Oostwaarts (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Gerard Nijenhuis)


auteur: Louis Couperus


editeur: H.T.M. van Vliet, Jan Robert en


bron: Louis Couperus, Oostwaarts (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Gerard Nijenhuis). Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen 1992


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 35]

II Sumatra

1

Wij zijn reeds enkele dagen te Medan, gasten van den heer Westenenk, gouverneur van Sumatra's Oostkust, en zijn echtgenoote. De indrukken, die ik heb mogen ontvangen, onder leiding en inlichting van mijn gastheer, zijn overstelpend vele: ik wil een poging doen ze te schikken in mijn herinnering en ze dan op nieuw weder uit te beelden in mijn woorden. Het is de aanvang der regenmoesson. Geen blauwe lucht, geen onverbiddelijk azuur. Eerder een lage, grauwe hemel, vol van de opgezamelde schatten der regens, die weldadig zijn aan natuur en mensch, en alles wat beiden aanbelangt. Een vochtige nevel drijft rond. Het druilt niet, het motregent nooit; het schijnt, dat de regengoden in de luchten des Oostens beter dan die der Westelijke hemelen, regelen den val der weldoende wateren. Nu regent het als het regenen moêt in dit jaargetijde, als natuur en mensch verwachten, dat het zal regenen. Het stort uit den hemel neer; de moessongoden gieten hunne kannen en schalen uit. Het is een witte regenval, het zijn blanke, straffe, sterke stroomen, door wind nooit schuin gedreven. Alles druipt. De rivieren zwellen en schieten vooruit; grond en gras zijn gedrenkt; de boomen, de planten baden zich, herademend, slurpen met takken en wortels, met ieder blad en vezel den overvloedigen waterzegen in. Het is een rijkdom, een overstelping als alles is in het Oosten. Het regent een uur, het regent uren. De zon komt niet altijd dadelijk door, want

[p. 36]

de regengoden, ijverig daar boven, verzamelen nieuwe schatten, vullen hunne grauwe wolken, die zwellen tot reusachtige waterzakken, vullen hunne kannen en schalen; als zij gereed zijn, zullen op nieuw zij schalen en kannen, gietende, voorover buigen over de onverzadelijke aarde, zullen zij de gezwollene waterzakken openen en de blanke stortvloeden neêr doen stralen.

 

Deze regen is een epiesch natuurverschijnsel. Het is geen druilerige melancholie als van welke Noordelijke stranden ook. Het is een overstelpende pracht en kracht; het is een rijkdom, die uit de lucht neêr valt over een aarde, die dreigde anders te zullen verarmen. Het oogenblik van haar nieuwe weelde is juist gekozen door de goden. Het uur van nieuwe weelde slaat in Sumatra iets vroeger dan het in Java slaat - ik herinner mij zeer goed, dat de dag der regens aldaar in den Oosthoek door de wolkengoden bepaald was op 5 December. In Deli, in October slaat reeds het gezegende uur. De witte, frissche stad, die Medan is, met hare elegante, blanke gebouwen en villa-wijken, ligt als onder een douche. Dit is nooit vuil, als de Westersche regen een stad en zelfs de natuur kan maken. Dit wordt geen vieze stadsmodder, het blijft gebade aarde. Het statie-loover van kokospalmen, de naaldenwemeling der tamarisken, de breede, satijnige roeispaan-bladeren der bananen, alles is van een intens groen geworden of er goud onder dat groen schuilt. De cicaden, in de boomen, snerpen hun onafgebroken jubelkreet uit. De krekelen, lager, vedelen op hunne blij schrille violen en klapperen met hunne krotalen. De bloemen, de roze en roode hibiscus en waroe, de gele der geurende oleanders, zijn bezwijmd in de overmacht van het water, maar zoodra de regen ophoudt, zullen alle nieuwe knoppen dadelijk ontluiken tot nieuwe pracht, opdat er nooit dood en verwelking zij. Want het zijn de levenwekkende goden, die deze oogenblikken in deze natuur, in deze wereld, hebben geregeld en beheerschen.

 

Sedert de pajong - het zonnescherm, symbool der autoriteit - goud, goud-en-wit, zilver-en-wit, groen-en-wit, toe of open, na

[p. 37]

gedragen door een ‘oppas’, achter of boven het hoofd van den ambtenaar, werd afgeschaft, ging iets van diens glorie verloren. Is de maatregel op Java ooit begrepen of gewaardeerd door de Javanen? Maar op Sumatra werd de pajong nooit als glorie-symbool ambtenaar of regent achter na gedragen. De voornaamheid, die in Deli, in Medan, een hoofdambtenaar omringt, is dus vrijwel de zelfde gebleven als zij immer was. Een paleis, als waarin de Gouverneur van Sumatra's Oostkust te Medan rezideert, is van een grootschen bouw, waarvan de Hollander, die nooit de buitengewesten betrad - men spreekt niet meer in onze moderne tijden van ‘bezittingen’ maar van ‘gewesten’: let wel op het fijne onderscheid!, en de buitengewesten zijn die welke buiten Java zelve zijn gelegen - geen idee heeft. Medan is de witte stad tusschen groen geboomte en groene gazons, zorgvuldig onderhouden, geschoren. En in zijn park - ik zal maar van park spreken hoewel het geen ‘Indiesch’ woord is en men hier alleen spreekt van het Gouvernementshuis in zijn mooien ‘tuin’, schuilt het twee verdiepingen hooge paleis - ja, ik spreek maar van paleis en dat is niet overdreven - met stille, witte lijnen slechts even weg tusschen zijn tjemara-, ficus-, palm- en tamarindeboomen. Het is van een ruime voornaamheid, grootsch en steeds tot officieele ontvangst bereid, met zijn portiek, waar binnen de auto's voor rijden, met zijn twee evenwijdige, immense, door zuilen getorste voorgalerijen, terwijl de middengalerij als een breede gang naar de zeer wijde achtergalerij voert, die, geheel open, hoog, ruim, tusschen hare zuilen, niettegenstaande deze dimensies, toch een gezellige eetzaal en woonverblijf biedt. Hoewel een Hollandsch huis, laat ons zeggen, een Haagsch huis in Duinoord er rustig mèt een ander dito haast een two-step in zoû kunnen dansen. Ik overdrijf? Goed, maar van deze royale verhoudingen is voor mijn landgenoot, die Indië niet kent, en voor wie schrijf ik anders mijn schetsen! alleen door enkele overdrijving een beeld op te roepen. Ter zijde der middengalerijen liggen zitkamers en werkkamers: bureaux; de heer en mevrouw Westenenk hebben verder hun slaapvertrekken op de eerste verdieping: eene verdieping is niet ouderwetsch-

[p. 38]

Indiesch, en meer iets nieuwerwetsch; dit mooie huis is niet ouder dan twintig jaren. Wat ons betreft, het logeergebouw is, als vaak bij de rezidentie-huizen in Indië, een apart pavillioen (het ge-ijkte woord). Een overdekte open gang voert er heen, van de achtergalerij. Het zijn ruime vertrekken: slaapkamer, zitkamer, voorgalerij, badkamer, deze zoo groot als uw salon in Duinoord, en de gast kan zich, zoo hij wil, geheel terug trekken, zoodat hij gastheer en gastvrouw niet te veel tot last zij.

 

De ‘bijgebouwen’ verliezen zich achter de hagen van Chineesche bamboe en bloeiende hibiscus. De Deli-rivier stroomt, gezwollen, achter den tuin en schemert in maneschijn, in regen soms, met zilveren plakkaten door. Enkele hertjes dwalen in hun parkje rond aan den boord. Een lorre roept ginds allerlei lieve woordjes, maar als men hem niet antwoordt, wordt hij wel eens boos. Hoewel hij nooit gaat schelden en weet, dat eens Gouverneurs lorre zich in moet houden. Enkele bedienden - niet zoo vele als ik mij herinner uit vroegere dagen in dergelijke woningen: om dienstbodennood?? - glijden op stilste, bloote voeten rond en doen hun werk of bedienen u met de nooit gehaaste gratie in den voornamen stijl, dien goede Javaansche bedienden - zij zijn Javanen hier te huize - in zulke omgeving steeds bewaren. Men hoort hen niet, men ziet hen nauwelijks, en steeds is alles niet alleen overdacht, verzorgd, gedaan, maar... een ofhcieele receptie zoû binnen een uur plaats kunnen hebben.

Ik waardeer deze grootsche dingen in het leven onzer hoofdambtenaren en verrassing waren zij niet voor mij: mij heugt dit zelfde reeds jaren geleden uit rezidentie-huizen op Java. Onze demokratische tijd schijnt nog niet èlke voornaamheid en mooiheid van levenskunst in de gewone dagelijksche dingen te hebben uit gewischt. Een paar politie-oppassers zitten steeds in de galerij ter zijde van het bureau van den Gouverneur. Zij rijzen op als de gast hun voorbij gaat, gaande van het pavillioen naar de achtergalerij. Een vlaggestok stond vroeger vóór in den tuin; de vlag waait nu van boven het huis.

[p. 39]

Het zoû mij aangenaam zijn in deze bladen te mogen schetsen de silhouetten van hoog staande mannen, die ik in Indië ontmoet. Niets zoû mij liever zijn dan een portret in woord te teekenen van mijn gastheer. Maar ik vrees onbescheiden te zijn en dan, er is reeds zoo veel geschreven over den heer Westenenk. Mijn lezers zullen zich herinneren hoe dezen ambtenaar, die bloemrijk Maleisch spreekt met het grootste gemak, die de Maleische ziel heeft doorpeild, die, hoewel in Borneo begonnen als contrôleur, verder zijn geheele ambtenaarsloopbaan tot deze hooge post toe van het Gouverneurschap van Sumatra's Oostkust, in Sumatra zelve doorliep, en voor wiens grondige kennis en liefde de gewesten van Bengkoelen, Palembang, Padang, Deli, geen geheim meer inhouden, in '14 werd aangeboden het... Inspecteur-Generaalschap van Anatolië, Armenië. Reeds was hij te Constantinopel, reeds beraadslaagde hij in ministerraad met Enver Pacha en de Turksche autoriteiten en stond hij schrap tegenover hen in de kwestie der gelijkheid van Muzelman en Christen, toen de Oorlog uitbrak en die hooge benoeming in voorkeur boven andere neutrale candidaten, helaas perk en paal stelde. De heer Westenenk was reeds op het punt naar Erzeroum te vertrekken. Ik eerbiedig de bescheidenheid van mijn gastheer. Het is hier ook niet de plaats meer uit te weiden over dat voor ons vaderland eervol oogenblik, toen een Nederlander door Rusland en de andere Mogendheden werd aangezocht om de netelige Armenische kwestiën te regelen. Ik wil hier alleen maar verzekeren, dat als de heer Westenenk mij vertelt van Sumatra, ik geboeid ben in hoogste mate en dat de uren vlieden. Het leven van een Oost-Indiesch hoofdambtenaar is overstelpend druk, administratief, reprezentatief en te meer waardeer ik, dat de heer Westenenk telkens een oogenblik vindt om zijn nieuwsgierigen gast in te lichten.

 

Sumatra... Ik zoû hier minstens een jaar moeten blijven om eenigszins op de hoogte te komen van Sumatra's verleden en heden; dit voel ik wel als ik naar den heer Westenenk luister. Ik blijf hier slechts drie weken. Wat kan ik in zoo korten tijd zien en

[p. 40]

wat kan ik u zeggen in zoo korten tijd, van wat ik zag! Ik ben te Medan, dat vooral is de hoofdplaats van verschillende centra van ondernemingen: petroleum, rubber, tabak, thee, olie, palm, vezel, koffie. Het Europeesch effort, dat hier zoo krachtig tot rezultaat kwam. Ik hoop u te vertellen van Belawans nieuwe havenwerken; ik hoop u te vertellen van alles wat de Westerling hier wenscht te doen en doet. Maar voor het oogenblik zie ik Sumatra nog als de oer-oude grond, als het antieke eiland, welks verleden reikt over de legende heen van Alexander de Groote, voorvader aller Maleische vorsten, die hem noemen Iskander Dsoelkarnaïn, de Tweehoornige, naar de verre eeuwen toen uit Achter-Indië Vóór-Indische stammen langs de zee-opening om het schiereiland Malakka Zuidwaarts verhuisden en zich vestigden op Sumatra, waar men niet gelooft met autochtonen rekenschap te moeten houden. Deze antieke stammen, die voor Arische overheersching vluchtten naar Kambodja (Kmer), brachten over de gronden waar later Bangkok rees, Voor-Indische, allerantiekste cultuur naar de Oostkust van Sumatra, naar Java. De Sumatraansche Bataks stammen af van deze ‘Negrito's’, meent de heer Westenenk; kleine, kroesharige zwarten en Kannibalen. Deze negrito's vertoonden de getatoûeerde gelaten, die nòg de Hindoes hier in Deli vertoonen. Te Medan zijn twee Hindoe-tempels, die wij zullen gaan zien en die bediend worden door Brahmanen, rood en groen en wit symboliesch getatoûeerd over hoofd en borst.

 

Terwijl mijn gastheer mij van deze dingen vertelt, die hij met kennis en liefde doorgrond heeft en waarvan ik de quintessens slechts aanstip maar die in de geleerde brochures te lezen staan, die de heer Westenenk schreef, valt de avond. Wij hebben, buiten gezeten, bij onze whisky-soda, het niet gespeurd. Er is een plof, die ons schrikken doet: dat is een bunsing, een loeak, die zich uit een boomtak stort op onzichtbaren prooi. De lorre krijscht. De avond is geheel gevallen. Waringins en mangaboomen teekenen hooge, zware, donkere contouren tegen geheimzinnig valen hemel. Een kodok-bangkok (groote pad), die wel eens in huis

[p. 41]

springt en zich opstelt achter een meubel, slaakt zijn kreet en roept: ‘Meer regen!’ Hij voorspelt meer regen: daarboven zijn de watergoden bezig hunne waterzakken te vullen. Het is de geheimzinnige, Indische West-moesson-avond. Geen sterren. Een zwoele beklemming. Een drukkend geheimnis. Dan, plotseling, een zware geur van ‘doepa’ (wierook). Het is Donderdag-avond en dan wordt de doepa gebrand om zich voor te bereiden op den Vrijdag, die de heilige dag is der week. ‘Ik houd niet van die lucht’, zegt de heer Westenenk. ‘Het herinnert mij te veel aan dien tijd te Fort-de-Kock, toen in Padang godsdienstwaanzin het oproer opriep en ik als contrôleur de dolle menigte, laillah Allah! roepende en de krampvingers verscheurens-gereed, in het wit omhuld, naar mij toe zag dansen, in de maannacht!’ De doepa-geur is bijna bezwijmelend. Alles is rustig, stil, bijna gewijd, en angstig geheimnisvol. Dit is de Indische avond, die valt en wademt om het groote, witte paleis. Om ons ligt de stad in haar avondrust van hier en daar opgelichte villa-huizen. Voor, over den weg, ratelen de laatste, als huisjes met palmbladeren overdekte grobaks, karren, door witte ossen getrokken, weg. Dit is de Indische avond, waardoor de groote kalong als een demon soms henen vlerkt, dicht boven onze hoofden. Ginds, in de stad, is het Hôtel de Boer: een complex van witte gebouwen. Een geschitter van electrisch licht, gedekte tafeltjes, vroolijkheid, scherts. Het is hari-besar, de koelie's worden betaald en hebben vrij-af, de planters zijn naar stad getrokken, en dineeren met hunne dames. Er is daar niet de Indische avond; er is daar een Europeesch mondain moment.

 

Maar de avond geheimzinnigt verder over de stad, de rivier, den prachtigen palmenweg van Belawan, den weg tusschen djati-geboomte naar Padang-Boelan. En ik heb hem aangevoeld zoo als ik hem altijd voelde, als kind en in de latere jaren, ondoorpeinsbaar, onoplosbaar als een raadsel, dicht gesluierd als een onbenaderbare godheid, die ons overzweeft... Onderwijl vertelt mijn gastheer van de orang-boenian-zij, die verdwijnen. Dat zijn de vrou-

[p. 42]

welijke spoken, die huwen soms der menschen zonen. En van de orang-aloes, de doorzichtige wezens, de fijne schimmen, die zweven gaan... Dan, bij negenen, kondigt men het diner aan. De groote pad springt naar binnen -ziet ge die vrijmoedige pad over de groote, marmeren steenen ongehinderd springen? De kleine hagedisjes, boven aan de zoldering, roepen, verliefd, elkander, mannetje en wijfje: tjoe, tjoe! ‘Tjokok!’ roept de pad en voorspelt regen, meer regen! Muschjes, die slapen gaan, nestelen zich ergens boven het kapiteel van een pilaar. Statig verschijnen de bedienden, met schaal en schotel, als voor een ceremonie.

 

2

Medan is dus de nieuwe stad, met de witte, frissche gebouwen, gelegen in haar groene, frissche gazons, die vooral haar opkomst te danken heeft aan het drukke plantersleven, dat haar omringt. Zij is geheel eenig in ons Indië; gij zult haar gelijke niet meer aantreffen, noch op Sumatra, noch op Java. Zij is modern en Europeesch; zij vertoont een Engelsch tintje; de nabuurschap van Singapore heeft ongetwijfeld invloed gehad op Medan. Witte Societeit - te recht zoo genoemd - Postkantoor, Gemeentehuis en Javasche Bank, Hôtel de Boer en Medan-Hôtel, de impozante kantoren van verschillende maatschappijen - Harrison and Crossfield, Deli-Maatschappij, Deli-Proefstation, Deli-Spoor-weg-Maatschappij, Firma Van Nie & Co., zij staan daar allen in het buitengewoon frissche groen van regendoorwasschen palmen, ficus, tjemara's, als blanke gebouwen van welvarendheid, van voorspoedigen arbeid, van bewonderenswaardig Westersch effort. En toch, het is de malaise, die op dit oogenblik overheerscht; de klank ‘malaise’ is niet van de lucht; nu klinkt het in ondertoon, even onderdrukt, dan jammert de bittere, treurige klank los en overheerscht alles: malaise! Malaise vooral voor ons rubber-menschen! klagen de rubber-planters, wier estates, hier in den omtrek, tot stilstaan gedoemd zijn voor het oogenblik. Maar de jammerklank neemt niet weg, dat de toerist - en wat ben ik

[p. 43]

anders dan een toerist, die schrijft voor misschien toekomstige toeristen - nog geen anderen indruk gewaar wordt dan dien van voorspoed en rijkdom en frischheid en jonge kracht. Tennis wordt veel gespeeld, en wat wel amuzant treft, is dat voetbal beoefend wordt door jonge Maleiers, die tusschen hun eigen taal de ge-ijkte termen des edelen voetbalsports met kluchtig Engelsch accentje uitroepen.

 

De planters-administrateurs der ondernemingen van tabak en rubber en palmolie, de inspecteurs, de jonge assistenten - ziet ge vooral op de ‘hari besar’ - groote dagen - betaal- en vacantiedagen, in Medan; wij zullen hen ook zien op de ondernemingen zelve. Zij zijn allen van een gezond, energiek, robust type. Is de administrateur uit den aard der zaak deftig in zijn even rijpere gezetheid; de inspecteur, die per week acht of negen ondernemingen te inspecteeren heeft - leve de auto, die dit mogelijk heeft gemaakt! - kan, als hij een ijverige, flinke kerel is, nog zeer jong geklommen zijn tot dezen hoogen rang: de assistenten vormen de frissche jeugd van de planters. Hun mentaliteit is in de laatste jaren zeer veranderd. Twintig jaar geleden reisde ik met de Duitsche mail naar Indië; vele Duitsche jongelieden waren aan boord, en hunne bestemming was op de eene of andere onderneming te Deli het te probeeren als assistent. Er waren aanzienlijke Duitsche namen bij. Het was in Duitschland niet gegaan: de familie zond de jeugdige zondebokken weg naar het verre Oosten. Er waren er, die iederen avond dronken waren. Het was een treurig gezicht. Ik herinner mij een aardigen, allerbeminlijksten, knap uitzienden jongen met een grooten Duitschen naam: hij was bijna iederen avond dronken... Hij bleef wel eens een dag onzichtbaar en kwam daarna opgefrischt en allersympathiekst weêr te voorschijn. Na twee jaar stierf hij in Deli, nauwelijks twee-en-twintig jaar.

Het leven der jonge assistenten te Deli stond toen ten tijde veel in het teeken van het onmatig gefuif. Ik geloof te kunnen constateeren, dat dit geheel veranderd is. Laat de jongelui vroolijk zijn op den ‘hari-besar’, bij de Boer of elders, wie gunt het hun

[p. 44]

niet? Zij werken hard, zoo hard als alleen in de tropen gewerkt wordt door Westerlingen. En zij maken, ontmoet men hen, een indruk niet van afgefuifde jongens, die het in Europa niet konden bolwerken, maar van frissche, stevige, jonge kerels, wien hun openluchts-arbeid in tabak en rubber (malaise!!) en palmolie ten goede komt aan lichaam en ziel. Zij hebben misschien geen studeerhersenen gehad, maar zij hadden andere kwaliteiten en energiën. Een jonge man, die er niet voor voelt te studeeren in Leiden, Utrecht of Groningen... waarom zoû hij niet naar Deli gaan en er de hardende loopbaan beginnen van het gezonde levenskracht-wekkende plantersleven? Had ik een zoon, die gezond was en jonge spieren had en wilde hij romancier worden in de Nederlandsche lettergaarde, ik zoû hem raden: beste kerel, probeer liever assistent te worden ergens op een onderneming in Deli en laat je romans ongeschreven. Wordt je niet geplaatst in de tabak, dan zal je vader een goed woordje voor je doen bij de rubber-heeren (malaise!!). En palmolie heeft ook een prachtige toekomst.

 

De planter heeft zijn eigen dagverdeeling en zijn eigen costuum. Hij draagt zijn sokken over zijn broek heen getrokken en zijn sokhouders zichtbaar. Doet hij dit niet, dan is hij een ‘salonplanter’ en zoû gehoond worden. De eerste passen van een jongen planter zijn dus niet anders te doen dan in deze been bekleeding. Hij kieze zijn sokhouders niet mauve maar liever zwart: dit is meer in het vereischte genre. Hij heeft zijn gesloten jasje, kaki of wit en zijn helmhoed boven zijn gebruind, verbrand, rozig gezicht. Hij be-oefene tact en autoriteit over zijn koelies en blijve krachtig zonder driftig te worden. Hij staat van zes uur 's morgens tot elf uur in het veld of in de schuur; dan mag hij lunchen (géén rijsttafel) en een uurtje maffen, en dan ga hij weêr aan den arbeid. Hij ga meestal vroeg naar bed, om welverdiende rust te zoeken. Zijn assistent-huisje is wel eens primitief, verloren, verlaten, maar het kan ook wel iets geriefelijker zijn. Hij is wel eens eenzaam, hij zoû goed doen een liefhebberij te hebben voor zijn avonden, zijn vrije dagen. Is hij getrouwd, dan zal zijn jonge vrouw wel eens

[p. 45]

moeilijke dagen doorbrengen, zoo in de rimboe tusschen tabak, olie of rubber (malaise!!). Werkt hij echter hard, houdt hij goeden moed, dan kan hij nòg in deze beroerde tijden vóór hij veertig is, inspecteur zijn, minstens administrateur. En inspecteur, dat is heel iets. Hij woont dan in een prachtig, ruim huis. Een tennisveld er voor. Zijn vrouw is gewend en tevreden - trouwens ze zijn met verlof in Europa geweest en hebben de déboires van Europeesch leven van nabij gezien. Zijn kinderen groeien en bloeien, en tegen dat hun serieuze schooltijd begint, is hij klaar om met vrouw en kinderen voor goed naar Europa te trekken. Hij maakt geld, al zijn de tantièmes niet meer wat ze waren. Het leven lacht hem toe, al werkt hij hard, hard, hard, zoo hard als alleen in de tropen een Westerling werkt. Maar hij voelt zich frisch, gezond en levenslustig, al is er misschien wat ijverzucht rondom hem, zoo hij jong, om zijn ijver, zoo spoedig carrière gemaakt heeft. Alles heeft zijn voor en zijn tegen en in iedere maatschappij zijn zonne- en schaduwzijden.

