. p. 491-683.
3Louis Couperus: Van en over alles en iedereen, p. 574.
4Vgl. H. van Booven: Leven en werken van Louis Couperus. Met een nawoord van F.L. Bastet en een register op titels en personen. 's-Gravenhage, 1981. [Fotomechanische herdruk van de eerste druk: Velsen, 1933.] p. 218.
5[Louis Couperus]: Waarde Heer Veen/Amice; Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever. Ed. F.L. Bastet. 's-Gravenhage, 1977. 2 dln. Dl. 1: 1890-1902. Dl. 11: 1902-1919. In: Achter het boek 12 (1973), afl. 1/3 en 13 (1974), afl. 1/3. Dl. 11, p. 161.
6Louis Couperus: Van en over mijzelf en anderen. Utrecht/Antwerpen, 1989. Volledige Werken Louis Couperus [dl.] 27. p. 620.
7Vgl. F.L. Bastet: Louis Couperus. p. 479.
8Brief van Veen aan Couperus, gedateerd 22 februari 1915, in het archief-Veen (Letterkundig Museum).
9Brief van Veen aan Thieme, gedateerd 15 maart 1915, in het archief-Veen.
10[Louis Couperus]: Amice, p. 173.
11Vgl. Louis Couperus en L.J. Veen: Bloemlezing uit hun correspondentie. Ed. H.T.M. van Vliet. Utrecht/Antwerpen, [1987]. p. 149.
12Louis Couperus en L.J. Veen: Bloemlezing uit hun correspondentie, p. 150.
13Louis Couperus en L.J. Veen: Bloemlezing uit hun correspondentie, p. 151.
14Waarschijnlijk heeft Veen bij die gelegenheid een wat hoger honorarium geboden (ƒ600,-?).
15Louis Couperus en L.J. Veen: Bloemlezing uit hun correspondentie, p. 152.
16Het contract bevindt zich in de Couperus-collectie van het Letterkundig Museum te Den Haag.
17Vgl. [Louis Couperus]: Amice, p. 177.
18Brief van Veen aan Couperus, gedateerd 17 mei 1915, in het archief-Veen.
19Het feuilleton werd gebundeld in Legende, mythe en fantazie (1918). Vgl. Louis Couperus: Legende, mythe en fantazie. Amsterdam/Antwerpen, 1994. Volledige Werken Louis Couperus [dl.] 38. p. 127-132.
20Willem Kloos: ‘Literaire kroniek; [Ree. van] Louis Couperus. - De Ongelukkige. Amsterdam. Van Holkema & Warendorf. In: De nieuwe gids 31 (1916). Dl. 1, p. 114-126.
21Brief in de Couperus-collectie van het Letterkundig Museum. Gepubliceerd in Maatstaf 11 (1963/64). p. 175.
22Dit manuscript - een dubbel, gelinieerd vel, beschreven in zwarte inkt - bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag (sig. 76 d3/1).
23Brief in de Couperus-collectie van het Letterkundig Museum. Couperus vergiste zich in de datering: hij schreef ‘september’ in plaats van ‘oktober’. Onder de tekst van de brief stond een errata-lijstje. Dit werd door de uitgever afgeknipt van de briefen als kopij aan de zetterij gegeven. Het lijstje had betrekking op fouten in het gedeelte van De ongelukkige in de oktoberaflevering en het werd afgedrukt in: Groot Nederland 16 (1914). Dl. 11, [november], p. 644. De verbeteringen zijn overgenomen in de boekuitgave van De ongelukkige.
24Brief van Couperus aan Coenen, gedateerd 13 september [= oktober] 1914, in het Letterkundig Museum.
25Het boek verscheen in een ongedecoreerde, goudgele linnen band met vergulde belettering. De ingenaaide exemplaren hebben een papieren omslag met een, tekening van een Moorse stad in Spanje.
26Brief in het archief-Veen.
27[Louis Couperus]: Amice, p. 172-173.
28Vgl. en van Veen aan respectievelijk Couperus en Thieme, gedateerd 15 en 18 maart 1915, in het archief-Veen.
29Vgl. [Louis Couperus]: Amice, p. 173.
30Brief in het archief-Veen.
31Brief van Veen aan Thieme, gedateerd 12 april 1915, in het archief-Veen.
32Louis Couperus en L.J. Veen: Bloemlezing uit hun correspondentie, p. 152.
33Brief in het archief-Veen.
Er waren volgens de opgave van Veen reeds 150 blz. van De ongelukkige gezet.
34Brief in het archief-Veen.
35[Louis Couperus]: Amice, p. 178.
36De roman werd inderdaad uit een kleiner lettertype gezet dan Thieme voor Veen gewoonlijk gebruikte. Blijkbaar heeft de zetter mer een nogal ‘vuile’ letterkast gewerkt. In de boekuitgave komen opvallend veel klinkers met accenten voor die geen zinnige lezing opleveren.
37Dit aantal is gebaseerd op de veronderstelling dat Couperus ƒ1,- per exemplaar ontving (dus ƒ1500,- voor 1500 exemplaren).
38De spelling van de naam Almuneçar in plaats van Almuñecar is niet gecorrigeerd.
39Couperus heeft in de eerste druk een aantal namen consequent veranderd: ‘Abdallah’ werd ‘Aboe-Abdallah’, met uitzondering van drie plaatsen (zie de lijst van correcties, hiervóór p. 268-269); ‘Berredin’ werd ‘Abdallah’ en ‘Muley-Hassan’ werd ‘Muley-Aben-Hassan’. Deze veranderingen zijn niet in de lijst met varianten opgenomen.
In de lijst worden alleen in het laatste gedeelte de siglen gn en h gebruikt. Dit onderscheid in bronnen is tot hoofdstuk xlvi (p. 214) niet zinvol, omdat van het eerste - en grootste - gedeelte van de roman geen handschrift is overgeleverd en daarvoor alleen een vergelijking met de tijdschriftpublikatie mogelijk is.
40De lezing in Groot Nederland berust op een zetfout; in het handschrift stond waarschijnlijk: ‘met de gaarden’.
41De lezing in Groot Nederland berust op een zetfout; in het handschrift stond waarschijnlijk: ‘maan’.
42In Groot Nederland staat de zetfout: ‘tot’.
43Om nodeloze herhalingen te voorkomen is in de lijst niet opgenomen: ‘Aboe-’ van ‘Aboe-Abdallah’. Het komt veelvuldig op het regeleinde voor en het streepje dient vanzelfsprekend als een koppelteken gelezen te worden.
|
|