 

Vroeger waren er, vooral om den jongen assistent, meer schaduwzijden dan heden ten dage. Vroeger waren de wetten der hiërarchie zeer streng vast gesteld onder de planters. Een assistent mocht geenjas zoo of geen helmhoed zus dragen: hij mocht geen bendie (karretje) van een zus of zoo model bezitten; hij mocht niet trouwen. Misschien was uit dit complex van oorzaakjes wel te analyzeeren zijn vroeger onmatig gefuif. Maar hoe het ook vroeger ware, het is nu geheel anders, en ik geloof niet te bout te zijn, zoo ik meen, dat er meer zonnezijde is gekomen in het leven der jeugdige en rijpere planters: laat ons de ‘malaise’ - niets is eeuwig - voor één oogenblik vergeten. Planters, al zijn uw tantièmes misschien niet meer wat zij waren, uw leven is toch - alles bij elkaâr genomen - benijdenswaardig: probeert in een oogenblik van ontmoediging dit in te zien en vergelijk uw arbeid dan eens bij honderd ‘bureaux-baantjes’ in het vaderland!

 

Ik ga een tabaksonderneming zien en noodig u meê te gaan. Mijn

[p. 46]

leidsman is een jonge inspecteur en iemand, die het weten kan. Waarheen ik ga? Willen wij de bloeiende onderneming maar noemen Sri Bintang Timoer (De Ster van het Oosten)? Ik blijf toch, wat ik ook doe, romancier, niet waar, en fantast, en vele ondernemingen hebben zulke mooie, poëtische namen. Waarom zoû er geen poëzie zijn in en om een tabaksonderneming? Helaas, het is niet de tijd, dat de tabaksboomen te velde staan. De planter spreekt steeds van tabaksboom, nooit van tabaksplant. Die schoonheid der frissche, breede blad-uitplooiïng zal ik dus niet zien, want Maart, April en Mei zijn de maanden, die dit doen aanschouwen. Wij zullen intusschen andere belangwekkende dingen zien. Om zes uur komt mijn nieuwe vriend mij halen. Ik heb zijn kennis aan boord gemaakt en vriendschap kan wel in gunstige omstandigheid spoedig rijpen. Sokken over den broek en sokhouders zichtbaar. Dit is steeds typisch. De weg er heen ligt glad uit voor den kleinen dienstauto. Wij snellen. Blinkende groen, glimmende goud na den regen staan bamboe, bananen, ficus. De Barisanketen, ten minste de uitloopers van die impozante berg-aaneenschakeling, schakelt lang, heel lang aan de kim. De Simbajak, die verhevene berg, dien ik u later duidelijker zal laten zien, verheft zich in den morgenhemel. Het is blauw en roze en frisch goud: de morgenstond heeft goud in den mond. Voor het eerst besef ik die waarheid. Plotseling rijden wij tusschen een frissche, hoog stammige aanplant, met breede bladeren.

Tabak?? vraag ik aarzelend.

Ik ben heel dom, maar iedere baar begaat deze zelfde domheid. Heel eventjes maar. Ik heb een djati-aanplant weêrszijden des wegs aangezien voor... tabak. Achter die djati-boomen met rechte stammen kan soms nog wel rimboe of oerwoud schuilen, en een olifant en een tijger. Hard is het hout van de djati, die met ons eiken vergeleken kan worden. Het blad van den jongen djati-boom is breed en sierlijk schepvormig, maar wordt kleiner en kleiner boe hooger de boom opschiet. De djati, die als jong plantje in mandjes gekweekt wordt, is hier reeds tot jonge aanplant en bosch geworden. Snel schiet hij op met zijn kaarsrechten, fieren

[p. 47]

stam. Jong wordt hij soms gekapt; zijn hout is spoedig bouwmateriaal voor de tabakschuren; ouder en zwaarder geeft hij de regelmatig, gladde planken. Meubelen van djati-hout nemen in Indië de zelfde plaats in als die van eikenhout ten onzent.

 

De herbossching is een groote kwestie. Buitengewoon treffend zijn de sèngon-boomen - albizzia - met een mimoza-achtig type. Zij schaduwen over den weg en over onzen auto. Wij hebben de tent niet op en zetten onze helmhoeden af. Het is heerlijk frisch, en het licht is gedrenkt als in een vochtig waas van smaragd. Die albizzia-boomen worden gezááid. Het is ongelooflijk zoo snel zulk een zaadje tot plant wordt, tot boom groeit! Mijn vriend herkent een aanplant, die hij zelve, als assistent, slechts vier jaar geleden gezaaid heeft. Nu is die aanplant een woud. De bladeren, afvallende, vernieuwen den humus. De alang-alang - de planter spreekt in eigen dialect slechts van lalang - het wilde, woekerende prairie-gras, vijand van alle culturen, wordt tegen gehouden door de groeikracht dezer albizzia- of sèngonboomen. Ook de lantana doet dat, de dichte struik met oranje-roode bloem, die weligt langs de wegen.

 

Hier zijn wij aangeland op de onderneming, de ‘kebon’. Ik noemde haar Sri Bintang Timoer, de Ster van het Oosten. Het doet er niet toe hoe zij in werkelijkheid heet. Als type kunnen wij haar kiezen. De administrateur komt ons te gemoet. Ik wil hier vermelden, dat iedereen even hartelijk dit den specialen correspondent van de Haagsche Post doet. Wij moeten absoluut blijven dejeuneeren - het is acht uur - wat wij gaarne doen. Wij hebben nog niets anders genuttigd dan het traditioneele, vroeg-morgen-kopje koffie - koffie-extract met kokende melk - dat algemeen om zes uur 's morgens u kracht geeft den dag te beginnen. Na twee uren tuffen smaakt het dejeuner ons heerlijk. De gastvrouw is reeds, naar nieuwen trant, gekleed in keurig wit toilet. Sarong en kabaai worden nergens meer door de dames gedragen. Het ontbijt is op Engelsche leest geschoeid. Het administrateurs-huis

[p. 48]

ligt heerlijk ruim, koel en doorluchtig in zicht van de lange, blauwe Barisan-keten. De verre, groene valleien golven voor ons oog in laatsten morgenmist. Wij bewonderen de prachtige orchideeën-aanplant, die grillig de mooi vreemde bloemen, als bloem geworden kapellen, festoeneert langs den voortuin. En begeven ons op weg, te voet, dicht bij, om te zien hoe in een boschravijn, waar in Juni of Augustus alle wilde oergroei gekapt werd, de tabaksvelden zullen worden aangelegd.

3

De tabaksplanter in Deli heeft zijn eigen dialect. ‘Dit is één lang, smal contract’, wijst mij mijn leider een stuk ravijn, en ik verzeker u, dat ik een oogenblik niet begrijp. ‘Contract’ is echter eenvoudig hier gebruikt voor terrein, dat bij contract is afgestaan. Het is hier een vrij onvoordeelig terrein, waar in Juni, Juli, of op zijn laatst in Augustus, het bosch is omgekapt. Boom en struik, toen omgekapt, werden zoogenaamd ‘gekoempoeld’, dat is ‘verzameld’, en de planter noemt dit de ‘grove koempoel’, die verbrand moet worden. Er wordt dan nog wel eens na ‘gekoempoeld’ en weêr verbrand; het terrein, hier het ‘lange, smalle contract’, wordt daarna ‘getjankoeld’, ‘gepatjoeld’. Het gebeurt met den patjoel of schop; de Chineesche koelies hebben hun schop aan een langen stok bevestigd, de Javaansche koelies verkiezen een korteren steel. Beider werkzaamheid heeft een ander beweeg en rhythme: geen nationaliteit en geen ras doet de zelfde dingen op de zelfde wijze, zelfs niet de meest gewone.

 

De kwestie der koelies is eene zeer ingewikkelde. Zij worden soms door agenten aangeworven; dit is de beroeps-aanwerving; er is ook een ‘vrijwillige’ aanwerving waartoe, in China, de repatrieerende koelies zich be-ijveren. Deze vertellen aan verwanten en vrienden in het vaderland van hun goede koelie-leven daar ginds in Sumatra. Over het algemeen is dit in. vele opzichten werkelijk wel verbeterd, vergelijkt men het met veel ellende, die

[p. 49]

in vroegere tijden onvermijdelijk was. Ik krijg ten minste den indruk, dat de koelie eenigszins een klein grondbezitter is geworden. Na den drukken fermenteertijd - waarover later - komt de koelie in zijn eigen veld te werken, dat ongeveer één bouw groot is. Hij tjankoelt dit fijn, hij legt zijn zaadbedden aan en onderhoudt den hem toevertrouwden grond met zorg. Ten minste, als hij dit doet, handelt hij in eigen belang. In April was het zaad reeds gewonnen; in Januari wordt het gezaaid; een paar maanden later staat de tabaksboom (niet ‘plant’) in weelderig blad. In dien tusschentijd is dus de koelie bezig zijn veld plantklaar te maken, het is zijn drukke tijd; hij begiet, hij ‘dunt uit’, hij wiedt onkruid, hij strijdt tegen rups en ongedierte. Na veertig dagen worden de ‘boompjes’ overgebracht in mandjes naar den vollen grond en uitgeplant. Schiet het plantje, het boompje, op dan wordt er een aanhooging van aarde omgelegd en het reikt nieuwen wortel naar deze verhooging toe. Na veertig dagen herhaalt de koelie deze aanhooging tot 2 d.M. toe. Een koelie, die ijverig werkt, kan in 50 dagen 18.000 boompjes planten. Tegen bepaalden prijs verkoopt hij aan de onderneming zijn tabak. De Javaansche koelies krijgen een contractueel vast gelegd dagelijksch loon. De Chineezen doen taakwerk. De vijand van beiden, vooral van de Chineesche koelies, is de opzichter of ‘tandil’. Hij is zelf koelie geweest, hij heeft het min of meer goed gehad; hij is nu een voornaam, machtig man geworden: op allerlei wijzen poogt hij - zoo hij een slechte tandil is - de koelies, die onder hem staan, nu te knevelen en af te zetten. Heeft de koelie een schuld, dan poogt een slechte tandil - niet iedere tandil is slecht - te maken, dat die schuld nooit wordt afbetaald opdat de koelie in zekere slavernij blijve. Om aan dit geknoei een einde te maken, eischt de tegenwoordige Arbeidsinspectie, dat den koelie alles eerst uitbetaald worde en daarna zijn schuld uit- of afbetaald. En dat niet het omgekeerde plaats grijpe, waardoor vaak de koelie geen cent in handen krijgt, en dan op nieuw een schuld aangaat. De tandil, de natuurlijke vijand, de vijandige opperman kan dus soms zoo gehaat door zijn koelies zijn, dat, sterft hij, zijn huis wordt omsingeld en uitgeroofd, zijn

[p. 50]

varkens geslacht worden en dat de politie moet optreden. Gelukkig bestaan er ook wel goede tandils. In de kwestie: ‘poenale sanctie’ is er vaak wrijving tusschen het Gouvernement en de planters. Op poene van straf mag volgens dit beginsel de contractkoelie geen werk weigeren en blijft hij dus in een soort slavernij; waartegen het gouvernement waakt. Te ver zoû het echter voeren over deze kwestie uit te weiden.

 

Is de koelie ‘vrijwillig’ of door de beroepsagenten aangewerfd, dan komt hij over en wordt in het hospitaal onderzocht. Zijn lange Chineesche nagels, waarop hij trotsch was, worden hem geknipt. Gedurende zijn veldwerk krijgt hij voorschot, om zich zijn gereedschap te verschaffen en kan hij optreden als grondbezitter. Hij is dit ten minste tijdelijk: hij ontvangt zijn veld in bruikleen. Zijn inkomstenbelasting wordt voor hem betaald. De voorbewerking van zijn veld - de ‘grove koempoel’ - moet hij terug betalen, maar er wordt hem minder in rekening gebracht dan dit werk aan de maatschappijen gekost heeft. Ook eventueele veldhulp, in druksten tijd, wordt hem in rekening gebracht, tot een contractueel voorgeschreven maximum. De hoofd-tandil - de machtige man - verklaart den Chineeschen koelie iedere maand zijn rekening-courant. Levert de koelie zijn tabak af, dan wordt die naar kwaliteit getaxeerd. Het is dus in zijn eigen belang, dat hij goed werkt. Deze omstandigheden, door de Arbeidsinspectie geregeld, dunken mij het koelie-leven, waarover men in vroeger jaren vreemde dingen hoorde, zeer te hebben verbeterd. De koelie-woningen zijn voldoende en zindelijk: in eene er van prezenteerde een Chineesche koelie-vrouw mij dadelijk thee, al zocht zij wat nerveus naar een kopje voor den toean-besar met zijn potlood en opschrijfboekje. De klamboe's (moustiquaires) waren schoon. Ik hoorde echter... dat zij ook smerig konden zijn en men lachte er om, dat de speciale correspondent van de h.p. juist die keurig frissche klamboe's om het koelie-bed had gezien! Maar ik geloof heusch niet, dat er een paar minuten vóór dat ik de koelie-kampong bezocht, te mijner eere schoone gordijnen waren opgehangen.

[p. 51]

Gedurende den schuurtijd - als de tabak geplukt is - wordt de koelie uitbetaald. Dan is hij rijk, dan speelt hij, dan gooit hij met het geld, daarna wordt hij weêr arm; dan is hij grondbezitter af, dan schuift hij opium voor zijn laatste centen. En... verbindt zich op nieuw. Na twintigjarigen dienst ontvangt hij een pensioen van ƒ7.50. Wil hij naar China terug, dan krijgt hij een bedrag in eens. Het Binnenlandsch Bestuur zorgt zooveel mogelijk, dat de gelegenheid tot dobbelspel en verkwisting hem ontbreke.

 

Mis ik dus het schoone gezicht van den tabaksboom te velde, ik kan waardeeren de keurige orde, die in het fermenteerhuis onder zijn ijzeren bekapping en in de droogloodsen heerscht. Alles is proper en van de uiterste reinheid. De geplukte tabaksbladeren, die bij 40 à 50 bladeren aan elkaâr zijn bevestigd, worden door koelies gesorteerd en, ook door vrouwen, ‘op lengte gelegd’. Dit gebeurt op waaierachtige gecentimeterde meterplanken. De bladerenbundels kunnen dan in de fermenteerschuren ‘ontvangen’ worden door den assistent. Deze bundels tabak worden opgestapeld. Dit opstapelen is een allerkeurigst werk, dat vooral de vrouwen doen met bewonderenswaardige zorg. De randstapelaarsters geven met dunne planken den rand aan, dien de vierkante stapel niet te buiten mag gaan, en met rappe hand stapelen zij dan de bladerenbundels. Luchtige steigers om den steeds hooger gebouwden stapel vergunnen den vrouwen te klimmen; over zorgvuldig neêr gelegde planken bewegen zij zich over den stapel heen dier zoo kostbare bladerenbundels en stapelen ze hooger en hooger. In de stapels steekt een holle bamboe met thermometer, om de temperatuur der broeiïng te contrôleeren. Stijgt die tot zekeren graad, dan wordt de geheele stapel weêr omgezet; dit gebeurt wel eens twee malen. Het werk dier vrouwen is gratievol en om hare welbewuste, voorzichtige bewegingen bewonderenswaardig: het is van echt Oostersche fijnheid; stapelende vrouwen op lange rijen hurkend, sorteerende vrouwen, de bladbundels luchtig en vlug in de vingers, zijn een schouwspel, dat boeit en bekoort door de bevalligheid van het beweeg in het even gedempte binnenlicht.

[p. 52]

Men heeft mij verzekerd, dat niet minder dan 60 millioen tabaksbladeren na een oogst op een niet zeer groote onderneming door de handen gaan. Keurig staan de vierkante balen daar: de toekomstige dekbladen aller uwer fijne sigaren verpakt in balen van sierlijk matwerk. Met den meesten zorg zullen ze worden verzonden en gelaad: valt er één droppel regen, dan wordt het laden gestaakt. Komen de balen te Amsterdam aan, dan zullen zij met hunne verschillende betiteling naar de kwaliteit - als d.b. (donker bont) of l.v. (licht vaal) - minder zorgzaam door de pakhuisknechten worden gegrepen. Deze noemen de kostbare balen uit een grapje dan Dubbele Barend of Lieve Vrouw, of doopen hen met welke grappige naampjes ook.

Een beroemde anekdote van de Deli-Batavia-Maatschappij - anekdote is wel eens waarheid - vertelt, dat er een volle tabaks-schuur verbrandde. Voor rekening der assuradeuren werd de geredde tabak, v (verbrand) gemerkt, verkocht en zóó goed bevonden, dat het merk v voortaan in eere bleef ook al kwam het niet meer uit een schuur, die in vlam stond.

 

Hier is een assistent-huisje. De assistent zelve is echter aan het werk. Het staat aan den rand van het lange, smalle contract. Het wordt wel eens in zijn geheel opgenomen, als het niet op een zeer gunstige plaats staat, en na één jaar of drie jaren verplaatst. Dit komt omdat de tabaksvelden na het eerste oogstjaar wederom aan de ‘opgezetenen’, de bevolking, worden afgestaan om ‘padi’ (rijst) te planten. Ieder gezin krijgt dan een ‘djaloeran’, een veld voldoende voor zijn behoeften. Na acht jaren eerst wordt het veld, na dien eersten oogst, wederom voor tabakscultuur geschikt verklaard. De assistent woont dus dan hier, dan daar, en neemt zijn huisje op en wandelt. Vooral in ‘een lang, smal contract’ als zijn woning niet in het midden er van is kunnen worden gezet.

 

Maanden lang, van Januari tot Mei, staan de schuren leêg, want in Maart en April staan de tabaksboomen in blad. Waar blijft de tabaksbloem? Wel, de boompjes worden ‘getopt’ uitgezonderd

[p. 53]

de sterksten; de uitverkorenen, wier bestuiving, na selectie, kunstmatig bevorderd en met gaas bedekt wordt, zorgen voor de nieuwe tabaksgeneratie des volgenden jaars.

 

Ik heb, om te eindigen, het hospitaal bezocht dezer onderneming, die wij immers hebben genoemd de Ster van het Oosten, omdat ik in mijn schets geen bepaalde onderneming op het oog had, maar alleen in luchtige lijn den lezer een denkbeeld wilde geven hoe het dekblad zijner allergeurigste wordt gewonnen in de Delische contreien. Wel, het hospitaal was waardig den mooien naam mijner fantazie, en het hospitaal was vooral roerende werkelijkheid. Den geneesheer, die mij geleidde, bewonderde ik om zijn jarenlange toewijding aan zieke Chineesche koelies. Hier was het, dat de aangeworven koelie, aangekomen, wordt onderzocht; zoo hij ziek blijkt, genezing vindt; zoo hij ongeneeslijk blijkt, wordt terug gezonden. Hij wordt geregeld gewogen en met naam en toenaam staat elke koelie in het archief opgeteekend met de détails van zijn gezondheidstoestand. Het zijn vooral voet- en beenwonden, waar hij aan lijdt, omdat hij geen sandalen of schoenen verkiest te dragen en de dorens en stekels hem hevig het vleesch kunnen open rijten. Chineezen, Javanen, Bengaleezen zijn de verplegers. Zijn het geen beenwonden, dan is het vooral een hem schuddende, heftige malaria, die hem op zijn baleh-baleh1 in-een gekrompen houdt. Het zijn zieke mannen en zieke vrouwen, tusschen wier bedden ik gegaan ben, maar de dokter kende hen allen en noemde hun naam en sprak hun troost in voor weldra.

 

Buiten lag het Chineesche kerkhof met de smalle, terrasvormige steenen muurtjes, waarachter het gebeente der dooden. Hun naam en sterfjaar is vermeld. Voor den symbolieken, heiligen Uitgang des Levens, die gelijk is aan den Ingang des Doods en die daar van steen en graszode is gebouwd in den gewijden vorm der vrouwelijke Sekse, was het grasplein, waarop de uitvaartfeesten

[p. 54]

worden gevierd. Een tepékong-tempeltje met beeldje en heilige plaat - de deurpost beplakt met roode bedepapiertjes en vergulde spreuke-wimpels school links tusschen pisangboom en rook zwaar nog doortrokken van wierookgeur. Er was een paar dagen geleden een koelie gestorven en de offergeur hing nog voor het aanzicht der goden, de zwarte booze en de goede, rooskleurige, god

 

Stralend gloeide de middagzon het azuur uit en glom door de jonge goudgroen transparante bananebladeren heen; de lange halmen der alang-alang trilden, hoewel er geen wind woei en de kiekendief, wijd uit de vleugels in de blauwe lucht, snerpte zijn kreet van zwaren weedom, den weedom, die in dit Oosten, trots alle bloeiende pracht en bladerenden rijkdom, hangt in de zware luchten als den Westerling onoplosbaar geheim.

4

Wij zijn van daag uit Medan terug naar Belawan - onze plaats van aankomst - getuft om de nieuwe havenwerken te zien. Het is een mooie weg tusschen kokos en pisang, groen en goud als steeds in deze regentijden; de natuur is uit haar nachtbad getreden; het vroege morgenuur is de schoonheid en zaligheid; der bananen bladeren hangen zwaar van nog vochtigen zonneschijn; de zonneglans druipt er van af; hoe prachtig is dat jonge pisangblad ginds, nu de zon er door henen schijnt; als van groen lak, dat gesmolten is, druipen hier, over de bamboe-huisjes met atap-dak, lange schaduwen en schijnsels strepende kokosbladeren, met der zware noten massale vracht, de eene noot tegen de andere hoog aan den stam onder het rijke bladerscherm. Chineesche winke-liertjes en inlandsche sajoer1-boertjes wonen aan den weg: aan den weg alleen, aan den boord van den weg tieren deze elementen: dadelijk achter den weg breidt zich het rijk uit der ondernemin-

[p. 55]

gen, is de grond in de macht der planters. Chineesche tepèkong-tempeltjes - soms wordt de tempel, soms godsbeeld of-plaat zoo genoemd - zijn sierlijk als fijne chinoiserietjes, met hun dakkammen van porceleinen draken en porceleinen bloemen, terwijl de wierookstokjes, ontstoken, geuren met blauwe spiraaltjes. Langs den weg weligt de nipa, de palm, wier bladeren vooral dakbedekking aan de huisjes geven, en de pinang-palm, de lange rechte, slanke. De contrôleur van Laboehan - dit ligt tusschen Belawan en Medan - zal mij verder naar Belawan geleiden. Hier is de Kampong-Besar - het groote dorp - en daar wonen... de jongens van Sliedrecht, de poldergasten, wel vijftig van hen; echte Hollandsche jongens, die het baggerwerk doen voor den nieuwen haven. Tusschen de polders - o Hollandsch woord! - tuffen wij de Deli-rivier over. Hier dichtbij heeft mijn vrouw gewoond, toen zij een meisje van acht was, en haar vader, bijna pionnier, een der allereerste tabaksondernemingen hier administreerde. Toen was er géén elegante stad Medan, hoofdplaats van de Oostkust van Sumatra; toen dreigde er telkens gevaar, liepen de hongerige Bataks de plantages, de eerste, de moedige, de overmoedige, af, werd een plantersgezin soms uitgemoord, sloop een tijger rond, die een, in tijgerhuid verkleede, spion bleek, was de romaneske atmosfeer er eene geschikt voor een boek van Aimard. Meer dan veertig jaar geleden. Toen was daar ginds nog de kleine armzalige haven, nu verzand en vervallen...

Sedert overwon het Westersch effort. Nog kunnen de groote mailschepen niet aanleggen aan de steigers van Belawan - de motorboot ‘Jansen’ bracht ons enkele dagen geleden van den ‘Prins der Nederlanden’ naar Belawan - maar in midden 1923 hoopt de heer Stigter, hoofdingenieur, directeur der Maatschappij Grotius (genoemd naar den heer De Groot), dat de nieuwe haven gereed zal zijn. Hier, aan de oevers der zee, is het oerwoud weg gekapt. Die zee is overzwermd met visschers-prauwen, waaruit de netten in het vroegst van den morgen zijn uitgegooid; een Chineesche jonk vaart weg met volle, vale, prachtig gelapte, vierkante zeilen en ginds rijzen uit het water de ‘djermals’ op: dat zijn de bamboe-

[p. 56]

wachthuisjes der visschers, bamboe-dakjes op hooge stijlen, ruim staketsel er om heen, waar tusschen de netten zich breiden. Verder op naar het Zuiden toe, wonen de visschers in die pittoreske ‘djermals’, heerscht nog de zeeroover, roover en visscher naar het hem gelieft: om een paar pikols rijst snijdt hij zijn makker den nek af; jonge visschersjongens zijn voor elkaâr niet veilig, berooven elkaâr, vermoorden elkaâr, als de een weet van den ander, dat zijn moeder hem wat geld gaf om aan wal naar den passar te gaan. Wie kan er tegen? Zij zijn, die visschers, de vrijbuiters en zeeschuimers, die van hun vischvangst, maar ook van hun roof leven; zij leven in hunne ‘djermals’ en sampans1, en beiden teekenen zich ginds in het zilveren licht van het nog even vochtige na-regen-morgenuur af, als met streepjes en vegen fijne sepia, heel teêr de bamboedakjes, de bamboe-stijlen rijzende trillende uit de parelgrijze zee, onder grijs witte wolken in teêrst blauwe lucht. Denk niet aan geweldige kleuren: deze landen, luchten, wateren, in deze maand, zoo overvloedig iederen dag gebaad, zijn enkel in half-tint en uitgewasschen te denken en de Riviera is straffer dat dit.

 

De Oceaan-haven: zoo zal de grootsche naam zijn van dit grootsche werk, waarvan de voltooiïng in naaste toekomst is. Duizend meter zal de muurkade lang zijn. Grooter diepgang zal de haven bieden dan die van Rotterdam. Vier-en-twintig drijvende caissons zullen worden gebouwd; twaalf zijn er reeds voltooid. Zijn de caissons tot drijven gereed, dan worden zij uitgedreven naar den steiger. Met eigen middelen, vooral tijdens den oorlog, is alles gedaan. De baggermolen werd hier gebouwd: nu kan wederom veel materiaal uit Holland worden besteld. IJzeren vlechtwerk is de bewapening van het beton. In een houten bekisting wordt het beton gestort; daarna wordt de caisson ‘uitgekleed’: de bekisting weg genomen. In den oorlogstijd kwam het bestelde ijzeren vlechtwerk als een warboel van oud ijzer aan - een fotografie geeft er een bijna humoristische afbeelding van: het was niet te

[p. 57]

contrôleeren en toen bleek, dat er 100 ton ontbrak, was dit een schade van ƒ40.000. Maar op zulk een kleinigheid ziet men niet bij grootsch werk als dit.

 

Een grootsch werk, een werk van Europeanen. Het is in deze dingen, dat men hen bewonderen kan in het Oosten. Zij werken, zij werken ontzettend, onverpoosd, bewonderenswaardig. Zij geven niet op, zij streven door. Het klimaat, hun groote vijand, werkt nooit met hen mede, beult hen af met koortsen en niet dadelijk zichtbare slooping. Maar het is of zij een andere koorts óók kennen, de koorts van den arbeid. Geen Oosterling, hier geboren, had ooit te Belawan een haven gesticht, evenmin als ooit een hier geboortige Oosterling tabaksondernemingen of rubberaanplanten had gesticht, ondernomen of geplant. Het schijnt mij zelfs toe, dat de zielen dezer inboorlingen, deze Maleiers en Batakkers, voor al deze Europeesche pogingen en moeienis stil glimlachend zijn blijven staan als voor onoplosbare raadsels. Zeker, deze Oosterlingen zijn geen Chineezen, vooral geen Japanners, in wie weêr àndere zielen sluimeren of ontwaakten. Maar hier, in Deli, in dit klimaat, aan deze kust, die vijftig jaren geleden nog rimboe1 was, verkrijgt de inboorling, de Oosterling, een oeroude ziel van traditie, traditie, die stamt uit fabelachtig verleden. Dit verleden was nooit door den Arbeid beheerscht, eerder door de Bespiegeling en de Aanschouwing der Machtige Natuur. Wij zullen dit later duidelijk zien, als wij de oude, wellicht vóór-Hindoesche kluizenarijen en grotten en heiligdommen bezoeken, uitgehouwen primitief in het tufsteen, en die voor ons, Europeanen, wederom àndere raadsels blijken zullen. Als Afgrond en Oceaan, zoo diep en wijd is het onoverkomelijk verschil der rassen, hoe klein onze aarde ook is.

 

Het is misschien vreemd, dat na door den heer Stigter zoo gewetensvol door de havenwerken van Belawan te zijn rond geleid, ik

[p. 58]

tot zoo vèr gaande bespiegeling dwaal. Maar deze Oostersche atmosfeeren wekken de bespiegeling, tegelijk dat zij wekken de melancholie. De natuur is hier overstelpend, de natuur drukt hier neêr de gevoelige ziel. Grootsch en majestueus zijn de adjectieven, die deze natuur geteekend hebben. Zij zijn banaal geworden, die beide woorden, die de eerste de beste aanschouwer, verbeelder, beschrijver dezer bergen, zeeën en vegetatiën, dadelijk voor zich heeft uitgesproken. Maar het zoû kinderachtig, en van woordmaniërisme getuigen, àndere woorden te zoeken, àndere adjectieven. Hoe gaarne ik mijn beschrijvenden stijl de frischheid van het nieuwe woord wensch te geven, ik vind geen andere woorden dan die welke iedereen vóór mij gevonden heeft. Grootsch en majestueus. En deze majesteit, deze grootschheid drukken en doen u bespiegelen in uwe neêr gedrukte kleinheid en wekken in u de onafweêrbare melancholie.

Zij is als een rouwvogel, die u steeds overzweeft. Zij zweeft mede aan met de uren. Als gij heel vroeg op staat, wat gij altijd doet, want achter uw tulle bedgordijn of in uw klamboe-kamer1 houdt ge het niet langer uit, zoodra ge wakker zijt, zelfs al is het nog donker - vijf uur. Dan voelt gij haar in de nog duistere ochtendschemering. Zeker meer in deze Westmoesson-maand dan in de dagen der langdurige droogte. Morgen en middag kunnen rijp van stralende krachten zijn en u doordringen van geluk en schoonheid, maar de middagschemering valt reeds om vier uur over u neêr in dit seizoen. De lucht is donker van opgehoudene, zwaar golvende regenzeilen, waaruit, zoo aanstonds de donkere bui neêr zal storten. De electrische lampjes in het groote huis doen hier en daar als spooklichtjes aan. Er zweeft iets rond, ge kunt niet zeggen wat. Er zweeft iets rond, dit is zeker. Is het iets vijandigs, is het alleen maar iets weemoedigs? Het is wel iets grootsch, maar tegelijk iets sombers. Het komt van verre en uit den vochtigen grond. Het is misschien nevel en mist, maar het is ook geheim en

[p. 59]

ge voelt het wegen op uw hoofd en uw ziel, op uwe gedachten, op uw gemoed. Ge praat en drinkt thee, na uw tweede bad - o, de donkere badkamer met de spookachtige martevanen1, die ik mij herinner van vroeger uit mijn jongensjaren’ - en de lampen helderen op en er komt bezoek en er klinkt muziek en gelach van Europeesche vrouwen...

 

Ginds weeklaagt in de donkere tuinen een soeling, een fluit. Het is een smartelijk, spottend, verliefd, droefgeestig geluid, héél hoog. Vreemde, langpootige sprinkhanen, twee, jagen elkander na, door de voorgalerij, waar ge zit. Hagedisjes loopen achter elkander boven aan den wand of over het plafond en vangen vlug elkander de vliegjes af. De groote padde springt binnen en voorspelt opnieuw: ‘meer regen!!’ Buiten kwaken de kikkers, trilleren de cicaden, vedelen de krekels mede in het eindeloos avondconcert ‘en sourdine’. Nu ruischt het machtiger op. Wat zijn dat toch voor duizenden geluiden? Welke andere fluiten, dieren dan die ik noemde, stemmen mede in? Is het niet om ergens stil in den donker te zitten, de handen te vouwen, niet meer te denken, niet meer te vragen en te betuigen, vroom: God, ùw wil geschiede... want wat ik wil, is nietigheid...

Dan begrijpt ge ook wat is de Boeman in de Wolken, waarmeê de kindertjes, die willen blijven spelen, naar bed worden gejaagd. Hij is een beetje vereenzelvigd met de malaria-mug, die nu opzweeft en heel klein is, hoewel de Boeman in de Wolken héél groot is, zóó groot, dat zijn vlerken als twee nachtschaduwen zijn, die woud en zee overdekken. Als de kindertjes blijven spelen, naakt, met alleen een amuletje om den hals, of aan een bandje om het dikke rijste-buikje, krijgen zij koorts, neen, komt de Boeman, hen, uit de Wolken, halen! Al het kleine is gelijk aan het Groote; gevaar en ziekte en onheil en dood schuilen zoowel in een mugje, als in vulkanen, onder de aarde, boven de aarde; het komt van een insect of van de booze goden...

[p. 60]

Een verstrooiïng is het dan om naar de Komedie-Stamboel te gaan of naar de Wajang-Tjina. Waarom de Maleische komedie ‘Stamboel’ heet, dat is Constantinopel, is onduidelijk. Ook vind ik de kunst, waarmeê een onbelangrijk koningsspel wordt vertoond, niet zeer mooi. Maar mijn gastheer, de Gouverneur, met wien wij gegaan zijn-wij zijn dus deftig met het ‘Wilhelmus’ ontvangen in een soort ge-improvizeerde loge, waar, op een tafel, boeket en sigaren-waardeert de Maleische toespelingen van den clown-houthakker, die erg Shakesperiaansch tegen een verdwaalden, jongen prins schijnt te doen. Zoo goed versta ik geen litterair Maleisch. Mooier vond ik een anderen avond de Wajang-Tjina - het Chineesch Theater - hoewel de muziek der zeer slordig uitziende muzikanten oor - en hartverscheurend was van nooit opgelosten dissonant. Maar het Spel om den Lotosvijver - die vijver werd slechts verbeeld door twee witte bloemen, ter zijde van een opschrift - vermoedelijk: ‘dit is de vijver’ - vertoonde ons veel moois in de prachtiglijk uitgedoste feeënfiguurtjes of engelen uit een Chineesch paradijs, van wie er ééne een menschenzoon gaat beminnen. Die figuurtjes, die dêwi's, die engelen zagen er uit met hare porceleinachtig, teêr geblankette gezichtjes en in haar zilveren en gouden, zeer geborduurde kostuums als poppetjes van een allerfijnst eierschaal-theekopje weg geloopen. Het was heel sierlijk en gracieus voor het oog, en wanhopiglijk disharmonieus voor het oor. Er waren ook clowns, de knechten en vazallen der oorlogshelden, die met vervaarlijk rollende oogen en lang hangende snorren en onmetelijke zwaarden, die zwaaiden, zich voor den gek lieten houden door dat democratische element.

Het spel duurde uren, uren lang, maar onze Westersche zenuwen en bewondering konden niet langer dan een paar uur in spanning blijven en in een vloedregen, bijna blank in de zwarte nacht, tuften wij door schimachtig, wit Medan - alleen bij de Boer zaten een paar verlate heeren planters nog te omong-omong1 om een tafeltje-naar huis.

[p. 61]

5

Wij hebben in Medan de groote Moskee bewonderd, in modern Arabischen stijl wel sierlijk van lijn en zacht gouden schittering gebouwd, met de minaret er naast, de toren, van waar in Arabië en Afrika 's ochtends en 's avonds den Muzelman herinnerd wordt, dat God groot en eenig is en Mohammed zijn profeet. Wij werden er heen geleid door den contrôleur-kotta (contrôleur van de stad) den heer Pronk, en de Tengkoe-Besar wachtte ons aan den ingang. Dit was wel heel eenvoudig en onverwacht want de Tengkoe-Besar is de kroonprins van Deli, en toen hij daar zoo dood-eenvoudig ons opwachtte, in zijn witte toetoep1-jasje, begreep ik niet dadelijk wie hij was. Hij zeide mij, dat zijn vader, de Sultan van Deli, oud was en wel eens ziek en zich verontschuldigde mij niet te kunnen ontvangen, maar dat hij mij gaarne de Moskee zoû toonen en daarna het Ontvangpaleis van den Sultan. (Dit is steeds een ander gebouw, dan het intiemer huis, dat alleen voor huisvesting dient.)

 

Ik deed mijn schoenen uit, omdat de muilen, die mij geboden werden om met schoen-en-al in te slippen, mij te klein waren en de kroonprins deed als ik. Na de Moskee bewonderd te hebben - ik vergat hoeveel zij kostte en zelfs o schande, den naam van haar Europeeschen bouwheer - deed ik mijn schoenen weêr aan en strikte de veters, daar er niemand was, wien ik dit vragen dorst. Den chauffeur van den Gouverneur, wiens auto ons gebracht had, allerminst in deze dagen, dat het democratisme en eigen-bewustzijn zegeviert, zelfs in de nederigste harten. Ik had echter wel gedacht, dat de Tengkoe-Besar, die ook zijn schoenen weêr had aangeslipt, met zijn veters geholpen zoû worden door zijn volgeling of door een van de jongentjes, die naar ons stonden te kijken met pittige oogjes in bruine gezichtjes, gedekt door de kalotachtige mutsjes, die zij hier dragen. Maar toen ik een beetje

[p. 62]

moeizaam, - ik ben niet meer piepjong en mijn bretellen waren misschien iets te strak - met mijn veters gereed was, zag ik den Tengkoe-Besar in zijn schoenen met losse veters staan, en een beetje verlegen staren. Ik begreep den toestand in eens; ik begreep, dat er - o democratisme! - op dat oogenblik niemand daar was, noch onder zijn of mijn chauffeurs, noch onder de Inlandsche politie, die daar stond, noch onder de kleine git-oogige gapertjes, die den Tengkoe wenschte te helpen met zijn veters! In Java waren oogenblikkelijk, kruipende, drie, vier ‘onderdanen’ van den Tengkoe toe gestort en hadden zijn veters gestrikt. Of is het misschien daar ook al veranderd? Ik zal het u later vertellen, zoodra ik in Java kom. Toen ik dus begrepen had, dat de Tengkoe verlegen met zijn figuur was, wendde ik mij met de meest natuurlijke nonchalance af, maar spiedde toch even ter zijde uit, en zag, dat de Tengkoe, nog jong, maar reeds ietwat gezet, nu achter mijn rug meer vrijheid had zich te bukken en te buigen naar zijn losse veters toe. Hij slaagde er in ze te strikken en wij kwamen weêr glimlachend naar elkander toe: hij zoû ons voorgaan in zijn auto, naar het ontvang-paleis.

 

Zulk een paleis, zulk een ontvang-paleis van een Sultan van Deli, moet ge u niet voorstellen als een ensemble van smaak en pracht, als een décor uit Scheherazade's tooververtelling. Maar ik had de paleizen van den Bey gezien te Tunis en was dus voorbereid. Ook hier vreemdsoortige meubelen en ornamenten en spiegels, die u doen vragen: waar komen ze van daan? De Oosterling heeft alleen een zondeloozen smaak als hij zijn eigene schoonheidstraditie volgt. Dan is alles mooi, ge-eigend, sierlijk, zelfs weelderig. Ent hij Westersche begrippen op zijn Oosterschen stam, dan ontspruit er maar al te vaak een smakelooze mengeling. Een zilveren tabaksplant, den Sultan, zijn vader, door de Deli-Maatschappij vereerd, moest de Tengkoe, toen hij ons die wilde toonen, wederom zelve los peuteren uit haar zilveren koker, zonder dat één der volgelingen of dienaren, die rondom stonden, hem hielpen.

[p. 63]

Mocht de kroonprins misschien deze kleine indiscreties omtrent mijn bezoek aan Moskee en paleis zich verwaardigen te lezen, dan zal hijzelve vermoedelijk het eerst glimlachen en hooghartig zeggen: wat wil u, meneer de speciale correspondent, zoo zijn nu eenmaal de tijden en u ziet met welk een filozofie ik er mij in schik, ik, de afstammeling van de vorsten van Kalinga, het groote Voor-Indische Rijk, op welke afstamming ik zeer trotsch ben omdat alle andere Maleische vorsten màar afstammen van uw Iskander, ik meen Alexander den Groote!1

 

Allerlei ras wemelt te Medan door elkander. Japanners, Chineezen, Klingaleezen, en de verschillende Sumatraansche typen - waaronder Bataks en enkele Minang-Kabauers - onderscheidt ge dadelijk uit elkander. De beide eersten vormen een kleinen winkelstand en onder de Hindoe's - de zoogenaamde ‘Klings’ met eenige minachting alzoo door de anderen genoemd - zult ge vooral de woekeraars opletten, de geldschieters, de Orang-Tjetti, wier gilde - als ik hiervan spreken mag - oeroud is (want Ptolomaeus spreekt reeds in zijn geschriften van Tjetti's: Vóór-Indische handelaren, die op oorlogsvlotten meê kwamen om zaken te doen en geld den Maleischen vorsten vóór te schieten). Deze Tjetti's of woekeraars eeren hunne tradities en antieken Hindoe-godsdienst, en hebben in Medan een aparten tempel, tusschen de drie, vier andere Hindoe-tempels, die men er treft. Wij hebben er een bezoek gebracht, dat wel heel bizonder was. Zoodra het bekend was dat de Gouverneur met familie en gasten dezen tempel een bezoek zoû brengen, verzamelden zich Hindoesche muzikanten, die onze langzaam voort rollende auto's vooruit gingen. Het waren doffe trommen en zeer fijne, tegen elkaâr hoog-op klinkende, cymbalebekkens, die de fluiten begeleidden. Het was voor Westersch oor fijnere muziek dan de Chineesche der Wajang-

[p. 64]

Tjina. Het hoofd der woekeraars ontving ons met groote hormat; een menigte nieuwsgierigen vormde zich en bloemenketenen, allerkunstigst gemaakt van melatie en kenanga, zeer sterk geurende bloemen, werden ons allen omgehangen, zoowel de dames als den heeren. Te weigeren zich zóó te laten vertuiten, zoû grof Westersch geweest zijn. Tevens werden wij op onze kleederen zeer geparfumeerd met Oostersch geurwerk. Zoo zaten wij dus allergeurigst in twee rijen terwijl de muziek in hartstochtelijker accent van devotie steeg. De tempel had drie heiligdommen, drie nissen of kamertjes, waarin zwartig bewierookte, niet mooie, gedrochtelijke afgodsbeeldjes, boven de altaren zichtbaar werden. Het was: ‘Mariamman’ in het midden, die is ‘Njonja Siwa’(!!), mevrouw Siwa, de vrouw van Siwa, tusschen, ik geloof haar zoon Soewami en Ganeça, den wijzen god met den olifantssnuit. Een Brahmaan, voorhoofd en borst getatouëerd met mystieke strepen, geteekend met asch van Bengaalsche-aarde-ensandelhout, deed den dienst en de offering, zwaaide de vier-, vijftuitige, koperen offerlamp en stak de wierookstokjes aan voor de godjes, die onder kleine, gouden pajongs zaten. Wij zagen verder een groote, vergulde palankijn, een statie-kar, waarin op sommige dagen de beelden of misschien alleen dat van de ‘Njonja Siwa’ werd(en) rond gevoerd in processie. Want als ik iets zeg, dat niet precies zoo is, vergeve men mij omdat zoo heftig muzikaal steeg de hartstochtelijke devotie, dat ik niet goed meer naar de inlichtingen van den Tjetti-heer kon luisteren. En doof was toen wij eindelijk, voor weêr andere kleine afgodsnisjes, de ijzeren prikkels en puntstaken zagen, waarop de fakirs dansen met bloote voeten en niet bloeden als zij in extaze geraken. Met onze bloemketenen omhangen, tuften wij daarna naar huis en daar de Burgemeester van Medan, baron Mackay, ons op dat oogenblik een bezoek bracht, moesten wij ons zoo spoedig mogelijk van de sierlijke bloemenketenen ontdoen, die heel goed stonden in den woekeraarstempel, maar één uur later, in de voorgalerij van het Gouverneurs-huis volstrekt niet meer van pas waren. Wij hingen de ketenen op in slingers om de lichtkroon in de achtergalerij.

[p. 65]

Zoo is het leven te Medan heel druk. Er is iederen dag iets te doen, iets te gaan zien en de lange dagen zijn telkens te kort. En ofschoon ik slechts een toerist ben en geen planter en geen ambtenaar en geen handelsman, heb ik er mijn drukke dagen, zoo goed als die allen. Wie dus meenen mocht, dat het leven onder de tropische zon het luie leven zoû zijn, vergist zich. Trouwens de zon is zeer gedempt. Het licht in deze regenmaand is ook op de uren, dat het niet regent, gesluierd. Bizonder treffend is de indruk van frischheid, die alles en iedereen maakt. De wit gekleede mannen, de licht gekleede vrouwen, de witte huizen, de groene tuinen, de groene gazons, de schuimende rivier, de tegenwoordig zelfs vaak wit gekleede inboorlingen, die allen en dat alles geven in deze wijde, groene en witte stad een indruk van frischheid. Alles en iedereen baadt zich, ziet er ook gebaad en gewasschen uit, vooral de natuur na haar regenstortbad. Hoe frisch gewasschen zien zelfs er niet uit de keurige witte, met strookjes versierde bekleedsels der dos-à-dos, de kleine huurkarretjes met een vief Bataksch paardje bespannen en waarin men rug tegen rug zit. Maar in deze algemeene frischheid werkt men in Medan zeer hard of straalt van daar uit de arbeids-energie naar de ondernemingen. De malaise heerscht nu echter, in de rubber het meest; en er is daarom wel een verdrietelijkheid onder velen der hard werkenden. Ge zult, spreekt ge intiemer met deze harde-werkers, bespeuren, dat velen er wel eens overwerkt zijn. Zij zoeken dan nieuwe krachten op de hoogvlakte van Brastagi, waar ook wij enkele dagen vertoefd hebben in het frissche nieuwe hôtel van de gebroeders Walter. Het is daar het Zwitserland van Deli, om de wijde heuvels, de berglucht, het landschap zelfs, waarin palm en bamboe niet meer tieren, maar waar aardbeien worden gekweekt. Iedere Deli-man, die het doen kan, heeft daar op Brastagi zijn cottage, voor zijn week-end, en zelfs de Engelschen komen er over van Singapore, om een kouden neus te halen. De weg van Medan er heen is een, langs den Pctani-waterval slingerenden, opgang tusschen kloven en rotsen. En de grootsch hoogstammige boomen - of het is kokos- of nipapalm, arèn- of bamboeboom, kartelig gebladerde

[p. 66]

broodboom of boomvaren, die vraagteekent met zijn opschietend nieuwe, nog niet ontlokene bladeren - vormen steeds een groep van harmonieuse ommelijn, als of de godheden dier boomen hoveniers waren, die wisten te groepeeren en samen te voegen wat schoon tegen elkander afsteekt. Deze grootsche, majestueuze natuur is altijd af, zelfs als de mensch er een weg door heen heeft geslingerd en zij heeft zulk een groeimacht, dat is er boom, plant of blad in haar vernield, gescheurd, ontworteld, zij dadelijk met al haar tierkracht opstuwt om te verhelpen en te overweligen wat bedorven werd in haar harmonieus geheel.

 

Wijd is het uitzicht van Brastagi: de bergen golven om-rond. Ginds ziet ge den Sibajak steeds rookende uit zijn zwavelgelig gebarsten spleet. Het is of de berg - de Verhevene is zijn naam - eenmaal in den tijd der oercataclysmen in tweeën gespleten, gekloofd werd. Het hôtel is vooral vroolijk en vol - wat het zeer verdient - op Zaterdag-avond; dan komt er een strijkje van dilettanten uit Medan, die onvermoeid fidelen en jazzen. Maar voor de pasangrahan1 van den Gouverneur, daarginds verloren in bergsche eenzaamheid, is meer de eigenaardige stemming der Indische avonden. Daar valt de droefgeestige peinzing neêr, de nooit uit te zeggen melancholie, vooral als er de Bataksche muzikanten, op een matje gezeten in de vallende schemering, sroenaï (hobo) en gendang (trom) fluiten en slaan en de zachte, geheimvolle gong er tusschen door dongt. Zij verheerlijken in hun zang de compagnie en den contrôleur Westenberg, die veel voor deze landen deed. Maar ik weet niet waarom deze verheerlijking op dit uur mij een beetje pijnlijk aandoet. Misschien omdat het mysterievolle oogenblik er niet geschikt voor is: het is zoo weemoedig omrond; voelen de inboorlingen dat dan niet? Maar toen kwam de koeltjapi-speler, de Bataksche luitspeler, een al oud, verschrompeld mannetje. En op zijn smal, zwartig luitje, met twee snaren slechts, ontdekte hij allerlei naïve melodie en heel ernstig

[p. 67]

en vol wijding droeg hij zijn muzikale vertelseltjes voor; het was van een hondje en van een vogeltje, en je hoorde het hondje heel schelletjes blaffen en om het vogeltje dartelen, en toen ik aandachtig zag naar het oude, verschrompelde luitspelertje, meende ik op te merken, dat hij heel gelukkig was, zóó te kunnen spelen, zoo zuiver, hoog hel en vol melodie, die naïf zijn verhaaltje illustreerde. En zijn geluk maakte ook mij glimlachend tevreden in het uur van schemer en weemoed.

6

Apen loopen den weg over, vlak voor onzen auto, die tusschen de hoog gewassen djati-aanplant, in pluimen uitbloeiend, naar Matapaoh snelt, een oliepalm-onderneming, veertig, vijftig kilometer van hier verwijderd, die ik zien zal met den heer Bliek, directeur van de Société Foncière. De kampongs zijn verstrooid: allerliefst is het de naakte kinderen te zien baden en spelen, in de plassen, die de kampongs omringen en waaruit de bananen-bongerds rijzen, zich hel spiegelend met blad en tros in het gladde, heldere, stil staande water, dat nog niet de aarde opzoog. Hier is de klappa-savit in lange rijen geplant, ook wel apenpalm genoemd.

 

Het zijn de velden der onderneming. Ginds zijn de loodsen en de administrateur komt ons te gemoet. Het is misschien beter allereerst den aanplant zelf te doorloopen der oliepalmboomen, die over een terrein van 100 h.a. verdeeld zijn. Het zijn dubbelseksige boomen, die mannelijke en vrouwelijke bloemen geven; de laatste worden tot tros. Kunstmatig wordt de bestuiving bevorderd; het ‘kawin-poehoen’, het ‘huwelijk der boomen’ is een teêre, voorname kwestie. De vrouwelijke bloem kleurt zich van wit naar rood toe tot purperzwart. Is zij zoo donker, dan is het voor het huwelijk te laat. Elken dag wordt dus iedere olieboom gecontrôleerd en zoo de bloem huwbaar bevonden wordt, wordt zij bestuifd. Het stuifmeel geurt naar iris of anijs. Soms treedt een periode in, dat enkel mannelijke bloemen zich ontwikkelen; dan

[p. 68]

wordt gekapt en gekapt om zooveel virilen drang te fnuiken en vertoont plotseling zich weêr de ontvankelijke, vrouwelijke bloem. Heeft de tros zich genoegzaam ontwikkeld, dan wordt zij in de loods gebracht en blijft drie dagen narijpen.

 

Met gemak, is de tros rijp, worden door vrouwen de vruchtjes van de tros geplukt. Daarna brengt men de vruchten in de fabriek. Er hangt daar de vette olielucht; oorwurmen kriebelen rond. Tot een hitte van 100 gr. C. worden de vruchten gesterilizeerd; de afval dient tot stookmateriaal van de locomobielen. De vruchten worden dan verwarmd in stoombakken; de doode microbe, die er nog in achter bleef moet vernietigd. De gesterilizeerde vrucht wordt opgevangen, tot pulp gestampt en weêr verwarmd om daarna een eerste en tweede persing te ondergaan. Op groote ondernemingen geschiedt deze persing hydraulisch; hier draaien twee koelies de pers om. Zijn de vruchten gedroogd in de zon, dan worden kern en vezel gescheiden in de depulpeur; de vezel valt af, de pitten blijven. Als uit een omrollende, veelhoekige kooi vallen de pitten en worden gekraakt in de concasseur, tot kern zich scheidt van schil.

Ik heb hier wederom gewaardeerd hoe hard gewerkt wordt om dit bedrijf tot bloei te brengen. Het is wederom een Westersch effort om olie te persen uit het ooft van vrij lage palmboomen, die oogenschijnlijk niets anders bedoelden dan sierlijk te zijn en met hun bladeren tijger of tijgerkat te beschaduwen, wiens huid bijna één van tint en streep is met het schijnsel en schaduwgespeel der nauw windbewogen bladeren. Het is voor wie hier werken: vroeg opstaan, den geheelen dag arbeid, en vroeg naar bed, bijna zonder eenige distractie. De zee is niet ver en biedt die wel aan om te baden, te zwemmen, te visschen. De rhinoceros is wel eens te jagen bij de rivier, waar de boeaia (krokodil) ligt te bakken en zich gelijk maakt aan een rottend stuk hout, om niet al te veel op te vallen. De stad is te ver om iederen dag te bereiken voor administrateur en employés. Hier op Matapaoh, tusschen oliepalmboomen wordt gewerkt en hàrd gewerkt, en hoewel de inboorling,

[p. 69]

man en vrouw, mede werkt met den Europeaan, moet hij wel eens denken, vermoed ik: wat werkt hij hard, die orang-blanda (Hollander) en wat heeft hij ongelijk zoo hard te werken... al ben ik wel genoodzaakt mede te werken!!

 

Op onzen terugtocht tuften wij langs verschillende rubberplantages van de Deli-Moeda. Het is de hevea-brasiliensis, de uit Brazilië ingevoerde boom, die de karet-boom verdrong, de ficus elastica, de mooie, majestueuze, veelpootige met de stevige, glanzende bladeren; de boom, die, waar hij ook gesneden werd of gekapt of gekorven, den witten latex liet vloeien. De hevea bleek toch voordeeliger te zijn, al murmelen nu de bladeren dier boomen rondom mij: malaise! En altijd: malaise! (Ik geloof, dat de rubber juist aan het stijgen is en dat de boomen dus niet meer zóó droefgeestig murmelen.) Maar de hevea is lang zoo mooi niet als de karet, hoewel dit schoonheidsgemis niets te zeggen heeft. De hevea-rubbertuinen zijn eentonige aanplantingen; in alleeën staan de een weinig sombere, wel hooge, maar onaanzienlijke boomen geplant. In schuine repen zijn lang de stammen gekorven. De ‘cups’, glaasjes of kopjes, die als de boom wordt getapt, den latex opvangen, de melk, het dikke witte sap, staan bij iederen boom op een in den grond geplanten stok of zijn bevestigd rondom den stam heen. Het is een vereischte, dat de wortels niet grillig zich bloot woelen uit de aarde. De irrigatie en humus-toevoer worden om den boom op verschillende wijze bevorderd: hier door ronde, daar door vierkante gaten, putten of slooten; een andere rubberplanter verkiest liever een systeem van halve-maan-achtige walletjes, die afglooien naar den boomstam.

Er wordt weinig gewerkt: malaise! malaise! Een enkele koelie of vrouw is mistroostig aan het tappen. Uit een zinken tuitje druipt dik de witte latex den cup in. In zoogenaamde ‘melkkannen’ wordt dan die melk gegoten. Ik zie boomen van veertien jaren oud en ouder. Soms vallen er vruchten, die ontploffen.

Genummerd staan daar in allee-rijen de rubberboomen en geen zon maar schemer zinkt al heel vroeg door hunne droeve takken

[p. 70]

en bladeren heen, langs de gevlekte stammen. Sombere, eentonige geld-, ik meen latextapperij, vooral als het zoo van ‘malaise’ murmelt... Hier en daar wordt heelemaal niet meer gewerkt, zijn de assistent-huizen gesloten. Zijn zij weg, de assistenten, ontslagen, zoeken zij andere baantjes, in Medan, de frissche, witte, groene stad, afloopende de groote heeren, de machtige Deli-mannen...

 

De ‘ruwe rubber’, gevulcanizeerd door zwavel, geeft de ‘smoked sheet’, de ‘gerookte rubber’, nu gesterilizeerd tegen infectie. De melk, in zinken bakken, verdund met azijn-zuur, stremt, coaguleert, geeft het coagulum, waarvan de waardelooze stoffen worden afgescheiden. Het coagulum is een plastische, weeke massa: twee stalen walsen persen het tot de ‘crêpe’, die gedroogd, werkelijk een grove, witte krip gelijkt. Langs den weg schakelen zich de sombere, een weinig duisterende rubberbosschen met de schuine lanen in perspectief der genummerde boomen, iedere boom met zijn cup naast of aan zijn stam. En ik weet, nu ik hoor, dat de rubber stijgt, werkelijk niet of de bladeren, de vaalgroene, de onaanzienlijke, nog altijd eentonig murmelen: ‘malaise’! Want bladeren van boomen weten gauw de dingen, die de wind, nu van hier, dan van daar, hen oververtelt; de wind meldde, vermoed ik, de beursberichten aan de rubberboomen... Of zoû hun werkelijk stijging of daling der beurswaarden onverschillig laten en laten zij, laconiek-weg, zich tappen of niet tappen, hoe het uitkomt?

Het zoû wel mogelijk zijn: dom, onverschillig, zielloos en zonder hart voor hun planter schijnen mij die rubberboomen. En intusschen houdt de Avros (Algemeene Vereeniging Rubber Oostkust Sumatra) niet op in een zeer prachtig laboratorium de moederplanten te bestudeeren ter harer ziekte-bestrijding. O, altruïsme van den mensch tegenover het egoïsme van den boom!

 

Langs het paleis van den Sultan van Serdang (denkt dit alles zéér eenvoudig, hoe verheven het ook klinkt!) tuffen wij terug en houden stil om, in zijn hok, in den voortuin des Sultans orang-oetan te zien. Er zitten er drie, meenen wij, maar als de vreemde,

[p. 71]

reusachtige apentoestand zich ontwikkelt, zien wij, dat het maar één aap is, één orang-oetan, een wijfje, kolossaal, dat zich loskronkelt uit haar veelvoudig verwrongen houding, in diepe melancholie naar ons staart om dan wel een pisang te willen eten. Daar des Sultans jongere broeder juist in den tuin wandelt met een volgeling, komt hij naar ons toe, groet den heer Bliek, dien hij kent en vraagt mij hoe de toestand in - Europa is... Ik vertel hem, verschrikt, wat ik mij herinner uit de laatste Post Scripta van de Haagsche Post...

 

Een spreekwoord: ‘wie vóór een paard loopt, wordt gebeten; wie er achter loopt, getrapt...’ Dit was naar aanleiding, geloof ik, van de politieke toestanden, die in dit gesprek werden aangetikt...

 

Om naar Pangkalan Brandan te gaan en iets van de petroleum-exploitatie aldaar te zien, behoort men een ‘speciale permissie’ te krijgen, verneem ik ietwat tot mijn schrik en op het punt in de auto te stappen. Ik denk echter na: ik ben, na mijn lezingen in Medan, uitgenoodigd in Pangkalan Brandan te lezen; tevens hield deze uitnoodiging er nog een andere in: die van de gast te zijn van den heer J. Schildt, administrateur van de Bataafsche Petroleum-Maatschappij, onder wier vier Nederlandsen-Indische ondernemingen Pangkalan Brandan een voorname plaats inneemt. Bij afwezigheid van den heer Schildt zal zijn plaatsvervanger, de heer Van der Vegt, ons met mevr. Van der Vegt ontvangen. Ik ben dus niet meer bang niets van het petroleum-bedrijf te zullen zien en uw correspondent, o Haagsche Post, wordt alle eere gedaan door de groote heeren van de Petroleum. Nogmaals wil ik hier verzekeren, dat ik niets dan welwillendheid, hartelijkheid, gastvrijheid op mijn weg ontmoet.

 

Mag ik, als het noodig is, den lezer herinneren, dat de Bataafsche eene dochter-maatschappij is der beroemde Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch Indië, onder welke produceerende en verkoopende

[p. 72]

maatschappijen zijn. Reeds aan boord hadden wij uit de verte gezien een vreemden gloor. Was het de gloor van een nachtelijke wereldstad? Was het, werkelijk als men zeide de, als in fakkels, in buizen opgevoerde nuttelooze gassen, die te Pangkalan Brandan in brand werden gestoken en die dien glorenden afglans gaven? Ik heb nu gehoord, dat die vreemde gloor was afglans van electrisch licht en van brandende gassen beiden. Wij zullen twee dagen blijven. De weg er heen leidt over Tandjoeng Poera. Het is de eerste weg, dien ik neem door het land, naar het Noorden toe, bijna terug naar de zee, die ik kort geleden bevaarde. De schoonheden langs den weg zijn duizenden en het zijn steeds de palmen, bananen-, bamboe-bosschen, met de huisjes die er zoo goudbruin van zonbrand in schuilen. Om u van zoo vele schoonheden iets te laten zien, moet ik kiezen... Mag ik kiezen de pedati's, de vrachtkarren, nog niet vaak door karbouwen, meer door Bengaalsche ossen getrokken? Laat mij voor één oogenblik naar niets anders zien, dan naar die pedati's, minder poëtisch van klank, wel eens grobaks geheeten. De mooie kar met haar dak als van een huisje, van zwarte arèn-vezel of vergeeld palmblad, of zelfs alang-alang, het grove gras. De kar is een met den weg, een met de natuur, een met het landschap: zij lijkt een, op trage wielen voortrollend, huisje, in kleur gelijk aan wat haar omringt. Zij vervoert soms enkele djati-stammen slechts, die schijnen zwaar te zijn. Het is de Bengaalsche os, die haar trekt. Karbouw en Bengaalsch rund, zij hebben beiden mijn sympathie. Ik zal u later den karbouw toonen; nu zie ik slechts dit Bengaalsche rund. Het beest lijkt gewijd en heilig, zoo schoon is het. En dit mooie, gewijde, uit Vóór-Indië ingevoerde rund, deze witte, lichtbruine of grijze os is een trekdier. Het trekt elegant en met waardigheid, zonder zich te overhaasten, als bewust van zijn bijna godsdienstige schoonheid. Vreemd, dat godsdienstige, dat bijna mystieke, dat uit de dieren hier straalt. Zie den kop van dien os, even naar achteren toe naar de kroon der horens, soms rond, soms recht uitgestoken of lichtelijk omgebogen. Zie het bijna hoogmoedig achterover gelegde hoofd en de rustige, peinzende oogen strak voor zich uit. Zie het

[p. 73]

mooie lijf, slank invallende de flanken naar de breedere schoften toe. Met den diepen nek, waarop het juk ligt, vóór den bult; met de bengelende kwab, lang uitgegolfd onder aan hals en aan borst, - als een sieraad, als een strook, als een jabot, zoû ik bijna zeggen, zoo het woord niet vloekte tegen atmosfeer, tijd en dier - zoo gaat de Bengaalsche os met rustigen tred en trekt de pedati voort. Of graast daar ginds in het hooge gras en het jonge stierkalfje graast naast de mooie moederkoe...

 

Mooie, ernstig aandoende, godsdienstig aandoende dieren! Waarom denk ik, als ik dit dier zie aan de goden van zijn geboorteland? Aan zielsverhuizing en Brahmanen en Arische wijsbegeerte en poëzie? Hebben die allen dan iets met dit mooie dier te maken? Ik heb op dit oogenblik geen tijd de Veda's te lezen, trouwens ik heb die heilige schriften ook niet bij de hand. Ginds lokt mij de Petroleum; ik moet iets zien van de ‘Koninklijke’, die zoo vele harten en beurzen bracht in beroering. Maar bij Stabat en Wampsoe, den weg langs, de bruggen over, over soengeï1 en kali2 gaan de pedati's traag, en snelt de auto ze voorbij en zie ik steeds om naar de ossen, de wijze, mooie trekdieren, die mij laten denken, ik weet niet waarom, aan Vóór-Indische goden, helden, prinsessen, te vondeling gelegde kroonprinsen, kluizenaars, heilige vijvers en lotosbloemen. Zouden de Bengaalsche runderen zich iets van alle deze heugen uit vroegere levens en eeuwen? Of droom ik van dwaze dingen?

7

Als wij langs zooveel schoons en bespiegeling-wekkends aankomen te Tandjoeng-Poera, voor het huis van den Assistent-Rezident, den heer Facchinger Auer, zien wij op den weg, tusschen de koningspalmen-allee en de senna-allee langzaam een grobak aan-

[p. 74]

rollen, getrokken door een peinzenden karbouw. In de grobak, onder het dakje ligt, o verrassing, een gedoode tijger, geschakeerd met licht en schaduw het rijke vel: een menigte volk, om de grobak1, maakt op een afstand commentaren vol eerbied en ontzag, en ik zelf ben wel onder den indruk, vooral omdat ik den laatsten tijd veel verhalen gehoord heb van tijgers...

- Is deze tijger dus geen zoogenaamde volgtijger? vraag ik den heer Auer, die ons verwelkomt. Geen volgtijger, omdat men hem immers heeft durven schieten?

De heer Auer betwijfelt het. En wat een volgtijger is, o lezer, vertel ik u later eens, nu niet, op dit zonnige middaguur van ontvangst, door gastheer en gastvrouw, die ons wachten met een keurig lunch. Neen, liever verhaal ik u van ‘volgtijgers’ als het uur van geheim duistervol is gezonken over woud en veld en zee... Dan zult gij eerder ontvankelijk zijn te hooren van de Sumatraansche ‘volgtijgers’ - de tijgers, die een prins of jager volgen en... bewaken; ook zult gij zelfs wel eens hooren van een ‘volgkroko-dil’, en zeker wel u verbazen, maar daarna... bijna gelooven! Heb geduld, heb geduld!

 

Nu is het uur nog niet wondervol. Hoe hartelijk gastvrij en bijna wereldsch doet zulk een ontvangst op den noen aan, en werkelijk, ik ben, geloof ik, wel een zoon van een ambtenaars-familie; - alleen maar als ik den hoogen vlaggestok zie vóór op het gazon van het huis eens ambtenaars - rezident, assistent-rezident, contrôleur - wordt er iets sympathieks in mij bewogen. Als ik geen schrijver was geboren, was ik zeker Oost-Indisch ambtenaar geworden.

 

Dien middag kwamen wij langs vele, naar het schijnt, tijdelijk verlatene rubber-estates (malaise!) aan te Pangkalan Brandan, waar de heer en mevrouw Van der Vegt ons ontvangen uit naam van den heer Schildt, die afwezig is.

[p. 75]

Vóór het diner, muziek in de Societeit van een ambulant gezelschap - ik geloof enkele Russen, - dat heel goed speelt. Den volgenden dag, de groote toer. De heet Van der Hijden, boor-inspecteur, wil ons wel begeleiden; de heer De Wolf, chef-correspondent der Bataafsche Petroleum-Maatschappij eveneens; mevrouw Van der Hijden is met mijn vrouw eveneens van de partij. In de auto vroeg naar Besitan, waar wij uitstappen bij de rivier en de motorboot ‘Quinto’ (de vijfde van dat type) ons wacht. De rivier motoren wij af, en trots het moderne vehikel is de aanblik vol poëzie. De oevers van bamboe, bananen, kokos en nipa; ginds telkens de rizeforen, zich met hare luchtwortels verheffende boven de moerassige boorden; zelfs de idyllische W.C.'s met bladerdakjes op stijltjes en gevlochten bamboe-muurtjes uit de gladde wateren rijzend, zijn... poëtisch.

 

- Liggen er geen boeaia's (krokodillen) te droomen aan den oever? vraag ik, uitspiedend. Kijk, daar!

Het is echter een stuk rottende boomstam, sloom voortdrijvend. Wij hebben geen boeaia's gezien, geen olifant, die nieuwsgierig den snuit tusschen de rizeforen uit stak; geen rhinoceros, die zich baadde. Toch is deze fauna hier niet vreemd en een boeaia, die droomt, camoufleert zich tot een rottenden boomstam. De heer Van der Hijden licht mij in: ik hoor, dat er een geregelde geologische dienst is, die voor de Maatschappij het terrein onderzoekt. Ik zal u niet vermoeien, o lezer, met ‘antiklinaal’ en ‘synklinaal’, met ‘zadel’ en ‘trog’ als te technisch geologisch voor zulke vluchtige causerie als de mijne. Het zij u genoeg te weten, dat, in de negentig gevallen der honderd, petroleum bij onderzoek hier wordt gevonden. Ik hoor van de allereerste bron, Telaga Saïd, waar de vrouwen nog steeds offeren om vruchtbaar te worden.

Twintig jaar geleden vielen de Atjehers ons hier bij den grens aan: nu hebben wij honderd-vijftig flinke boorkoelies, die Atjehers zijn.

[p. 76]

Wij zullen aanleggen bij het nieuwe exploitatie-terrein Tamboeng Toelang: deze maand werd er de exploitatie juist begonnen.

Wij meren aan. Tweehonderd Chineezen hebben een spoortje aangelegd over het bakoe-bakoe, het moeras, dwars door de rizeforen heen. Hier wemelen de groote krabben. In het sombere, Oostersche landschap, somber zelfs tijdens het morgenuur en de zon, rijzen de moderne, Westersche machinerieën: de stoompomp, die water voor de boring toevoert; de stoomketels, die stoom geven aan de boormachines. Met een kolossalen boorbeitel aan een driftigen stang, die aan een balans dreunend op en neêr heftigt in de verkrachte aarde, wordt het diepe gat geboord. Telkens, als eenige meters dieper geboord is, wordt het geboorde - de vermalen formatie - uitgepompt. Dan beukt de beitel weêr binnen het gat. Telkens, om de twee voet dieper en dieper, worden de bekleedingsbuizen ingebouwd.

Ario! Ario! klinkt de snerpende kreet der koelies, die elkander aanmoedigen en het driftig beweeg van den boorbeitel leiden, onder bevel van den Europeeschen boormeester.

Tot eene voldoende diepte te boren, kost enkele tonnen; zooveel telt dus de risico, zooveel geld is er weg als er geen olie opspuit. Als er echter wel olie opspuit dan... laten de gunstige cijfers ons in den steek!

 

Na Tamboeng Toelang te hebben bezichtigd, motoren wij over het water verder voort naar de vijf zee-armen van Tandjoeng Kranio. Links blauwen de ommelijnen van het Gajoergebergte. Hier op deze wateren, over deze moerassen - en het spijt ons, inaar geen krokodil droomt boomstamsgewijze in den modder - heerschte nog onlangs de zeerooverij met vol gezag. Wij naderen Pangkalan-Soesoeh: zulk een naam wil zooveel zeggen als de ‘aanlegplaats der Melkrivier’. Het immense bedrijf van den Petroleum breidt zich, zijn wij aan wal gestapt, uit voor onzen blik. Daar rijzen de tanks, door letters of nummers onderscheiden; daar de boortorens; tot aan den rand van de zee vindt men in het diepst der aarde petroleum. Wat is petroleum, waar komt het

[p. 77]

van daan? Misschien is petroleum wel geworden uit de vetdeelen, uit de beenderen van voorwereldlijke dieren, wier karkassen wegzonken in de aardelagen en er versteenden.

 

Ginds ligt de ‘Sultan van Koetei’, een tankschip, dat benzine komt innemen voor Singapore, voor den ‘Overwal’, als de typische benaming luidt. De benzine wordt daar oogenblikkelijk uit de reservoirs door het kolossale buizen-systeem, dat over den grond zich breidt tot de zee toe, in de tanks van het schip gestort: dat is de bulklading, in onderscheid met de ‘verpakte lading’, in de keurige blikken, die wij straks zullen zien maken in de blikkenfabriek. De heeren Berkhuijzen, chef van het Etablissement, en Richard, terrein-chef van het boorterrein van de Aroe-baai - dit is de Aroe-baai, die ginds voor ons ligt - willen ons wel vergezellen. ‘Verboden te rooken’ is natuurlijk overal het parool. De ketelbatterij, de opslagschuren voor de verpakking in blik, het nieuwe centrale pomphuis, en steeds het immense buizensysteem, recht naar de zee toe, naar de tankschepen. Twee drijfmachines brengen de pompen in beweging, die zuigen de benzine uit de tanks en persen haar in de schepen. De residu-brandstof, het overtollige gas, ongebenzineerd, in brand gestoken, geeft in den avond den vreemden gloor, dien wij reeds zagen van boord af, want ginds, door de Straat van Malakka vaarden wij een groote week geleden nog op den ‘Prins der Nederlanden’ en zagen den gloed aan de kim.

 

Langs de reparatie-werkplaats voor de machines, gaan wij naar de blikkenfabriek. De chef, de heer Van der Zeep, jaren hier reeds ijverig en onmisbaar, wil mij wel alles toonen. Het blik komt uit Amerika en Engeland, en nu worden in een serie van goochel- en toovermachines - o trots van onze eeuw - de ‘sides’ afgesneden, worden deze ‘sides’ tot gelijke lengte gesneden, in de ‘trimming-machine’; laat de ‘hemming-machine’ niet na er op gelijke breedte een ‘hem’ of zoom aan te vouwen, doen, onder een oorverdoovend algemeen geraas, panelpress, toppress en bodempers hun dienst om deze verschillende onderdeden - bodem, deksel en

[p. 78]

zijden-te vervolmaken; drukt een ‘squeezer’ de vier zijden eventjes aan elkaâr; wordt een soldeermachine vereischt om top en bodem aan de vier zijden te soldeeren.

 

Dan wandelen de blikken als levende dingen weg en... wentelen om en bodem en top worden gesoldeerd. Het is tooverij, goochelarij; ge zoudt er niet willen aan gelooven, als ge het niet hier voor uw oogen gebeuren zaagt. Een nasoldeering uit de hand met een soldeerbout geeft volkomen stevigheid aan het blik en de handvaten en de schroefdopjes worden nog hocus-pocus voor uw onthutsten blik gemachineerd en aan dit beroemde petroleumblik - in welk Indisch huis, in welken Indischen tuin is een petroleumblik niet een utiliteits-voorwerp geworden! - bevestigd, gesoldeerd. Drieduizend ‘wire handles’ per dag! Het duizelt mij, maar de heer Van der Zeep is zonder erbarmen en de blikken, eigenzinnig als levende dingen, als zielen-in-blik, wandelen weg op een transportbank naar de vulplaats. Zijn zij heusch niet levend en is dat alles alleen maar machinerie? O, triomf der machinerie en machine! Wanneer zullen wij, domme menschen, neen knappe menschen, nog leeren alleen maar machinaal te leven, te eten, te ademen en God te danken voor ons bestaan?

 

Dit is geen uur om te spotten en het zoû ook ondankbaar zijn. Ik volg de weg wandelende petroleumblikken, die op een lange rij als glimmende spookwezens, maar langwerpig vierkant, er van door gaan. Kroonolie Langkat, Kerosyne of lampolie, Shell-motorolie met het schelpje... Het is overstelpend. Waarom heb ik dat alles niet uitgevonden, bedacht, gesticht, van boring af tot blik toe, in plaats van er nu après-coup, dat honderden, neen duizenden, er schatrijk meê zijn geworden, het te bekijken, met een potlood en een boekje in de hand, om te pogen er zakelijk en geestig over te schrijven! Ik wil ten minste uit zakelijkheid niet vergeten u te verzekeren dat waterloos het monster petroleum zijn moet, dat hier gekeurd wordt...

De kistenfabriek; hier zijn de ‘drums’... (ijzeren vaten). Wat

[p. 79]

kunnen mij die kisten schelen; er is interessanters te zien...

In de vulkamer, op een soort carrousel, draaien de eigenzinnige blikken weêr rond en worden gevuld. Ik wil u niet meer van overvloeipijpen praten; ge begrijpt zelve wat dat bij deze gelegenheid zijn. De gevulde blikken worden na soldeering op ‘test’ - tafels ‘beproefd’. Hier lekt er een; weg er meê, en beter gesoldeerd, hoor, dat er geen drup ontsnappe.

 

Ik wil u niet al te technisch bezig houden, o lezer, met dit interessant bedrijf en u niet mede sleepen naar het olie-transportstation, van waar de ruwe olie wordt getransporteerd naar Pangkalan Brandan om daar verwerkt te worden, u niet wijzen op het koelwaterstation, en de koeltorens, waaruit hier het kostbare water een kringloop beschrijft, zoodat geen drop verloren ga, u alleen de hand even laten houden onder deze gecomprimeerde benzine, die ijskoud aanvoelt, aangenaam in deze noen-warmte!

 

Troon ik u alleen nog voort naar de al produceerende olieput en uit wier diepte door eigen kracht de petroleum opspuit als een fontein van gouden olie! De weg er heen is eigenlijk niet voor een auto, en de wagen weigert dan ook bij de terugreis hardnekkig uit de moddervoren zich los te maken. Daar staan we, stappen uit, en in, worden een eindje geduwd door Chineesche koelies, stappen weêr in en uit, - zal er een ‘lorrie’ worden gehaald om ons per rail voortgeduwd thuis te brengen? - maar komen eindelijk, dank zij de energie van den jongen boormeester, die zelve het stuur ter hand neemt - dit is maar een oude dienstauto en de chauffeur wist er weinig muziek uit te halen-weêr uit de moddervoren en op een stuk beteren weg. En wij vallen eindelijk, laat in den middag, op het lunch aan, dat ons wacht in de Roema Bolah (Societeit) te Pangkalan-Soesoeh, waar bij toeval de officieren van den ‘Sultan van Koetei’ zitten - geen Sultan maar een tankschip - gezagvoerder, hoofdmachinist en eerste-officier, wier kennis ik maak en die mij hevig verwijten, dat ik geen tijd heb het tankschip eens te bezien, dat ginds in de baai ligt. Welk verwijt misschien wel

[p. 80]

verdiend was, want zoo een tankschip is interessant om te zien en te beschrijven; daarbij, de heeren officieren zijn trouwe lezers van de h.p. Wij zijn echter heel sympathiek geëindigd met ons te verzoenen en een gezelligen boom op te zetten om een glas port.

8

De fluitspeler, die zoo mooi op zijn sroenaï fluit, dat hij van kampong naar kampong trok om voor alle droeve menschen te spelen, was jong, maar hij scheen heel oud, een oude man, trots zijn jonge jaren. Zoo vroeg oud was hij geworden, omdat hij zoo veel verdriet veler menschen in vele kampongs met zijn fluit had weg gezongen. Al dit verdriet aller ànderen was op hem zelven neêr gezonken.

Toen hij in de schemering op zijn sroenaï kwam spelen, bracht hij zijn bantal-tikar mede, zijn oorkussen gerold in zijn matje. En legde zich als moede neêr onder de palmen bij het vijvertje, en speelde zóó, liggende, want alleen liggende kon hij droef spelen. En zijn droeve spel, dat hij putte uit veler droefnis, verdreef voor dagen de droefheid zijner, gedurende nachten aandachtige, hoorders. Hij zelve was, na die nachten, hoewel hij jong was, wederom ouder geworden en droever, veel ouder en veel droever... want wederom was aller verdriet neêr gezonken op hem.

In de luchten dezer landen hangt, vooral op de uren der fluitdoorzongene schemering, als een groote kalong1, de droefheid boven de hoofden en zielen der menschen. En zij duiken gelaten onder dien druk, klein als zij zijn, met al hun leed, tusschen oerbosschen en vulkanen, de diepe aarde en den hoogen hemel, het Geheim beneden en het Geheim boven...

 

Ik wil u van daag vertellen van een bezoek, dat mij zeer ontroerd heeft. Het verhaal zal vermoedelijk velen van u ook ontroeren en anderen afstuiten. Maar zoo dit ook ware, ik voel het als een plicht

[p. 81]

u te vertellen van mijn bezoek aan Laoe-si-Momo. Die naam beteekent misschien het ‘Water, dat borrelt’, maar zoo het iets anders beteekende, doet dit er weinig toe. Ik wil u vertellen van het dorp, dat ik er zag, dat is Koeta-Keriakèn, het Vreugde-dorp.

 

Dit Vreugde-dorp is een leprozerij1. Het ligt in een wijde vallei tusschen de bergen en toen wij er kwamen, blauwde de lucht, blauwden zachter de bergen en was loover van bananen en palmen er groen en goud, even als waar ook, zoo de zon maar schijnt, in de landen, waar geen leprozen wonen. Maar hier in dit dorp, in dit Vreugde-dorp, wonen te zamen de leprozen, wonen te zamen de melaatschen en de schoonheid van land en lucht was om hen als overal.

 

Ik sta misschien niet altijd sympathiek tegenover het werk van zendelingen. Het is mijn overtuiging, dat de Christelijke godsdienst om zijn, voor primitieve menschen ongrijpbaar en onbegrijpbaar en hoog ideëelen stelregel: heb uw naasten lief als uzelven - was dit niet het woord van Jezus, waarop geheel zijn leer berustte? - er geene is voor wie niet gedurende eeuwen heeft leeren denken en voelen. Uit fetichisme, uit Animisme, dadelijk zonder overgang, dus niet door een, de eenvoudige ziel verheffenden, dienst van natuurgoden, binnen te treden in het zuiver verstands- en gevoelsideaal van het Christendom, gelijkt mij, voor de primitieve ziel, eene onbereikbaarheid. Zie ik het dan toch voor mij bereikt, dan schijnt het mij ‘aangeleerd’ maar niet doorvoeld en begrepen.

 

Al deze bezwaren zijn echter in ontroering en bewondering verdwenen op den zonnigen morgen, dat ik de leprozerij van Laoe-si-Momo bezocht. En er zag wat de heer Van den Berg in 1906 daar is begonnen, wat de heer Van Eelen er thans voortzet tot genezing en troost eener uitgebreide kolonie van medemenschen,

[p. 82]

lijdende aan de ziekte, die de gezonde mensch, sedert Oudheid en Middeneeuwen met vrees en afkeer schuwt. In 1892 had de heer J. Th. Cremer, destijds Hoofd-Administrateur der Deli-Maat-schappij, reeds voorgesteld zendelingen naar Deli te doen komen. Het was veel waard een zich hoogere moraal bewuste bevolking te verkrijgen, die geen brand meer stichtte of moordde. Want de Bataks, de Karoe-Bataks dezer Karoe-landen, stonden zeer vijandig tegenover het Europeesche element.

Het is een volk, geheel apart, en waarop de Moslem-Maleier en de Javaan vooral, zeer neêr ziet. Zij zijn vooral animisten; zij vereeren de zielen hunner voorouders. Eigenlijke godheden kennen zij niet. Hunne Sjamanen - priesters - kunnen een goddelijke ziel in zich roepen: Sjamanen-vrouwen in extaze, dansen met slangen, draaien zich als slangen. Goeroe's (onderwijzers, hier wichelaars) lezen uit oude wichelboeken, uit kippendarmen. Zij hebben een karakter zeer verschillend van andere Maleiers. Zij zijn geestig, wat een andere Maleier zelden is. Zij hebben gevoel voor humor. Zij zijn laatdunkend en hebben talenten: zij zijn redenaars en... beroemde schakers. Er is te Medan een schaakkoning, hij heet Si-Narsar. Het schaakspel, afkomstig uit Voor-Indië, is eeuwen oud. Zij zijn tevens vaak zangers, dansers, dichters, vertellers. Minder lofrijk is het te vermelden, dat zij vaak walgingwekkend onzindelijk zijn: slechts in zeer gekuischten stijl is hiervan iets te zeggen, wanneer ik met u een Batak-kampong bezoeken zal. Varken - het verafschuwde dier voor den Moslem - en hond zijn hunne huisdieren en meer.

 

Onder dit volk kwam melaatschheid voor. Zulk een melaatsche werd door het dorp - de ‘koeta’ - uitgestooten. En zwierf rond en stierf van honger, ellende. De heer Van den Berg begon met hier en daar kleine, lage, bamboe-hutjes te bouwen, waar de ongelukkigen schuilen konden voor zon en regen. Hunne verwanten zouden hun voedsel brengen. Toen de verwanten dit vergaten, trokken de melaatschen te zamen op in een hongeroproer en liepen het land af. En in het prachtige land van zon, van gouden en

[p. 83]

groene boomen, was deze zwarte ellende, gruwzaamheid en rampzaligheid.

 

De Bataks waren kannibalen. Zij waren dit nog zeer kort geleden. Men beweert, dat in 1907 er nog menschenvleesch op de markt was. Dieven en overspelers werden, aan een paal gebonden, achter in den rug geslacht, stuiptrekkend, nog half levend, aan stukken gehouwen en verslonden. Een strijdmakker doodde in den oorlog, die altijd hier heerschte, dorp tegen dorp, zijn gewonden strijdmakker en at hem op. Wang en hand-‘muis’ waren lekkernij. Ik bezit de fotografie van een ouden man, die nog menschenvleesch heeft gegeten. Er loopen er zoo nog velen rond. De oudheid-van-dagen was niet geëerd. Een ouden vader of grootvader dwongen de zonen in een boom te klimmen. Zij schudden dan aan de takken, zingende: ‘de vrucht is rijp, de vrucht is rijp!’ Als de oude man ten laatste uit den boom viel, werd hij afgemaakt, misschien wel verslonden. Zijn schedel werd uit vroomheid in een soort kooi bewaard, in den boom. Tusschen deze afschuwelijkheden zijn de zendelingen getreden. Wie kan iets anders dan bewondering voor hen gevoelen? Alle bezwaar verzwijmt hier voor de Christelijke grootschheid van hun daad. Ook St. Franciscus van Assisi trad tusschen de melaatschen om hen te troosten: ik kan onze zendelingen vergelijken met den grootste aller Christenen.

 

Drie-honderd-veertig patiënten leven hier te zamen; tweehonderd zijn er gedoopt. Indruk heeft op hen gemaakt de Heer Jezus Christus vooral omdat hij de melaatschen genas. Het Kerstfeest is dezen menschen een groot feest. Maar om de Roode Zee, die Farao verzwolg en vooral om kleinen David, die reus Goliath versloeg, grinniken zij nog in wreed plezier. In andere leprozerijen - er is er een bij de Deli-rivier te Laboehan - wordt de kampong met prikkeldraad omgeven. Hier is geen prikkeldraad, slechts een streep door den grond gekrast. Over dezen streep gaan de melaatschen niet. En hier huwen zij onder elkaâr. Zij mogen

[p. 84]

huwen, zoo zij geen naaste verwanten zijn. De penghoeloe (dorpshoofd) wordt in deze kwestie geraadpleegd. Hebben zij handen en voeten, dan mogen zij huwen. Sommigen hebben geen handen en voeten maar stompjes.

 

Pauperisme heerscht hier niet. Ieder heeft zijn stukje grond, en de familie vergeet niet meer, zoo het noodig is, hun voedsel te brengen. De zieken genezen soms. Toen eens, na onderzoek van dr. Schüffner - ten zeerste gewaardeerd in Sumatra - vier patiënten uit de leprozerij officieel zouden ontslagen worden en terug konden keeren naar hun kampong, smeekten zij te blijven in de leprozerij. Wij zien de ‘kedai’, de winkel waar zij koopen kunnen. Ter eene zijde kunnen gezonden koopen, ter andere de zieken. Den streep overschrijden zij niet. Het geld, waarmeê zij betalen, wordt aanstonds gedesinfecteerd. De winkel is pas gëopend; een kerkje wordt nu gebouwd. Bij tachtig gezinnen, hier gehuwd, treft men slechts vier kinderen. De vruchtbaarheid der melaatsche vrouw is zeer weinig. Liefdedrang kennen deze ongelukkigen echter hevig. Daar zien wij ze. Zij weten, dat er vreemdelingen gekomen zijn en zij herkennen den Gouverneur, die hier dikwijls komt en de leprozerij zeer ter harte neemt. Zij groeten ons; zij groeten met hun lang gerekt: tabé (gegroet!) den heer Van Eelen, hun aller jongen vader. Er is een dankbaarheid in hun groet. Hunne misvormde gezichten, vaak breed als leeuwekoppen, zijn eerst zeer ernstig, ontspannen zich dan in een glimlach, die snijdt door het hart. Slechts innige aanraking kan aansteking veroorzaken: dadelijk gevaar hiervoor bestaat niet, bij een bezoek.

 

Nu gaan wij hun kampong door. Zij vergezellen ons met hun drom - donker zijn zij allen gekleed in het indigo-blauw der Batakkers - en steeds zorgen zij er voor niet tusschen ons en den wind te staan, opdat de wind geen bezoedeling van hen op ons overbrenge. Steekt de bries op, dan dringen zij snel ter andere zijde. De ongelukkigen! Hun aller oogen volgen ons, vooral den heer Van Eelen. Hij kent ieders naam. Zij werken. Zij hebben hun

[p. 85]

veldje. Zij doen het noodige smidswerk. Zij willen hier altijd blijven, zeggen zij. Want van hun dorp hebben zij geen goede herinnering. Toen zij uitgestooten werden, gingen de gezonden hen vaak met hakbijlen te lijf. Zij vertoonen de wonden dier wreedheid hunner verwanten. Neen, hier willen zij leven en werken. Vallen hunne handen af, dan zullen zij de instrumenten zich doen binden aan hunne stompjes. Daar ginds zie ik een man kruipende over den grond; zijn voeten zijn hem langzamerhand afgevallen; hij maakt nog vogelkooien en houten borden. Dit zijn menschelijke wezens, menschelijke lichamen en om hunne zwarte misère is de zonneschijn en het goudgroene paradijs van Eden. Zeshonderd bouw is hun hier toegewezen: prachtig is hier het land tusschen de bergen. Ginds rookt de Sibajak uit zijn zwavel-kloof. De hemel is blauw boven hen. Bosch wordt ginds aangeplant om een nieuwe kampong te zetten: hier staan reeds de nieuwe huisjes van bamboe-vlechtwerk. Verderop ligt het kerkhof, vermeldt telkens ‘si-matè...‘: gestorven... Daar is eindelijk hunne ellende uit. Zij zijn in vroomheid gestorven. Zij geloofden in een God, die hen misschien strafte, maar na hun dood gezond en heerlijk schoon in zijn Paradijs zal opnemen.

Wie gunt hen niet dien troost?

Honden en varkens zijn hier niet de walgelijke reinigers als in andere Batak-kampongs: alle vuil wordt verbrand in diepe gaten. Des Zaterdags verwisselen zij van gewaad; er is een wasscherij waar alle goed gedesinfecteerd wordt en mevrouw Van Eelen heeft van deze wasscherij het oppertoezicht tot taak zich gesteld.

Deze man met het breede leeuwengezicht is hun mandoor. Ginds is het jongelingenverblijf: volwassen jongens slapen daar volgens Bataksche adat te samen en niet meer in het ouderlijk huis; het ligt vlak bij den streep over den grond heen getrokken en die de afscheiding is, welke de melaatschen niet mogen overschrijden.

 

Zij roepen ons hun ‘tabé!’ achterna. Wij desinfecteeren onze schoenzolen. Wij gaan een oogenblik met den heer Van Eelen

[p. 86]

naar zijn huis, daar ginds in het prachtige landschap - goudgroen geboomte onder een lucht, diep azuur. Het is een huis, gebouwd als een Bataksch huis, met het gehoornde dak: aan die buffelhoornen hangen aarden rijste-potjes met wat geld en korrels rijst om de booze geesten te verzoenen; de zendeling heeft glimlachend deze détails bij den bouw van zijn huis behouden. Curieus zijn de gestyleerde hagedis-motieven van vlechtwerk, die de saâm gevoegde planken aan elkaâr vereenigd houden zonder een enkelen spijker. Zwart, rood en wit zijn de uitgesneden motieven, die het huis van buiten versieren, met pijpaarde gekleurd. Binnen, een sobere eenvoud. Enkele vrome spreuken aan den wand. Enkele zendelingen, ook den heer Van den Berg, thans leeraar aldaar, met hunne vrouwen en zusters en de heer en mevrouw Van Eelen. Zij zijn beiden jong, blond, gezond en sterk, van een bloeiende, rijpe jeugd. Het geluk van hun roeping straalt hun de zachte oogen uit. Een glimlach is om hun mond.

Zij hebben kinderen, die waren, geloof ik, afwezig, maar zijn dit niet altijd.

 

Ik heb toen afscheid van hen genomen, zeer ontroerd. Het is mijn grootste geluk de Schoonheid langs mijn weg te zoeken. Ik had dien morgen ziekte gezien en wanstaltigheid maar toch een Vreugde-dorp, zooals de wanstaltige zieken hun woonplaats zelve noemen. En ook had ik de Schoonheid gezien, op het allerlaatst, in dit jonge paar edele menschen, die hun jeugd en kracht geheel wijden aan de, van alle schoonheid, onterfden en hen verzorgen, genezen en leeren van den Heer Jezus Christus... En deze Schoonheid ontroerde alles wat menschelijk in mij was, zoo diep, dat ik mijn tranen niet kon weêrhouden, toen ik in bewonderen-den eerbied van hen afscheid nam.

 

Toen wij de pasangrahan1 naderden, waar wij vertoefden, hoorden wij in de verte den fluitspeler op zijn sroenaï: het schemerde

[p. 87]

en, vroeg-oud om al het leed, dat hij van de menschen had weg gezongen, lag hij ginds op zijn bantal-tikar1, bij het vijvertje onder den palm en floot, floot door, floot de droefenis weg, van de menschen, die stil, rondom hem gehurkt, luisterden, uren, nachten lang.

9

De Batak-kampong, waarheen ik u brengen wil, heet Poeloe-Pajoeng; des Gouverneurs bezoek is er aangekondigd en als wij er aankomen, hebben dus varkens en honden, vermoedelijk beter dan anders, er hun dienst gedaan van straatreinigers. Wij zullen, om met dit walgingwekkend motief zoo spoedig mogelijk te eindigen, alleen nog aanstippen, dat alle opruiming en reiniging er door deze beide beesten gebeuren. De kampong is werkelijk rein en te betreden. De huizen zijn zeer curieus, op palen, met een zeer hoog atap-dak, dat puntig links en rechts opsteekt; zulk een dak is vaak meerdere meters hooger dan de hoogte der wanden zelve; van muren is niet te spreken. De planken wanden zijn steeds aan-een gevoegd door het vlechtwerk in hagedis-motief. Soms is een slang uitgesneden, neêrkronkelend boven een luik onder het dak: die slang bewaakt de ziel der slapende huisgenooten des nachts; deze ziel zoû anders bij gedeelten kunnen ontsnappen onder invloed van booze geesten. De idjoek, de zwarte harige vezel, die groeit in den oksel der arèn-boombladeren, wordt gebezigd voor de atap, de dakbedekking. Aarden potjes met geld en rijst hangen aan de buffelhoornen, die uitsteken aan de dakpunten. Een houten trapje geeft tot het huis toegang.

 

Het huis is groot, want acht gezinnen wonen er bij elkander in een zoogenaamde ‘soekoe’. Dit samenwonen is adat; een vuur, dat nooit bluscht, is aller oven. Ieder gezin heeft zijn min of meer afgesloten kamertje. Een lap sluit soms de legerplaats der ouders

[p. 88]

af; de kinderen slapen er voor. Maar de jongens, zoodra zij geen kinderen meer zijn, slapen niet meer daar, maar in de jongelingenhut of liever nog hier en daar, op een bank, onder een dak, waar ook maar... De indruk, dien de kampong maakt, wordt dus dadelijk beheerscht, door de curieuze huis-silhouet met het groot, laag neêr druipende, zwartharige dak met de buffelhoornen. Rijstschuurtjes en kippenhokken staan op palen en zijn als lange, slanke korven. Mannen en vrouwen dragen allen indigo, en hunne vingers zijn steeds blauw van deze verfstof, waarin zij hun lijnwaad doopen. Ginds staan de verfpotten en groeit de indigo-plant. Tusschen deze donkere huizen en donkere menschen loopen hond en varken; het laatste herinnert vooral er aan, dat zij geen Moslems zijn en hun animisme is bijna godloos. Zij zijn geen mooi ras; zij treffen niet door gelaat of bouw; zij hebben iets grofs, alleen heel jeugdige meisjes kunnen soms fijn van gestalte zijn. Zij worden gekocht door hun mannen; wij zagen een mooie, jonge vrouw voor wie een oude Batakker den ouders ƒ450 betaald had. Zij zeide het met trots. Zij dragen recht over den boezem getrokken hun blauwe kaïns; een blauwe lap over den schouder en haar hoofddoek is vreemd tot een zwaar kussen geplooid om haar hoofd met één horenpunt, die uitsteekt.

 

Zij droegen, dien dag, gouden ketenen en armbanden en ringen, van een zeer bizonder maaksel: gouden, ronde versieringen, als platte bekertjes, kleine schaaltjes, stonden op aan die ringen en banden en ketenen. Maar het allerzonderlingste sieraad, dat zij dragen, zijn hare zeer zware, zilveren oorversierselen, die, als een dubbele krakeling, zilveren kronkeling, twee aan elkander gesmeede vraagteekens, het eene onder den doek, haar oor uitrekt en martelt, het andere meer tegen den hoofddoek op staat en door een slip er van, zoo opstaande, wordt bevestigd. Zeer jonge uit-spruitsels der pinang-palmen, blank en bleekgroen, steken zij zich als kwastjes van parelen tusschen de plooien van den kussenachtigen, uitgehoornden hoofddoek. Wij zagen duidelijk, hoe een dier meisjes leed onder dit zware oorversiersel, dat zij zeer moeizaam

[p. 89]

afdeed en dat in onze hand wel een kilo woog. Onder de mannen, die daar rond liepen, waren nog oude menscheneters, en één oude man, typisch zijn wreede gezicht, was een vermaard roover geweest. Als zij gaan zitten, gebruiken zij als matje, het nekvel van een paard, mooie velletjes van de Bataksche, vieve paardjes; het vel heeft aan twee zijden de manen behouden als franje. Stoelen op matten waren voor ons neêr gezet; opengesneden klappers liet het dorpshoofd ons aanbieden: het ‘water’ dier jonge kokosnoten is een overheerlijke drank.

 

Het dorpshoofd of liever de zelfbestierder van het landschap (‘landschap’ is de officieele naam voor een kampong of enkele kampongs) werd aangesproken als Si-Bajak, de Verhevene, precies als de berg met zijn zwavelkloof heet. Hij zag er, trots zijn prachttitel, zeer eenvoudig uit en zat nauwelijks op de mat ter zijde van den contrôleur, den heer Mulder, die met ons was en mij een mooi paardevelletje vereerde. Er werd gezongen, gespeeld. En gedanst door twee mannen, door vier meisjes, door twee meisjes en een man. Langzame, rechte, evenwijdige bewegingen. Een zachte gong; twee gendangs (trommeltjes van nangka-hout met velletjes van het dwerghert bespannen) een hoogere sroenaï (hobo); de muziek was bescheiden en rhythmisch. Er traden ook clowns op, met grappige dansen; zij vertrokken hunne gezichten tot grijnstronies en deden, geloof ik, de bevalligere meisjesdansen komisch na: zij hadden groot succes. De Batakkers lachten zeer en waardeerden. Ook de schermdans, gestyleerd met de handen, was zeer eigenaardig. Het geheel was een belangwekkend ethnografisch tafereel, om de donkere laag neêr hangende daken, om de donkere indigo menigte met de zwartbruine gezichten, om de varkens, vaak zeug met biggetjes, die snuffelden tusschen de huizen. Op de binten en balken der huizen waren de heel of half naakte jongens geklommen en keken van de hoogte grinnikend uit naar de dansen.

 

Wij hebben besloten tot een groote toeristische daad, namelijk,

[p. 90]

om met de auto te gaan van Brastagi, langs het Toba-meer naar de Padangsche Bovenlanden. Men kan, kilometers verslindend, in vijf dagen dezen beroemden tocht wel doen maar ik vrees, dat ik in zoo weinig dagen, heel weinig zien zoû en er niet veel van na vertellen. Wij zullen dus hier en daar enkele dagen ophouden en beginnen met Pematang Siantar. De weg er heen biedt steeds de herhaalde schoonheid dezer landen. De stad zelve streeft Medan ter zijde, maar is nog jeugdig: misschien is het niet te veel gezegd, dat tien jaar geleden, toen de heer Westenberg, die veel voor deze landen deed, hier kwam als eerste assistent-rezident, hij er nog kannibalen aantrof.

 

De gemeente Pematang Siantar dateert eerst van 1917. Breede straten en wegen zijn dadelijk aangelegd om de nieuwe stad een toekomst te verzekeren als centrum van rubber-ondernemingen. De eerste dateert van 1910. Het hôtel is zeer goed, het gemeentehuis heeft allure. Ik zie daar, door den heer Tideman, assistent-rezident van Simeloengan en de Karoe-landen, rond geleid, een paar immense schaakstukken van steen, koning en vermoedelijk kasteel-bazis. Met het schaakspel, waarvan deze twee immense stukken de overblijfselen zijn, speelden de vorsten van Nagoer en Batango schaak; zulk een spel duurde een jaar en werd op een wijde hoogvlakte gespeeld: de immense stukken werden voor iederen zet door slaven verplaatst; de inzet was twaalf slaven. Een dier vorsten bezat een gouden schaakspel: eenmaal verscheen de vijand aan de kim en des vorsten hovelingen, in paniek, wierpen de gouden stukken te midden des vijands, die dadelijk de gouden stukken opstelde en te spelen begon: alle oorlog was vergeten. Ik zie het Internaat, waar zonen van Inlandsche hoofden - zij heeten hier heel gauw ‘radja’ - een opvoeding genieten als toekomstige landschapsbestierders; het zijn knapen van zeven tot veertien jaar; ik zie hun bedjes en hun rijstmaal reeds staan; zij zijn nog op de Hollandsch-Inlandsche school, waar ik een paar van hen met andere scholieren een Hollandsch liedje hoor zingen. Zijn zij veertien, vijftien jaar, dan gaan zij naar de bestuursbureaux.

[p. 91]

Dien avond zal ik met den Gouverneur, die inmiddels is aangekomen, naar Tebing-Tinggi gaan, waar ik uitgenoodigd ben te lezen. Het is ook een centrum van rubber-aanplant en in den avond snelt de auto er heen. Niets is geheimzinniger dan zulk een auto-tocht, meer dan een uur lang, de donkere lanen door tusschen de rubber-ondernemingen, soms door de plassen der bandjir, die den weg heeft overstroomd, zoodat het water om ons opspringt. En na de lezing, in flauwen maneschijn tusschen regenwolken door in de nacht terug, terwijl de nachtzwaluw, op den weg neêr gedoken, met vreemd fosforizeerende glinsteroogen opwaakt en wegwiekt in den witten gloed onzer lantarens. De beide Javaansche chauffeurs - het zijn er twee, die elkander zullen helpen en afwisselen op de lange trajecten, der aanstaande reis - zien steeds strak voor zich uit; wij, achter hun ruggen, zien hunne aandachtige ooren vier, telkens trillen, als zij uitspieden. Ik geloof, dat, als wij in hun hart konden zien, wij zouden bespeuren, dat zij bang zijn, meer voor orang-boenïan (spoken) dan voor tijgers.

- Zijn hier tijgers? vraag ik mijn gastheer, die zoo beminnelijk was mij te vergezellen. De vraag is genoeg om hem te doen vertellen en hij is een geboren verteller. Ik vertel de tijgerverhalen hier na, zooals ik ze hoorde in de stemmingsvolle maan- en autonacht...

 

Het wilde dier is soms de vriend van den mensch, en de mensch op Sumatra is nog verwant aan het oerbosch. Die vreemde sympathieën weven zich soms tot een geheimenis, waaraan wij gelooven, of dat wij ontkennen kunnen, zooals eigen geestesgesteldheid ons dringt. Overal in de Maleische landen, meent mijn verteller, waar de claxon de rust en de mythe niet heeft verscheurd, gelooft men aan kampong-tijgers, die geen kwaad doen, ja beschermen integendeel. Te Boeo in de Padangsche Bovenlanden is naast de stallen van den contrôleur een opening gelaten in de stevige pagar, omdat daar de kampong-tijger's nachts steeds langs ging; zoo de tijger de opening dicht zoû vinden, zoû hij zich

[p. 92]

wreken op paard, vee of mensch. In 1901, vertelt mijn gastheer, liep hij in een oerwoud in Atjeh, met twee gidsen, die waren rhinocerosjagers. Zij toonden hem hun hutje, wel overdakt, maar wandloos; de asch van het vuur was versch maar even versch waren tal van tijgersporen om het hutje. ‘Vreezen jullie den bonten voorvader niet?’ werd den gidsen gevraagd: der voorouders zielen verhuisden immers vaak in tijgervorm. Maar de eene gids glimlachte met overtuiging en wees op zijn kameraad: ‘Die daar is immers pawang-rimboe, de baas van het bosch, en hem bewaakt zijn volgtijger.’

Om het opene hutje waren twijfelloos de tijgersporen te zien.

 

Wat wel zeer bizonder is, is het volgende. In 1902 schoot de luitenant der administratie Polak dicht bij Koeta-Radja een koningstijger, op een plaats waar nimmer tijgers zich toonden. Hij was op snippenjacht op den 1000 M. breeden sawah-strook, open gelegd óm de plaats als veiligheidsmaatregel. Bij een zeer klein boschje, aan den rand van de strook, zag hij plots een grooten tijger staan, die hem rustig aanzag. Toevallig had de officier een looperpatroon in den zak, hoewel hij met hagel achter snippen was. Hij verroerde zich niet totdat het dier kalm den kop afwendde. Toen ging bliksemsnel de looperpatroon op het geweer en schoot hij den tijger met, op korten afstand doodelijk, schot door het hart. Den volgenden morgen kwam hij met het vel informeeren of hij recht had op tijgerpremie. Enkele maanden later zouden paardenrennen plaats hebben te Koeta-Radja. Toen Tengkoe Radja Itam, den bekenden, nu nog levenden Oeloeba-lang gevraagd werd of de Kedjoeroean van Lhong ook zoude uitkomen met zijn paardenstal, antwoordde Tengkoe Radja Itam, na veel verlegen glimlachen, en ‘u zal het toch niet gelooven’ en ‘wij denken zoo geheel anders over deze dingen’... dat de Kedjoeroean wel niet naar Koeta-Radja zoû kunnen en durven gaan, omdat zijn volgtijger neêr geschoten was bij zijn vorig bezoek aan Koeta-Radja; het dier was blijkbaar verdwaald, had zich aan de menschen getoond... ‘Herinnert u zich wel, dat die

[p. 93]

luitenant dicht bij Koeta-Radja een tijger heeft neêr geschoten?’ Zoo werd mijn verteller gevraagd.

Gelooven aan volgtijgers? Wie zoû zoo dwaas zijn? Laten wij alleen bekennen, dat het oerwoud en de oerziel van den Sumatraan voor ons, Westerlingen, nog steeds raadsels bleven... Maar wat als ge eens in het oerwoud op de tijgerjacht zijt en ge meent den tijger te hooren brullen, en uw Maleische jager glimlacht u ontkennend toe en zegt heel kalm: ‘Dat is niet de tijger, dien wij jagen... Dat is de kampong-tijger, die juist ons beschermt. Hoor! Dàt is de tijger, dien wij jagen!’ En een tweede gebrul weêrbuldert... Wat dan?? Wel, dan gelooft ge als een Westerling nòg niet...

 

Ook niet aan volg-krokodillen. En toch had de Radja van Loe-boe-Oelang-Aling, een geweldig roover in de Padangsche Bovenlanden, in de laatste jaren der vorige eeuw, volgens het algemeen geloof bij de bevolking, een... volg-krokodil, die hem op zijn reizen te water volgde.

 

Van deze vreemde dingen, - o! wij gelooven daar heelemaal niet aan! - hoor ik in deze maan- en auto-nacht. En onwillekeurig kijk ik om, achter op den weg, dien wij afsnellen in de bleeke, toover-omsponnen nacht,... of misschien geen volgtijger ons nasnelt...

10

Zulk een morgen is onvergetelijk. Eerst met de auto tot dicht bij Tiga-Dolok (Drie-heuvelen) en dan te voet met den Gouverneur - die zich uw correspondent, o Haagsche Post! wèl aantrekt - naar het vreemde heiligdom, Bataksch, Hindoesch... wie zal het zeggen? Wij loopen tusschen alang-alang-velden, waar een weg tusschen door is gebaand, want met de auto is het heiligdom niet te bereiken. Het uur wordt al zeer warm en ik vraag, nog vol van de tijgerverhalen der vorige dagen:

[p. 94]

- Komen hier niet de tijgers aansluipen, als het gaat schemeren?

Ja, natuurlijk komen zij hier. Plotseling zien wij, geen tijger nog, maar een Batakker, vergezeld van iemand, die even achter hem aantript.

Het is bij toeval de Radja van Tiga-Dolok, met zijn volgeling. En de Radja herkent den gouverneur, slaat de handen in elkaâr:

- En waarom heeft meneer de Gouverneur mij dan niet zijn bezoek aangekondigd?!

- Het doet er niet toe, zegt de heer Westenenk.

Liefst maar niet officieel ditmaal. De Radja ziet er volstrekt niet prinselijk uit: hij heeft een, aan de mouwen erg gesleten, wit jasje aan boven zijn sarong, en zijn tanden zijn, volgens de Bataksche zede, van boven afgevijld, wat hem een afschuwelijken mond geeft, purperrood van betel.

- Komt meneer de steenen grotten weêr zien? vraagt de Radja in geheime ontzetting.

Het antwoord is bevestigend.

- Zal meneer (het treft mij, dat het Kandjeng, een titel gelijk aan Excellentie in deze landen, niet als in Java, wordt gezegd voor het hier wel gebruikelijke Toean-Besar (Groote Heer)) dan nog méermalen naar die grotten en beelden komen zien??

Het antwoord is twijfelloos bevestigend.

- Dan zal ik voortaan zorgen, dat de weg beter onderhouden wordt! roept de Radja, lichtelijk wanhopig om zooveel durende interesse van die Hollanders in wat gaten in een rots en een paar verweerde steenklompen, die menschelijken vorm vertoonen.

Hij had gedacht: eens, twee keer zijn ze nu bezichtigd; nu mogen ze wel weêr onder de woekerende varen worden bedekt, ook al is de plek daar ginds kramat (heilig).

En de Radja fluistert zijn volgeling een paar woorden in en de volgeling zet het, ons vooruit, op een ijlen.

Een nieuwe verrassing, maar... nog geen tijger! Wel een zeer groote vogel, een neushoornvogel, die met trillende, wijde vleugels den (niet onderhouden) weg overvliegt en wel van rechts naar links.

[p. 95]

- Een goed voorteeken, zegt de Radja, nu zichtbaar verlicht, want eerst bang voor een reprimande over den slecht onderhouden weg. Ware de vogel van links naar rechts gevlogen, dan zoû dat ‘tjelaka’, onheil, kunnen beteekenen...

Wat een groote majestueuze vogel. Als hij geschoten wordt, bij ongeluk, door een botterik, want hij màg niet geschoten worden, dan sterft de Radja, of minstens zijn zoon. En om de ziel van den vogel dan te verzoenen, wordt een vertooning gehouden: een mime speelt dan, met een doek over het hoofd en een vogelbek voor, voor den vogel.

- Ja zeker, tijgers, beâamt de Radja mijn herhaalde vraag. Verleden hebben ze nog een koe van me weg gehaald!

Geen tijger stoort ons, het is niet het uur. De fiere neushoorn-vogel is voorbij in het azuur gewiekt. Hier is de kampong - het zijn de Timoer-Batakkers, die hier wonen - en het huis van den Radja, en zijn padi-schuur, en zijn vrouw. Radja, huis, schuur en vrouw zijn heel, heel gewoon en ik zoû niet durven er ièts moois bij te maken. Maar zoo een Radja is toch hier de zelfbestierder van het ‘landschap’.

De volgeling heeft, als wij verder gaan, den glooienden weg af, zijn plicht gedaan. Een paar mannen zijn ijlings aan het werk gezet en maken, dat de weg begaanbaar is, naar het heiligdom.

 

Het is wel zeer bizonder. Wàt is het? Wat is het geweest? Kan het Hindoesch zijn? Is het Bataksch? Of geen van beiden?? Een vreemde, geheimvolle atmosfeer hangt over deze plaats, een weinig diep verzonken tusschen de hellingen van het oerwoud. Een rivier kronkelt te voorschijn en verdwijnt weêr tusschen blokken rots. Een verheffing van tufsteen is als een muur, als een wal, als een vormlooze massa, massa van iets, dat nooit gebouwd maar door de natuur gevormd was, en dat de vroegere mensch, die hier geleefd heeft, twijfelloos tot een soort heiligdom heeft gevormd en herschapen. Want tallooze, kleine, vrome, uitgesleten trapjes zijn, nauw meer begaanbaar, gehouwen in het steen. Wij zijn er op gegaan, maar omdat de trapjes bijna niet meer begaanbaar

[p. 96]

waren, ging een wandelende leuning met mij mede, toen ik de tufsteenen massa opklom. De wandelende leuning bestond uit een lange bamboe, door enkele Batakkers vast gehouden; de Batakkers, blootsvoets, liepen vlug, met den schuin gehouden bamboe, de steilte op, de vergane, vrome treden op, terwijl mijn hand, waar ik mijn voet ook zette, de leuning der bamboe wist te grijpen, die langs mijn zijde meê wandelde. Ook steunden de Batakkers mijn stok, als ik die plantte; grepen zij zelfs mijn voet, als die glipte over het modderige tufsteen, tusschen varens en slangen, en wist ik zoo den top te bereiken van het heiligdom. Er was daar een kleine ‘stûpa’ of koepel, met een zeer grooten salamander gehouwen er bij. Maar of de stûpa iets bevat heeft, weet ik niet. Er slingerde zich, gehouwen in een steen, een lange cobra-slang den rots op; vooral de kop was nog goed te onderscheiden. Verderop de groote griezelvorm van een immense kikvorsch of padde door mos overwoekerd. Twee beelden, een man en een vrouw, plomp en primitief, uit een geheel kunstlooze periode; de menschvorm slechts naïef-weg weêr gegeven, en door alle tijden verweerd, afgesleten, vergaan, en overweldigd door groote varens, die, om ons de beelden beter te doen zien, werden weg gekapt. Om een olifantsvorm in het steen aan de andere zijde van de klotsende rivier, wordt de plek, die kramat (heilig) is, Batoe Gadjah (Oli-fantssteen) genoemd. Veel volk liep er toe, de oude néné's van den Radja - grootmoeder en tantes - en zijn drie zoontjes naderden met purperen darang-bloemen in de handen om ons die te geven.

Maar wat het belangwekkendste was, dat waren de, tusschen de gesleten trapjes, in het tufsteen gehouwen nissen en grotten. Wat hebben die nissen, die grotten eenmaal bevat? Beelden of... kluizenaars, mijmeraars? Het is mogelijk, dat er primitieve beelden in stonden, als wij er boven op de steenmassa die beiden, god en godin, man en vrouw, troffen. Het is misschien waarschijnlijker, dat er in die nissen-hoe klein ze ook zijn-kluizenaars hebben zitten staren op hun navel of mijmeraars die zich verloren hebben in een lichamelijke onbewegelijkheid en wegzweving hunner zielen van alle aardschheid. Een vrome menigte

[p. 97]

is misschien in vroeger dagen hierheen gekomen, is de trapjes één voor één opgetreden, heeft de kluizenaars, de mijmeraars, ginds in die nissen, gehurkt en starende, zonder meer het aardsche te zien, aanbeden. Hunne stokmagere, ontvleeschte ledematen waren wellicht juist passende binnen de nauwe bogen. Zij waren vergroeid; zij bewogen niet meer; zij waren nauwelijks meer menschelijk, afgevast, niet meer gevoed dan door de korrel rijst, nauwelijks meer, die de vrome pelgrims hun brachten: meer dan éen korrel hadden ze van noode niet. Wellicht als hun oogen puilden, hunne dorre monden schuimden van hun laatste speeksel, brachten de pelgrims hun in een kokosnapje enkele droppelen water uit de rivier. Zij lieten zich de lippen bevochtigen, zij dronken wellicht zonder het zich bewust te worden. Zij stierven misschien in hun nis en in hun extaze, de beenderen werden hun dan, meen ik mij voor te mogen stellen, gebroken uit hun nissen en zij werden met plechtigheid ter aarde besteld. En andere mijmeraars, of kluizenaars, die reeds lang bij de rivier hadden gewacht, namen de plaatsen der dooden in, voegden zich op hunne beurt in de nauwe grot, vergroeiden er van onbeweeglijkheid, staarden er en stierven er in langzame afsterving en in zielevervoering...

Ik fantazeer. Misschien was het zoo, misschien was het anders. Niets is bekend van deze vreemde plaats, waarover nog de geheimnisvolle wijding hangt van verrukkingen en vroomheden lang reeds verijld, langs deze nauw meer zichtbare treden. Maar zekerlijk - dit is met één blik te zien - zijn hier duizenden op vrome dagen gekomen, hebben zich gelouterd in de rivier, zijn de trapjes opgetreden...

Hebben zij geofferd bloemen en wierook bij olifant, slang, salamander en kikvorsch; bij den man en de vrouw, de plompe god en godin daarginds op de hoogte, tusschen de varens... Wie zal ooit zeggen met meer zekerheid dan mijn fantazie het waagt, wie hier gekomen zijn; wat hier geschied is in de nog duistere dageraad van eeredienst en kunst beiden...?

 

Daar weêr een schuifelend slangetje en de kleurige vlinders, héél

[p. 98]

groot, fladderen loom om alsof hun wiekenpracht hun te zwaar is...

En de Radja laat ons zien een kristallen djimat (talisman), een ronden knikker: als die op de hoogste punt van het heiligdom wordt gelegd, gaat de bal gloeien als vuur... Vol beleefde aandacht kijken wij naar den djimat en vragen natuurlijk niet den knikker in den zon te leggen: dat zoû twijfel beteekenen aan het woord van den Radja... Langs het tijgerpad wandelen wij naar de auto terug; de rotan groeide hoog om ons op en de broodboom liet de verdorde, met geraas ritselende, bladeren neêr vallen om onzen voet. Het was een morgen vol vreemde dingen, die harmonieus samen stemden in het getril van een blakenden zonneschijn.

 

En omdat ook het hedendaagsche leven zijn interesse heeft naast de vreemde raadsels der vervlogene, ondoordringbare tijden, wil ik, na van dit oer-antieke te hebben verteld, vertellen van de zeer moderne kolonializatie der door verschillende ondernemingen, in dezen malaise-tijd, ontslagen koelies. Het is te Pematang Bandar, dat ik bedoel, dat enkele maanden geleden, niet langer, nog een wildernis was, dat nu reeds een bloeiende kampong is, waar de Javanen-immigranten behalve hun huisje het individueele bezit hebben verkregen van een klein stukje grond, dat zij bebouwen en waarop groente, obi (aardvrucht), teboe (suikerriet) en djagoeng (maïs) rijkelijk tieren, terwijl broodboom en kapokboom-de eerste met de groote ritsel-bladeren, de andere met witte pluisvlokken barstende uit de boon-zich verheffen tusschen de bamboe-woningen. Zij schijnen hier tevreden te zijn, deze Javanen, en trots alle heimwee, niet dadelijk terug te willen naar eigen land, naar Java, waar zij om overbevolking en ook al weêr malaise, vermoedelijk nooit een dergelijk onafhankelijk bestaan van eenvoudig landbouwer zouden deelachtig worden.

 

Later zal hun ook een sawah (rijstveld) worden gegeven, waarvoor waterrecht betaald moet worden; een schooltje is hun reeds gesticht.

[p. 99]

De Javanen-kolonie maakt een goeden indruk. Enkele maanden geleden zijn deze kolonisten hier aangekomen, mizerabel, honger lijdend, zonder iets; thans zijn zij in zekeren zin welvarend en grondbezittend. Het is niet noodig in weelde te baden en provincies te bezitten om gelukkig te zijn. Een bamboe hutje met baleh-baleh, een stukje grond, een sawah in toekomstig verschiet, een klapperboom, een pisangboom, een groenteveld, wat suikerriet en maïs. Wat heeft de eenvoudige en kleine mensch meer noodig om met een vrouw zijner keuze, die de kleurige sarong over den boezem geknoopt heeft en zoo gekleed en getooid is, tevreden voort te leven tusschen de groote dingen dezer natuur, tusschen de bergen en de rivieren, afgronden en hemelen, zonneschijn en regenvloed? Naar meer gaan niet zijn eischen, en als hij zijn kinderen, nog kort geleden stervende van honger, thans met dikke rijstbuikjes ziet rollen tusschen de kippen over grond en gras, lacht hij tevreden en wordt zich bewust het geluk gewonnen te hebben, terwijl wij, o lezer, gij en ik, duizend andere dingen wenschen, die wij volstrekt niet noodig hebben, maar die wij voor ons onmisbaar achten, en die ons leven bezwaren.

En wie is nu de grootste wijsgeer: mijn mijmeraar, die zich voegde in de nauwe grot om zich weg te peinzen van alle aardschheid en de verrukking deelachtig te worden, of de Javaansche kolonist op Sumatra, die gelukkig is met zijn hutje en zijn stukje bouwland?

11

De groote daad is gedaan. De toeristische, de monumentale toer dwars door Sumatra, van Medan, langs het Toba-meer, naar de Padangsche Bovenlanden en Padang! De triomf van den Koning der Wegen, Auto, over wat berg en oerwoud was en... bijna nog immer is, werd een voldongen feit - ik meen voor òns - en wij kraaien luid victorie. De tocht, waarvan ons zeer veel verteld was, te veel misschien om geen tegenvaller in petto te houden, is geen tegenvaller geweest en daarbij, het is een zegetocht geweest

[p. 100]

zonder één enkel incident, zelfs niet het geringste; een zegetocht van drie weken. Want wij hebben ons niet gehaast met te overwinnen: wilt ge overwinnen als wij, dan kunt ge dat in vier, vijf dagen ook wel doen maar dat noem ik victorie en kilometers verslinden, en ik houd er wel van mijn overwinningen te digereeren en rustig een dag na te genieten van het duizendvoudige schoons, dat zulk een tocht mij biedt.

 

Ook na onze prachtige steppe-, woestijn- en bergtochten in Afrika, vreesde ik eenigszins voor désilluzie. Maar Sumatra is geheel anders; was het daar ginds de strenge, straffe soberheid, hier was het de majesteitelijke pracht en grootschheid, beiden echter heel ernstig en heel verheven gehouden. En het was een groot geluk, deze sublieme ontzaglijkheid der natuur, in welks epos het Tobameer even verschijnt als een idylle, een liefelijk poëem midden in de titanekracht van een heldendicht van bergen en bosschen, dag aan dag, drie weken lang om ons te voelen. De weêrgoden zegenden ons; hoewel de regens vaak dreigden - Sumatra heeft niet zulke uitgesproken natte en droge moessons als Java - tuften wij làngs de regenvloeden en door de zich zamelende wolken heen en konden geen dag ons verregend rekenen.

 

Ik wil beginnen met den heer Rademaker, auto-verhuurder te Medan, hierbij dank te zeggen voor de goede zorgen, die hij nam om de ‘groote daad’ volkomen te doen gelukken. Onze kleine Essex-wagen, bestuurd door de parelen van chauffeurs - Javanen - Imân en Tahir, heeft de overwinning behaald zonder ook maar één oogenblik te versagen. Niet alleen, dat nimmer een band sprong op den tocht bij een hachelijke virage, maar zelfs niet het minste defect in den motor noodzaakte Tahir zijn mechanische kennis op den weg ons te toonen. Deze triornftocht ging als een liedje de bergen op, parelde als een roulade en fioriture de virages af, langs afgrond en levensgevaar. Wij zagen wel in den eerste, maar dàchten niet aan het laatste. Trouwens, de afgronden langs onze wagen waren niet altijd te zien, want... dichte takken

[p. 101]

en bladeren verborgen de diepten en steilten vaak voor onzen blik, tot wij op eens... ons bewust werden, bij een bocht, langs wèlke monumentale ravijnen wij onder Tahirs en Imâns leiding reden en rolden en slingerden!!!

 

Het was de ontzagwekkende schoonheid eener oeroude, vulkanische wereld, die door hare cataclysmen heen is gebleven een paradijs van reuzen en goden. Er is iets gigantiesch in deze natuur en in dit giganteske ligt het Toba-meer daar als een blauw juweel, stralend gevat tusschen de soms parelblanke, rechte rotsen.

Te veel had men ons niet van dit alles verteld. Te weinig kan ik er u ook van vertellen omdat de heerlijkheid van berglijnen, kolossale boommassa's, vervloeiïngen van horizon naar gouden middagen of lila avonden, en de overstelping van de varende wolken, die uw kleine auto durft door gaan, niet altijd in onze arme, te veel gezegde woorden is te bevatten.

Ik woû, dat ik nieuwe woorden had. Ik ben echter niet rijker dan ik ben. En ik zal pogen uit mijn kleinen rijkdom de woorden te kiezen, die eenigszins zullen weêrspiegelen de schoonheid van dezen toer, langs steeds goed onderhoudene wegen afrollende. Seriboe Dolok, het zijn de Duizend Heuvelen. Zij golven groen in het frissche seizoen, naar alle zijden weg; geteld zijn ze niet, maar slechts geschat en toen genoemd met het aantal, dat dichterlijk-weg de ontelbaarheid weêrgeeft. Zij verzwijmen in lucht en licht: zij wijkt altijd heel ver, deze horizon. Langs den weg leiden op eens Batakkers een stoet van prachtige paardjes, de kleine, levendige, vive, met de gecambreerde nekken en de vurige oogen en de bijna niet te bedwingen bewegingen. Gekruist met het Sandelwood-ras, geven deze Bataksche paarden een edele mengeling en de jonge dieren worden vrij in de grasvlakte los gelaten om te tieren en dan weêr gevangen; zij steigeren, nu wij voorbij schieten, hevig aan de bedwingende hand der mannen en rekken en rukken en hinniken brieschend. Over de heuvelen woekert de alang-alang, en het den inboorling nuttelooze pluimgras: misschien vlecht hij er nog slechts een vogelkooitje uit voor

[p. 102]

zijn zoo geliefde tortelduif. Geen plant is bestand tegen de alang-alang, die woekert, die alles overwoekert, terwijl het hooge pluimgras zijn vederbossen opstuwt; dan denk ik weêr altijd aan tijgers, omdat ze hier zoo wondermooi met even zichtbaren kop zouden kunnen schuilen, de koninklijke dieren. Maar de auto, die voort schiet, is een koning ook, in zijn soort. En zelfs in het latere uur is nooit te vermoeden, dat Hij, wiens gestreepte vacht gelijk is aan schaduw en gele grashalm, zijn haat tegen dat nieuwe, altijd langs de wegen wegvluchtende dier, dat snort en schreeuwt bij elke bocht, als of het een daar verborgen gevaar in den muil snelt, zoû durven openbaren...

Wij zien de eerste rijstvelden, ‘ladangs’, de ‘droog’ bebouwde; eerst later, naar het Zuiden toe, zullen wij de zoo veel schoonere liquide terrassen zien, waar de padi met heilige vroomheid, plantje na teêr plantje, geplant wordt in de vette aarde, die het geleide water steeds overstroomt...

 

Maar de vervloeiïng der berglijnen troost ons, dat de verrukkelijke rijstterrassen nog ver zijn. De Sinaboeng, de Boeatan, de Piso-Piso rijzen op en verglijden achter de groene Duizend Heuvelen om dan weêr teêr en dun op te doemen in verdere ijlheid van immaterieele verblauwing tegen de schijnbaar meer tastbare lucht. Het is het licht zelve, het is een nevel-vluchtig waas, dat de lucht meer tastbaarheid schijnt te geven dan den berg. Ge zoudt willen grijpen in de hooge lucht in uw dwazen hoogmoed en heimwee naar azuur; de bergen wijken echter weg in schijnbaar ontastbaar geheimenis. Is een vogel eigenlijk niet het eenige schepsel, dat zulk mysterie oplosbaar vindt: wiekt de arend-er wieken hier arenden-niet neêr op de ontastbare bergen en stijgt hij niet op in de lucht, wier hoogte en diepte eindeloos schijnt?

 

Maar wat zijn die zwarte of kale plekken? Hier en daar, over de bergen, dicht bij ons verzichtbaren de zwarte, afgebrande vlakken, de uitgebrande, donkere wonden. Het is wat de ‘roofbouw’ doet; de roofbouw, waarmeê reeds sedert eeuwen de inboorling

[p. 103]

de brand stak in het oerbosch der bergen, daar ter plaatse rijst plant of maïs, voor één enkelen, snellen oogst en dan de mishandelde, uitgebuite plek verliet om elders weêr ‘roofbouw’ te plegen, zonder zelfs te denken den beroofden berg nieuw geboomte in te planten; geboomte, zonder welk hij afsterft in de aarde, waaruit hij in vulkanische roering zich opwierp en aanstonds in weelderigheid en vegetatie uitbarstte... Nu liggen daar over de liefdeloos gemartelde bergflanken de zwarte plekken, de donkere wonden der verlatene gronden en alleen voor het oog is de afwisseling van dat donker grauw en blauw en zwart nog te waardeeren omdat die sombere kleuren zich schakeeren tusschen het overstelpende groen. Zoo staat de Piso-Piso daar, armelijk boomloos en bladerloos zijn berooide naaktheid der flanken, en slechts aan den top bedekt, als met een muts van onbereikbaar bosch.

 

Daar, tusschen de bazalten flanken en groene dellingen door, schemeren de eerste blauwe kommen van het Toba-meer zichtbaar en het tafelgebergte van Samosir, het eiland, dat zich wijd uitbreidt in het meer, rijst wonderschoon op met strenge, blanke, licht grauwe, rechte lijnen. Wij naderen Perapat, waar wij enkele dagen zullen blijven, omdat het jammer zoû zijn al te snel deze lieflijkheid, midden in de grootschheid, te verlaten.

 

Wat hier gebeurde in vroegere eeuwen is het geheim der verschrikkelijke cataclysmen-vulkanische losbarstingen en aardbevingen-die het aanschijn der aarde hier telkens hebben gewijzigd, of groote hartstochten haar doorwoelden en schokten. Het Toba-meer schijnt oorspronkelijk een ontzaglijke krater geweest te zijn, waarin het eiland Samosir, omgeven van het meerwater, ongeveer den eigen vorm van het meer behield, alsof de rotsmassa's van den bergtop het kratermeer binnen stortten, en het meerwater die massa's omgaf, zonder haar te kunnen verzwelgen. Het meer ligt daar als een betrekkelijk eng water rondom het eiland van bazalt en wist alleen naar het Noorden, den Piso-Piso te gemoet, verder en wijder uit te stroomen.

[p. 104]

Van al deze ontzaglijkheden is niet meer over dan de lieflijkheid, die wij nu zien, eene lieflijkheid, tòch nog grootsch, want niets in deze natuur werd klein, en zoo wij het Toba-meer lieflijk noemen vergeten wij niet dat ook een godin lieflijk kan zijn... Noch met de Italiaansche noch met de Zwitsersche meren is deze lieflijkheid te vergelijken. Zij blijft altijd streng, met ernstige, voorname lijnen en al kan ik in het Toba-meer iets vrouwelijks zien, het is eene vrouwelijkheid, goddelijk en streng gebleven. Varen wij over het meer, dan zijn de verrassingen steeds de bijna vierkante kommen, ingesloten door de steile, blanke bergwanden. Daar, boven nestelen de zwaluwen. Kapen steken vooruit met hoog pluimgras groen overwuifd; het zijn de idyllische halmen, die iets herderlijks geven aan deze natuur, wanneer zij opsteken tegen de blauwe lucht. De pasangrahan1 ligt op een der kapen, ùitstekend in het meer; het hôtelletje ligt vlak er bij. Wie wil, dwaalt den heuvel af en baadt zich in het meer. Het dorpje met zijn haventje, waarin op passer-dag tal van sampangs2 der marktbezoekers samen glijden, ligt tusschen de kokospalmen verscholen. Bataksche visschers wonen hier vele. Slanke prauwen met uitgesneden en kleurige voor- en achtersteven in bijna visch- of draakmotief, de vierkante zeilen licht-kleurig, steken af in fijn silhouet tegen licht en tegen water. Nauwlijks rimpelt dat water. Zoo weinig straf zijn deze tinten, dat ze bijna verbazen: wij hadden nooit gedacht aan deze opaalachtige teederheid, die tòch is van het Oosten, want bij niets te vergelijken.

 

Kreeken en inhammen kartelen den boord van het meer. Eilandjes, overgroende rotsen, liggen er, als bij toeval vergeten, in. Geiten en schapen zijn op de grazige kusthellingen geleid door bruine, naakte jongetjes, die zich, terwijl de kudde graast, baden; of in lange bamboe's putten zij water en klimmen, met die gevulde vaten, als geitjes zelve de heuvelen weêr op. In het meer liggen der

[p. 105]

visschers netten onder den spiegel en op bamboe stellingen, onder een afdakje, in het water - de dunne stijlen als sepia-vegen - alles weg getrild in een parelteêr licht, zitten visschers soms, donkere schaduw-figuurtjes, op te letten of de visch het net niet weg trekt. Telkens weêrklinkt van uit het pluimgras een verlangende fluit.

 

Ons motor-bootje wendt hier en daar, kreek uit, kom in, langs de steile tafelwanden. Dit water noemt de Maleier-om-de-kust, de ‘smakelooze zee’: laut tawar. Als met blauwe Capri-grotten diept het telkens in de steile, witte rotsen: er is dan diep-in een bijna zwarte schaduw. Orchideeën slieren met bloeiende lange takken tot bijna in het meer. Ons volgen tal van naakte knaapjes in bootjes, gevormd uit een hollen boomstam, ze roeiende met één riem. De kinderen klimmen den rots op en plukken de bloemen en scheuren de orchidee-linten en lange lianen af. Onder het doorzichtige water woekert een vreemde plantengroei.

 

Hier zijn de heilige steenen: Batoe Gorga, met bloed beschreven, als er een slag was gewonnen, want deze inboorlingen, wonende aan dit meer, streden met elkaâr een eeuw nog slechts geleden. Wortels van mabarboomen schieten de takken af, weêr terug in het water en weven als doorzichtig staketsel. Wij turen van ons bootje af naar de vreemde hiëroglyfen dier rotssteenen, die annalen zijn. Ik zie als laddertjes en grotjes ingegrift: zijn het werkelijk letterteekens? Dat spiegelt terug in het helder spiegelende water.

Wij stappen even uit aan de kampong, die vlak aan het meer ligt, aan weêr een vierkante kom, vóór ons het Tafelgebergte - als ik het zoo noemen mag -; ter zijde de coulissen van rotsen. Vier, vijf huisjes, arme visschers, naakte kinderen. Als wij weêr in ons bootje stappen, racen de bruine jongetjes ons achterna in hun holle boomstammen, één met hun bootje, één met het water, dat is hun bad, spel, kostwinning en element. Zij hebben niets noodig om te leven dan water en hollen boomstam.

 

Nu varen wij verder het meer op. Vele heuvelflanken zijn door

[p. 106]

roofbouw afge-ladangt - ladang is het droge rijstveld - om één enkelen, snellen oogst, die daarna den berg kaal laat of als met een wonde ingevreten. Maar de dorre plekken in het zachte licht steengrauw versmolten, breken den ééntoon van het regenfrissche groen, blauwen zelfs verder op...

 

Het eiland Samosir was eerst een schiereiland, verbonden met een smallen, natuurlijken dijk aan het vasteland, aan Tapanoeli, dat ginds in het Westen ligt. Ten gerieve der prauwevaart meende de rezident Welsink het raadzaam dezen dijk, deze ‘navelstreng’ te doen verdwijnen. Maar de Batakkers vreesden, dat, zoo de ‘streng’ niet meer eiland vast snoerde aan land, het eiland òmtui-melen zoû in het meer...

Een groote sedeka (heilig feestmaal) werd gegeven; dertigduizend koelies kwamen van heinde en verre te zamen; in één dag was de natuurlijke dijk door gebroken: het schiereiland, toen eiland, Samosir, tuimelde niet in het Toba-meer om...

 

Daar ligt het, zijn anders grauwe, blanke, bazalten tafelen nu gloeiende ròze in den weêrschijn van den zinkenden zonnebrand. De prauwen, de sampangs - de holle boomstammen - zijn veeg-jes van Oost-Indische inkt over het purperende water. En de fluit, die wij dien morgen hoorden, weêrklinkt weêr in die zelfde graspluimen, maar met een ander motief: het is of het motief van verlangen verklankt is tot een ànder van weemoedige berusting nu de zon toch reeds zinkt, de maan ginds opzilvert met hare schim van een schijf en de allereerste star tintelt uit de diepte op van de nog rozige lucht.

Na twee dagen zetten wij den triomftocht voort.

12

Als wij Perapat verlaten, wijkt de weg langs diepe ravijnen van het meer af, maar tusschen de kloven door zien wij nog telkens de blauwe Toba-kommen oprijzen en verzinken. Regens dreigen en

[p. 107]

het is soms of wij een wolkenland te gemoet gaan. Maar onze overmoed wordt telkens weêr beloond door den glimlach der zon, immens uitklarende tusschen nevel en verwijderden stortvloed. De buien schuiven nu aan onze linker-, dan aan onze rechterhand. En zie, daar treffen ons de eerste liquide sawah-terrassen, maar, later, in het Padangsche, zullen wij ze zóó mooi zien worden bebouwd, dat ik ze u liever dààr toon. Tusschen het geboomte-broodboom en arèn, kokos en pisang, pinang en tamarinde-duiken de huisjes van bamboe en atap op en zijn als schepen-om den dakvorm-gestrand op deze zee van bladeren, en deze schipvorm der huizen zal ook in het Padangsche zich nog duidelijker, verrassender teekenen. Daar blauwt een gebergte, de Pangoeloe-Bao, plots klarende de schuine regenbui uit-geen drup viel op òns neêr-en zoo wij hier links nu afsloegen, zouden wij langs de Assahan-rivier de beroemde stortwatervallen vinden, maar het is voor de auto ondoenlijk: onze chauffeur Imân-Tahir rijdt-wijst ons alleen maar met weemoed de richting; niet àlle schoonheid is te bereiken.

 

De weg slingert telkens: wie telde óóit deze slingeringen! De Bataksche vrouwen, ter markt gaande, loopen langs den weg-kant, steeds de eene achter de andere; het bovenlijf bloot, de borst geheel zichtbaar, vooral die der gehuwde vrouwen, is de lange kaïn gedrapeerd om lendenen en schouder volgens ingeving, niet altijd naar vasten regel. En zij dragen hare lasten op het hoofd- de marktwaar-in gevlochten korven, rond of vierkant, die zij grooter of kleiner vouwen naar gelang van den inhoud. Hoe zij die korven en manden dragen, met wiegeling der heupen en recht het hoofd, terwijl zij statiglijk loopen, de lange wegen af!

 

In Lagobotti bezoeken wij de Rhieinische Mission, reeds zestig jaren hier gevestigd en de zendelingen toonen mij den zeer interessanten schrijnwerkersarbeid, de volmaakt keurige school voor rechtlijnig-teekenen-hoe onberispelijk al die bouwkunstige ontwerpen. Ook de weefschool, waar de Bataksche meisjes, onder

[p. 108]

leiding der Duitsche zusters, haar eigen uitzet leeren weven. Ach, zoo ze maar niet zoo keurig Dalcroze-achtig dansten en zongen van Funiculi-Funicula, en zelfs Oberon's Elfendans en Boccherini's Menuet moesten weêrgeven onder palmen, tusschen deze pisang-boomen! Dat was heusch niet zuiver van smaak gedacht, broeders en zusters, maar wij mogen de laatsten er niet hard om vallen, als zij overigens deugden van reinheid en arbeidslust kweeken in deze Bataksche meiskens.

 

En de weg rolt af, slingert op. Het is, kilometers lang, een steeds afwisselende schoonheid. Nu ik er over schrijf, na dagen, komt werkelijk weêr het heimwee in mij op, opnieuw, o, opnieuw dien prachtigen weg op te slingeren en af te rollen. Dat gaat als muziek, steeds als een liedje met parelende fioritures! ‘Gevaar?’ Ja, telkens, als uw chauffeurskunst niet vlekkeloos zijn zoû. Hebben wij één oogenblik aan gevaar gedacht?? Het gaat den hemel in en dan de groene wereld weêr neêr. Langs de wolken, dóór de wolken... Nog even bij Baligé, een laatste blik op blauw Toba-meer en Samosir... Wij kijken om... Het is weg, het is gedaan, Toba-meer en Samosir, het is reeds achter ons, een vervlogen idylle. Tot Taroetoeng rijden wij dien dag. Wij rijsttafelen in de pasangrahan aldaar; dank zij het waakzaam oog van den heer Simons, contrôleur, en mevrouw Simons, is dit rusthuis waardig geprezen te worden. Dat zijn niet àlle pasangrahans op onzen weg, o neen...!

 

Wij verlaten Taroetoeng. Een jeugdige meisjeshand biedt mijn vrouw heliotrope, die zij zelve hier kweekt in deze frissche temperatuur. De teedere bloemetjes geuren den snellenden wagen door. Het is altijd zoo lief en hartelijk, dat aankomen en weggaan, voor ons toeristen, op al deze plaatsen. Een klein beetje als een triomftocht. En het gaat zoo vlug, zoo vlug... Wij maken telkens kennis met vriendelijke menschen, maar het afscheid volgt zoo gauw de verwelkomst. Verder weêr, verder weêr, in de zege meê van Koning Auto! Het zal nu gaan naar Sibolga, Tapanoeli door. Sibolga, dat ik van een hoogtepunt, even opgeklommen, terwijl

[p. 109]

de auto wachtte, zag liggen aan hare baai met àl haar eilandjes...

 

Het is de dalende weg met, als men ze goed heeft geteld, veertienhonderd wendingen. Tahir wil zoo gaarne hem afzingen, Tahir heeft nog nooit dezen weg afgezongen en zoû het nu gaarne doen. Wij voelen ons zoo een beetje ‘proefkonijn’ voor Tahir, maar Imân zegt, dat hij Tahir àlles van den weg verteld heeft, en dat er geen gevaar is, zoo een chauffeur maar handigheid aan voorzichtigheid paart. Ook niet bij een maiden-tour. Zoodat Tahir, stil verrukt, het stuur in handen neemt en, met ons in den wagen, de veertienhonderd bochten aftrillert naar beneden toe, naar Sibolga.

 

De weg is afgeslingerd. In de stad nemen wij benzine bij een Chineesche toko, die, naar ik later verneem, den volgenden dag in laaienden brand verdween!

En wij tuffen verder. Door palmengaarden ziet ge de zee. Een sprookje, die zee, vlak bij, tusschen de kokosstammen en klapperkruinen; de kalme waterlijn tusschen de statie-boomen heen schemerend. En de landschappen worden steeds wijder en impozanter. Ik herinner mij een waterval tusschen pijnbosschen en dan dadelijk weêr een ravijn en nauwe kloven, waar tusschen wij doorgaan. En de wolklanden en de regensluiers!

 

In modder liggen soms de karbouwen hun modderbad te nemen. Zoo zalig koel als dit hun zware lijf is! Daar liggen zij, de geheele massa ingedommeld, den wijd uit gehoornden kop met de zachte, wijsgeerige oogen alleen zichtbaar. Wat zijn ze zachtmoedig voor zóó groote dieren. Een knaapje, naakt, een rietje in de hand, beheerscht hen. En zij laten zich leiden. Het schijnt of ook zij, zoo goed als de Bengaalsche runderen, een inwendig leven leiden, dat vreemd is aan hun zwoegen en trekken. Of is dit nu alleen dwaas fantazeeren van mij? Maar waarom komt dan telkens die gedachte op bij mij: die karbouw, ginds, die trekt en zwoegt, denkt aan... àndere dingen, heeft een geheimzinnig zieleleven?? Komt het

[p. 110]

alleen om dien peinzenden wijsgeersblik van het beest, blik, dien hij somtijds sluiert achter een loomheid van uitdrukking, of hij niet wil, dat ge hem in de oogen en in de ziel ziet? Neen, niet alleen dikhuid en zwaarpoot is de karbouw; ik kan niet anders gelooven, dan dat hij denkt, peinst, droomt, dan dat hij een inwendig zieleleven heeft en zich wijsgeerig, omdat hij dat goèd vindt, laat leiden door het naakte knaapje met een twijgje in de hand.

 

Het Bataksche element heeft uit. Geen onrein zwijn snuffelt meer de kampong door; de Moslemsche atmosfeer overheerscht al meer en meer. Wij zijn in Padang Sidempoean aangekomen. Een onmogelijke pasangrahan maar gelukkig zet de mandoor een goede rijsttafel voor. Wil deze reis echter ook toeristisch geheel en al mogelijk zijn voor den automobilist, dan moet hij niet risqueeren zulke pasangrahans tegen te komen als die van Padang Sidempoean. Luxe wil de toerist niet op dezen tocht, maar reinheid is een gerechtvaardigde eisch. Buiten, onder een atap afdak, zien de beide chauffeurs zorgvuldig den motor na. Ik zoû die beide jongens alle motoren der wereld toe vertrouwen...

 

Wij tuffen dien volgenden dag in éénen naar Fort-de-Kock, en zaten elf uur in onzen wagen. Het was een prestatie; maar dank zij het weêr, lucht, goedgunstigheid der goden, Tahir en Imân, den motor en den weg, deden wij onze elf uurtjes af, - soms gingen wij snel, soms minder snel - zonder dat één incident ons ophield. En deze elf uren waren, zonder dat er één ons te lang was, wederom vol van de betoovering van het grootsche, majestueuze landschap, dat wij niet moê werden, om ons en voor ons uit te zien afwisselen met àl de vèrgezichten en diepgezichten, die het biedt. Het was de Weg van Triomf tusschen alle die veroverde schoonheden van bosch en berg en afgrond, en de kampongs er tusschen in, aan rivieren, en een waterval, en een vijver met heilige visschen, die de chauffeurs niet nalieten te voederen, en die even gulzig als heilig waren. Tegen den avond bereikten wij Fort-de-Kock of Boekit-Tinggi, als de inboorling zegt. We waren, in het

[p. 111]

Hôtel Centrum afgestegen, ons bewust te zijn in een centrum van dingen en landen van interest.

 

Deze zijn de landen van het Matriarchaat, de landen van de zoo bizonder schoone Minang-Kabausche huizen en curieuze zeden, de Padangsche Bovenlanden, die Merapi en Singalang, de beide vulkanen, minnaar en bruid volgens de legende, beheerschen; deze zijn de landen, die het eindpunt zijn van den monumentalen Toer: Dwars door Sumatra.

 

In Fort-de-Kock zal het verlokkend zijn een tiental dagen te blijven, des morgens één der vele interessante toeren te doen, maar verder den reus en de reuzinne, Merapi en Singalang, te bespieden als hij gloeiend staat in glanzende macht, als zij zich hult en onthult in haar nevels. Ook de Ofir, daar ginds, waar Salomo eens, volgens weêr een legende, die eene andere tegenspreekt, zijn goudmijnen liet delven, rijst op in violette of paarspurperen regen- en zonnewaden, en tusschen de flanken dier bergen zal de auto iederen morgen snellen naar grotten en weêr andere vijvers met heilige visschen, naar beroemde bergkloven en de meren van Manindjau en Singalang.

 

De Minnaar en de Bruid, zij beheerschen voet bij voet den horizon. Zij glooien naar elkander toe, en het is vreemd, hoe bergen, die toch niets van menschelijken vorm vertoonen, legenden kunnen wekken van titanische menschelijkheid en goddelijkheid. Voor den inboorling zijn zij de gigantische wezens, deze bergen. Eeuwen geleden streed de Merapi met den Ofir om de gunst van de Singalang. Het was een oerstrijd van vulkanen, om ééne, die zich in vuur nog niet had uitgesproken. De Merapi vernietigde zijn tegenstander. Eén maal zullen Merapi en Singalang elkander naderen in een omhelzing van lava en vuur. Dan heeft de Hollandsche heerschappij in deze landen uit, is het geloof.

 

De machtige bergflanken glooien elkander in naderende liefde

[p. 112]

toe. De bruid wacht; de Minnaar, van inwendige vlamme blakend, nog ingehouden... Maar hoe hevige hartstochten deze bergwezens uit zullen slaan, geweldige beroering reeds heeft hier de aarde doorwoeld. Het Karbouwengat, de kolossale kloof, is of het rotsgesteente gespleten is tot een diep, wijd dal, een vallei, die zich met zijn rotswanden windt en wendt. De marmersteengrotten van Kamang met de versteende vormen van olifanten en menschelijke wezens en de altijd van het steen druipende waterdrop-pelen getuigen van weêr andere vergane, gebluschte hartstochten dezer gronden. Dit is alles bewogen geweest in ontzaglijke beweging. Deze nu kalme en lieflijke of versteende en stugge lijnen en vormen zijn de verwording en verstarring na uitbarsting en cataclysme. Deze kloof van Harau is als een gespleten titanenkasteel en op de duistere plekken, waar de waterval stuift de schaduw uit, spoken de orang-alocs1, de orang-boenian2, trekken des nachts de legers op der schimmen van helden en verslagenen, en willen onze chauffeurs slechts een oogenblik toeven, een heel kort oogenblik, omdat zij bang zijn, de dappere jongens, die nooit voor den weg versagen, maar wel beven, voor deze duistere en toch wijde kloof, voor deze steile wan den, voor deze wijde, witte sluiers van waternimfen, voor alles wat hier atmosfeer van huivering weeft, zóó zelfs, dat zij niet afwachten tot de beroemde Echo hier driemalen zal weêrklinken, maar het met den wagen op een ijlen zetten, de kloof van Harau uit, terug naar licht en lucht en zonneschijn en groenende wijdte en ver uitbreidende hel lumineuze kimmen, om in de werkelijke wereld terug te zijn.

13

Hoe zal ik u de Minang-Kabausche atmosfeer oproepen? Wat is Minang-Kabau? Het is een ‘nagari’ of dorp, waar men de hoorn van een wijfjeskarbouw vertoont, die eenmaal aan een Javaan-

[p. 113]

schen vorst zoû hebben toebehoord. Deze Javaansch gezinde buffel zoû alle Maleische buffels - dus geboortig in Sumatra zelve - uitdagen en wie kampioen bleef, zoû het land voor zijn vorst hebben gewonnen. Het ging tusschen het Maleische ras van Sumatra en eene dreigende Javaansche overheersching.

De Maleiers van Sumatra verzonnen een list. Zij hongerden een buffelkalf uit, snoerden het een ijzeren pin op den kop en lieten het dier los; het stormde af op de Javaansche kampioene, in zijn dorst om zich te lesschen, en stiet daarbij de pin haar in den buik. Zij stierf en de Maleische karbouw had voor het daar geboortige ras het land behouden, dat sedert Minang-Kabau heette. (De karbouw heeft overwonnen.)

De legende mist poëzie. Maar ik moest wel even haar vermelden. Het plaatsje, dat nog naar de legende heet, is ook niet interessant. Maar het is de bakermat, oer-oud, van wat hier wel interessant is, van deze vreemde zeden, in deze buitengewoon sierlijke vier- en zesvoudige huizen, ge-eerd, ja, ge-eere-diend. In de huizen, waar het Matriarchaat nog steeds heerscht.

 

Nergens is het moederrechterlijke verwantschapsrecht en het Matriarchaat zoo zuiver in stand gebleven als hier. Bloedverwantschap ontstaat door afstamming van verwante vrouwen, die ééne vóórmoeder de hare rekenen. Het zijn niet de broeders, het zijn de zusters en hare kinderen - de kamanakans - die de familie vormen. Wel is de panghoeloe, het familie-hoofd, een man en zelfs bezit hij een blijvenden titel of ‘galar’, maar na zijn dood gaat de waardigheid over op zijn jongeren broeder of op den oudsten neef, kind van de oudste zuster.

De oudste man uit den oudsten vrouwelijken tak is de mamak, beheerder van het familie-goed - harto poesaka - onverdeelbaar eigendom dier vrouwenfamilie. Hij handelt in overleg met alle mondige, ook aangetrouwde, mannen der familie, maar ook met alle de vrouwen. De man komt in huis bij zijn vrouw; spreekt hij van ‘zijn huis’, dan is dit het familie-huis zijner vrouw; zijn eigen familie-huis noemt hij ‘het huis mijner zusters’.

[p. 114]

Is de man ziek, dan keert hij terug in zijn bakermat, in het ‘huis zijner zusters’ en zoo zegt de adat-spreuk: ‘hoe verre de reiger ook uitvliegt, hij keert tot zijn waterplas weêr’.

 

Ik weet niet of in deze matriarchale huizen de vrouwen werkelijk overheerschen maar het zoû niet onwaarschijnlijk zijn. Wij hadden het meer van Manindjau zien liggen in de stille diepte als een tooverkom, waaruit de wolken stegen en hooger stegen... Tot het water vlak lag als een metalen spiegel onder de uitstralende zon. Plots hanegekraai, hondengeblaf, kreten als van honende schelmen... maar het waren geen hanen en honden en schelmen: het waren de apen, de staartlooze, die in wilde jacht joelden door de boomen. Kinderen boden ons orchideeën aan, zorgvuldig de wortels in aarde en banane-blad omwonden. Terug gaande trof mij bij Lawang, dat zeer mooie, groote Minang-Kabausche huis. Op palen verheven, vertoonde het weêr dien eleganten schip-vorm om de zijpunten zijner daken. Aan het middengedeelte was links en rechts tweemaal een zijgedeelte bijgebouwd: dan steken de nieuwe daken links en rechts als met de voorstevens van schepen onder uit de zijpunten van het moederdak uit, steeds ongeveer op de zelfde hoogte-lijn. De familie werd te groot voor het huis, de zusters deden naarstig haar plicht en het huis werd uitgebreid met zij-pavillioenen. De tweede maal is de bijbouw nog sierlijker, hebben de uiterste pavillioenen iets van korven, groote korven op paaltjes. Deze korfvorm hebben ook de drie, vier, vijf padi-schuren, voor het huis op het erf. Deze huizen zijn zeer versierd met snijwerk, gekleurd in rood, blauw, geel, goud, zwart, maar de padi-schuren, vóór het huis zijn het allermeest versierd en gelijken soms op groote juweelkisten. Dikwijls zijn ronde, spiegelende mica-schilfers tusschen de roode en gouden en zwarte verluchting in het snijwerk dier huizen als gezaaid. Het schittert in de zon en het geheele huis is als een wonderlijke, met niets te vergelijken sierlijkheid: even denkt men aan een antiek missaal, aan het verluchtingswerk van monniken, maar zulk een beeld vloekt natuurlijk tegen deze Oostersche kunst, die mis-

[p. 115]

schien ouder is dan het Moslemsche geloof der inwonenden.

 

Laat ons, na mijne afdwaling in het algemeen, terug keeren tot dit bizondere huis te Lawang. Uit de vele vierkante ramen kwamen vrouwenhoofden naar ons kijken, terwijl wij in onze auto, stil staand, bewonderden. Oude vrouwen, jonge vrouwen, kinderen. Zeker een vrouwe-regeering. Vrouwen, die thuis kwamen, waren gekleed in de zeer fijne, rijk maar stil patronige kaïns, die zij hier weven en eene droeg er de goud doorweven zijdene slendang, recht gevouwen over den schouder. Zij was een jong-ge-huwde en droeg haar bruidsslendang nog enkele dagen. Het kapsel dier vrouwen was in een doek omwonden, die met twee hoornen, links en rechts, uitstaken. Het ‘karbouwe’-motief der Minang-Kabauers. En nu herkende ik dit hoornen-motief overal. De links en rechts uitstekende dakpunten der huizen, der padi-schuren, der hoofddoeken, zelfs der mandjes en korfjes, die deze vrouwen vlechten en benuttigen voor elk huishoudelijk doel, vertoonden telkens het karbouwenhoorn-motief, uit herinnering aan de karbouw, die overwonnen had. En het was alles zeer sierlijk, allerfijnst van teekening en kleur en getuigende van een bizonder groot, onbewust kunstgevoel. Want van ‘kunst’ weten deze menschen natuurlijk niets; zij hebben hier nooit over gedacht. Wat zij bouwden, weefden, werkten, was alles sierlijk en wonderschoon, sedert eeuwen. Zij hebben over die wonderschoonheid nooit nog nagedacht, wat een vóór- en een nadeel is.

 

Een oude Minang-Kabauer trad het huis uit. Hij naderde ons zeer beleefd, waar wij in de auto het sierlijke huis bewonderden. Hij noodde ons binnen in het huis, ‘huis zijner zusters’. Ik maakte mij bekend en hij zeide mij, dat hij was de Toeangkoe Laras en dat zijn ‘galar’ - titel - was: Toeangkoe Soetan Talembang (ik hoop, dat ik de ‘galar’ goed genoteerd heb). Hij kende den Gouverneur van Sumatra's Oostkust - nog kort geleden mijn gastheer - die in deze streken assistent-rezident en contrôleur was geweest.

[p. 116]

Het oude dorps- en familiehoofd was gepensioeneerd door het gouvernement. Hij kreeg ƒ32.50 in de maand. Een gepensioe-neerde ‘radja’ met ƒ32.50...?? Nu, hij glimlachte, noemde zich géén ‘radja’... Het was een hoffelijke, fijne, oude man. Wij zagen in het huis, dat eigenlijk bestond uit eene lange binnenruimte, waar aan één kant de zes, zeven kamertjes uitkwamen, de kamertjes dier vele vrouwen - die hier heerschen - en harer kinderen. Er was een klein, aardig, fijn knaapske bij, de toekomstige titel- drager, denk ik. Hij groette den gast en vreemdeling heel beleefd met zijn glimlach en buiginkje.

De vertrekjes bleven allen gesloten en wij gaven geen blijk van onhoffelijke nieuwsgierigheid.

Maar ik herinnerde mij wat ik gehoord had; dat de aangehuw-de mannen op vaste dagen hunne vrouwen in het familie-huis komen bezoeken. Vergeet hij dit, of komt hij een dag later, dan wacht hem een hevige scène van ijverzucht in het nauwe kamertje en de andere zusters en tantes en grootmoeders - waarom zouden er niet meerdere zijn? - luisteren in de andere kamertjes aan de doorluchtige beschotjes en verkneukelen zich. Zulk een man heeft wel eens meerdere vrouwen in verschillende familie-huizen, maar ik geloof, dat dit een zeldzaamheid is en dat de monogamie meer de adat is. Maar zijn kinderen zijn niet zijn familie: de kinderen zijner zusters zijn zijne familie en voor hen voelt hij de familie-genegenheid. Het is bijna niet te begrijpen, dat het vaderlijke gevoel in het Matriarchaat geheel secondair blijft.

 

Zeker is het Matriarchaat economisch niet geschikt het individueel initiatief te bevorderen. Het is wel de instandhouder van het familie-goed, de onverdeelbare ‘harta-poesaka’, en bevordert wel nationale welvaart. Pauperisme bestaat niet in deze streken. Kinderen zijn er door het Matriarchaat beschermd tegen de ouderen, vrouwen tegen de mannen en prostitutie... komt niet voor.

Deze instelling, in China en elders vrijwel verdwenen, is hier blijven leven. De Minang-Kabauer zegt van het Matriarchaat, dat het: niet barst als de aardkluit in zonnehitte, niet in den regen weg rot als hout...

[p. 117]

Men zoû bijna geneigd zijn, al deze voordeelen beschouwende, te verlangen, dat de geheele wereld één Matriarchaat ware...

 

De toerist waardeert in allen gevalle de sierlijke lijnen ervan. De welvaart, die het bestaan verzekert tusschen sawah en familie-huis. Wat doen zij echter méér in de wereld, deze zelfgenoegzame menschen? vroeg ik mij af, toen wij den Toeangkoe verlieten en het fijne knaapske, wien ik een kushand toe wierp, mij aller-sierlijkst die kushand terug zond. Ik weet niet wat zij méér doen. Zij hebben de eindelooze perkara's en groeien daarin, te midden der familie-raden. Poog eens een stuk grond te koopen van een Minang-Kabausche soekoe (vereeniging van verwante families in verderen graad). De familie-raad met priesters en panghoeloe's zal zich dan vereenigen op het stuk grond in kwestie, er neêr zitten in ruimen kring en er beraadslagen tot de zon zinkt. Of de beraadslaging dan ten einde is en het bewuste stuk grond het uwe? Vermoedelijk niet. Een tweede koempoelan wordt uitgeschreven. En de perkara vervolgt tot in eindelooze verwikkeling van meanders.

 

Ik was niet van plan Minang-Kabauschen grond te koopen in de Padangsche Bovenlanden en ben dus ook niet blijven steken in de modder der perkara's. Als toerist waardeerde ik de huizen, de padi-schuurtjes als ge-illumineerde korven op paaltjes, het gouddoorweven kostuum der vrouwen. En als deze vrouwen ter passar gaan, zijn zij het weêr, die, niettegenstaande hare regeering in het sierlijke huis, de lasten dragen. En met welk een sierlijkheid steeds. Zie ze, de hooge korven, wiegelend, op het hoofd, en boven die korven nog een toedoeng of hoed de galangans1 der sawahs opgaan, stijgende, stijgende, zonder de handen zelfs te reiken naar hare vracht. Wat een sierlijkheid. Terwijl de mannen, achter haar loopende, niets dragen dan... een vogelkooi, rond, waarover een donkere lap hangt, met vier gouden eikels of

[p. 118]

kwastjes bezwaard aan de vier punten. In de kooi schuilt des mans innig geliefde vechtvogel, dien hij straks met eens anderen vogel in het strijdperk brengt. Of zijn vechthaan draagt hij in de armen en de haan, door de warmte der menschelijke handen versuft, ligt slap tegen zijns meesters borst.

 

Elf dagen zijn wij in Fort-de-Kock geweest en iederen dag was de auto-toer tusschen de bergen, even de helling van de Merapi op, tusschen Singalang's bruidssluiers door, eene wondere schoonheid, een betoovering voor de bewonderende zinnen. O, wat zagen vooral wij de rijstvelden mooi! Zij spiegelen ijl reeds beplant of voller de halmen reeds uitgedijd, met liquide treden en trappen, met sierlijk uitgebogen trapterrassen, de immense wolkenmassa's weêr, terwijl de witte reigers daar staan op steltpoot of zweven, de kronkelnekken gerekt. Uit de bibit1-velden - de velden, die dicht geplant staan met het opgeschoten zaad - plukken de vrouwen en kinderen vooral de bosjes teêre halmen en planten die in vrome gedachte aan de godheden der Padi, wie offer gebracht is, met ééne wijze vingerbeweging in de vette, spiegelend overstroomde aarde. Dan staat daar het ijl beplante veld zoo vochtig en spiegelend en vroom en gewijd en vlak bij liggen de velden, die reeds eerder werden beplant en waar de padi reeds zwaar en welig groen opschoot, en ook vlak bij liggen de velden, die nog van onkruid wemelen en die morgen geploegd zullen worden. Zie, langs die rijen fijne, vroom uitgezette, ingeplante padi-plantjes de karbouw de egge trekken. Het is of het groote beest voelt, dat deze de kostbare Rijst geven, het gewijde voedsel der menschen. De zware pooten trekt het in en uit het water en de vette aarde en de tanden der egge gaan juist langs de plantjes door en de karbouwe-pooten vertreden ook niet één enkel teêr halm-pje. Dit is van mensch en dier als eeredienst en dit landbedrijf is zoo roerend als een gebed. Wil dan ook letten op de kleine bamboe-huisjes op stijlen, met dakjes, die midden in de sawah-velden

[p. 119]

staan, soms onder één palm, die, scheefgegroeid, den langen stam weêr omhoog rekt in het water en zijn kroon naar de lucht toe reikt. Of ook wel bij een boschje pisangboomen. Van uit die hutjes gaan allerlei lijnen de rijstvelden over en aan die lijnen hangen zwarte vezel-kwasten, lapjes, blikkerende dingen, lange slierten van bladeren en wat dies meer zij. De rijstediefjes, de lieve roovertjes, fladderen bij vluchten om over de rijpende padi. Maar de kinderen, meisjes en jongens, levende vogelverschrikkertjes, zitten te waken in de open hutjes en trekken de lijnen of doen ze wiegelen, heen en weêr. En al de kwastjes en lappen en blikken plaatjes en bladerslierten bewegen in rhythme over de rijstvelden heen en de rijstdiefjes, de lieve roovertjes, fladderen weêr om en om, terwijl de kinderen schimpen en zingen, ze weg schimpen, ze weg zingen, met schelle uitroepjes ze weg jagen, de roovertjes, wie de rijpende rijstkorrelen lokken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat.