Oostwaarts (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Gerard Nijenhuis)


auteur: Louis Couperus


editeur: H.T.M. van Vliet, Jan Robert en


bron: Louis Couperus, Oostwaarts (eds. H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Gerard Nijenhuis). Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen 1992


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 120]

III Java en Bali

1

Toen wij van Fort-de-Kock, waar wij elf dagen hadden doorgebracht en iederen morgen een belangwekkenden toer konden doen, door de Aneï-kloof, langs den waterval, getuft waren naar Padang, was de monumentale toer: ‘Dwars door Sumatra’ ten einde. Met leedwezen zagen wij de laatste Minang-Kabausche huizen met de zijpunten der daken, met de kleurig versierde wanden en padi-schuren tusschen het groen van kokos, bamboe, pisang verdwijnen. Het was alweder voorbij, die schoonheid... Geheel de grootschheid en majesteit van Sumatra lag al weêr, na die enkele weken - ik was juist vijf weken in Sumatra - achter ons... Was het een droom geweest of was het meer? In alle geval bleef de herinnering, zal zeker de herinnering blijven onvergetelijk, voor geheel mijn verder leven diep geprent in mijn heugenis.

 

Intusschen zoû ik wel den aspirant-toerist-naar-Sumatra willen raden: wilt ge dezen toer eveneens maken, zoo haast u en maak spoed. Want wij hebben juist nog de laatste schaduw der Minang-Kabausche schoonheid gezien en over vijfjaar, vermoed ik, is dat alles weg, zijn al die mooie, matriarchale huizen van geschilderd en gesneden hout verdwenen. Waarom ik mij aan die voorspelling waag? Eenvoudig-weg omdat reeds sedert enkele jaren het dak van atap - vezel of bladbedekking - hier en daar is verdrongen door een dak van gegalvanizeerd dakijzer. Deze verschrikkelijk-

[p. *1]



illustratie

Los-laadsteiger kolendepôt te Sabang




illustratie
Winkelwijk Medan


[p. *2]



illustratie

Caisson-bewapening, havenwerken te Belawan




illustratie
Hôtel Brastagi


[p. *3]



illustratie

Bataksche kampong




illustratie
Bataksche kampong


[p. *4]



illustratie

Bataksche vrouwen met hoofdsieraad


[p. *5]



illustratie

Fermenteerschuur tabak




illustratie
Wajang Wong voor de koelies van een tabaksonderneming


[p. *6]



illustratie

Toba-meer




illustratie
Schrijver met mevr. Westenenk aan het Toba-meer


[p. *7]



illustratie

Minang-Kabausche jong gehuwde vrouw met eigenaardigen hoofddoek


[p. *8]



illustratie

Rijstschuurtjes Padangsche Bovenlanden


[p. *9]



illustratie

Padangsche Bovenlanden met oude adat-huizen




illustratie
's Lands Plantentuin Buitenzorg


[p. *10]



illustratie

Soendaneesche batikster


[p. *11]



illustratie

Theesorteering




illustratie
Krater Papandajan


[p. *12]



illustratie

Rijstcultuur




illustratie
Sawah's


[p. *13]



illustratie

De karbouw




illustratie
Soendaneesche batikster


[p. *14]



illustratie

Visch-vijvers van Tjipanas


[p. *15]



illustratie

De Boroboedoer




illustratie
Galerij van de Boroboedoer


[p. *16]



illustratie

Het nymphen-bad bij Tosari


[p. *17]



illustratie

Bromo


[p. *18]



illustratie

De Bromo met zandzee




illustratie
Balische danseressen


[p. *19]



illustratie

Balische meisjes op een offerfeest


[p. *20]



illustratie

Het meer van Batoer (Bali)




illustratie
Voorbereidselen voor de lijken-verbranding (Bali)


[p. *21]



illustratie

Tempel Batoer (Bali)


[p. *22]



illustratie

Goesti Bagoes mee vrouw en dochter


[p. *23]



illustratie

Poera Batoer (Bali)


[p. *24]



illustratie

Vleêrmuizengrot op weg naar Karang-Asem (Bali)


[p. 121]

heid, deze monsterachtigheid duikt hier en daar telkens op tusschen heilige kokos en bamboe! Nog erger: werden wij hier en daar bij de vijvers met heilige visschen - vertelde ik u reeds, dat die dikwijls betooverde kindertjes zijn? - gestemd door een aardig moskeetje, zich spiegelend in den vierkanten plas, elders konden wij niet anders dan geschokt worden tot wee wordens toe door de, uit eén stuk bestelde, moskeeën, geheele moskeeën van gegalvanizeerd ijzeren platen! De muren, het zijlings puntige dak, het was één ijzeren onding, heel solide, vermoed ik, en ovenwarm en daarbij van een barbarisme en een gedrochtelijkheid, die deed afvragen: was dit niet tegen te gaan?? Kon het Binnenlandsch Bestuur der streken, waar deze afschuwelijkheid ons trof, niet zijn invloed hebben uitgeoefend opdat de Minang-Kabauer er bleef bouwen op de aartsmoederlijke wijze, die hij reeds sedert vrome eeuwen gevolgd had? Het schijnt van niet. De ‘industrie’ heeft gezegevierd over de primitieve manier. Gegalvanizeerd ijzer zegeviert!

 

Haast u dus, aspirant-toerist. De mooie huizen vervallen reeds, verdwijnen iederen dag, worden zij nog wel eens opgebouwd in den zelfden adat-trant, dan zijn zij toch... met ripolin al versierd, en nogmaals voorspel ik u: over vijfjaren zullen àlle huizen, àlle moskeeën in de Padangsche Bovenlanden opnieuw gebouwd zijn met gegolfde, ijzeren platen en zal het zacht kleurige huisje en de juweelen schrijn van een padi-schuur tot het verleden behooren...

Ik wil die afschuwelijkheden vergeten als een nachtmerrie.

Ik zoû hier, dankbaar zoowel voor de Haagsche Post als voor mijzelven, nogmaals willen verklaren hoe bizonder beminnelijk en gastvrij alle autoriteiten en notabelen, ambtenaren en planters geweest zijn voor den, steeds te vlug doortrekkenden, reiziger-in-indrukken. Bijna steeds was er een zekere weemoed in het afscheid en toch, hoe kort duurde meestal het bezoek. Vrienden van Sumatra, ik roep u nogmaals mijn ontroerden dank toe.

 

Niet het minst weemoedig was het afscheid van... onze beide

[p. 122]

chauffeurs, Tahir en Imân. Die laatste dagen toerden zij nog met ons Padang door, dat aardige, ouderwetsch-Indische, in breede, groene lanen verscholen stadje, zeer typisch, met de lage, schaduwvolle, wit gepilaarde huizen in de dicht gebladerde tuinen. Wij toerden den haven langs, naar den vuurtoren, en bewonderden de bochten der groene kusten, terwijl vele apen over den weg heen dartelden en, zeer licht grijs, met allerliefst verstandige apetronies ons aanstaarden van uit de boomen. Er is een bepaalde Apenberg te Padang, maar wij vergenoegden ons met de apen, die bij toeval langs onzen weg kwamen: er waren er werkelijk genoeg; nog meer apen waren misschien maar lastig geworden!

 

Tahir en Imân wilden met ons mede gaan, naar Batavia. Zij waren beiden van Java en kregen heimwee, toen wij onze plaatsen bespraken op de ‘Willis’ van de Rotterdamsche Lloyd. ‘We koopen een auto in Batavia’, ried Imân, die de spontaanste was naast Tahir, meer gesloten van ziel en karakter. ‘En na de reis van Toean Besar en de Njonja Besar door Java, verkoopen we de auto met een klein verlies.’

Zoo ried Imân. De ‘groote meneer’ en ‘groote mevrouw’ waren wij. Het is een titel van troost, geloof ik, die je gegeven wordt na een zekeren leeftijd, ten minste als je je eerste jeugd voorbij bent.

Ik bracht Imân echter onder het oog, dat zulk een transactie - een auto koopen en na drie maanden verkoopen - vroeger, vóór de malaise, misschien wel te doen ware geweest, maar dat ik haar nu wat onvoorzichtig vond. En ik klopte onze beste chauffeurs, aan wier kunst een maand lang onze levens soms hadden afgehangen als aan enkele zijden draadjes, op de schouders en... wij gingen aan boord van de ‘Willis’ en wuifden nog voor het laatst onze kleine Essex en de brave jongens toe.

 

Ook dat was alweêr gedaan. Nu spoedt het reizende leven voort, van dag op dag... Hoe mooi waren in ondergaande zon de roodbruine zee-arenden, die rond cirkelden, tuk op vischbuit, boven

[p. 123]

de wateren van Padangs haven. Telkens lichtte het karmijn en goudbruin der wieken op. Naakte, bruine jongens doken naar stuivers precies als in Port-Saïd of Colombo. Twee dagen en nachten langs Sumatra's kust en de golvende lijn van Benkoelen. In den vroegsten morgen trof mij Krakatau, in tweeën gebarsten, het eiland van vuurrazernij, en de twee rotsen zoo kalm rozig opstekende in ochtendatmosfeer of nooit razernij ware uitgebarsten.

 

Tandjong-Priok. Geen schoonheid van aankomst, maar lieve gezichten van verwanten en vrienden, die ons komen afhalen, trots de brandende zon. Het is vreemd hoe gevoelig je daar aan bent, als je met een boot ergens arriveert. Aan een station, waarachtig, word ik liever maar nooit afgehaald, maar van een boot alleen en onverwelkomd aan wal te stappen...

Ze waren er, de lieve menschen. Ze namen ons meê en we waren spoedig in Batavia in het Hôtel des Indes, in Weltevreden!

O, oude souvenirs! Wat moet ge nu van mij? Ik was immers hier reeds twintig jaren geleden en werd ik toen zoo overstelpt door mijn kindersouvenirs als nu? Het is vreemd, maar ik bleef toen koeler. Was er dan toen minder veranderd?

‘Ge zult Indië wel héél veranderd vinden.’ Dit is de algemeene voorspelling. Ja, het is waar, Indië - ik moet nu spreken van Java - is wel zeer veranderd en meer dan ik het twintig jaar her vond veranderd. Indië is wel zéér veranderd.

De mentaliteit van den Inlander, moet ik deze vergelijken met des Inlanders mentaliteit van vroeger? Het optreden van den Hollander van heden ten dage, moet ik dat vergelijken met zijn optreden van vroeger? Moet ik u een bioscoop beschrijven, die stampvol met inlanders zit? (Schrijf zelf met hoofdletter of zonder, zooals ge wilt.) Of moet ik u een zitting van den Volksraad in beeld brengen en u een paar silhouetten van parlementaire Regenten teekenen?

Het is best mogelijk, dat ik dit alles doe of... niet doe. Gelukkig ben ik vrij, ik, reiziger-in-indrukken, dien ge au serieux kunt

[p. 124]

nemen of niet, om mijn indrukken voor te leggen naar alle grillen van mijn ontvankelijkheid en de wedergave van die.

Zoo ik u dus heden verzeker, met alle anderen: Indië, Java, Batavia - want verder zijn wij nog niet - is wel zeer veranderd, dan bewijst dit op dit oogenblik niet meer dan dat ik mij met een sentimenteelen weemoed herinner de stad mijner jongensjaren...

Mag ik haar even oproepen? Vergunt ge het mij of vindt ge, dat ik daarvoor zoo ver niet behoefde te reizen? Laat mij u dan zeggen, dat juist, door het heden, dat mij nu in Batavia en Weltevreden omringt, ik het verleden intenser zie en voel...

 

Het was vermoedelijk ook niet ideaal, evenmin als het heden. Maar ik was een kind, geboren in Holland, maar met Indische tradities in geest en gemoed.

Ik was tien jaar toen ik Weltevreden zag voor het eerst. Knapejaren en schooltijd. Wij speelden geen ‘football’ maar... ‘baar’, een oorlogsspelletje met een vlaggetje, dat de vlugst loopende moest zien te veroveren. Wij wisten van geen flets en geen tennis, maar wij waren wel allen verliefd op de meisjes, die school-gingen in haar witte ‘baadjes’. Een los wit jurkje met een nauw om den hals sluitend kraagje. Wij waren soms vreeslijk verliefd. De zon stoofde ons jonge bloed, dat te borrelen begon...

Wat heeft dit met Batavia te maken, nu en toen? Niet veel. Vergun mij echter, vergun mij een klein beetje in de vroegere souvenirs rond te dazen.

De lieve meisjes woonden in de mooie huizen, op Koningsplein en omringende notabele buurten. In bijna ieder huis woonden er een of twee. Nu zie ik al die huizen weer en je lacht om die souvenirtjes.

Batavia, Weltevreden. Vroeger scheen het mij toe - als ik mijn knape-souvenirs mag vertrouwen - een voorname, lieve, witte, koloniale hoofdplaats en rezidentie. De huizen waren wel niet van architecturale schoonheid maar ze waren door onze grootouders en hun ouders gebouwd praktisch en luchtig, laag en wit, ruim en koel, op groote erven, met groote boomen, wier schaduwen een

[p. 125]

typisch contrast gaven met den zonneval buiten schaduw. Langs de breede lanen ging niet één enkele auto, maar gingen wel de mooie landauers van de ‘families’ der lieve jonge meisjes, en Lili, Toetie, Nonnie toerden er met pa en ma het Koningsplein om, op den statigen tred der Preanger-paarden. Terwijl de koetsier, een galonhoed op zijn hoofddoek, rustig den toertred der twee rossen hield in bedwang. En twee staljongens, in lange ‘badjoe’-des Zondags was de liverei iets meer Europeesch - ieder met zijn vliegekwast in de hand, op een trede stonden, achter op den landauer. En bij iederen wegebocht van hun trede afsprongen, om links en rechts, de kwast in de hand, de statige zwenking der impozante equipage te geleiden. De lieve meisjes wuifden elkander, passeerende, heel lang met het zakdoekje tegen, en je herinnerde je, dat je des avonds zoû gaan dansen, daar en daar, met Toeti en Lili en Non.

 

Des Zondags was er muziek op het Waterloo-plein bij de Zuil van den Leeuw van Waterloo, een goedig hondje op een pilaar. Het Gouvernements-gebouw en de officiershuizen in het vierkant om het plein. En de mooie, statige equipages van de ‘families’ van Koningsplein, Kramat, Menteng, Tanabang, Molenvliet, Rijswijk en Goenoeng-Sari, rolden statiglijk aan en de koetsiers en staljongens droegen hun fijnste hoeden en badjoes en hielden de Zondagsche vliegekwasten ter hand. Het was voor je het elegante moment van de week, ik meen overdag, want er was ook avond-muziek in Harmonie (Soos) en Concordia (militaire idem) maar daar gingen je oudere zusters heen en Lili, Toetie en Nonnie zouden daar eerst over een poosje komen, als ze rozeknoppen waren van zestien zomers: nu waren zij nog maar schoolmeisjes... dàn waren ze in eens ge-engageerd, terwijl jijzelve nog maar een jog was.

 

Wat moet ik nu met die malle souvenirs? U vertellen, dat ik de lieve meisjes niet meer zie? Maar dat ligt immers alleen aan mij. U verzekeren, dat er geen mondain muziekmoment op het Water-

[p. 126]

looplein meer is? Maar er zijn immers de volle bioscopen. U zeggen, dat geen statige equipage meer komt aanrollen? Maar auto's dreunen razende in volle vaart door stof of, in regenmoesson, door modder! En ik zit immers zelf in een auto en kan niet klagen over wat mij zoo vlug ergens heen brengt! Er over zaniken, dat de mooie huizen van vroeger bijna alle hôtel-dépendance, ‘zaak’ of wat dies meer zijn, vervallen, kalkeloos, verfeloos, en met leelijke opschriften ontsierd? Neen, ik wil hier heusch niet meer over zeuren, maar...

Maar... daar herken ik, op den hoek van het Koningsplein en een ‘gang’ (zijstraat) het eigen ouderlijke huis van vroeger! Het lieve, mooie, witte huis van vroeger, en het staat daar verfeloos, kalkeloos, vervallen en ik wil niet zien wat het geworden is nu na (niet twintig maar) bijna vijftig jaren! Ik heb alleen even mijn keel voelen geknepen worden. En toen heb ik weêr gelachen, omdat Batavia toch eigenlijk wel... een moderne, welvarende stad is, met veel auto's, vele opschriften, veel nieuwe benauwde, nauwe huizen zonder een ‘erf’, bijna zonder een tuin...

En natuurlijk met heel veel lieve, jonge Toetie's en Nonnie's, die alle jeugdige footballers en gymnaziasten wel zullen weten te wonen en weten te vinden op de Zondagsche soirées-dansantes in het Hôtel des Indes.

2

Kom, laat ons toegevend zijn. Het uitzicht der steden verandert in der jaren loop en het doet dit overal. Rome en Florence wijzigden op democratische wijze hunne antieke voornaamheid; Den Haag offerde aan nieuwen tijdgeest Lange Voorhout en Vijverberg; op het Koningsplein van Batavia, vroeger het stijlvolle, vierkante grasplein, de immense aloon-aloon, waar ter Zuidzijde, bij helder weêr, Salak en Gedeh blauwende zich afschetsten tegen de lucht, verrees een hôtel, een race-baan, een fuifpark en bedierven wat eenmaal statig en voornaam was van lijnen... Laat ons toegevend zijn, evenals Salak en Gedeh, die nog, bij helder weêr, blauwen.

[p. 127]

En dus niet te veel onderschrappen, dat ik Batavia... de vervallen hoofdplaats van Nederlandsch-Indië vind.

Misschien vergis ik mij ook wel en heeft Lord Northcliffe gelijk, die het tegendeel schijnt opgemerkt te hebben, ten minste gezegd. Maar hij had immers geen kindersouvenirs, die hem bedrongen!

 

Zachtkens aan, liggend op mijn langen stoel in de eigen galerij mijner kamers in het Hôtel des Indes, kan ik toch niet ze heelemaal verjagen...

Veertig jaren geleden... logeerde ik ook in het Hôtel des Indes. Wel, Henri Borel heeft gelijk gehad met te beweren, dat een der twee oude waringins onrecht is aangedaan, toen men hem een deel zijner stammen en luchtwortels ontnam, omdat er een overdekte dansvloer gesticht moest worden. Maar heeft men, als de wijze waringin zelve, dit onrecht vergeven, vergeten, dan wil ik wel bekennen, dat dit oud-naamsche en oud-faamsche hôtel een prettigen, modernen indruk maakt. Vooral als men logeert op de eerste verdieping van den nieuwen linkschen vleugel. Een verdieping hoog, is men niet zoo veilig voor een aardbeving maar wel veiliger voor muskieten. Deze appartementen zijn zeer ruim en gerieflijk en in één er van kunt ge met u beiden logeeren of... met drie, vier uwer spruiten. Ruimte in deze warme stad is een vereischte en de nieuwe bouworde der moderne huizen en huisjes te Gondangdia, de nieuwe wijk, hield daar geen rekening mede. Des te meer hulde aan dit hôtel, dat men hier ademen kan en zich bewegen in zijne kamers, tusschen zijn koffers, of droomend kan turen in de kruinen van tamarinde en ficus en waringin terwijl beneden u, daarginds in het verschiet, de dansmuziek fiedelt en vedelt.

 

Wat ook in dit hôtel is te roemen is... de rijsttafel, die er naast een Europeesch lunch naar keuze wordt gediend. En nu ben ik blij het een oogenblik te kunnen hebben over de Indische rijsttafel.

Er is in Indië een neiging het geheele leven te vereuropeanizee-

[p. 128]

ren. Deze neiging is gekomen uit Singapore, over Medan - de frissche planterstad, die eigenlijk weinig ‘Indiesch’ is - en heeft zich in de laatste jaren zeer uitgebreid over Sumatra en Java. Onder deze vereuropeanizeering behoort vooral de bijna algeheele afschaffing van de rijsttafel. Was de rijsttafel vroeger algemeen het ge-ijkte lunch, in de laatste tien, vijftien jaren - wie is er meê begonnen?! - is het mode geworden op de rijsttafel neêr te zien als onhygiëniesch en ‘Indiesch’! In de hôtels te Sumatra krijgt ge dus op lunchtijd een noenmaal, dat dikwijls bestaat uit erwtensoep, ‘hochepot’ (sic), boeuf-braisé, worst met boerenkool en kabinet-pudding. ‘Spreek me niet van rijsttafel!’ werd mij verzekerd. ‘Die schaffen wij af! Het eenige middel om niet “Indiesch” te worden!’

Ik vond dien schrik wel komisch. Om niet Indiesch te worden, niet te zwaar, niet te loom, niet te lui, schaft de Europeaan de gepimenteerde rijsttafel af en eischt... een lunch, dat hij nergens in het vaderland krijgt, zoo zwaar en wintersch, dat het hem smaken zoû als hij een paar uur had schaatsen gereden. Hij eet met dit menu twee zware diners per dag. Het vleesch was nooit fameus in Indië. Men at een gebraad éénmaal per dag, aan het diner, maar aan de rijsttafel was het nu niet zoo heel malsche vleesch gecamoufleerd door een pittige toebereiding. En nu wilde ik dit alleen maar zeggen: dat ik deze afschaffing van de rijsttafel in de hôtels en in de meeste particuliere huizen een fout noem in de levenswijze en tègen het klimaat, die groote vijand van den Europeaan in Indië. De Europeaan heeft de rijsttafel, wil hij gezond blijven, beslist noodig, ik zoû zeggen broodnoodig, rijstnoodig. De sterk gekruide toespijzen zijn, met mate en etenskunst genuttigd, niet anders dan nuttig voor digestie en anderszins; trouwens, de inboorling had ze anders ook niet uitgevonden. En wie zegt, dat hij de rijsttafel uit den booze vindt, wed ik - om een lief ding - kan de rijsttafel niet eten. Want er zijn vele Hollanders, al jaren lang in Indië, die de rijsttafel... niet eten kunnen. Zij zijn het, die stapelen rijst, groente- en vleeschgerechten, sambals ordeloos op hun bord en maken er een olla-podrida van. Het smaakt tòch nog... evenals

[p. 129]

nassi-goreng lekker is - de gebakken rijst. Maar het is op uw bord, zoo alles door elkander gehutst, een indigeste, smaak-verwarrende en onesthetische rommel, waarvan zelfs het aanzicht afstuit. Wie zoo rijst eet zal op den duur niet gezond blijven en zich de rijsttafel tegen eten... Terwijl hij risqueert, dat, als hij een knappe kokkie heeft, deze bij zich zelve denkt: ‘Wat heb ik zooveel moeite te doen met mijn boemboe (kruiden) te mengen en te bereiden als mijn toean die fijne smaken in zoo groot verschil toch maar op zijn bord door elkander mengt?’

 

Rijsttafel te eten en te genieten is een kunst. Men neme niet te veel rijst in eens (bijvullen is ge-oorloofd). Men kieze uit de veelheid der gerechten - hoe aardig gaat in het Hôtel des Indes de drom der Inlandsche bedienden, de een achter den ander, op een rij met die vele gerechten rond! Men houde zijn rijst zelve zoo lang mogelijk wit en maagdelijk. In een kop neme men zijn sajoer of groente-saus. Op een bij-bord schikke men het palet uit de gekozene gerechten. De verschillende, soms zeer gepimenteerde sambals neme men in kleine hoeveelheid - pas op voor de sambaloelek, louter Spaansche peper! - en houde ze op den rand van uw bord vooral goed uit elkaâr. Bij elke hap rijst - ge eet uw rijst met lepel en vork - kiest ge iets van kip, vleesch of visch, begeleid door één der sambals. Iedere hap rijst is een nieuwe combinatie. Ge wisselt ze af, die combinaties. Ge wisselt ze af, uw hapjes rijst, waardoor, als ge goèd eet, elk hapje anders smaakt. Wat een rijkdom, die u nooit verveelt! En ge eet vooral met maat, vooral niet te veel en vooral niet als een Barbaar, die bij voorbeeld, in een restaurant, Sôle à la Meunière, tournedos en pêche-Melba op zijn bord dooreen zoû smijten en meenen goed te doen, door zoo zijn maal te nuttigen.

 

Dat de rijsttafel slechts op een bord en wel een soepbord wordt genuttigd - al heeft men een sajoerkommetje en bij-bord naast zich - is misschien af te keuren: men bedenke dat de Inlander, die met zijn vinger eet, gemakkelijker de juiste combinaties weet te

[p. 130]

kiezen, dan wij binnen den bekrompen cirkel van ons diep bord. Maar eenmaal dit Westersche ‘bord’ (in steê van het Oostersche pisang-blad) aangenomen, vulle men het niet ordeloos, stapele men het niet vol, eere men vooral smaak, maat en keuze bij dezen maaltijd, die, ik herhaal het, matig genuttigd, eerder een zweepslag is voor het Europeesche bloed dan erwtensoep en worst met boerenkool hier kunnen zijn. Vreemde tegenstelling: en toch eet de Europeaan hier zwaren winterkost gaarne: kan het zijn uit heimwee naar zijn vaderland?

 

Wij zullen nu een week in Weltevreden blijven, en om de zoetbittere kindersouvenirs lachen wij alweêr! Wij rusten wat uit van het drukke leven in Sumatra, van den grooten toer dwars door Sumatra en onze dagverdeeling is er niet anders dan die van iedereen.

Wie is ‘iedereen’ in Indië? ‘Iedereen’ is handelsman, ambtenaar of planter. Den planter beschouwden wij reeds in Deli en zijne dagverdeeling is daar wel eene aparte. Vroeg op, werkt hij den geheelen morgen, luncht zeer vroeg, rust even en tijgt weêr aan het werk. Dagverdeeling van ambtenaar en handelsman zijn misschien met elkaâr te vergelijken, hoewel beiden toch verschillende schakeering vertoonen.

Maar het vroege dagbegin is gelijk voor allen. Ja, om zes uur is eigenlijk iedereen op. Het is het uur van het kopje koffie... het traditioneele kopje koffie. Hebt ge uw deur - in hôtel of eigen huis - open gemaakt, dan komt de ‘jongos’ - de ‘jongen’, bediende; ik heb het land aan dat leelijke, verbasterde woord - dadelijk aan met het kopje koffie. Ge smacht er naar. Het is koffie-extract, vrij sterk meestal, en kokende melk, ten minste de melk behoort kokend te zijn, maar waar weet men in hôtels wat ‘kokend’ is, ik meen voor thee-water of Indische koffie-melk? Enfin, de koffie smaakt u. Het is een uur van vroegen morgen, dat een voorbereiding is voor den dag. Men neemt dan zijn bad en ge weet misschien niet allen hoe dit bad wordt genomen. Slechts zéér zelden treft men in Indië de badkuip aan en het warme bad, hoe-

[p. 131]

zeer men denken zoû, dat dit een behoefte is in een land waar men veel transpireert. Neen, het bad in Indië is het siram-bad.

 

‘Siram’ is: zich begieten. Een meer of minder elegant vierkant reservoir is boordevol gevuld met water van de waterleiding, nu uit een kraan, eertijds vaak primitief-weg uit de bijzijnde put. Vergis u als ‘baar’ niet en denk niet, dat ge u in dit reservoir als in een klein zwembad kunt gaan dompelen! Ge zoudt de grootste ‘gaffe’ maken en het water voor wie na u komt, hebben bezoedeld. Neen, op den rand van het reservoir vindt ge de ‘gajong’ staan, een hand-emmertje met een houten handvat dwars er boven in bevestigd. Met deze ‘gajong’, die ge telkens vult uit het reservoir, begiet ge u, na u ingezeept te hebben, staande. Ge geniet van het meer of mindere koele water en uw bad is ten einde.

Ik kan niet zeggen, dat ik met dit ‘siram’ -bad dweep als met de rijsttafel. Huldigde ik de laatste, het eerste doet mij steeds badkuip en ‘plenty supply of hot water’ missen. Ik vind het zeer curieus, dat in de vereuropeanizeering van het Indische leven een warm bad en een badkuip nog steeds zéér zelden aangetroffene uitzonderingen zijn. En ik weet van Engelschen en Amerikanen, dat het primitieve ‘siram’ -bad - er is wel eens een koude douche bij - hen weêrhoudt Indië te bereizen.

 

Het uur van het ontbijt is acht uur of daaromtrent. Het ontbijt is meestal vrij gecompliceerd; tusschen havermout en een schotel koud vleesch verschijnen op den disch alle denkbare gradaties van kaas, jam, etc. Is een luchtig Fransch ontbijt niet hygiënischer? Het Indiesch ontbijt is bijna een Engelsch ontbijt.

Aan het werk, aan het werk! Naar de Oude Stad, naar de kantoren. Handelsmannen en ambtenaren werken. Zij werken hard; zij werken heel hard. De telefoon staat niet stil, de paperassen stapelen zich. Daar ginds werkt ook de planter hard, maar zijn werk is vaak voor de spieren een sport; handelsman en ambtenaar werken met de hersenen. In een land, dat de goden slechts schiepen om vroom en klein te zijn aan de machtige Natuur, werkt de

[p. 132]

Europeaan tot het einde zijner krachten toe. Geld, carrière. Geld voor den handelsman, carrière voor den ambtenaar. Fortuin voor den een, promotie voor den andere, die weet, dat hij op geld niet te rekenen heeft.

 

De harde werkers, vermoedelijk, schaften de rijsttafel af: zij aten er te véél van en dronken er te véél bier bij en vielen om van loomheid daarna. Zij lunchen nu snel en werken weêr.

Ik geloof, dat de meeste handelslui eerder naar huis gaan dan vele ambtenaren. Maar meestal allen komen thuis in den avond. Zij zijn moê en pogen te rusten. De schemering, - o zeker, het schemert in Indië en ik vind de weemoedige schemering steeds lang genoeg, hoe innig droef ook soms van doordringende poëzie - is het uur van rust.

Een tweede bad wordt genomen. De moede Europeaan zweept zich op, kleedt zich, hoewel in wit, iets Europeescher: er is de soos, er zijn de visites, tegenwoordig gaat men zelfs bij elkaâr afternoon-tea drinken. Er zijn de bioscopen! Er is een diner, er is bridge. De Europeaan poogt àlles van Indië te vergeten. Als hij verstandig is, rekt hij niet te lang den avond. Morgen moet hij weêr om zes uur op. Maar hadt ge wel eens gehoord van siësta, niet waar, van siësta na de rijsttafel? O, ik vergat u te zeggen, dat de siësta, evenals de rijsttafel, is afgeschaft, ten minste officieel: wie bij toeval een oogenblik na het lunch in slaap valt, die komt daar liever niet voor uit. Gedurende de vroegere siësta-uren... werkt men en ik zelve, als ik werk, werk ik dàn...

3

Het is de tijd der regens. Zij stroomen met epische krachten den hemel uit; het zijn witte stortvloeden, die dalen loodrecht met waterschichten neêr tusschen de duikende huizen, tusschen de dadelijk doorzeefde boomen. Batavia ligt gebaad in regen en modder. Er is geen zon, er is geen licht. Het is zoo vreemd, dit twijfelachtige, grijsgrauwe daggeschemer in dit land, dat gij u

[p. 133]

voorstelt der zon gewijd. Het regent soms een dag, soms uren. Maar geen licht breekt door en om vier uur is het donker. In de kamers en midden-galerijen brandt reeds heel vroeg, zoo niet den geheelen dag, het licht en in voor- en achtergalerijen voelt alles vochtig aan. Soms verheft zich een hevige wind en waait door galerijen en kamers heen (ruiten ontbreken vaak).

 

Ge kunt meer of minder ontvankelijk zijn voor temperatuur-stemming, maar minstens ‘ongezellig’ zult ge dit regenmoesson-weêr zeker wel mogen vinden. Ongezellig, dan nog zwoel, broeïerig, doch wel eens opgefrischt door den plotsen wind. Menschen, lang in Indië, beminnen dien wind. Zij ademen er in op; zij zitten er in, dun gekleed; zij drinken er thee in; soupeeren er in; spelen bridge er in; de kaarten waaien bijna weg. Wie pas uit Europa komt, doet beter op te passen voor deze overmacht van den wind binnenshuis. De wind maakt deel uit van... het klimaat, dat den Europeaan vijandig is. Het klimaat, dat op hem loert. Hij moet ook akklimatizeeren; hij moet zich wennen aan warmte, zwoelte, veel transpireeren, vochten wind te ontvangen op zijn eigen vochte lijf; hij krijgt koorts en min of meer lichte ingewandsaandoeningen...

 

Nu hooren wij zoo hier en daar van onze reisgenooten-vanboord. Die heeft vijfdaagsche koorts, die heeft tyfus; die heeft een ooraandoening; die is weêr op, die ligt juist neêr, die is licht ziek, die vrij zwaar... De vijand heeft hen allen even beet, en als zij den vijand overwonnen hebben, zal het parool zijn: oppassen. Het is niet voldoende inge-ent te zijn tegen tyfus, cholera, pokken, en te hopen dat pest op een Europeesch hygiëniesch onderhouden lichaam geen vat heeft. Het is niet voldoende geen gewoon water te drinken, geen visch of slâ te eten. Het is raadzaam u iederen dag te observeeren en voor een fyzieke stoornis, die ge in Europa niet tellen zoudt, liever maar niet te dralen den dokter te roepen.

 

Eenige moedeloosheid, regen, wind, geen zon, geen daglicht

[p. 134]

zelfs, een algemeene zoeking naar nieuwe levensdingen, uit dit alles was zoo ongeveer de atmosfeer samen-geweven, die mij omringde de acht dagen die ik te Batavia bleef. Dan werk je, probeer je zelfs véél te werken, zooals iedereen hier hard werkt. En je maakt je koffers eens open, je pakt over, je ziet hoe je Europeesche kleêren er uit zien, en je hebt zelfs bont meê en een hoogen hoed! Want je gaat naar China en Japan!

De koffers worden ge-opend. Het is geen surprise voor ons: wij kénnen dat wel, het een beetje troostelooze van koffers, die in tropische regenatmosfeer na enkele weken gesloten te zijn geweest, weêr geopend worden. De zorgzame vingeren van ‘djaït’ - djaït beteekent ‘naaister’ en in dit speciale geval de lijfmeid - ouderwetsch woord, geloof ik - mijner vrouw, helpen meê uitpakken en ontplooien. Alles voelt vochtig aan, is verkreukeld. Je zoû zoo je laken en serge en flanellen pakken naar den kleêrmaker willen zenden om op te persen. De fijne weefselen van de garderobe van je echtgenoote komen zoo ongeveer als slappe, triestige lapjes te voorschijn. Geen nood, ze wist het immers en je bewondert haar heldenmoed nu ze niet al te wanhopig is: djaït zal alles wel opstrijken. ‘Strika, strika, djaït.’ Maar wat ook ‘gestrikaad’ is, is dezer dagen weêr... verkreukeld als je het één uur hebt gedragen.

 

Wij, Europeanen, zijn hier idioot. Wij moesten hier ons kleeden op geheel andere wijze. Onze industrie moest aparte tropische stoffen weven, zoowel voor gekleed als ongekleed, en wij moesten al ons ‘laken goed’ hier elimineeren en onze dames moesten hièr àndere élégances dragen dan in Londen, Parijs en Den Haag. En wit waschbaar goed en shantung is toch altijd maar het beste, maar het is... niet gekleed en als je gekleed bent, trek je je smoking aan of je rok, tenzij je durft een ‘eendestaartje’ - een mess-jacket - dragen op een zwarte broek.

 

Daar wandelt een kakkerlak uit je open koffer. ‘Gauw, djaït! Pak hem!’ Maar al wordt de kakkerlak meêdoogenloos vernietigd, hij

[p. 135]

heeft reeds ergens in uw koffer zijn onheil gesticht. En gaatjes geboord en zwarte stipjes achtergelaten. Schud alles uit om te zien of er kakkerlakken schuilen in uw koffers, tusschen uw goed. Dien éénen kakkerlak hebt gij niet uitgeschud. Eén kakkerlak, één, is genoeg om onheil te stichten, zult ge - meent uw pessimisme in deze lichtlooze regendagen - nóóit uitschudden uit uw jassen en tailors en bont voor China en Japan. Eén kakkerlak zult ge steeds meê voeren langs Hongkong, Shanghaï en Yokohama en zal het onheil stichten, dat ge eerst dan, als ge u weêr geheel Europeesch gaat dossen, zult bespeuren!

 

Nu het dezen avond niet regent voor enkele uren, zullen wij doen, wat iedereen doet, die een week te Batavia is. Wij zullen de oude stad gaan zien, ons herinneren Jan Pietersz. Coen, het kasteel Batavia, de energie onzer kooplieden-voorvaderen, geheel het ‘Westersch effort’ onzer stoere zeevaarders en mannen van de Compagnie. Zoo een vrome gedachte, ook maar één enkel uur gericht naar het Verleden, en naar de grootheid en kracht onzer vroegere eeuwen, troost je waarachtig in verfeloos, vervallen Batavia voor den kakkerlak, dien je nooit uitschudden zal uit je jaquet of uit de bonte pelerine van je vrouw.

 

De maan schijnt door vochtige wolk, nevel en damp. Wolk in den hemel, nevel over de stad, damp zwevende over de rivier. Een neef die zich wijdt aan oom en tante - ik heb nu eenmaal overal neven, en als ze kunnen, wijden ze zich werkelijk wel aan mij - neemt ons in zijn auto meê om de oude stad ons te toonen in maneschijn en parelen-nevel. Meestal haal je je vaderlandsche souvenirs op op een zonnigen morgen, maar als de zonnige morgens ontbreken, doe je het maar in maneschijn en parelen-nevel.

 

Langs de kali, de voorname Chineesche huizen langs - dan treft je Sirene-park, minderwaardige bioscoop of zoo iets, o God, o God, wat is onze eeuw in zijn populair vermaak in stomheid en verstomdheid radeloos verloren! - tuffen wij de Chineesche kamp

[p. 136]

door. De avond doezelt het leelijke, het vervallene weg en geeft een pittoreske illuzie. De gaarkeukentjes, met de olielichtjes, de interieurtjes, nauwelijks opgelicht. De bruggetjes over de grachten oud-Amsterdamsch nog even opdoemend in bleeken schijn van vochtige maan - maan is voor mij in Indië altijd iets als een tooverspiegel - en de huizen, waar de voorvaderen handel dreven en in de eerste eeuw van hun streven zelfs woonden. Hulde aan Coen, vrome gedachten, zestiende eeuw, zeventiende, het ‘kasteel’, de ophaalbrug, het Stadhuis, de Poort met de vreemde vazen en de barre Poortwachters... ik kan het alles in dit vage tooverlicht niét goed onderscheiden, maar ik heb het vroeger nooit zoo vaag en ijl gezien, en het is veel meer zoo: de Herinnering uit het Verleden. De Vischmarkt door en hier het Kanon, het heilige, het beroemde, waar de steriele vrouwen offeren om nakomelingschap den man te baren.

Ik zie het niet. Het is te donker. Het moet daar ergens liggen in het gras. Vroeger lag het dààr niet... ‘Het heeft zich uit zichzelve verplaatst’, zegt de chauffeur heel ernstig. Wij lachen niet: lach nóóit, o Europeaan, als een Oosterling u zoo iets zegt: wéét ge dan of een heilig Kanon zich niét uit zichzelve verplaatsen kan van hier naar daar? Nu zie ik het even schemeren, het kanon, dat een oersymbool is voor de steriele Javaansche vrouw; de bleeke toovermaan glijdt er langs...

 

En wij glijden verder... Geheel Batavia door, in maneschijn. Historische herinnering en jeugd-herinnering, alweer. Hier, Kramat... daar, in het Gymnazium Willem III was ik een stoute jongen, die niet leeren wilde.

Hoe vol schimmen drijft het in het parelen, vochte manelicht! Van af den schedelkop van Peter Erberfeld, den verrader, gespietst op die poort, over Goenoeng Sari, Kramat tot aan het Gymnazium Willem III drijven de schimmen, de herinneringen. Ik herinner mij namen van meesters, van vriendjes, van velen, die hier jong waren als ik of nog niet oud. Het is alles weg, zoowel het historische Verleden, als het eigen Verleden; het is alles weg en wat is er over?

[p. 137]

Vochte maneschijn en een auto, die heen snelt. Waarom leven wij? Waarheen streven wij? Wat wil God van ons?

Nu zal spoedig, want de maan donkert, de stortvloed, de ontzachlijke, neder storten.

Wij ijlen naar huis, het hotel. Ginds op den dansvloer, tegen den ontwijden maar altijd wijzen waringin, ‘steppen’ in verwrongen gratie de malle paren. De stortvloed, zwart maar doorschemerd van electrisch licht en dwaze schimmen, stort neêr. Ik kijk van uit mijn verre kamer toe. Is iets wel iets, of is alles... niets?

 

Als er des morgens een zonnestraaltje is, hangt ‘djaït’ en hangen alle ‘djaïts’ en baboes over lijnen en touwen en droogstokken, echt Indiesch tafereel, àl wat gedragen is den vorigen dag, want het ‘djemoeren’, drogen, is hier een gebiedende noodzakelijkheid. En dan: ‘strika strika, djaït’! In de achtergalerij - onze vertrekken in Hôtel des Indes hebben eigen voor- en achtergalerij - vult djaït haar strijkijzer met houtskool, doet die ontvlammen en wakkert met een vierkant bamboe waaiertje het vuur aan. En strijkt. Ze strijkt uren lang. Hoe is het mogelijk, dat ze met dat primitieve houtskoolijzer strijkt, zonder één gaatje te branden in wat ze strijkt!

Nu de zon schijnt, gaat ze ook wasschen en nu mijn vrouw klaagt over pijnen hier en daar, piedjiet ze haar met lenige vingeren. Ze spreekt niet veel, maar ze is al toegewijd, hoewel ze een week bij ons in dienst is. Ze pakt al koffers in en uit, ze hangt op en uit, ze is van alles op de hoogte. In een week. Is uw kamenier ook zoo gauw gewend, mevrouw?

 

De Maleier - ik durf nog niet uit te breiden en er bij te voegen de Soendanees en de Javaan: laat mij voorzichtig zijn! - de Maleier, van eenvoudigen rang en stand, dient gaarne. Hij is als de Italiaan van den zelfden rang en stand. De nieuwe levensdingen hebben geen vat op hem, wàt de volksleiders ook hem pogen in te wijden, wàt ook vooruit strevende Inlanders van hooge geboorte en Europeesche ontwikkeling zelve meenen. Deze Maleier, dien ik

[p. 138]

bedoel, is een dienaar geboren. Zoo heb ik er velen gekend, even veel als ik dergelijke Italianen kende. Zoo waren mijn brave chauffeurs in Sumatra. Zoo is dja'it ook wel, geloof ik, al is haar ziel ons nog gesloten.

 

De Maleier dient gaarne en is trouw in zijn hart. Hij is te winnen door een enkel vriendelijk woord, door een glimlach. Hij is te verliezen door een snauw. Hij kan zijn meester liefhebben of hem haten na drie dagen. Zijn genegenheid kan iederen dag vermeerderen, zijn haat is nooit te blusschen. Hij ziet in ons steeds een vreemd wezen, een indringer, een overweldiger maar sedert eeuwen heeft hij zich geschikt in onze superioriteit. In zijn hart vindt hij wel dat wij groote dingen kunnen doen en voor vliegtuigen heeft hij een heilig ontzag. Met auto's is hij geheel vertrouwd. Maar al het nieuwe neemt niet weg, dat deze Maleier een geboren dienaar is.

 

Hij vindt het prettig zijn meester een titel van grootheid te geven. Hij geeft u nog steeds iets aan met een gebaar van hormat, de eene hand aan den elleboog, al zoû dat gebaar liefst door zijn ‘leider’ geheel worden afgeschaft. Het zit in zijn bloed, in zijn ziel. Hij dient u gaarne en laat ù liever alle verantwoordelijkheid. Hij went zich dadelijk aan ùw gewoonten, maar verander die niet. Hebt ge eens gezegd, dat ge uw koffie om zes uur wilt, zoo houdt u hieraan zoo lang ge koffie drinkt en wil niet morgen uw koffie om half zeven hebben. Dit maakt hem ‘biengoen’ (suf). Toch is hij niet altijd zeker van het uur - hij verloor deze zekerheid sedert hij wel eens een horloge droeg - maar deze tegenstrijdigheid neemt niet weg, dat, als hij dènkt, dat het zes uur is, hij u zonder dralen uw koffie brengt.

 

Men heeft mij wel eens verzekerd, dat de Indische dame véél snauwt tegen haar bedienden; ik weet dat zoo niet en herinner het mij niet. Ik weet wèl, dat de Duitsche employés, waarvan het in de hôtels wèèèèèèmelt op het oogenblik, veel snauwen tegen de

[p. 139]

Maleische bedienden. Misschien uit herinnering aan hun onderofficierstijd in Duitschland. Ik zoû hen gaarne nu en dan eens aan het verstand brengen, dat een Maleier wie hem snauwt, gaat haten, en dat die haat drift kan veroorzaken en een por, vóór de snauwaard het zich bewust is. Ook is het verkeerd van deze Duitschers, den Maleischen bediende steeds, met hun snauw, te grijpen bij den arm. Aanraking bij Oostersche volkeren duidt grootere intimiteit aan dan bij Westersche of meent zwaardere kastijding. Een driftige greep bij den elleboog is voor den Oosterling een beleediging. Maar toen ik mijn beide chauffeurs in Sumatra bij het afscheid op de schouders klopte - de hand te reiken zoû verkeerd geweest zijn - voegden zij hun schouder onder mijn handklop, met een gratie van goede dienaars, die mij trof en ontroerde.

4

Wij hebben gedineerd ten paleize op het Koningsplein bij Zijne Excellentie Gouverneur-Generaal Fock, met den Rezident van Batavia, den Algemeenen Secretaris, den Burgemeester, een klein, bijna intiem diner. Het ‘hof’ van onzen Landvoogd is natuurlijk heel eenvoudig; de gasten scharen zich in twee rijen, dames en heeren, als Zijne Excellentie verschijnt; aan tafel zijn de stemmen even gedempt; maar daarna, in de witte voorgalerij, gaan de gasten tòch zitten, ook al is de gastheer, staande, nog bezig ieder zijner gasten aan te spreken. Hoewel men weet en zegt, het vooral uitspreekt, dat dit zitten-gaan een zonde is tegen de étiquette.

Ik heb dien volgenden morgen het Muzeum bezocht, waarvóór een olifant staat, geschenk van een koning van Siam; olifant, die in mijn jeugd verguld was en nu grauw. Zoo is veel wat in uw jeugd goud of zelfs maar verguld was, grauw geworden in latere jaren...

Indien ge in dit Muzeum, rondgeleid door den conservator Dr. Schricke, zooals uw correspondent de eer had te zijn, alle deze beschreven steenen zoudt kunnen lezen, alle deze zuil-inscripties

[p. 140]

zoudt kunnen ontcijferen, zoû veel van Javaansche en Maleische historie zich voor u ontsluieren; gij zult wel willen gelooven, dat geheel deze lapidaire letterkunde geheim voor mij is. Hetgeen mij ontevreden maakt, omdat ik mijzelven dom vind, terwijl het toch wellicht te vergeven is, als niet iedereen dadelijk, alles wat in steen werd gegrift, de eeuwen door, kan lezen. Intusschen troosten mij de mooie, grootsche Hindoe-beelden en wijden zij mij dezen morgen reeds in de schoonheid, die ik vooral op de Boroeboedoer hoop te mogen bewonderen. Toch is de Boeddhistische schoonheid voor mij steeds eene betrekkelijke, terwijl de Grieksche altijd mij een volstrekte schoonheid geeft. Een beeld van Praxiteles of Lysippos geeft in zijn goddelijken eenvoud mij den vorm van het absolute, van de schoonheid, die in alle eeuwen en atmosferen de zelfde blijft. Deze Boeddhistische beeldhouwkunst is een relatieve schoonheid, alleen te waardeeren als men rondom deze vormen en lijnen eerst een atmosfeer oproept. De Ganeça - god der Wijsheid - uit ‘andesiet’, vierarmig, wijdbeens gehurkt, met den olifantskop, de snuit in een der handen, treft zeker dadelijk door een wonderlijk volmaakt modelé, zoo mollig, dat men zich afvraagt, hoe ooit dit harde steen zich voegde naar eens beeldhouwers vromen, volhardenden beitel. Maar is eene dergelijke vermaterializeering der Wijsheid daarna niet slechts te waardeeren als men om haar oproept de atmosfeer van den Ganges of welk Voor-Indische natuurmoment ook, en dan zulke identieke atmosfeer, zulk identiek moment, overplaatst naar oud Java, waar dit beeld werd gevonden? Is zulk een beschouwing naar tijd en plaats noodig, als wij een Hermes, een Sater, een Afrodite zien?

Zeer belangwekkend vond ik de voorstelling van het Karnen van den Oceaan; een slang om den berg geslingerd, dien Vishnoe's schildpad draagt, dient goden en demonen als karntouw, waarmede zij de Wereldzee karnen opdat boven drijve de Amurta, de drank, die hun de onsterfelijkheid geeft.

De prachtige gamelan van den Sultan van Banjermassin, de monumentale gamelan, zoû zij nooit meer worden bespeeld...?

[p. 141]

Wij hebben toen Batavia verlaten, en er de melancholie uit mede genomen, die onvermijdelijk is voor wie te veel aan de dingen hecht uit de vroegere jaren, dingen, die de idealizeerende verbeelding natuurlijk al te mooi en al te sentimenteel kleurde.

In Buitenzorg droomde ik natuurlijk den Salak toe. Het was mij steeds - zelfs na de jaren der idealizeerende verbeelding - een bizondere aanblik, een onvergetelijke droom...

In uw hôtel-galerijtje ligt ge op een langen stoel en over de diep stroomende rivier, de vlakte, de sawah's, de kokospalmbosschages, ziet ge den Salak. Soms verscholen in zware wolken, dan weêr uitklarende, in de ernstige glooiende lijnen, die vermoedelijk de lava eens met zich trok en uitsleepte van top of krater naar lagere dalen toe. Hoe lang zijn die glooiïngen als van mantelplooien, hoe majestueus dalen zij neêr. Hoe dicht staat daar de berg voor u, als tot meerdere klaarheid van licht de wolken zijn opgetrokken. Hoe ver deint weêr de berg weg, als de nevels uit de laagte weêr trekken òp. De werkelijkheid van rijstvelden en klapperboomen wordt telkens weêr een droomparadijs. Nu schijnt tastbaar te zijn, te bereiken met eens wandelaars vluggen voet de groenblauwe berghelling en de boompjes teekenen zich aftegen gouden strepen en vuurrozig waas, als de zon zinkt; plotseling is alles onwerkelijk, en bestaat niet meer dan in een ver vizioen van onbereikbare verhevenheid. Het is altijd de zelfde berg, de Salak, waarheen droomen de oogen en geest.

 

Het is vreemd hoe deze bergen - in Sumatra, in Java - die stemming van ernst en godsdienstige eerbied wekken. Ik was in Noorwegen, in Zwitserland, maar hoe machtig ook der bergen aanblik mij ginds trof, nooit dacht ik daar aan wat hier natuurlijkerwijze bij mij zich opdringt; dat bergen de versteende goden zijn. Gij zult mij toevoegen, dat ik geen Alpinist ben, en dat wie dit wel is, een zelfden indruk van goddelijkheid ontvangen kan, als hij alleen, des nachts, in de blanke, hem omringende Alpenwereld uitstaart naar de oneindigheid. Ik geloof dat zeker met u. Maar hier vertoonen de bergen dat bovenaardsche reeds van uit de

[p. 142]

laagte, de stad, van tusschen de menschen, die u omringen.

Zij drukken u niet op de borst, als in Zwitserland. Zij benemen u niet den adem als daar. De Salak verschijnt daar, verdwijnt, verschimt, wordt weêr werkelijkheid... Waarom denk ik àltijd, dat deze berg iets anders is dan hij vermoedelijk in werkelijkheid is voor den geoloog, voor den natuuronderzoeker, den man van wetenschap. De Salak, dien ik zie van uit mijn galerij, is mij telkens geen berg: de Salak is mij een held, een god; een godin soms, in een metamorfoze, die heldhaftige of goddelijke vormen herschiep in de glooiende lijnen en breede mantelplooien, waaruit geen hoofd zich meer heft of arm zich buigt.

Vormenloos maar toch lijnenrijk, de vreemde godin, god of held, die een berg werd.

Is het alleen omdat legende haar omzingt? Ik hoor haar nauwelijks omruischen mijn droomen...

 

Onder aan den Salak, van uit de verre verschieten van sawah-veld en kokospalm-bosschage, stroomt de gezwollen, versnelde rivier aan met een bocht. Groen-bruin is het haastige water en het rivierleven wemelt daar de oevers langs. Geen bootjes, - te snel wellicht de stroom nu daarvoor - maar de visschers, die hun netten hier uitgooien, dààr uitgooien en dan, op een steen gehurkt, afwachten tot zij meenen buit te hebben. En dan geheel het huishouden, op koken na, in de rivier... De inlanders beminnen zoozeer dit snelle, stroomende water, dat zij er niet van scheiden kunnen. De rivier is laag en zij weten natuurlijk, niettegenstaande het water nu hoog staat, waar zij waden kunnen over de breede, verborgen keien en blokken steen. De vrouwen, de mannen, zij wasschen zich, zij baden zich; de jongens zwemmen; de kinderen ploeteren en juichen. Zij ontkleeden zich en hangen hun sarong en baadje op aan een boom, en het is treffend hoe decent zij zich ontkleeden. Zoowel mannen als vrouwen. Vooral zooals de vrouw zich de sarong houdt geknoopt over den boezem en dan, uit het rivierbad, de natte sarong verwisselt voor een droge, is van een groote kuischheid en bevalligheid mede. Maar de jongens

[p. 143]

en kinderen zijn spierlinge-naakt; voet-bal spelen zij spierlinge-naakt in de modder, hoewel ik niet geloof, dat modder is te vereenigen met voet-bal, en dan springen zij weêr in de rivier, dompelen onder, wasschen zich en modderen weêr opnieuw met hun bal. Alle vaatwerk wordt tevens naar de rivier gebracht en ginds drilt een reeds oudere ‘eerste vrouw’ de bini-moeda, de jonge of ‘tweede vrouw’ - die zij vermoedelijk zelve haar man heeft aangeraden te nemen naast haarzelve, neen, ònder haar - met vaten en borden te wasschen. Zij was ‘tjapé’, moede, de eenige vrouw te zijn van haar man, die best genoeg verdiende om een tweede, jonge vrouw er bij te nemen. Haar ijverzucht is dood. Zij heeft zelve haar man een ‘bini-moeda’ gezocht. Zij heeft toen het meisje gevonden, een kind van veertien, vijftien jaar, voor zoover leeftijd niet te vaag is om zich te herinneren. De man vond het wel een lief, jong tweede vrouwtje, en de eerste vrouw had eindelijk haar meid: nooit zal zij zelve meer borden en vaten wasschen aan de rivier. Nooit meer haar eigen sarongs wasschen. Daar staat zij na haar bad, in frissche sarong en kabaai, met de rechte plooien er in, zooals gisteren de ‘bini-moeda’ die gestreken heeft. Nooit zal zij meer het, met houtskool gevulde, ijzer ter hand nemen. Zij heeft een tweede vrouw, een bini-moeda, haar echtgenoot gevonden: eindelijk is de tijd daar, dat zij wel verdiende rust neme. Zij drilt de ‘bini-moeda’, en zij zal wel zorgen, dat haar man niet te gek worde op dat kind en niet te veel verspille om haar met geschenken te overladen. Een enkele mooiere sarong en dan een paar kabaai-speldjes van een paar muntjes aan een kettinkje, dat is genoeg. En trotsch staat de eerste vrouw daar aan den boord van de rivier en aan hare voeten wascht de ‘bini-moeda’ àl de borden, àl het vaatwerk en sjouwt het, na een hoog bevel, binnen het huisje...

Verder op, bij de bocht, op steenen gehurkt glimlachen de geduldige visschers vol commentaar, en zij hebben allen verhalen, onder elkaâr, over eerste-vrouwen en bini-moeda's, over jalouzie en geen-jalouzie, en over de duurte der tijden; die man daar moet wel véél verdienen in deze dagen om een tweede vrouw er bij te

[p. 144]

nemen. ‘Apa bole boeat?’ Wat kon hij er tegen? Zijn eerste vrouw wenschte het!

 

In 's Lands Plantentuin, de wereld-beroemde, die het Paleis van den Gouverneur-Generaal omringt, loop ik dien morgen om half zeven reeds rond. Er is een schemer van groen licht. Nog is de zon niet door. Uit de dommen der boomen van de kanarie-laan zeeft het begin van den dageraad. Een warme vochtheid zwoelt reeds om, na de stortregens van den vorigen dag. In de vijvers spuiten de fonteinen stralen tusschen de waterlelies en de Koninklijke Victoria heft roze en blank zich tusschen hare groote, ronde, platte, rand gekartelde bladeren op, die liggen vlak en stil als Japansch lakwerk, op het water. Ginds dwalen de hertjes om. Stilte, kalmte, rust: het vroege morgenuur. Hier en daar zijn de kebons, (tuinlui) bezig. Ik dwaal langs de ficus-terrassen; het zijn hooge wegen, verheven, en de ficus-boomen, zwaar en breed de wanden hunner tronken verheffende uit den grond, waarover de wortels zich spreiden als reuzeslangen, verslanken de stammen naar de hoogte uit en breiden de verlakt groene looverkoepels. Kleurige vogels, groote kapellen, zoo kleurig en groot, als men dacht, dat ze alleen bestonden in sprookjes of fantazie. Groote hagedissen - kadals - glippen weg; mieren-kolonies, druk met gewoel van miniatuurwereldsteden, wriemelen onder uw bijna vertredenden voet. De boomstam-dikke lianen kronkelen zich. Zùlke immense boomvarens doen mij denken aan een tertiair tijdperk, en een mensch wandelt klein onder de zich buigende, groote groene waaiers. Licht en schaduw strepen er over gras en grond doorheen en liggen daar als immaterieele tijgervellen... Tijgers doen als schaduw-en-zon; schaduw-en-zon als tijgers. De palmen vertoonen hunne honderden soorten. Hunne Latijnsche onderscheidingen boeien mij niet; dit is mij te ‘botanisch’ in dat ‘tertiaire’. Maar natuurlijk deze sproke is ‘wetenschappelijk’. De agaven zijn als spijkers en dolken; geheele panoplieën staan als staal en ijzer op in den doorbrekenden zonnegloed. Het groene licht breekt door topaas-glans, daar op het water zelfs door goudgeel diamant... Ik

[p. 145]

zet mij op een bank en staar in den bamboe-stoel; een ‘stoel’ is immers de stam-massa dier immense, boomdikke bamboe-stengels, die buigen uit hoog in de lucht...

 

Ik weet niet hoe lang ik daar heb zitten droomen. Ik had een afspraak gemaakt met den Directeur, den heer Dr. Docters van Leeuwen, die mij wel door deze wonderen wilde rond leiden. Ik vergat heelemaal uur en tijd... Ik dacht, dat het steeds halfzeven bleef... dat het oogenblik stil stond.

Met een schrik kwam ik terug tot tijd, werkelijkheid en bewustzijn een afspraak te hebben. En haastte mij naar de directeurswoning. En verdwaalde tusschen bamboe, palm, agave, lianen en ficus...

Toen ik het huis bereikte was het over achten en de Directeur reeds op weg, na zijn gast te vergeefs gewacht te hebben...

Toen heb ik mij dien dag in verontschuldigingen vernederd als alleen een droomer te doen weet, die overtuigd is van zijn schuld, waarvoor geen verontschuldiging is dan deze: dat hij droomde... en droomend zich verloor in de wonderen van een tertiair tijdperk... ik meen van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg.

5

Als men de Landen der Batakkers, de Padangsche Bovenlanden en Minang-Kabausche gronden door, Sumatra heeft verlaten en Java bereikt, en achter Gedeh en Salak en Pangerango in de Preanger-Regentschappen is doorgedrongen, breidt een geheel andere wereld zich uit. Het is of de bergen en wolken hier andere zijn, of de steden en velden hier andere zijn, of de menschen hier andere zijn. Het zijn vulkanen, regenluchten, oer-bosschen en gekleurde inboorlingen-als daarginds, - en toch is alles anders. Het is of niet alleen een verschil van ras u dadelijk treft - het Soendaneesche ras is hier om u - maar of ook bergen en boomen, alles wat natuur en mensch schiep en wrocht, dat zelfde verschil, een ras-verschil zoudt ge bijna zeggen, aan u openbaren.

[p. 146]

De bergen zijn als een rij van reuzen rondom u heen. Hunne namen allen te noemen zoû zijn als een aftelling van titanen en helden. Hier in het Noorden zijn het de Boerangrang en Tangkoeban Prahoe. Ginds in het Zuiden Goentoer en Malabar, de Tjikoraï en Papandajan. Zoo wil ik slechts enkele dier allerberoemdste namen noemen. Tusschen hunne koninklijke ontzaglijkheden staat het heir der prinselijke grootheden die honderden zijn.

 

Legende omzweeft alle deze toppen en zingt alle flanken af. Vuurgeheim schuilt of school in aller schoot en het epos hunner antieke oer-uitbarstingen ruischt breed op den nachtwind door hunne wouden. Maar de dagen, in het zachte, steeds gedempte licht der regenmoesson, die de buien uitzendt en voortstuwt, tooveren eene lieflijkheid over deze natuur, die verschilt van Sumatra's grootschheid. Trots het reuzige en titaneske der bergen, zijn verschieten en velden en bosschen en hunne weêrspiegeling in rivieren, eene lieflijkheid, die de idylle nadert. Het is of hier steeds een fluit zingt met de legende meê.

 

Het menschenras, dat hier woont, heeft zachte, bijna steeds vrouwelijke gezichten, zelfs zoo forsch de lichaamsbouw zich uitspiert. De gezichten hebben droomerige oogen, ronde kinnen. De heupen wiegelen, het middel is fijn. De stemmen schijnen nauwelijks te articuleeren. De stemmen murmelen. Het zijn de Soendaneezen, en zij schijnen te leven in een eeuwigen droom.

Dit wekt een atmosfeer van geheimzinnigheid. Ook over de bergen, die u omringen, de verschieten, die voor u verglooien, de sawah-terrassen, die voor u neêr treden, waast de geheimzinnigheid. De geheimzinnigheid mèt de lieflijkheid, tusschen den grootschen krans der reuzenbergen.

Dit is de grond van Java, het eiland der stille krachten, die sluimeren, of als zij zich openbaren, gehuld zijn in het den Westerling weinig doorzienbaar Oostersch mysterie.

[p. 147]

Midden in deze mysterieuze, wijde bergenwereld, die een eeuwig geheim schijnt te zullen zijn, voor wie uit het Westen hier komen, ligt een nieuwe stad: Bandoeng. Een stad van Westersch effort, een stad van Nederlandsch-Indische cultuur en belangen, een stad van Nederlandsch-Indischen kolonialen arbeid en leven en streven. Zij schijnt gisteren gebouwd. Groote, witte gebouwen staan gesticht in een nieuwen stijl, die gematigd bleef in hare eerzucht om te doen gelooven, dat onze tijd een bouwstijl heeft. De lijnen zijn in hun modernisme jong, frisch en krachtig te roemen. Treffen zullen u dadelijk het Departement van Oorlog, de Javasche Bank1, Societeit Concordia. De nieuwe villa-wijken lijnen hunne wat naakte, nog boomlooze emplacementen uit. Het heeft het rulle van Scheveningen en verkleint in uw vergissing de lagere heuvelen daar ginds tot een vaag duinlandschap. Onrechtvaardig is echter deze misprijzing. Bandoeng is een opkomende stad van toekomst. Over vijfjaar zal de natuur geholpen hebben alle deze lacunes tusschen het nieuwe bouwwerk met boomen en bloemen en groen te vullen. Zoo zie ik de stad alreeds. Dan ligt Bandoeng frisch, af, modern, Europeesch en Westersch - nu reeds ligt het zoo - tusschen de wijde geheimzinnigheden der bergen, in de van mysterie doorzongen ondoorzienbaarheid der steeds wachtende stille krachten.

 

Als mieren zijn de menschen. Zij werken door. Ook de mieren werken aan mijn voet. Ik ben, zoo zij slechts de vaagste aanzweeming van gedachte naar mij hebben, voor hen een stille kracht, iets ontzaglijks, iets dreigends, iets onweetbaars. Mijn voet zoû in een seconde hun streven kunnen verpletteren. Maar mijn voet verplettert hen niet en trekt zich terug en ik glimlach en spaar... Terwijl ik straks, onbewust in mijn grootheid, misschien verpletter.

Ik weet niet waarom, maar vaak voel ik of wij mieren zijn. En hier tusschen de bergen, in nieuw, frisch, modern Bandoeng, voel

[p. 148]

ik weêr of wij mieren zijn, o nijvere mieren, werklustige mieren, vooruitstrevende mieren, veel wriemelende mieren...

En het scheen mij toe of ik de bergen omrond met hunne titanen droom-gelaten zag glimlachen. Maar dat was een dwaze droom van mij.

 

Ik wensch Bandoeng gaarne toe, dat zij Weltevreden op zij streve. Dat de nieuwe hoofdplaats in Java, Bandoeng zij. Dat andere Departementen, het strategisch hier, naar het mij schijnt zeer juist overgebrachte Departement van Oorlog, volgen. De oude kustplaats, plaats van Bewind onzer Voorvaderen, heeft uitgediend. Zij moge tusschen Tandjong Priok en Bandoeng dan blijven de stad van eerste aankomst. Maar het klimaat, onze groote vijand alhier, beult er den werkenden Westerling af, vreet aan zijn zenuwen, sloopt de krachten van zijn lichaam en ziel. In de van de bergen meêgewaaide koelte zal zeker Bandoeng's klimaat gunstiger mede werken met wie zich hier vestigt en een arbeidscentrum sticht. Want laat ons blijven werken als mieren: zoo is onzen aard, onze onbewuste natuur; laat ons ons kleine werk blijven doen, voor ons en voor anderen, de mieren gelijk, te midden der titanische machten en der stille krachten, die ons omringen. En splijt de aarde, verschuiven de reuzenbergen, spuwen zij hun vuurwoede uit, welnu dan geschiede wat Allâh wil; wij mieren, hebben dan niet anders gedaan, dan wij moesten doen en konden doen...

Of zullen de reuzenbergen nooit spuwen meer? Zijn alle deze bergsche koningen en prinsen werkelijk niet anders dan uitgelaaide vulkanen? Dan voor eeuwig nu onder de aarde zwijgende, doode, stille krachten??

 

Ik ben dezen keer den Tangkoeban Prahoe, die daar Noordelijk van Bandoeng ligt, als met de blauwe ommelijn van een omgekeerde prauw tegen de blauwe lucht, niet opgeweest. Ik ging meer dan twintig jaar geleden dien berg van legende op. Mijn herinnering bleef duidelijk en schoon als van gisteren. Zoo ik heden dien vroegeren indruk opnieuw zoû willen herhalen, zoû

[p. 149]

ik zeker een desilluzie hebben. Neen, ik heb den prachtigen rit door de bosschen van boomvarens, opwaarts, opwaarts, niet vergeten. De groote, fijne bladeren bogen zich als zonneschermen van statie over ons heen. Het was als een baldakijn, dat mede steeg. Vóór werd de tandoe (draagstoel) mijner vrouw gedragen door acht Soendaneezen. Zij trippen als zij dragen. Hun pas is kort, er is een rhythmiek in hunne veerende beweging, in den muzikalen tred hunner voeten, waaronder de opwaartsche weg als een instrument wordt, een klankbord van niet tot ons doordringende muziek. En de stille klanken stijgen, hooger en hooger den weg mede op.

Boven gekomen aan den dubbelen kraterwand heug ik mij neêr gezien te hebben in de Kawah-Oepas, de Kawah-Ratoe (giftige krater en Keizerinnekrater). Een jongetje, blootvoets, geleidde mij toen, daalde neêr en weêr op.

En het was, heug ik mij zeer goed, een zonderling, vernietigend gevoel, dat mij doordrong, terwijl dat vlugge kind mijn passen leidde naar omlaag. Het was of ik al loopende, telkens viel, zoo zonk ik neêr langs de steile rotswanden, die ik straks weêr opgaan moest. Toen ik na enkele minuten naar boven zag, werd ik mij bewust, dat ik deze diepte wel neêr maar nooit op zoû kunnen gaan. En het kind, als of het leidde en verleidde te gelijkertijd, glimlachte, even nòg lager dan ik, om naar mij, en zonk steeds dieper, den steilen wand af. En ik kon niet anders dan zijn glimlach volgen. Zoo bereikte ik het diepe zwavelmeer, het soms dof witte, het soms òpschitterend groene, als een groote ronde edelsteen, die aarden zoû naar smaragd en opaal beiden. En de vreeslijke wereld van geheim was om mij, breidde zich ontzaglijk uit rondom mijne, haar tartende, nietigheid. De fumarolen rookten; uit een sulfatoor steeg ziedend een immense zuil van uitwolkenden, blanken stoom omhoog. De heilige geesten waarden zelfs in dien naderenden noen in de diepte rondom mij en over het sulfer riekende meer.

Steeds lachte de kleine gids, een demon gelijk, die mij tot hier gebracht had... Maar hij stelde mij gerust...

[p. 150]

- Een ànderen weg langs breng ik u, heer, boven...

 

En de Legende, meêgaande toen, zong mij tijdens den terugweg op haar fluit het volgende voor, zoodat ik wist waarom deze berg, de Tangkoeban Prahoe, een omgekeerde Prauw was.

De Koningin dezer streken, Njai Dajang Soembi, had een zoon, en de prins Sangkoeriang was door Indra en Brahma begiftigd met allerlei heldhaftige eigenschappen. Maar eenmaal twistten moeder en zoon en de koningin trof den prins met een wapen het hoofd en sloeg hem een wonde.

Toornig en treurig verliet hij met wie hem aanhingen den kraton zijner moeder. Zwierf door Java rond en veroverde geheel het Oostelijk eiland. Toen dreef heimwee hem terug naar het Westen en op een rots vond hij zitten een zeer schoone vrouw. Zij was zijne moeder, in ongenade bij den Koning gevallen en die hier zat in treurenis.

En zij verliefden op elkander, zooals in vele oude legenden van welken landaard ook, vaak de teruggekeerde prins-zoon op zijne, hem dan onbekende, moeder verlieft, terwijl ook zij hem niet herkent.

Dajang Soembi, Sangkoeriang streelende over het hoofd, ontdekt het litteeken, maar durft uit schaamte niet zich bekend maken. Zij droomt een list opdat het tragische huwelijk niet plaats moge hebben, zij stelt den bruidegom een, naar zij meende, onvolvoerbaren eisch.

Dat hij een dam legge, in één nacht in de rivier Tjitaroem, die ginds tusschen rotsblokken, onder hooge boomvarens klotst, dat deze hoogvlakte van Bandoeng in enkele uren overstroome, en dat hij een groote Prauw bouwe, opdat zij huwen zullen spelevarende.

Sangkoeriang roept zijn diengeesten te zamen, zijne dewata's. Waar de Tjitaroem het smalst is, helpen de geesten zijne krijgers den dam leggen, maar zoo woest valt het water de kloof tusschen door, dat bosschen worden gekapt en heuvels verzet om den dam te steunen.

[p. 151]

Ook de Prauw, reusachtig, weten de krijgers, bijgestaan door de diengeesten te bouwen; de hoogvlakte overstroomd, vaarde Sangkoeriang op de Prauw, zijn bruid tegemoet, dien nacht, in het licht der volle maan, waaruit neêrzien de goden.

Het bruiloftsmaal hebben de vrouwen van de bruid bereid. Zij zelve heeft, radeloos, alles van een bergtop aanschouwd en ziet nu haar zoon-minnaar onweêrhoudbaar naderen op de groote Prauw.

Zij roept Brahma te hulp, die haar een toovenaar zendt. Deze geeft haar een kruid, dat zij strooit voor den dam, en het tooverkruid ondermijnt den dam. Het water stroomt golvende terug in zijn bedding met reuzenkracht; de Prauw helt ter zijde, kantelt, slaat om; de bruidegom, met alle de zijnen, verdrinkt. En de bruid, van smart overstelpt, daalt in tranen en kreten van den bergtop op de omgekantelde Prauw, stort zich in den klotsenden vloed en omhelst in den dood haar zoon-minnaar.

In berg en waterstroom veranderden, betooverd, de Rijstkoker van het Maal (Koekoesan), der Bruid Liefdetranen, het Wierookvat bij het Bruidsbed; het werd alles heuvel, beek, rotssteen...

Daar, tegen de doorzichtige lucht teekent zich af herkenbaar de Omgekantelde Prauw, de Tangkoeban Prahoe, een berg nu en waaronder het vuur van het bruiloftsmaal smeulen bleef.

Reusachtig bovenmenschelijk groot lijkt de Legende, die de kleine mensch dichtte, hare afmetingen uitlijnend in de hem overstelpende Natuur.

6

Wij hebben Bandoeng eerst - als wij weldra Garoet zullen doen - genomen als centrum voor eenige tuf-tochten. Zijn misschien de wegen in de Preanger Regentschappen niet zulke volmaakte rolbanen als die van Sumatra, een hort en een stoot wordt vergeven en zelfs niet ge-acht omdat de natuur met hare oppermachtige schoonheid u dwingt hier, daar en overal te kijken en niet over iets anders te denken. De rij bergreuzen staat steeds om u

[p. 152]

hand aan hand, en al zal, zoo wij eenmaal te Garoet zijn, van intensiever belang het berglandschap zeker worden, de verschillende toeren, de kampongs door, de rijstvelden langs, naar Soreang, Batoedjadjar, Tjimahi, naar den geheimzinnig diep schuimenden Dagowaterval, geven een onvergetelijken blik op deze landen van bijna idyllische lieflijkheid. Het is van een groen, dat zich in duizende schakeeringen openbaart; ik heb nooit begrepen, dat men deze natuur ééntonigheid verwijt, want, vooral in dit seizoen der regens, is tusschen het zwartgroen der duistere waringins en het teêre geelgroen van bibit-rijstvelden elke tint van groen te zien, terwijl ook het blauw der bergen, luchten en sawah-spiegels, waarin berg en hemel en tevens pisang-en kokosboom zich helderklaar kaatsen, evenmin van één zelfde azuur zijn.

 

Wij gingen dien dag over Pengalengan naar Malabar, naar den koning van de Thee, den heer K.A.R. Bosscha, eereburger van Bandoeng. Eenmaal was het hier ‘rimboe’ dus oerwoud. Maar de mensch is nu eenmaal niet geschapen om steeds in oerwoud te leven, hoe gunstig misschien zulk een primitief bestaan zijn zoû voor zijn volstrekt geluk. De mensch is geschapen om het woeste aanschijn der aarde te herscheppen tot een cultuurgezicht. Zoo ging eenmaal, vele jaren her, de heer Bosscha hier eens zien of de woeste grimmigheid der Malabarsche bergflanken niet tot zachter expressie was te grimeeren. Uit de lucht wortel neêrschietende waringin en klimbamboe waren hier vervlochten door reuzelianen; koningstijger en panter loerden vanuit die verwarring. Het was er nog steeds zooals het er eeuwen geleden geweest was, misschien sedert den val van hovenier Adam, toen de paradijsnatuur verwilderde. Het was wel een ruw woeste schoonheid, maar een den mensch nuttelooze, en de heer Bosscha beminde meer een lachende natuur en dacht ook wat den mensch genot zou kunnen verschaffen en nut. Hij peinsde hierover terwijl hij vele nachten doorbracht in het oerwoud zelve, in zijn tent tusschen het gebrul der verstoorde maar voor het stronkenvuur

[p. 153]

angstige panters en tijgers. En toen hij zoo vele nachten gepeinsd had - ook de dagen zijn in het oerwoud, dat de zon niet door laat, bijna aan nacht gelijk - meende hij gevonden te hebben. Het grimmige reuzegezicht in deze streek zoû hij door de macht, die hij in zich gevoelde, omtooveren tot dat van een... lachende geisha. Zij zoû wel niet dansen en zingen, maar u, wanneer gij het wenschte, schenken den heerlijk geurigen drank, die der menschen vermoeienis weg doet dampen en hem als in een schuldelooze dronkenschap nieuwe krachten geeft: de Thee.

 

De terreinen werden ontgonnen. De Thee werd in de Malabarsche tuinen geplant. Maar de heer Bosscha, al is hij een man, die voelt voor business en utiliteit, is ook een dichter. Want hij liet tusschen de theetuinen der Malabarsche ondernemingen, over welke zijn hoofdadministratie den schepter zwaait, altijd intact het kleine oerwoud, waar hij, de pionier, gedurende zijn eerste droomen en onderzoekingen de donkere dagen en duisterder nachten doorbracht. De tijgers trokken zich terug. De cultuur overwon; de Cultuur van de Thee. De Geisha van Malabar, geen Japansche, maar een schoone, bloeiende Javaansche dêwi1, was geboren door toovermacht, en met den heer Bosscha heerscht zij en zal lang zij nog heerschen over deze flanken van den berg Malabar, naar welke ook ‘Malabar’ deze grootsche onderneming heet.

 

Wij ontbeten bij den heer Bosscha, die zelve ons op een keurig roostermachinetje, ter zijde hem gezet, de toast roosterde, en ons vertelde, dat zoowel dit roostertje, als zijn electrische piano, en geheel het electrische bedrijf van Malabar zijn warmtekracht dankte aan de stuwende rivier daar ginds. Nadat wij ook de seismograaf hadden bewonderd, die aangeeft elke trilling der hier steeds nog vulkaansche gronden, gingen wij Tanara zien, de theefabriek. Hier zijn zeker mannen werkzaam, maar verder is het een

[p. 154]

vrouwenregeering: meer arbeidsters dan arbeiders. Ook de pluk, dien wij den vorigen dag in de tuinen gezien hadden, geschiedt door vrouwen, aan de hoogere of lagere, dan gesnoeide boomen, en het is belangwekkend de rappe vingers van alle die leden der theeharem aan de teêre, uiterste blaadjes bezig te zien. Tegen vier uur brengen de pluksters haar pluk in doeken geborgen binnen, en dan worden zij met de muziek der gamelan ontvangen, die boven op een overdekte stellage hare koele glazen klanken sprenkelt. Een aardige hulde, schijnt het mij toe. Hare pluk, in mandjes gewogen, wordt haar betaald naar het gewicht en practisch duidt de balans dadelijk het aantal centjes aan, zoodat er geene berekening noodig is, noch voor de pluksters die lage struikjes, noch voor haar, die met zooveel meer moeite, hoogere boompjes hebben geplukt. De nog vochtige bladen zullen die nacht, op rakken gestapeld ‘verflensen’, vertelt ons de administrateur, die ons rond geleidt, en de bekende thee-aroma, die overal rondom ons drijft, geurt tijdens of na deze fermentatie. Hier is de groote ‘fan’, die, lucht zuigende, den tochtstroom over de rakken drijft. Hier staat de batterij ‘rollers’ opgesteld - wat impozante machinerie, en dat alles om ons de geurige thee te bereiden! - en die als met twee metalen reuze-handen de theebladeren wrijven en wrijven en wrijven, waarna de blaadjes, om en om gegooid, in de vrije lucht drogen. Hier staan de ‘drogers’ - uit Engeland deze machines - waar als over trottoirs-roulants warme lucht de laatste vocht uit de, nu geheel droog gekrinkelde, blaadjes wegzuigt. Ginds zeeven en zoeken de vrouwen uit, gesluierd met bonte doeken de haren, voor het stof. Te groote bladeren en stelen verwijderen zij: deze zal de ‘bevolkingsthee’ geven, die in pakjes van een dubbeltje gretig door alle arbeiders wordt aanvaard als een drank, die verfrischt en onschadelijker is dan het ongekookte water uit de rivier.

 

Ik zie de sorteermachine de bladeren fijn snijden en uit de draaiende zeeven met mazen verschillender grootte regenen de verschillende merken: Souchong of Bohea. Daar, in een torenachtige wan, wordt door de ‘fan’ het stof naar buiten gezogen en de

[p. 155]

zuivere Pecco of Pekoe valt neêr. Vrouwen zoeken nog de laatste roode steekjes uit.

Misschien kan het ons Hollandsch-Indiesch hart niet geheel voldoen, dat deze thee in Engeland ingevoerd, daar met ‘Ceylon’ vermengd wordt en niet genoeg faam heeft om er ongemengd te worden aanvaard.

 

Toen wij terug keerden naar Bandoeng reden wij langs verschillende lotos-vijvers. De roze bloemen, hoogstelig, stonden in kronen en knoppen op en de naakte, bruine knaapjes gingen het water in om ze voor ons te plukken. Tusschen de kampongs zijn deze vierkante vijvers van een verrassende schoonheid als teêr de wolken wit in zacht blauwe lucht er zich in spiegelen tusschen de bloemen.

Zoo heb ik Bandoeng gezien, beloftevol voor de toekomst. Vóór ik de stad ook hier in deze reisschetsen verlaat, wil ik het Hôtel Preanger, waar ik logeerde, en de auto-verhuurderij ‘Ardjoeno’ (directeur de heer Bothma) bedanken voor hunne goede zorgen tijdens mijne rust - in het hôtel - en mijn bewegen - in de ‘mobiel’.

 

Wij zijn toen langs het meer van Lèlès naar Garoet getuft. Ik had het Lèlès-meer meer dan twintig jaren geleden gezien. Het had toen op mij een zeer bijzonderen indruk gemaakt, overzweefd als het toen was door groote, sombere ‘kalongs’, vleêrmuizen. Die stemming heb ik aan het slot van mijn roman De Stille Kracht benuttigd om iets duister mystieks op te roepen om de overwonnen figuur van den hoofdpersoon, den rezident; een romancier benuttigt nu eenmaal, die barbaar! àlle zijne stemmingen! Nu ik het meer van Lèlès terug zag, de waterspiegel gezonken, terwijl de kalongs dien morgen dàâr niet waren, viel het mij tegen, vond ik het een onbelangrijke plas, met een eilandje er midden in...

Het is vreemd, hoe deze stemmingen, die een moment van natuur en natuur-beschouwing in ons oproept, afhankelijk zijn van de teêrste dingen van licht en

[p. 156]

naglans. Nieuwsgierig was ik geweest naar mijn eigen meer van Lèlès - dat van mijn roman. Ik vond het niet terug...

Deze dingen geven u de désilluzie, en die désilluzie moge eene onbelangrijke schijnen, zij is in werkelijkheid eene belangrijke in het leven van een auteur: na zulk een ontgoocheling vindt hij zijn geheele boek slecht: ik vond, op dit oogenblik De Stille Kracht geen goed boek. En troostte mij alleen met deze gedachte, dat ik eigenlijk geen van mijn boeken na zekeren tijd... goed vind.

Genoeg over die kleine dingen: ons werk en onze ontgoochelingen daarover. De reusachtige bergen staan om ons. Wij komen te Garoet aan en Papandajan, Goentoer en Tjikorai wuif ik, al is het dan ook gebaarloos en alleen van uit mijn weêr blijde hart, mijn nederige hulde toe. Tusschen die drie koningen mag ik wel enkele dagen vertoeven.

 

Wij zijn in het hôtel, genaamd naar den eerst genoemden koningbergreus: Hôtel Papandajan. Eigenaar de heer Hacks. Ik kan niet anders zeggen dan dat de heer Hacks een bizonder mensch is. Als banketbakkersleerling in groote Hollandsche hôtels, in Den Haag en Amsterdam begonnen, is de heer Hacks nu eigenaar en beheerder van een zeer groot hôtel, dat ik zeer gaarne noem onder de allersympathiekste, die ik ooit bezocht. Ge moet hem hooren vertellen van de eerste tijden, dat dit hôtel het zijne was en dat hij en zijne jonge vrouw zich bijna het allernoodigste, zelfs lucht en licht - zij huisden in een klein kamertje - ontzegden om met durende werkkracht en energie hunne onderneming te doen slagen.

Maar nu leidt de heer Hacks ons binnen zijn luxe-pavillioen. Het is geriefelijk en ruim. Hij wil volstrekt dat de speciale correspondent van de h.p. ‘gast’ is van het Hôtel Papandajan, ‘gast’ zonder meer. Ik was bijna verlegen. Nu is het mogelijk dat de heer Hacks sedert hij banketbakkersleerling was, en hôteleigenaar werd, een diplomaat is geworden. Maar dan is hij dit op zoo onweêrstaanbare wijze, dat ik allen hôteleigenaren toewensch op deze diplomatieke wijze speciale correspondenten van veel gelezen weekbladen te ontvangen. Wie van de laatsten zal een van de

[p. 157]

eersten verwijten, dat hij hem met de fijnste diplomatie ontvangt, als ‘gast’ zonder meer. Wie zal niet verheugd zijn met deze ruime slaapvertrekken, zitkamer, voorgalerij, badkamer, enz.? De heer Hacks laat niet na te vermelden, dat hier de hertogin van Aosta gelogeerd heeft. Ik zeg het hem na. Ik heb iets legitimistiesch in mij nog over gehouden. Mijn vrouw zal op de zelfde legersponde rusten waar de Hertogin van Aosta uitrustte na hare tochten over Papandajan en Tjikorai. Dit kan niet anders dan onze Italiaansch gestemde, het huis van Savoie steeds trouwe zielen blijde stemmen.

 

- Het is een prachtig appartement, meneêr Hacks, zeg ik. Maar ik wilde u zeggen: wat heeft u een goeden chef! Ik vond het lunch, dat ons werd voor gezet, overheerlijk!

- Ik ben maar mijn eigen chef, meneêr Couperus, verzekert mij de heer Hacks bescheiden.

Ik ben eenigszins verbaasd: heeft de heer Hacks tijd om zijn sauzen te mengen?

- Ik woû ook dit nog vragen, zeg ik, het over een anderen boeg gooiende; kan ik een goede auto krijgen voor deze dagen, met een uitstekenden chauffeur en een gids??

- Meneer Couperus, riposteert de heer Hacks. Mag ik u mijn auto ‘Columbia’ aanbieden, en mag ik zelve uw chauffeur zijn èn uw gids? Ik ken deze mooie landen en deze wegen sinds twintig jaren.

Ik neem aan, verbijsterd maar dankbaar. Het is donker geworden en de heer Hacks draait vele lichten op.

- Wat een helder electrisch licht! loof ik erkentelijk.

- Wat zal ik u zeggen, meneêr Couperus, meent de heer Hacks nederig. Ik ben ook mijn eigen opper-electricien; wil u morgen eens de electrische installatie zien, met de drie motoren? Maar neemt u nu eerst een warm bad.

Een warm bad!? Een heerlijk warm bad, nadat men vele heeft getranspireerd?! Waarachtig, in dit ver van het hoofdgebouw gelegen pavillioen stroomt een warm bad vol! Heusch, de heer

[p. 158]

Hacks is een bizonder mensch; dit is mij die volgende dagen meer en meer gebleken!

7

Namen hebben hunne magische symboliek, namen van windstreken vooral. Voor wie in het Noorden toeft, heeft het Zuiden een magischen klank en omgekeerd. Wij kwamen uit het Noorden van Java; dan wil men het Zuiden zien en denkt zich, in zekere naïve verwachting, dit gehéél anders.

Van Garoet naar de Zuidkust. De drie reuzen Papandajan, Goentoer en Tjikorai in het verschiet om ons heen. De Papandajan met zijn gloeiend witte kloof als een altijd brandende wonde, waaruit het dampt. De Donderberg (Goentoer) met zijn twee princessen of dochter-bergen. De Tjikorai, als gehuld in de neêr slepende glooiïng van zijn mantel van majesteit. Wat is vooral de Tjikorai van een rythme en harmonie. In nevel en regen begint de tocht. Uit nevels en regen doemen de bergen te voorschijn. Telkens wisselen lijnen en tinten. Een zachte zon zal overwinnen, om, zonder te branden, te schijnen in stille zege.

Hoe in deze immense natuur altijd het epos zich uitbeeldt, de Strijd tusschen Licht en Schaduw, Goed en Kwaad. Die kolossale, primitieve dingen, die de mensch anders bedènkt... zij staan hier vóór u, tusschen deze bergen, op deze aarde, zij heffen hunne hoofden den hemel in.

 

Bergen en titanisch natuur-epos... Toeristen en hôtels. Wij zijn geen helden maar toeristen. En de Nederlandsch - Indische Hôtel-Vereeniging heeft ons uitgenoodigd zijn kuurhôtel te zien in Tjisoeroepan - Villa Pauline - en Ngamplang. Frisch en gezond en de toevlucht voor wie oververmoeid, overwerkt is.

De wegen slingeren. Thee en rubber, weinig tappers aan de rubberboomen, maar de rappe vingers der pluksters aan de thee. In wondere zwelging van ruimte en hoogte (6000 voet) gaat over Pamegalan de tocht. Aanschouw de immense panorama's, de

[p. 159]

groene kokosgaarden, die glooien de diepte neêr, de boomvaren-bosschen, die klimmen de steile hellingen òp. Groene zonneschermen en statie-waaiers als voor onzichtbare wezens. Spookrijken breiden zich hier uit; hier wonen menschen, die onzichtbaar zijn. Hier heerschen koningen, die onzichtbaar zijn, in steden en paleizen, die dwars wemelen door bosschen, ravijnen. Soms verdwijnt een vrouw uit een kampong en wordt maanden daarna in extaze terug gevonden of in slaap: ontwaakt zij, dan zegt zij, dat zij rijststampster geweest is in de rijstschuren, de niet zichtbare, van den niet zichtbaren koning, die hier heerscht. Dwars door het schimmenrijk gaan wij, in den nu stralenden morgen. Een man is hier eens langs gegaan en toèn zag hij de sawahs, maar toen hij des avonds terug kwam den zelfden weg af, waren er geen sawahs; toen was er bosch. Dit is alles wonder, ongelooflijk, en vooral wijd, heel wijd, tot kimmen en wolken en hemelen toe.

 

Het is een heiligschennis hier door heen in een auto te draven, te slingeren, te wenden. Bergen en boomen, vergeeft wat ik doe. Reuzen en goden, ik ben een kleine zondige mensch van ‘moderne cultuur’, zooals dit heet bij ons, die u zien wil, op de eenige manier die mij mogelijk is. Met nerveuze haast dompel ik mijn blik en mijn hart beiden in uwe tallooze schoonheden. Ik heb u toch lief en ik aanbid u toch, o goden en reuzen, maar ik ben slechts, die ik ben. Het lijkt mij of ik hoogmoedig ben, maar ik zoû met u, die watervallen in mijn handen willen opvangen en ze willen drinken in den dorst naar uw schoonheid. Vergeeft mij mijn dwaasheid en droomen, lacht om mij en gunt mijn brutalen wagen te snellen langs uwe ravijnen, waarheen wegschoven aarde en boomstammen ontworteld.

 

Want dit is de Tocht der Aardschuivingen. Zware regens zijn neêrgestort; van boven, waarheen onze blik reikt, is de bergaarde telkens verschoven, zijn de sawahs als kristallen paleisterrassen naar omlaag verbrokkeld, in een gestort, liggen de kokoszuilen dwars over weg en afgrond, ligt een bamboebosch als een hoop

[p. 160]

verwarde reuze-struisveêren over een razend schuimende rivier. Bruine menschenhanden houden ons van verre tegen; hier zal het niet langer gaan voor onzen overmoed; de weg, door menschen gemaakt, is overstort door aarde en modder en gebrokene stammen; een chaos. Wij stoppen. Zullen wij terug? Auto overwint altijd, de kleine, brutale democraat-dictator der wegen, die dwars door fenomeen en legende puft. Voor Auto worden planken gespreid en het is al heel bar, als wij meenen voorzichtig te moeten zijn en uitstappen en te voet de gevaarlijke plekken overgaan. Auto, als een kwâjongen, die heerscher der wegen, wipt over moeilijkheid en hindernis. De weg is weêr vlak; wij ijlen en winden en wenden in een heimwee naar de zee, want wie van Noordelijke bergen komt, wenscht zich de Zuidelijke golven.

Wij zullen dien dag de zee niet bereiken. Zij is te ver. Maar daar, plots, zien wij in de verre verte de Branding! Heel ver, tusschen glooiïng en over de golvende bergwereld heen, zien wij de Zuidelijke Branding! Het is of iets van ons heimwee gestild wordt; de zoom van een tooverrijk van verre najaden schittert daar blank...

 

Wij gaan tot Tjisompet; daar is het tijd terug te reizen. Een wou-wou, een groote, heilige aap, slingert zich van boom tot boom, hurkt dan in de groene takkenwereld en blijft naar ons staren. Deze tocht naar Tjisompet is van een groote schoonheid. Voor wij thuis keeren in het hôtel, zijn wij de warme bronnen bij Tjipanas gaan zien. Zie hier links en rechts de vierkante vischvijvers; als groote, vierkante, grasomzoomde bassins en wederom, als de sawahs, trapsgewijze dalend of stijgend. In dit late namiddaglicht is het water zoo spiegelklaar, dat de kokospalmboomen zich er in weêrspiegelen en het beeld nauwelijks vager is dan de werkelijkheid. Dubbel, opgericht en neêr geslagen, schitteren de palmboomen en hun spiegelbeeld, door geen flauwste bries bewogen, in de vlak liggende terrasspiegels der vijvers. Een eigenaar van zulk een vischvijver is een vermogend man; hier worden de goerrhamé's gevangen; de heerlijke visschen. Bij het primitieve bad-etablisse-

[p. 161]

ment ontspringen hier en daar de warme wateren, wellen de warme fonteinen, zijn de vischvijvers steeds lauw of wel eens stoomend, is de levende visch in zijn element, als het water der vijvers warm is. Zoo wordt de arme goerrhamé als door de natuur voorbereid gekookt te worden maar zonder eenige wreedheid. Zeer eenvoudige mandi-kamers rijen zich; het zijn voor het meerendeel inlanders, die profiteeren van deze warme bronnen; men verwondert zich hier geen groot badhôtel aan te treffen.

 

Wilt ge te Garoet zwelgen in bonte kleur en gewoel, ga dan des morgens de passar zien, de markt. Dat is van stapels groente en vruchten vooral een weelde van gloed en glans; Chineesche en inlandsche gaarkeukentjes voor allerlei gebak en koele groene dranken lokken de marktbezoekers toe. Zij koopen er bij speciale verkoopsters de sirih - het betelblad dat zij kauwen - en al wat hier bijbehoort en dat zij schikken zullen in de ronde koperen sirih-doozen; de kapoer of kalk; de gambier, het vierkante blokje geurige wortel, die meestal uit China komt en de fijn gesneden pinangnoot. Ik meen op te merken, dat het, met deze ingrediënten toebereide, betelblad niet meer zóó algemeen gekauwd wordt als vroeger. De monden der vrouwen zijn niet meer zoo bloedrood als destijds van het betelsap; hare tanden schitteren zelfs wel eens blank in glimlach u toe. Zij zijn, deze Soendaneesche vrouwen, met hare weeke, vaak mooie gelaten, opvallend om de lichte, veelal roze, kleuren harer kabaia's, in onderscheid met het indigoblauw, dat wij later in Midden-Java algemeen zullen zien dragen. En dat een passar-wemeling dan zeer donkerkleurig, bijna zwart en blauw-zwart doet zijn, terwijl de kleuren hier tusschen de volle uitstallingen meer hel en schel gespat zijn.

 

Zij hebben hare behaagzucht, deze vrouwen, met bloemrijke sarong, lichtkleurige kabaai en vaak geel-en-zwarte slendang over den schouder. Geen Inlandsche vrouw verlaat haar huis zonder dien slendang of langwerpige sjerp. Het haar is glanzend van klapperolie; in de kondé-wrong zijn de juweelen spelden en bloe-

[p. 162]

men gestoken, en ook hier bij deze koopvrouwen, koopen zij bloemen: kenanga-bloembladeren, roze-bladeren, melatie-knopjes aan elkaâr geregen; dit is om tusschen de glad gevouwen kleêren in de kleêrkisten te leggen, of te hangen als snoer hier en daar.

 

Van de passar naar het gouvernements-pandhuis, en hier trof het ons, dat de gegoede Soendaneezen er, als in een bank, hunne gouden sieraden beleenen en eigenlijk zoodoende in bewaring geven. Wij zagen zeer mooie, fijn gedreven gouden mutsen, kalotvormig, en hoofdsieraden: als er een feest is, halen de eigenaren deze erfstukken terug uit het pandhuis om ze den volgenden dag weêr te beleenen, opdat zij weêr veilig in de brandkast daar staan.

Ook het hôtel te Ngamplang zagen wij, op uitnoodiging van de Nederlandsch-Indische Hôtel-Vereeniging. Het is een sanatorium vóór een prachtig lang uitgebreid bergpanorama. De feeën der Oost-Indische Hygieia zweven er rond en schenken er u de schalen vol nieuwe gezondheid.

 

Over een djati-laan - rechte stammen, breede schepvormige bladeren, pluimige bloementrossen - tusschen sawahs en vischvijvers - en altijd kaatsten de gladde, vierkante waterspiegels wonderschoon hemel en bergen en boomen weêr - naar het meer van Bagendit. Het is wel een meer voor toeristen, maar eigenlijk is het toch mooier dan het Lèlès-meer, waarvan ik zoo bizonder ontroerende souvenirs meênam, twintig jaar geleden... Met angkloengmuziek worden de toeristen er steeds ontvangen; de jonge muzikantjes weten al hoe aardig aan der toeristen oor deze helle, gesprenkelde tonen aandoen. De angkloeng - Garoet is vòl gesprenkeld van de kristallen klanken er van! - het primitieve instrument der ongelijke, losse, holle, schuin afgesnedene bamboestelen - als een eenvoudige harp van bamboe - wordt slechts geschud en bewogen... de losse holle bamboe's tinkelen, o kristalklaar in het harpenraam, en het is of de natuur ergens zelve zingt zooals zij zingt met wind en riet langs water. Bij de symfonie der gamelan is dit niet meer dan teêre, primitieve sprenkeling,

[p. 163]

klanken geschud en gesprenkeld, zóó eenvoudig, zóó klaar die angkloengklanken, dat het allerliefst idylliesch aandeed...

 

Meisjes reiken waroe-bloemen - gele kelken - en katja-piring, dat is niet anders dan onze vroegere knoopsgatbloem: de albasten gardenia. En op een dak-overdekt vlot, waarop stoelen, vlot, dat ligt over twee boomstamprauwen - prauwen gesneden uit holle boomstammen - zetten zich de toeristen neêr. Meisjes zetten zich in de prauwen en pagaaien het vlot voort. Hoog riet rijst langs de meerboorden op; waternarcissen liggen ontloken. Het meer der idylle, zooals zoo dikwijls de natuur in Indië idylliesch aandoet; een pastorale tusschen machtige berglijnen en fenomenale grootschheid.

 

Wij varen naar den heuvel daarginds; daar is een koepel. Pagaaiende meisjes; de naakte, bruine jongetjes verzinnen allerlei sport om de toeristen bezig te houden. Zij duiken in het meer naar djeroeks (sina's-appelen), die met dubbeltjes zijn gelardeerd. Zij doen de ‘hanengevechten’, de beenen gesnoerd en tegen elkander bonzende, gehurkt, tot één er den heuvel aftuimelt. Onderwijl zijn vrouwen bezig, het lage water doorwadende, te visschen; zij spreiden hare netten, jagende de visch en garnalen in scholen te zamen, tusschen twee boomstamprauwen, waar het gespreide net wacht, en de volle netten leêgen zij in den korf, die haar hoofd bekroont.

 

Plotse wolken, terwijl wij spelevaren over het meer. Onweêrdreiging, een schuine regenbui over het meer. Ons vlot, met bloemenkransen vertuit en voort gepagaaid, sneller nu naar den boord, door de meisjes in de prauwen, waarop het vlot steunt, wordt gestriemd door de regenstralen. De vrouwen, met visschen bezig, reppen zich, en de naakte jongens, die als hanen vochten, reppen zich ook, onder vlug afgesneden pisangbladeren... om niet natte worden...!!

Tegen zonsondergang zijn wij thuis. Het regent niet meer.

[p. 164]

Voor ons pavillioen strooit de reuzige kenanga-boom onophoudelijk de geurige blaadjes zijner starrebloemen neêr. De waringin-boomen, elefantisch van stam, als met snuiten en pachydermische leden door elkander vergroeid, vullen den tuin vol duister en vreemd mysterie. Maar de angkloeng van de muziekantjes, die weten, dat de toeristen beminnen de helle klanken, beginnen deze te sprenkelen fijn, teêr en glas-zuiver door het uur vol geheimenis...

8

Twintig jaren geleden ging ik in de nacht den Papandajan op en door de donkere wolken, die ons omringden, herinner ik mij de kraters der rosse rookkolommen, de spleten der geel gloeiende sulfator-dampen; de soms bijna blauwe, violette, lei-grauwe, purperen stoomuitwazemingen, die als een wondere heksenkeuken maakten, daarhoog, op een uur, dat niet meer nacht was en nog geen dag en toch niets van een ochtendkrieken had.

 

Wij hebben den prachtigen tocht niet herhaald: ik herinner mij nog hoe vermoeiend het was en hoe de vive paardjes angstig snuifden voor al het demonische, dat zij rieden. Wij hebben ditmaal gedaan, wat wij destijds niet deden: wij zijn ditmaal ter Kawa-Kemodjan opgegaan. Van Garoet met de auto naar Tjiparai en in den vroegen morgen rezen steeds de drie reuzen - Papandajan, Goentoer en Tjikorai - tooverreusachtig rondom ons in wisselende glooiïng en lange sleeplijnen door een laatsten regenbui en toen optrekkende nevels. Hoe wordt uw overmoed beloond, als ge een grooten tocht in zin hebt, vertrekt in regen en mist, en dàn beloond wordt door een klare jonge zon, die als het gouden ‘oog van den dag’ (mata-hari!) u toe blikt en toe lacht tusschen de passen der bergen, tusschen de bergpoorten der laag en lang uitgevlijde valleien. Tandoe's staan klaar, maar als ik ze zie, betreur ik het liever geen paardje te hebben genomen, al is dit paardrijden, de bergen op en op en op, misschien evenmin een

[p. 165]

ideale voortbeweging als te worden gedragen door acht koelies in een tandoe. Er is ook een psychische tegenzin in mij, nadat ik in een vrij gemakkelijken draagstoel plaats neem, overdekt door bamboe-bedekking en getorst, aan twee sterke bamboes, door ter iedere zijde vier zweetende, zwoegende koelies. Maar de kerels, als lachen ze mijn scrupule's weg, blijven vroolijk terwijl zij mij met horten en stooten, die mijn maag in beroering brengen, opsjorren en -sjouwen de nauwe paden op, vanwaar de ravijnen voor mijn neêrturend oog wegschieten naar diepen afgrond toe. Vroolijk blijven zij, en hongerig, geloof ik, zijn zij of doen zij alsof zij zijn om aan een warong hier, een draagkeukentje daar, vlug den mandoer wat ‘lemper’ te doen koopen voor enkele centen. Dat is rijst, gekookt in omhulsel van pisangblad: een dikke, vierkante brief; minstens postpakket lijkt dit wel, en de mandoer, die lastloos ter zijde loopt, geeft iederen koelie vlug een lemperpakje, dat hij, vlug ook, al torsende, pakt met één hand en naar binnen werkt.

 

Ik zet mijn scrupule's van modern mensch-der-gelijkheid ter zijde; er is nu niets aan te doen aan het feit, dat acht koelies mij torsen. Zij zweeten, zij hijgen, zij zwoegen, zij lachen, ik praat met ze: ze zijn niet onvriendelijk. Zij schijnen niet als ik scrupule's te hebben om mij naar boven, den berg op, te torsen. Ik voel mij als Radamès in de Aïda, 3de acte, als Radamès zegevierend op een zegekar, Thebe binnenrijdt, in de opera door mannen getorst, niet door paarden getrokken. Een vierspan rijdt geen tooneel op, evenmin als een vierspan dit nauwe pad òp zoû kunnen rijden. Dus een zegetocht toch, maar een niet gemakkelijke: dat opgesjor naar de Kawa-Kemodjan. O, zat ik maar op een paardje! Ik zoû wel dóórgezeten zijn na een uur maar nu word ik zoo geschud als een willoos pak zemelen in dien draagstoel en mijn maag klimt op naar mijn keel. ‘Balèk!’ roepen de koelies om beurten; dat beteekent: ‘draai om!’ En zij meenen er meê, dat zij de bamboe-stokken van linker - over rechterschouder willen leggen of andersom. Een schok, een hevige schudding, en de bamboe's zijn op frissche

[p. 166]

schouders verlegd. Na een poosje roept weêr een schoudermoede koelie: ‘Balèk!’ en met schudding en schok wordt mijn zwaarte weêr naar het eerste zwaartepunt overgebracht.

 

Als wij niet door het oerwoud gingen, zoû ik het niet uithouden. Nu houden het geheim der wildernis ter eene zijde en de afgrond ter andere mij bezig. Nu zie ik den prachtigen oorlog van ieder blad, iederen tak tegen andere takken en bladeren. Wie het sterkste is in wasdom, overwint. Elke boom, elke plant vecht tegen een anderen boom, een andere plant. Boomen staan man tegen man; takken spierspannen, buigen arm tegen arm; bladeren stuwen blad tegen blad. Elk blad, elke tak wil zich plaats in de zon veroveren. Er zijn duistere schaduwplekken van slachting; er zijn opene juichvlakten van overwinning. De overwinnaars wonnen zich de zon, de verslagenen sterven laag weg bij de aarde. Zwart liggen gedoken die sombere slagvelden laag; zonnegoud jubelen in glorie en glans de overwinnaars, de flanken der bergen omhoog; kleurigste vogelen zingen daar langs hymne van zege; ondier en slanggebroedsel woekert tusschen de stervende stammen, de rottende bladeren. Deze verwarring des oerwouds, nauwelijks door bries doorwaaid, is de stille strijd der boomen en planten, nauw hoorbaar maar onloochenbaar zichtbaar.

 

Ginds hebben de boomvarens in schitterende kracht overwonnen. Uit hunne steelstoelen schieten de gekromde staven omhoog, ontplooien zich tot reuzebladeren van een tertiaire plant, die wij slechts kenden in miniatuur van ontaarding. De boomvarens zegevieren. Zij vullen geheele ravijnen, zij formeeren geheele wouden. Langs de sawah's en vischvijvers - de vierkante spiegelsgaan wij met hen òp, steeds hooger òp. Dan, weêr het oerbosch uit, uitzicht: wolk van de luchten, smook uit de kraters, nevel van der menschen vuren doezelen hier en daar en vervluchtigen, ijle misten van water of rook. Zwavelreuk drijft om. Daar rooken de kraters; wij stijgen uit de tandoe's. Blauw, grijs, loodgrauw, en geel is de, door zwavel ge-oxydeerde, aarde, is het gras,

[p. 167]

is de grond, zijn de rotsen, zijn zelfs de eerst zegevierende boomvarens en hangen slap en stervend. Want dit is weêr de heksenkeuken. Als met wijde muilen van wilde dieren braakt hier de vulkanische aarde tusschen rots en grot modder en onadembare stoomdamp, als met bekken van zich rekkende hydra's. De modder borrelt, kookt, ziedt, ploft op en neêr: de voet verzinkt, zoo hij niet zakt, in deze drijfmodder, die nauwelijks stolde.

Het zwavelmeer ligt loodgrauw, een helsche plas. Aan elken grashalm kleeft witte en grauwe en blauwe aanslag. Wij tarten de hydra-muilen en stoppen ze toe met aardekluiten; maar dan beeft plots de aarde onder onzen voet, wiegelt ons, schommelt ons en woedend braakt de hydra-muil vervaarlijke modder, die ziedt en stinkt: deze woede alleen omdat wij dien muil snoeren wilden!

 

Hoe deze vulkanische verschijnselen, al dreigen zij wellicht niet met onmiddellijk gevaar en cataclysme, ons de vizioenen voorroepen van wat vroeger hier gebeurd is, toen de bergen raasden en de aarde afgrond-diep spleet!

Wij gaan terug. De tandoe's zijn als priëelen gesierd met groene festoenen en bloemenketenen. De koelie's doen dit minder als hulde aan wie zij dragen dan om een grootere fooi te krijgen. Welke toerist zoû zulke bloem- en kransenhulde weêrstaan? En hoe smaakvol doen zij het! Af wiegelt het nu op hun schouders den bergweg af, het oerwoud door. Het is zwoel van middagwarmte. In de takken daarginds der reusachtige kanari-boomen zien wij de menschgroote apen zitten, de loetongs. Zij kijken naar ons. Soms zijn zij, in de schaduw, van vorm en kleur één met de machtige vegetatie, die hen omringt. Dan springen zij plotseling op met geweld; de takken kraken, de bladeren regenen; van tak springen zij naar tak en nu zien wij eerst hoe groot zij zijn met hun lange, grijpende armen en zwaaiende lijven.

Hier schuilen nog vaak een tijger en vele panthers. Op dit uur zijn de wilde dieren onzichtbaar. Een groen, stil licht zeeft door het gebladerte. Hoe wondergrootsch is dit oogenblik in deze omgeving. Ik voel nauwelijks het ongemak van dezen draagstoel, die

[p. 168]

mij schudt en schokt bij het snellere, diepere dalen. Als de zon plots fel doorbreekt, zien wij roode, gele, blauwe vogels, onwaarschijnlijk van kleurgeschitter, schieten door de ijlere twijgen.

Nu wij de kampong naderen, waar wij uitstijgen, is er ‘randoek’-muziek, heel curieus. Dubbelfluit, zevenfluit - en hoe innig pastoraal antiek doen die primitieve instrumenten aan! Dan een lange, holle bamboe, die met een stok doorstampt, twee, drie begeleidende tonen doet klinken. En dan vooral, aan een juk, twee met een gewicht bezwaarde en met profielen, uit zwart hout gesneden, versierde bamboe's, genoemd de ‘vorst’ en de ‘vorstin’ en die op en neêr, heen en weêr geschud en geschokt, een landelijk concert geven hoewel niet zoo fijn als de ‘angkloeng’ deed. En, ter eere der toeristen en der te verwachten fooi, is er een rammenstrijd: mooie, sterke, jonge rammen, wit, zwart, en wit-zwart, bonzen met de vierkante koppen tegen elkaâr, ‘leggen’ elkaâr als worstelaars.

 

Geheel anders dan het Bagendit-meer, ietwat gearrangeerd voor de toeristen - zij komen meer en meer uit Amerika en Australië Java doorreizen - is het stillere Pendjaloe-meer, dat wij van uit Garoet bezochten. Er ligt een stille stemming over, om het groote eiland, Noesa-Gedeh, waar, nooit gesnoeid, de boomen weelderen, die vol van bètèts - groene papegaaien - wemelen. Zelfs de kalongs, de verschrikkelijke, demonische vleêrmuizen, des daags, als groote, roetlooze, zwarte vruchten hangende aan de boomen, die hun verblijf ontbladeren en dooden op den duur, doen meê om het eiland een stemming te geven van angstige vreemdheid. Noesa-Gedeh - het groote eiland - is ‘kramat’ heilig; in vroegere jaren woonde hier de Regent, zijn ‘kaboepatèn’ (regentenhuis) bestaat niet meer, maar hijzelve liet hier zich begraven, met zijn bloedverwanten. De oude, geheel bemoste, Moslemsche graven, liggen als met oud geel en groen fluweel overdekt in de diepe schaduwen der hooge boomen en ook het graf van den Assistent-Rezident Thilo, in '32 hier begraven op deze gewijde maar tevens spookachtige plek, die hij lief had, rijst hier op, geheel groen en

[p. 169]

geel van het dikke, fulpige mos. Des nachts spookt het hier over dit eiland, door dit dichte woud, over deze graven. Telkens bespeurt men er meerdere, ter zijde hier en daar, en zij zijn van kleur één geworden met den vochtigen grond, met mos en humus, en behielden nauwelijks hun vorm, smal, langwerpig, met de twee kort opstekende verheffingen, eenmaal gebeeldhouwd, nu mosoverwoekerd, aan hoofdeind en voeteneind. Als ons overdekte vlot, dat om het eiland vaart, voort glijdt over het stille water, slaken de roeiers kreten, willen de kalongs, bang, opjagen, maar zij vlerken loom even op en hangen zich dan weêr, slap en zwart, ontelbare, aan gindsche niet meer bladerende takken, wachtende tot het schemeruur vallen zal.

Dit is vol van die ontroerenis, die sommige Javaansche, in het binnenland verborgen oorden kunnen wekken. Het is bijna niet zegbaar; het is of onze taal niet de woorden heeft om de stemming dier vreemde plekken te kenmerken: dit is niet heilig of gewijd: dit is ‘kramat’ en dit woord alleen - onvertaalbaar, om de aandoening, die er in huivert - geeft weêr wat zulk een eiland, als Noesa-Gedeh, in het Pendjaloe-meer is.

 

Overnacht hier in de pasangrahan, die juist met zijn voorgalerij uitblikt op meer en eiland. Laat de vreemde, witte toovermaan voor u daarginds aan een effen, blanken hemel staan als een groot, bleek gezicht, dat u aanstaart. Het water, waarover de bloembladeren der offers wegdrijven, die hier den schimmen werden gewijd in vierkant gevouwen pisangblad, spiegelt de witte lucht weêr en het witte licht. Alles is onvergelijkelijk stil. Geen bètèt roept van het eiland af. De laatste kalong fladderde met slappe schermwiek weg; de bladerlooze boomen, waarin de vleêrmuizen overdag hangen, staan met naakte, zwarte takken tegen den kleurloozen nacht op en uit. Ginds, nu niet meer gezien, slechts geraden door ons weten en onze verbeelding, ligt tusschen de vele graven van regenten en wie hun lief waren, dat andere graf, van den Nederlandschen ambtenaar, die nergens anders begraven wilde worden dan hier, op deze plek van mos en vocht, waar de

[p. 170]

aarde tot zich nam alles wat stoffelijk was, en waar, misschien, het nog niet geheel en al verloste geestelijke, in dit uur omzweeft en verlangt naar eindelijke volkomen bevrijding.

Geen geluid, geen adem van wind, geen rimpeling zelfs van water...

9

Toen wij terug keerden van dezen prachtigen tocht langs meren en tusschen bergen door, werden wij herinnerd, dat deze maanden die der regens en die der aardschuivingen waren; een immense aardschuiving was ons gesignaleerd, de weg was vernield, maar juist min of meer hersteld; auto's werden nog niet toegelaten... Met een speciale permissie zouden wij echter door kunnen en zoo ging de auto - wij uitgestapt - eerst over planken het gevaarlijkste punt over en toen over de matten, die den herstelden weg bedekten. En het was een indrukwekkend gezicht: de berghelling was neêr gestort; de sawah's schenen als gebarsten reuzenspiegels in scherven, met plassen en verpletterd padi-gewas van boven naar beneden geslingerd; kokos-palmboomen, ontworteld, omgekanteld, lagen met hun lange, bezwijmde stammen in de verwarring der kronen; met de afgerukte kokosnoten in de modder en het, meê naar beneden verzonken, ontworteld struweel. En tusschen deze verwarring ging de auto over de matten heen, langzaam, langzaam, terwijl het scheen of de daar boven hellende boomen, uitstekende, ieder oogenblik konden afwentelen over deze wagen heen. En het was niets dan dat de aarde verschoven was, zooals in deze regentijden zoo vaak in de Preanger-Regentschappen gebeurt; het waren niets dan enkele sawah's en enkele palmboomen, die naar omlaag waren gestort. Maar het scheen één reusachtige cataclysme en toen begreep ik, dat, als werkelijk in deze landen iets reusachtigs geschieden zoû, vulkanische uitbarsting of aardbeving tusschen dezer bergen flank, het titanisch zoû zijn. Want het fenomeen openbaart in het Oosten zich grootscher dan in het Westen. Een namiddagbui doet aan als een stortvloed,

[p. 171]

kort, hevig, overstelpend en deze aardschuiving deed aan als een catastrofe, tusschen wier ontzetting het bijna overmoed scheen voor onzen wagen dóór te gaan naar de vlakte van Tasik-Malaja. Daar beneden ons, breidde zij zich uit, kalm, wijd, zacht groen en goud, idylliesch, met de landbouwers, die er, de karbouw voor de egge, door de te bereiden sawah-velden stuwden, langzaam en vredig en met de vrouwen en kinderen, die er in de bibitvelden de bossen halmen plukten om ze wijder uit te planten in de bereide sawah's, nu gunstig was de Godin van de Rijst.

 

Het is mij een aangename plicht hier den heer Hacks te bedanken voor zijn goede zorgen, gastvrijheid en geleide, en mejuffrouw Tilly Weissenborn voor de prachtige fotografieën, die zij ons ten geschenke gaf: hare fotografieën van Java - en ook van Bali, zooals ik later constateeren kon - zijn met groote kunst uitgevoerd en geven de stemmingen der natuur in dichterlijke belichting weêr. Ook de Gids van de Preanger-Regentschappen van den heer W.G. Hoogland (Bandoeng) dien ik vaak raadpleegde, beveel ik vol vertrouwen allen toeristen aan, en hemzelven bedank ik nogmaals gaarne voor zijn persoonlijke leiding en buitengewone vriendelijkheid.

 

Te Tasik-Malaja brachten wij een bezoek bij den Regent en zijne vrouw, de Raden-Ajoe, zooals wij ook te Bandoeng bij den Regent en de Raden-Ajoe hadden gedaan. Deze Javaansche heeren spreken tegenwoordig dikwijls uitstekend Hollandsch, hetgeen ons Westerlingen, zoo wij niet geheel de Maleische taal machtig zijn, wèl gemakkelijk is. Ik spreek Maleisch met de bedienden, maar ik leerde mijn Maleisch als kind te Batavia, en het is werkelijk niet mooi Maleisch, dat ik spreek. Het is heel iets anders Maleisch te spreken met een Regent dan met uw baboe of lijfjongen. Er zijn in het eerste geval elegante zinswendingen vereischt, een grootere keuze van woorden, een weglaten van min of meer Bataviaasch-Chineesch getinte uitdrukkingen, die ingeslopen zijn in de daar courante Maleische spreektaal. Het is bijvoorbeeld

[p. 172]

al heel grof ‘goewa’ te zeggen - ‘ik’ - dat zulk een Chineesch-Bataviaasch-Maleisch woord is. Dat wist ik nu wel, dat men ‘saja’ zegt, maar ik spreek toch allesbehalve correct Maleisch, en mijn bloemrijkheid in die taal is nihil. Nu was echter de conversatie met de beide Regenten - van Bandoeng en van Tasik-Malaja - zonder dwang en interessant. Wij spraken over allerlei: over de beknibbelde positie der ambtenaren van b.b., wien toch wel meer waardeering mocht toevallen; over de ‘ontvoogding’ der Regenten die meer en meer eigen initiatief zullen moeten nemen; over de ‘ethische’ richting, die, onder den Gouverneur-Generaal Van Limburg Stirum, zich heeft baan gemaakt (hier vertelt men, dat de heer Idenburg hiermede reeds begon en zijn kebon (tuinman) in den tuin van het paleis de hand reikte, zoodat de ‘kebon’ niet wist hoe hij het had; maar misschien is dit verhaal maar een anecdote). Wij spraken over gamelan en wajang en over de antieke heldendichten, waaruit het wajang-spel zijn motieven kiest, en de Raden-Ajoe van Tasik-Malaja scheen mij geheel op de hoogte van Mahabarata en Ramayana. Deze Javaansche aristocraten, wier voorouders soms afstammen van de helden der Boeddhistische en Javaansche epopeeën, zijn van groote hoffelijkheid en gastvrijheid, en volgen hierin nog de antieke traditie. Die is vormelijker dan ònze gastvrijheid en hoffelijkheid, maar daarom niet minder aangenaam; integendeel, voelt men er een innerlijke echtheid in, een groote hartelijkheid: ‘Waarom zijt ge in het hôtel afgestapt? Waarom ons niet gewaarschuwd? Wij hadden het op prijs gesteld u als gasten bij ons te zien in de Kaboepaten1! Komt ge ooit terug in Tasik-Malaja, vergeet niet het ons te melden!’ En het gesprek vervolgt over de opvoeding der Javaansche kinderen van aristocratische families, over de Kartini-scholen; Nederlandsch wordt algemeen geleerd; ook de Javaansche meisjes leeren het nu. Maar sommigen wenschen toch niet zoo héél knap te worden; feministen zijn zij nog heel weinig, trots het voorbeeld harer talentvolle, gevoelvolle zuster Raden Adjeng Kartini (beroemd om

[p. 173]

haar ideeën en geschriften tot in Amerika toe). Deze zoo vroeg reeds lichamelijk bloeiende jonkvrouwen denken toch zelden anders dan aan aanstaand huwelijksgeluk, aan man en kinderen, in de doemende droomen harer rijpende vrouwelijkheid. Zij zijn er niet minder lieflijk en teeder om; was Kartini een uitzondering, die wij mogen waardeeren, het meerendeel dezer adellijke meisjes volgt niet anders dan atavistiesch den roep van het bloed harer zeer oude geslachten, waarin de vrouw nooit anders was dan vrouw en moeder, en zelfs ternauwernood minnares.

 

Nu roepen ons de Vorstenlanden, met al hun geheim en zoo moeilijk voor Westerlingen te begrijpen en te doordringen traditie, en met de bijna onpeilbare ziel. Nimmer ben ik hier vroeger geweest; steeds kwam verhindering ongedaan maken ons voorgenomen bezoek aan Soerakarta of Djokjakarta. Thans zal het er toch van komen!? Wij gaan met de spoor, en de palmen, de kokospalmen, de schoone boomen van statie, die ik zoo lief heb, zijn niet te tellen. In Biskra heeft Baedeker de dadelpalmen geteld en ze geschat op zestig à zeventig mille, geloof ik; maar zijn deze kokospalmen te tellen? Tienduizenden en telkens tienduizenden meer, schijnt mij deze weelderigheid toe. Hoe echt Javaansch en Oostersch zijn deze immense valleien van palmen en weêr palmen, waar tusschen de trein zich beweegt. Als een symbool van vorstelijken rijkdom schakelt zich de eene palmenvallei aan de andere.

 

Wij zijn in Solo en de gasten van den Rezident en mevrouw Harloff. Hetgeen ik op hoogen prijs stel, want ik hoop, dat de Rezident mij wel eenigszins zal inleiden in deze geheimnisvolle, raadselvolle wereld der Midden-Javaansche vorsten. Ruim en uitgebreid het Rezidentiehuis. Deze huizen worden tegenwoordig vaak door het Gouvernement ten deele gemeubeld. Het is niet te vergen, dat een Rezident in deze dure tijden van zijn traktement een dergelijke immense woning meubileert! Voor de enkele jaren, die hij hier vertoeft. Ook is de tijd der voordeelige vendu-

[p. 174]

ties, toen de ingezetenen bij wijze van hoffelijk afscheid, de prijzen opjoegen - zoodat de vertrekkende ambtenaar met een sommetje naar Holland vertrekken kon - voorbij. Wie kan nog leven naar ‘rang en stand’? Wie lijden hier meer onder dan de hoofd-ambtenaren in Indië, die gedwongen zijn paleizen in parken te bewonen, met een traktement tusschen de 1500 en 2000 gulden in de maand. Probeer het maar eens! Elke buitenlander - Engelsche Lord of Fransche regeerings-oom: laten wij zeggen Clemenceau - zal wel verbaasd staan als hij even achter de schermen ziet. In zoo een paleis, met zoo een park, te wonen en dat voor nog geen twee mille in de maand? Vroeger was het anders, was alles goedkooper, waren er de ‘gestraften’ die op een risje achter den mandoer den tuin van den ‘residènan’ (rezidentie-huis) ingingen, twintig, dertig van hen, en die gras snoeiden, onkruid wiedden, begoten. Nu... moeten een paar kebons het nooit te eindigen tuinwerk volvoeren! En dit is de energie vooral der hoofdambtenaarvrouwen op Java; dat zij niet dulden, dat deze paleisachtige woningen, trots alle malaise en financieele moeilijkheden, verwaarloosd worden. De bedienden mogen minder in aantal zijn dan vroeger, zij worden met zorg gekozen en zijn dikwijls familie-stukken. Nergens wordt men zoo goed bediend als op Java.

 

Vóór het huis in den tuin de traditioneele vlaggestok voor den Nederlandschen driekleur. Oppassers ter zijde in donkere uniformen. Mevrouw Harloff ontvangt ons. De Rezident heeft nog zijn spreekuur. Een troonzaal, een immense galerij aan het einde waarvan onder fluweelen draperie een troon met drie zetels: een groote voor den Gouverneur-Generaal, mocht Zijne Excellentie komen; ter zijde een voor den Soesoehoenan (Soenân meestal genoemd), een voor den Rezident. Beide zetels gelijk en gelijkvormig: dat eischt het protocol. En deze eeuwige troonzaal, slechts enkele keeren in het jaar dienende voor de officieele ontvangsten, steeds immens en officieel zich breidend dwars door het huiselijk leven der inwoners en hunner gasten!

[p. 175]

Het moet de eersten wel eens bezwaren, vervelen zoû ik bijna zeggen: altijd van voorgalerij naar achtergalerij te wandelen door die troonzaal. Maar de Indische bouworde laat geen andere schikking toe. Komt de Soenân officieel, dan kan hij niet anders ontvangen worden dan in de voorgalerij en geleidt de Rezident hem aan zijn arm naar de troonzaal. En nemen zij beiden plaats op hunne gelijkvormige zetels, ter zijde van den leêgen zetel van den Gouverneur-Generaal. Vergeet daarbij niet, dat de Rezident is de ‘vader’ van den Soenân in alle officieele toespraak of document, en de Soenân is niet meer dan zijn ‘zoon’. Moeilijke verhouding. De Rezidenten van Solo en Djokja moeten zijn heerschers en diplomaten beiden, meer dan de hoofden van welk ander gewest ook. Portretten van de Koningin en het Vorstelijk Huis en van den Soenân en de Ratoe1: de Iijsten dezer laatste portretten zijn van ingelegd hout en het motief is het zelfde, dat geweven wordt in sarong en kaïn2, die Soenân en Ratoe dragen, en dat, als een wapen, niemand mag dragen dan zij beiden. De Boeddhistische vorsten-kroon bekroont deze portretten.

 

Mevrouw Harloff heeft ons geleid in de achtergalerij. Deze is zoo groot dat er - in vroegere tijden - wel eens gastmalen plaats hadden van 700 gasten. Rieten schutten, plantengroepen pogen de kolossale ruimte te verdeelen in meer of mindere intieme hoeken, die nog viermaal zoo groot zijn als uwe suites in Holland. Zijn er geen gasten, dan wordt deze ruimte echter maar liever niet bewoond.

Achter deze statie-ruimten het park, vlak achter de galerij de fabelachtige ficusboom. Boom uit legende of epos. Zijne wortels zijn om zijne verschillende stammen, die vaak weêr neêrschietende luchtwortels waren, uitgebreid over de aarde als een wijd nest van slangen en draken. Zij krinkelen over de aarde en de aarde in en uit, en alleen vlak bij het huis worden zij recht afgesnoeid,

[p. 176]

opdat er een pad zij en zij niet het gebouw zullen ondermijnen. Ziet men zulk een boom en verbeeldt men zich, dat hij vrij en ongehinderd eeuwen lang zoû voortwoekeren met takken en wortels - wortels uit de lucht en over den grond - dan kan men zich voorstellen, dat hij de geheele wereldbol zoû overwinnen en dat er niets ter wereld zoû zijn dan één reusachtige ficus-boom, die tot één universeel oerwoud de geheele wereld gemaakt had.

 

Witte, droomerige Angora-poezen wandelen ons in het park vooruit. Deze modeltuin is de schepping van onze gastvrouw. Denk nooit, o Hollandsche lezer, dat de vrouw van een Nederlandsch-Indiesch hoofdambtenaar zich kan permitteeren ‘lui’ te zijn en te droomen op den divan. Geheel de organizatie van een dergelijke huishouding, waarvan de verhoudingen tienmaal zooveel meer eischen dan in een zelfs ruim huis in het moederland, rust haar op de vaak tengere schouders. En onze gastvrouw heeft niet geaarzeld aanleg en beplanting en bebloeming van dezen mooien tuin er nog bij te nemen.

Onze mannen en vrouwen in Indië zijn te bewonderen om hunne energie. Het is of zij niet willen bukken voor het klimaat, dat ons aller vijand hier is. Het is of hun weêrstandsvermogen verdubbeld is, ook al beult de warmte hun lichaam, hun geest hier af. Zoo werken zij allen: de ambtenaar in zijn sfeer, de planter in de zijne en hunne vrouwen, vooral die der hoofdambtenaren - zij is dikwijls de particuliere secretaresse van haar man - werken niet minder hard in de hàre. Ik breng mevrouw Harloff hier als vertegenwoordigster harer dappere zusters de hulde van mijn bewondering.

10

Ik heb te Solo het gevoel of geheimen mij moeten worden ontsluierd, of Sfinxen met Boeddha-gezichten mij raadsels zullen opgeven, die ik, mijn taak gedachtig, in de Haagsche Post zal moeten oplossen. Het is als een ‘hantise’ - waar blijft het Hol-

[p. 177]

landsche woord? - die schijnt uit te gaan van dezen vreemd mysterieuzen toestand, van deze enigmatieke atmosfeer, die hangt over de Vorstenlanden, en die ik sterk zal voelen zoowel hier, in Soerakarta, als later te Djokjakarta. Een atmosfeer, geweven uit Boeddhistiesch verleden en traditie van Oostersche potentaten, uit Westersche diplomatie en Oostersch fatalistiesch zich schikken, nu de glorieuze tijden der oeroude autocratie gedaan zijn. En ook heb ik het gevoel: hoe zal deze atmosfeer zich nog blijven weven, hoe lang zullen deze vreemde, moeilijk te doorziene, moeilijk te beheerschen toestanden nog duren in onze zich modernizeerende wereld, waar ook hier te lande de volksmenners - Europeesch, Indo'sch, Javaansch - zich roeren? Ik weet het niet, ik waag mij niet aan voorspelling of profetie. Trouwens, het Heden, met een terugblik naar het Verleden, is reeds interessant en rijk genoeg om nog naar de Toekomst te willen raden.

 

De Rezident van Solo, de heer Harloff, die mij geboren en voorbeschikt schijnt om hier de moeilijke taak van heerscher en diplomaat te vervullen, is tevens een allerhoffelijkst gastheer, en wil wel de korte oogenblikken, die hij vrij heeft, zijn gast de historische inlichtingen geven, noodig om iets van het geheim der Vorstenlanden te doordringen. Uit deze inlichting blijkt mij, dat de Soesoehoenan - wij zullen voortaan van Soenân spreken - in Solo, erfelijk en legitimistiesch, de éénige Vorst zich acht, en door zijn aanhangers wordt geacht, over de antieke erfenis van het Rijk van Mataram, dat in vroeger eeuwen Midden-Java besloeg. Ongeveer twee eeuwen geleden bewerkte echter een opstandige prins den burgeroorlog, die het oeroude rijk scheidde in de rijken van Soerakarta en Djokjakarta. De O.I. Compagnie, gedachtig aan de spreuk: ‘verdeel en heersch’, meende een hun gunstige politiek te volgen door den opstandigen prins, die zich van Djokjakarta had meester gemaakt, te steunen. De beide Vorstenlanden bleven dus gehandhaafd: Djokjakarta eigende zich den antieken naam ‘Mataram’ toe. De Soenân, steeds genoemd Pakoe Boewono, de Spil der Wereld, en tevens Kalipatoelah, het hoofd van den

[p. 178]

Godsdienst, bleef de eeuwen door voor de Javanen omringd met een mystieke glorie, waaruit de oude Hindoe-Boeddhistiesche legende straalt: de heraldieke kroon van den Soenân is een nog Boeddhistiesch ornament.

 

Maar meerdere verdeeling was door Allah voorbeschikt. Ongeveer een eeuw geleden stond een lid van het vorstelijk huis, Mas Saïd genoemd, op tegen den Soenân van destijds. Hij had zijn aanhangers, en de omwenteling, die hij verwekte was succesvol. De Nederlandsche autoriteit meende wederom een goede politiek te volgen, door den opstandigen prins te handhaven en zijn rechten op het door hem veroverde deel van Soerakarta te erkennen: zoo ontstond in het Zuiden van Soerakarta het Rijk van Mangkoe Negoro (Hij die de Wereld draagt in zijn schoot), dat steeds bleef bestaan en een derde van het gewest omvat met een derde van het zielental van geheel Soerakarta. Deze immer gehandhaafde prins rezideert te Solo zelve; vóór zijn veertigste jaar is zijn titel Prang-Wedono, daarna wordt hij tot Mangkoe-Negoro verheven. Wij zullen later in Djokjakarta zien, dat een dergelijke toestand er zich parallel aan dien van Soerakarta ontwikkelde; laat ons nog echter, tot meerdere duidelijkheid, blijven te Soerakarta, te Solo.

 

De Soenân en de Mangkoe-Negoro (of Prang-Wedono, zoo hij geen veertig jaren bereikt) zijn dus twee geheel van elkaâr onafhankelijke vorsten, die ieder hun rijksbestuurder hebben en zich niets van elkander hebben aan te trekken. Deze is echter de officieel gewettigde toestand. In werkelijkheid, in diep wortelende werkelijkheid, is die toestand geheel anders. De jaren zijn gewenteld, en de afstammelingen van Mas Saïd, den opstandeling, al zaten zij op den Mangkoe-Negoroschen neventroon, konden zich niet weêrhouden den Soenân eigenlijk te vereeren als den alleenigsten heerscher over alles wat eenmaal het Rijk van Mataram uitmaakte. En de psychische evolutie openbaarde zich in deze Oostersche zielen al sterker dan de eenmaal succesvolle lou-

[p. 179]

ter materieele revolutie, een eeuw geleden door een opstandigen prins verwekt, wiens eerzucht uitzonderlijk sterker was gebleken dan zijn ontzag voor den uit den Hemel getreden Vorst: den Soenân. Dring in deze ziel van den nevenprins door: zoudt gij er iets anders in zien dan den grootsten eerbied voor den rechtmatigen erfgenaam van Mataram: den Soenân? Hoe het ook zij, de Soenân spreekt den Prang-Wedono - of Mangkoe-Negoro - aan in het Laag-Javaansch; dat meent, met ‘je en jou’. De nevenprins antwoordt in het hoogste Hoog-Javaansch, dus met al de linguistiesche vormen van een mindere tegen een meerdere. Dit onderscheid is in het Javaansch zoo moeilijk en ingewikkeld, dat nauwelijks een enkele Nederlandsche ambtenaar erkent de Javaansche taal meester te zijn. Een rezident van Solo spreekt ook altijd met den Soenân Maleisch en nooit Javaansch om de moeilijkheid te ontwijken, die het gebruik dezer allermoeilijkste taal met zich brengt. Tevens wordt de instandhouding van de eigenlijke, want psychische minderheid - en de geheimen der psyche zijn in het Oosten alles en de Spil, waarom de Wereld wentelt!-van den nevenvorst tegenover den bijna goddelijk geachten Soenân zooveel mogelijk bevorderd door vermaagschapping. De Prang-Wedono - zes-en-dertig jaar op dit oogenblik - is gehuwd met de jongere zuster van de Ratoe (gemalin van den Soenân, keizerin; de titel duidt ook een keizerlijke prinses aan). Hij is dus eenigszins de zwager van den Soenân en vertoont hij zich aan diens hof, dan is hij, om deze vermaagschapping, geheel diens mindere. En de etiquette drukt dus den onafhankelijken nevenprins onverbiddelijk neêr tot diepsten eerbied en hormat.

De verhouding van den Soenân tot het Nederlandsch Gouvernement is scherp te omlijnen. Het is die van leenman tegenover leenheer. Bij de gratie van onze Koningin en het Gouvernement van Nederlandsch Indië is de Soenân zelfbestuurder over Soerakarta: er is een Akte van Verband, die den toestand regelt. Wat is dus het consequente gevolg? De beide Rijken, van den Soenân en van den Mangkoe-Negoro - wij zullen later in Djokjakarta het zelfde verschijnsel zien - maken deel uit van Nederlandsch Indië.

[p. 180]

Alle wetten voor Nederlandsch Indië zijn wettig voor de Rijken der Vorstenlanden, tenzij uitdrukkelijk andere bepalingen zijn gemaakt. Strafwetboek, Burgerlijk Wetboek, en alle koloniale ordonnantiën zijn ten volle geldig voor de Vorstenlanden. De zelfstandige regeling dezer Javaansche vorsten omvat alleen belangen van lokalen aard. Want ook epidemie en veeziekte, weêrbaarheids-ordonnanties en alle die welke het algemeen belang beoogen, zijn uit den aard der zaak geldig voor de Vorstenlanden, zelfs al kwamen zij tot stand zonder medewerking van de zelf-bestuurders. Toch kunnen zij in hun lokale zelfregeling een grooten invloed uitoefenen. Men vergete niet hoe de Javaan zijne vorsten vereert en in het diepst zijns harten wrokken moèt over de kortwieking hunner macht. Hem ter zijde staat dus in de Vorstenlanden de Rezident en zijn pozitie is misschien de allermoeilijkste aller rezidenten.

 

De Soenân, die nog immer door zijne onderdanen als feodaal autocraat wordt erkend, héérscht volgens de Oostersche traditie maar bestuurt niet met eigene handen; zij zijn te gewijd daarvoor. Hij heeft zijn grootvizier of Rijksbestuurder, en geen wet of wetje is geldig dan geteekend door den Rijksbestuurder en... den Rezident. Toch is deze Rijksbestuurder een zeer machtig man in al de intrigue, die natuurlijk door de wijde, geheimzinnige ruimte van den Kraton, waar drieduizend vrouwen hare meer dan tienduizend webben dezer intrigue weven, zich uitspint. De Rijksbestuurder, hoewel officieel gekozen, is officieus een erfelijke prins, en eigenlijk is in deze sfeer ieder baantje erfelijk en iedere dienaar, zelfs de minste, dus adellijk. Dit is de ‘adat’ aan het Solosche hof.

 

Te midden dezer voortwoekerende verwikkeling en geheimen en onontwarbaren gedachtengang van vorsten en prinsen, pangé-rans en ratoe's en raden-ajoe's, onder grootste hoffelijkheid verbergende hunne nooit zich openbarende psyche, die niet anders kan dan, bewust of onbewust, de Nederlandsche overweldiging haten, staat de Rezident. Hij leidt - gezaghebbend en diploma-

[p. 181]

tiesch - den gang der zaken; hij is de gezagvoerder van het mysterieuze staatsschip op deze zee vol verborgen riffen en klippen; hij poogt te leiden in democratischen zin, en begrijpelijk is de tegenstand, die hij altijd, niet openlijk maar in verholenheid, ontmoet. Alleen kan wel-begrepen eigenbelang der Javaansche vorsten hen dwingen den Rezident niet te weêrstreven: bleven zij onverzoenbaar staan op hun feodaal standpunt, dan zoû het volk, dat zich reeds roert onder ophitsing hunner leiders, over enkele jaren eischen wat nu, geleidelijk-weg door de Regeering wordt toegestaan.

 

Sinds vier jaren is onder Rezident Harloff een aanvang gemaakt met een Vorstenlandsche Reorganizatie, die volgens verwachting over enkele jaren een bedongen feit zal zijn. Dan zullen de Soera-karta-sche Vorstenlanden een faze hebben doorgemaakt, die gelijk zal staan aan den overgang van een Middeneeuwschen tot een modernen staat. Deze hervorming beweegt zich letterlijk op elk gebied van administratie: bestuur, finantiën, politie, gemeentewezen, marktwezen. Om het belang dezer hervorming met een enkel woord te belichten, diene, dat vier jaren her geene gemeenten of desa's bestonden, dus ook geen gemeentebestuur, geen politie. De grond behoorde aan de apanage-houders; deze ‘ge-apanageerden’ waren steeds verwanten van den Vorst of zijne ambtenaren, die, mèt financieele hulp, nog onderstand verkregen in den vorm van grondbezit. Uitgestrekte domeinen omvatten bouwgrond, rivieren, bosschen en ook nederzettingen van onderdanen, op wier arbeid de ‘ge-apanageerden’ recht kregen. Bij exploitatie dezer domeinen werd in het minst niet op volksbelang gelet. Sedert vier jaren veranderde veel van dezen middeneeuwschen toestand en wel met groote snelheid. De veranderingen werden echter in den beginne niet altijd door het Javaansche kleine-volk gewaardeerd; deze kleine landbouwers waren ultra-conservatief en gehecht aan alle antieke traditie; in den laatsten tijd echter leerden zij hun gunstiger modernen toestand waardeeren.

[p. 182]

Het is wel zonderling, dat juist op Java, in de kern der Vorstenlanden, en trots deze reorganisatie de revolutie, door de ophitsing van slechts ten deele ontwikkelde volksleiders, wil worden gewekt. Dr. Tjipto Mangoon Koesomo, Hadji Misbach, Douwes Dekker zijn de revolutionnaire elementen. Dr. Koesomo werd op voordracht van Rezident Harloff verbannen uit tien gewesten, dus uit geheel Midden-Java. Hadji Misbach werd door den Land-raad te Klaten veroordeeld tot twee jaren tuchthuisstraf; Douwes Dekker, wegens opruiing aangeklaagd bij den Raad van Justitie, werd, trots verklaringen van veertien getuigen, vrijgesproken, maar is sedert te Bantam veroordeeld wegens majesteitsschennis.

 

Ik heb, voor ik de wonderschoone dingen, die ik zag in den Kraton te Solo, beschrijven zal, eenigszins mijn Nederlandsche lezers een denkbeeld willen geven van deze moeilijk te doorziene toestanden der Vorstenlanden. Dit zijn allen sluimerende ‘Stille Krachten’. Dit is alles enigma en het raadsel, dat deze sfinx, die meer Hindoesch-Boeddhistiesch gestemd is ter eene zijde en ter andere de modernste vraagstukken oproept, is mij onoplosbaar.

Wat zal dit alles worden? Hoe zal zich dit alles hebben afgewikkeld in een volgende eeuw? Wat is de toekomst der Vorstenlanden in de toekomst van Java en Nederlandsch-Indië? Wie waagt het te antwoorden? De Javaan is geboren een onderdaan van zijn Soenân; zijne ziel bleef nog immer een feodale en middeneeuwsche. De Kraton is nog altijd voor hem een tempel, neen meer: een goddelijke verblijfplaats van een uit den Hemel gedaalden Vorst. Hij ziet zijn legenden hier verwezenlijkt in zichtbare pracht en praal, en in den dans van srimpi's en bedojo's. Dit is alles gestold in traditie. De etiquette beurt hier den zelfden schepter als eeuwen geleden.

 

Maar buiten den Kraton stuwen de moderne krachten aan. Zij doen zeker, die binnen troonen, huiveren van ontzetting maar... niets gebeurt nog. Geen scherpe terechtzetting wordt ge-uit van binnen deze ommuring; geen brutale aanranding bonst nog tegen

[p. 183]

deze eeuwenoude poorten. Alles wacht af, allen wachten af.

Binnen echter kruipt het alles voor en rond den Soenân - geen Javaan staat voor zijn vorst - en beraadslagen geheimzinnig de drieduizend vrouwen, de Ratoe's en Raden-Ajoe's en hare dienaressen, die slavinnen zijn. De Soenân, zijn des nachts de deuren van den Kraton gesloten, is alleen met drieduizend vrouwen. Geen man bedient hem dan of is hem nabij.

En het zijn de uren, dat de geheime ‘obat’ en giften worden gemengd, die eenmaal zoo machtig waren, maar die toch niets vermogen zullen tegen wat komen moét... of het eene... of het andere... in het geheim der naderende Toekomst...

11

Nu mijn lezer weet wie de Prang-Wedono is, kan ik zonder misverstand pogen te beschrijven het bizonder schoone schouwspel, dat wij in zijn paleis zagen. Het was een voorstelling van de Wajang-Wong, van een tooneelspel, meer treurspel en melodrama, waarin levende tooneelspelers, geene poppen, de rollen vervulden. Deze soms hooge, soms lage, steeds zeer wijde Javaansche paleisruimten zijn moeilijk te beschrijven. Zij hebben iets vluchtends voor onzen blik; zij hebben binnen hunne muren, weinig of geheel geen façade; afgesloten van de buitenwereld, hebben zij van binnen eigenlijk geen andere schoonheid dan die der binnendaken, de balken en binten, veelal gesneden en verguld als zonnestralen wegschietende, daar ginds in de hoogte, of lager, als de schichten van een dalende zon. Hoven en pendopo's (galerijen), maar een stijl kan ik in de schikking van deze wijde emplacementen nauwelijks ontdekken. Een meer nieuwerwetsch gedeelte, dat het appartement - nog niet voltooid-zal uitmaken van de Ratoe, gemalin van den Prang-Wedono - zij is een jongere zuster van de Ratoe van Solo - was niet altijd zuiver van smaak. Maar had een ideale badkamer, koepelvormig, die de bezoekers wel mochten zien omdat de Ratoe haar nog niet gebruikte.

[p. 184]

In een halven cirkel stonden de zetels, waarop de Rezident en Mevrouw Harloff met Prang-Wedono en Ratoe, en hunne gasten plaats namen. Tooneel was niet gebouwd; een deur ter zijde zoû den spelers toegang verleenen. De gamelan was in die nabijheid opgesteld. Daar zat ook de ‘dalang’, de verklaarder en zoû telkens tegen een laag houten beschot met een klopper aangeven het tempo van zang en spel. Electriesch licht. Maar in een schemerduister vervloeide de voorhof, waar onze auto's hadden stil gehouden. Daar hurkte nu de menigte der dienaren en onderhoorigen; ter zijde links hurkten de jonge onderofficieren van het legioen van den Prang-Wedono-hij heeft zijn legermacht-; ter rechter zaten op banken de leerlingen der Javaansche scholen, jongens en meisjes, die het spel, dat zoû worden vertoond, zeker kenden uit hunne lessen: zij leeren hier wel de schoonheden van Ramayana en Mahabarata en uit deze epopeeën stammen de Javaansche wajangspelen, of zij zijn aan de eersten gelijk.

 

Sarong met hem toe-ge-eigend patroon, blootvoets in muilen; het korte blauw laken jasje met ridderorde over wit hemd en wit vest, zwarte das, gouden kris achter in gordel gestoken; hoofddoek sierlijk gewonden rondom de slapen; zie hier het een weinig hybridiesch costuum van Javaansche prinsen: Prang-Wedono en pangéransprinsen - hem verwant. De hoogsten in rang zaten op stoelen achter; mindere grooten en jongere adellijken - ik spaar u zoo vele honderde titels en waardigheden - hurkten verder, achter, neêr.

 

Dit alles was nog niet zeer indrukwekkend. Het is, sedert eeuwen, zoo halfslachtig geworden, zoo half Westersch geworden en even Oostersch gebleven en het fijnste er in was het teêre figuurtje van de Ratoe, met nauwe, lichtkleurig zijden kabaai, en de witte bloemen en juweelen in de ‘kondé’1, de kolossale diamanten-zelden brillianten-in de ooren en op de borst. Op marmeren tafeltjes -

[p. 185]

‘knaapjes’ - werden ververschingen ons voorgezet. En dit aardige woord van den Prang-Wedono moet ik even vermelden. Toen hij hoorde, dat ik ‘Iskander’ geschreven had - alle deze vorsten weten van Alexander den Groote - zeide hij: wat zouden wij waardeeren, als u onze ‘dalang’, verklaarder, was! Het was natuurlijk een scherts, maar een aardig compliment.

 

Programma's werden uitgereikt: zoo las ik, dat wij zouden zien, het spel van Dewi Angreni. Het is uit de zoogenaamde Pandjicyclus, en werd zeer verkort gegeven: dagen, vele uren minstens zoû het onverkort hebben geduurd. Het was eigenlijk meer een pantomime dan een treurspel; dialoog was slechts weinig en even gemurmeld; de gamelan begeleidde melodramatiesch alle gevoelen en gebeurtenis. Het was vooral een gebarenspel, en een spel van expressie, en ik vond het bizonder mooi. Zeer trof het mij, dat het een lyriesch treurspel was, géén epiesch treurspel. Het was geen spel van oorlog en helden, het was een spel van liefde. De liefde er in, hoe tragiesch ook, zegevierde boven alle andere passie, al was tragische dood ook het einde. Ik had nooit gedacht, dat het Javaansche tooneel zoo iets roerends had kunnen uitbeelden.

 

Pandji Kasatrya is een prins. Hij is tegen den wil van zijn vader, den Koning, gehuwd met Angreni, dochter van den Rijksbestuurder. Zij komen op met een lijfbediende en twee narren, mismaakte gunstelingen.

Deze laatste Shakesperiaansche figuren hadden weinig te doen dan er komiesch uit te zien. Maar ook Shakesperiaansch bleken weldra de figuren van tragischen held en heldin. Hun optreden is gehouden in het traditioneel langzame beweeg. De held nadert, bovenlijf naakt en om het middel de lange kaïn gedrapeerd, met den wijdbeenschen stap, de voeten naar buiten gezet. Hij is zeer schraal en tenger en sierlijk van gebaar, zooals het moet. Bizonder poëtiesch was Angreni en de tooneelspeelster, die haar mimeerde, moet zich bewust zijn van het noodlot der Tragische Liefde, hangende aan deze vrouwefiguur, die verwant scheen aan Desdemo-

[p. 186]

na, Julia, Ofelia. Haar zoete, amberbleeke bloemgezichtje heeft onder den gouden boog van het Hindoesche kroontje al den weemoed van deze blanke noodlotzusters. Zwaar voelt zij de Onverbiddelijkheid, de Onvermijdelijkheid drukken boven haar tengere wezen en ziel. En geheel de uitdrukking van haar gelaat en haar lichaam beeldt dit gevoel uit. Het neêr gebogen kopje, de buigende lijn van den fijnen rug, de hulpeloosheid der fijne armen; de knak van de knieën in den sleependen kaïn, de, als om erbarming smeekende, opene handjes gebaarden allen het slachtoffer, dat de Tragedie ter zijde van den tragischen held mede sleept naar den Ondergang. Wat zij zeide, was nauwelijks gearticuleerd, kwam er minder op aan; wat zij gebaarde was het eigenlijke. De gamelan onderlijnde elk gevoel - niet gevoelig genoeg, meende de Prang-Wedono, die lang niet tevreden scheen over zijn muziekanten. De ‘dalang’ verklaarde nu en dan iets, en zijn houten klop scandeerde het rythme. In den toeschouwer werd het ontroerde Medelijden opgeroepen. Het is een groote ongehoorzaamheid tegen vader en koning, die de prins Kasatrya begaan heeft door Angreni te huwen en met haar reeds anderhalf jaar verre te wonen, in zijn eigen paleis. De prins is reeds van kind af verloofd met zijn nicht, prinses Schartadja. Sedert al den tijd zijner ongehoorzaamheid heeft hij zijne opwachting bij zijn vader, den koning, niet gemaakt. In deze sfeer zijn deze dingen misdaden tegen de wereldorde, door goden en koningen ingesteld. Hij, die deze misdaden doet, bedrijft zonde, die gestraft zal worden. De tragische daad is gedaan. Een prins, die zijn verbodene liefde stelt boven zijn gehoorzaamheid aan vorst en vader, heeft de tragische misdaad begaan.

Angreni zelve ziet in tot welke misdaad Kasatrya en zij zich hebben laten verlokken. Zij smeekt hem naar zijn vader te gaan, de vereischte opwachting te maken, zich te scheiden van haar, opdat hij's konings toorn verzoene. Maar de liefde in hem is nog oppermachtig.

Een Boeddhistische non, zuster des konings, komt den prins vermanen. Haar kostuum, zeer rijk, is verbijsterend: het is meer

[p. 187]

dat van een koningin. Maar de pracht er van symbolizeert hare heiligheid, die bijna goddelijkheid is. De prins weigert en trotseert zelfs de verbanning, waarmeê de non, volgens 's konings boodschap, dreigt.

In droeve voorgevoelens blijft Angreni alleen; zij, verheerlijkt in de liefde van haar prins, maar breken zal beiden het onverzoenbare Noodlot.

Als gezanten van den koning van Kediri - vader van de hem toegedachte prinses - treden hare twee broeders op. Van groote sierlijkheid was het parallel gehouden beweeg der beide mime's, die deze fijne personnages uitbeeldden. Het was opmerkelijk hoe hunne beide houdingen gelijk en gelijkvormig zich met de gelijke plooien hunner gewaden uitteekenden, terwijl zij in eerbied zaten voor den koning. Zij drongen, in grootste hoffelijkheid, aan dat de prins Kasatrya hunne zuster huwde: zij is huwbaar en vele koningen begeeren haar. Kasatrya's vader verzekert hen, dat spoedig het huwelijk zal worden voltrokken.

De ongehoorzame Kasatrya maakt eindelijk zijne opwachting bij zijn vader. De booze, heldhaftige koning tegenover den eindelijk hem gewillig schijnenden prins zijn tegenover elkander uitgebeeld in prachtige wajanghoudingen. Het is toorn en koppigheid, maar beiden gesimuleerd in toegeeflijkheid van den vader, in gehoorzaamheidschijn van den zoon. Als de vraag echter wordt gesteld of Kasatrya zijn nicht wil huwen, weigert hij.

In gehuichel van gevoelens scheiden vader en zoon.

De koning, ten hoogste toornig, ontbiedt zijn oudsten zoon, wier moeder een bijvrouw is. Als alle personnages van het treurspel is ook deze een edele figuur. Verraders of boosaardigen, die de handeling voortstuwen door felle daden, blijven achterwege. Dit is bijna als eene verfijning van later treurspel; het treurspel in deze tragedie ontwikkelt zich alleen in de gevoelens en zieletoestanden der dramatis-personae. Liefde, ongehoorzaamheid (men denke zich steeds hoe belangrijk deze is in Oostersche sfeer); bij den zoon trouw aan zijne liefde; de wensche een heilige belofte te vervullen bij den vader; liefde en smartelijke weemoed en de

[p. 188]

drang zich op te offeren bij Angreni. Geen dramatiesch gebeuren; het is alleen maar psychiesch gebeuren en dit in allerfijnste uitbeelding.

De ontboden oudste zoon heet Raden Ario Bradjamata. Zijn optreden is krijgshaftig en epiesch. Ook hij wordt tragiesch in zoo verre, dat zijn vader hem een kris geeft, - de ‘roode vlam’ genaamd - om de deugd en grootheid van het Rijk te bewaken. De held weet wat dit beduidt. Hem wordt gevraagd Angreni te vermoorden. Hij vraagt erbarmen voor zich en haar; de koning blijft onverbiddelijk. De heilige belofte moèt ingewisseld, de wereldorde ongestoord blijven. De held zal niet ongehoorzaam zijn als zijn broeder, zoon der koningin en troonopvolger. Hij gaat tot Angreni.

Wij zien haar in groote zielsaandoening. Zeer fijn mimeerde de speelster haar angstige wachten, of haar gemaal terug keert. Hij komt niet... Droomen hebben haar verontrust: in een langen stoet heeft zij haar eigen huwelijksplechtigheid terug gezien, maar bloed regende den hemel uit. De smartelijke angst in het zoete gezichtje, het huiverende beweeg der fijne armen en handjes beeldde dit alles uit.

Bradjamata treedt op. Hij zegt haar, dat de kroonprins is uitgezonden door den koning om goud in de diepte der zee te zoeken. Het goud der gehoorzaamheid en deugdzaamheid in de stormende zee van menschelijken hartstocht? Ik weet het niet.

En hij zelve is gekomen... om haar te halen daar zijn broeder ginds bij de zee, het niet kan harden zonder haar, Angreni, te zien.

Zij heeft begrepen. Zij doorziet. Zij ziet in de gordel van Bradjamata twee krissen, zijn eigene en ‘de roode vlam’. Het Noodlot is onontkoombaar. Een draagstoel wordt voorgedragen. Zij stapt in - en hoe zij insteeg in deze palankijn, die haar ten doode geleidde, zooals zij wìst zonder dat een enkel woord gezegd was! Het was louter om haar gevoelvol bewegen om tranen in de oogen te krijgen...

Zij wordt weggebracht. Bradjamata volgt. De deur van haar paleis gesloten, barsten hare dienaressen in huilende snikken uit.

[p. 189]

Wij hebben haar dood niet gezien. Wij hebben niet gezien hoe de ongehoorzame kroonprins berouw toonde; hoe Bradjamata, als gehoorzame prins, zijn leven lang verder boet in een kluizenarij.

Vermoedelijk heeft de wereldorde, hebben gezag en gehoorzaamheid gezegevierd. De Javaansche tragedie stelt anderen eisch dan de Grieksche. Het slachtoffer heeft de goden verzoend. De teêre, zoete Angreni, de aanleiding tot misdaad, zij werd geofferd en omdat de goden toch erbarmingsvol waren, niet door sluipmoordenaar maar door een held en krijgsman, met de kris: de Roode Vlam...

 

Het was een bizonder schoon schouwspel, hoe verkort ook om ons Westersch ongeduld niet al te zeer op de proef te stellen. En ik was vooral getroffen omdat de vrouw en de liefde in dit treurspel, trots alles, eigenlijk zeer verheerlijkt werden en omdat alle deze Javanen Dewi Angreni (Dewi = prinses of godin) schijnen te beminnen en te beweenen, zooals wij allen, Westersche lezers van Shakespeare, beweenen en beminnen Desdemona of Ofelia.

12

Den volgenden dag huwde de dochter van den Rijksbestuurder te Solo.

Wij waren met enkele andere gasten van den Rezident en Mevrouw Harloff, blijde een Javaansch huwelijk te kunnen bijwonen. Want deze huwelijken van Javaansche prinsen en prinsessen worden nog geheel voltrokken volgens de antieke ‘adat’, in twee plechtigheden, de Ningkah, het eigenlijke huwelijk, waarbij de Bruid niet aanwezig is en de Temon: de eerste ontmoeting, des avonds, der jonggehuwden, die elkander, officieel, nog nimmer hebben ontmoet.

 

Wij begaven ons allen in den morgen naar den Kepatihan, officieele ambtswoning van den Rijksbestuurder, die heet Raden

[p. 190]

Adipati Djojo Negoro. De ruime pendopo was reeds gevuld met hurkende Javaansche bloedverwanten en beambten, allen mannen; geene vrouw was aanwezig, behalve onze Europeesche dames. In een breeden half-cirkel namen wij allen plaats: behalve de Rijksbestuurder waren daar diens vader, voormalig Rijksbestuurder, die dit dertig jaren geweest was, en een staatsman van beteekenis is, en de oudste zoon van den Soenân, Pangeran Nga-Behi.

 

Zonneschijn schuinde, verblindend onder het lage afdak der wijde pendopo binnen en spiegelde in de marmeren platen van den vloer. Op die vierkante, blinkende spiegels zaten de donkere gestalten, gekruist de beenen in wachtende plechtstatigheid. Donker de nauw sluitende buizen, bruintintig meestal de donkere sarongs, strak de hoofddoeken om de slapen. Stilte. Nauwelijks een woord van gesprek. Een zoo groote kalmte, dat zij bijna zenuwstillend was voor ons Europeanen, met die drie hooge Javanen zittende in den wijden cirkel. Waarom zijn wij ook niet zoo kalm? Waarom doen wij zoo druk en roezemoezig bij onze ceremoniën? Hoe stemmig was dit van kleur, hoe eenvoudig van lijn, deze afwachting van den Bruidegom.

 

Hij kwam. Zijne verschijning was zeer gratieus maar ietwat theatraal en wel geschikt om de nieuwsgierigheid van ons, Europeesche gasten, te voldoen. Met een gevolg van bloedverwanten achter zich, trad hij van buiten, uit den zonneschijn, binnen de pendopo, in den halfschemer, het felle licht achter zich en werd hij geleid door twee der zijnen aan beide pinken. Eenvoudig was dit schrijden niet, maar het was juist wat wij wilden en verwachtten. Hij was een tengere, slanke, jonge man - van vorstelijke geboorte, nu nog slechts districtshoofd, wedono, maar een hooge carrière stond hem open. Zijn bovenlijf was geheel naakt en met borèh gezalfd, dit is rijstepoeder met gele oker en geurwater gemengd en dit borèh-blanketsel (geelsel zoû zuiverder zijn want de zalf geeft een zacht gele tint aan de huid) over het bloote bovenlijf is de

[p. 191]

hofdracht van Solo. Zijn lange bruidegoms-kaïn (geen sarong maar een zeer lange, gebatikte stof) was hem van het middel af gedrapeerd in vele plooien; deze plooien vormen een poef van achteren (zooals onze dames dertig jaar geleden droegen) en sleepte verder in een punt achter hem aan; wederom de hofdracht, die een oude ‘adat’ is en die in de Wajang-Wong ook nog wordt gevolgd. In zijn gordel stak dejuweelen kris met bloemenslingers omwonden en zijn hoofd dekte een kleine mitra, doorzichtig wit, als een afgeknotte, luchtige kegel van ik weet niet welk spinsel of weefsel.

 

Hij hurkte neêr en schetste de semba - de beide handen tegen elkaâr, als biddende - voor zijn aanstaanden schoonvader en hooge verwanten en voor den Rezident. Hij werd toen geleid naar een zetel en over hem nam plaats de Penghoeloe of Tafsir Anom, de priester, die hem vroeg: ‘Namens haar vader bied ik de bruid u. Neemt ge haar aan?’ Hij antwoordde: ‘engèh’, ja; en dit antwoord klonk ook na enkele andere vragen. De Penghoeloe reciteert dan de eerste soerat van den Korân, die de geloofsbelijdenis in houdt: ‘Er is maar één God...’, en bidt daarna en de bruidegom bidt mede.

Het huwelijk was daarmede volgens den Korân in werkelijkheid voltrokken. Natuurlijk waren allerlei besprekingen vooraf gegaan. Officieel zijn bruid en bruidegom elkaâr onbekend; in werkelijkheid hebben zij elkander wel gezien. Maar de ouders beslissen en de kinderen hebben niets te zeggen.

 

Toen het huwelijk voltrokken was, hurkte de bruidegom weêr neêr en naderde kruiphurkende - ik geloof dat ‘hurkkruipende’ nog beter de voortschuivende beweging weêrgeeft - zijn drie, hooge, gezeten verwanten: schoonvader, diens vader en des Soenâns oudsten zoon. En den ouden voormaligen Rijksbestuurder gaf hij toen plechtig den kniekus, ter zijde; lang duurde deze kus van onderdanigheid, nadat een volgeling zijn kris in ontvangst had genomen en zijn sleep sierlijk uitplooide. Hij deed het zelfde

[p. 192]

den Rijksbestuurder, nu zijn schoonvader; hij deed het des Soenân's zoon, die den Soenân zelve vertegenwoordigde. Het was alles zeer voornaam, stilzwijgend en langzaam; er was geen gamelan, om nog durende rouw voor den kort geleden overleden ouden Sultan van Djokdjakarta.

Champagne werd geprezenteerd.

De bruidegom, de jonge echtgenoot, werd toegesproken door den Rezident en nam ons aller geluk wensch aan. Toen hurkte hij achteruit, stond op en werd wederom terug geleid aan de pinken. En verdween hij over de blinkende zonnespiegelende vloerplaten, in het felle licht, wiegend en sierlijk; sleepend zijn ‘kaïn’, bloot zijn zacht okerkleurig bovenlijf; zijn ombloemde kris was hem weêr achter in den breeden gordel gestoken.

 

De plechtigheid was afgeloopen. Wij gingen naar den oom van den Bruid, die ons wachtte, Raden Temanggoeng Wrekso Diningrat, een der Regenten aan het Solosche hof (een Regent in de Vorstenlanden is niet wat een Regent is in andere gewesten - aldaar de inlandsche bestuurder naast den Rezident - maar meer een hofdignitaris, adjudant, kamerheer).

Deze Regent is componist en dirigeert - Javaansche Mengelberg! - een orkest van Javanen, die Westersche instrumenten bespelen. Wij hoorden zijn Kloetramp-symfonie, en hij vertelde ons, dat, op het punt naar Blitar te reizen, zijn vrouw, de Raden-Ajoe, hem had ontraden dien dag te gaan: denzelfden avond barstte de Kloet uit in vuur en vlam en lava-stroom en werd het hôtel te Blitar, waar zij logeeren zouden, vernield. De Symfonie - ‘fantaizie’ noemde de Regent zijn compozitie - was levendig beschrijvende, maar ik miste in de voorafgaande ‘avondstemming’, die de losbarsting van den berg preludeerde, juist het innig-teêre, dat eenvoudig de gamelan zoû hebben gegeven.

 

Dien avond de Temon (ontmoeting van de jonge echtgenooten) in de particuliere woning van den Rijksbestuurder, vader der Bruid. Achter in de middengalerij is opgesteld het symbolieke

[p. 193]

bruidsbed, verguld gesneden hout, gouden kussens, het bed, dat symbool blijft en waarop dus niet de jonggehuwden zich legeren zullen.

Een karos rijdt voor; er is statie, tusschen langsteelige, in de hand gehouden lantarenen; de paarden hebben pluimen; de bruid, eindelijk zichtbaar aan onze nieuwsgierigheid, treedt uit. Hare tantes, de Raden Ajoe Soerio Koesomo, en de Raden Ajoe Wrek-so Diningrat-vrouw van den componist-ontvangen, leiden haar binnen. Deze Javaansche prinsessen dragen lichtkleurige zijden kabaai's en de vele, flonkerende juweelen in haarwrong, ooren, op borst. De Bruid zelve ziet er moê en even ontevreden uit. De voorbereidingen voor haar toilet duren ook reeds den geheelen dag. Het hoofdhaar is haar tot hoog op den kruin weg geschoren om dan met enkele kronkels op het voorhoofd als te worden geplakt. Zij draagt een diadeem als een Hindoe-sieraad en een haarnet van echte bloemen, witte melati's. Zij heeft hals en boezem met borèh geblanket; fabel-juweelen overflonkeren haar, een fluweelen keurslijf omprangt haar leest; de rijke kaïn sleept haar langs de voeten af. In gevlochten korven draagt men haar bloemen, ooft en geurwerk vooruit; symbolen van rijkdom en overvloed, die hare verwanten haar toewenschen: klappernoten zijn ook symbolen van vruchtbaarheid. Een tweede karos, feest-lantarenen hoog gehouden: het is de bruidegom: hij draagt een rijkere mitra, een langere, wijdere kaïn. Op de verhevenheid voor het bruidsbed wacht de bruid, nu de jonge vrouw, haar echtgenoot af. Zij werpt hem voor den voet enkele sirihblâren en een ei, symbolen van vruchtbaarheid. Daarna zal zij hem de voeten wasschen, als symbool van onderdanigheid. Een gouden kom met water, waarop bloemen drijven, wordt gebracht; hij staat, zij hurkt neêr. Zij werpt een paar handenvol water hem over de voeten en kust hem dan den teen.

Daar treedt de Rijksbestuurder, vader der Bruid, tusschen beiden. Hij zit neêr, de beenen gekruist: zij zitten allen drie voor het bruidsbed en de vader neemt dochter en schoonzoon, elk op een knie. Hij ‘weegt’ hen, met een glimlach, en hij zegt: ‘Sami Kema-

[p. 194]

wan; beiden weegt gij mij even zwaar.’ Het is of hij hunne zielen weegt, want hoe zal hij deze weging verantwoorden zoo de Bruid een tenger maagdelijn is en de Bruidegom een forsche kerel! Maar deze Javanen trouwen zeer jong en de jonge mannen zijn altijd tenger, bijna nog efeben en de gelijkheid in gewicht is wel aan te nemen, niet alleen voor hunne zielen, maar ook voor hunne fijne lichamen.

Dan zetten zich eerst de mannelijke, dan de vrouwelijke bloedverwanten op den grond in een rij en bruid en bruidegom, kruiphurkende, hurkkruipende, bewegen zich tusschen hen in. Zij geven kniekus en voetkus - zeer lang deze kussen - aan allen. Het lijkt bijna een akrobatie; wat moeten deze menschen lenig zijn om zich zoo over den grond te bewegen, met sierlijkheid en etiquette, zich te bukken naar een knie, zich te buigen naar een voet, om, geheel in tweeën gebogen, den langen kus te geven!

Het was voor ons het einde. Wij gingen, na de jonge echtgenooten te hebben gecomplimenteerd. Maar wij hoorden dat zij, in mindere statie, ontdaan van mitra en bruidskroon en zwaarste juweelen, nog zouden zitten tot twee uur toe, terwijl om hen heen hunne verwanten zouden blijven kaartspelen op den grond, of op de zeer lage, ronde tafels, waaraan zij gehurkt blijven. Arme jonggehuwden! Dan eerst zouden zij worden ontdaan van al hun praal en zoû de bruidegom worden geleid tot de bruid. Arme jonggehuwden. De bruidsnacht brak voor hen aan, wel na een heel vermoeienden dag!

Maar wij, egoïste Westerlingen, waren blijde, dien eigenaardigen dag van Solosche ‘adat’ te hebben meê gemaakt.

 

Voor wij den volgenden avond in den Kraton zelve door den Soenân zouden worden ontvangen, zagen wij Solo bij dag. Dit valt niet meê. Wat ik zag van muren en poorten en daken van den Kraton is belangeloos, lijnloos, schoonheidloos. Al het interest schuilt binnen. Wat ik zag van de stad was vervallen. Trouwens, welke Indische stad - zonderen wij uit Medan, Bandoeng en de nieuwe heuvelwijk te Semarang - geeft niet den indruk van ver-

[p. 195]

val en verwaarloozing, alsof pleister heel duur is en kalk onbetaalbaar? Daarbij woekert mos, schimmel en vocht waar het niet woekeren mocht en dit met groote snelheid. Zoodat alle gebouwen een groen-gele tint vertoonen, die aan een antiek gebouw stemming kan geven, maar bij nieuwe gebouwen van verwaarloozing getuigt. Een verontschuldiging is, dat onderhoud werkelijk uiterst duur is in deze tijden; vooral in den regenmoesson.

 

In het Muzeum zagen wij de kolossale voorstevens - draken en monsterkoppen - van de antieke lustvaartuigen der Soenâns, waarmede zij vroeger op de Solo-rivier spelevaarden. Dezen voorstevens werd nog eere bewezen in den vorm van offers: bloemen en geurwerk. Eigenlijk is alles wat den vroegeren Vorsten aanbelangt, heilig, en heiliger wordt dit hoe ouder en antieker het is. Een mooie toer was daarna naar Karang-Pandan, vroeger lust-verblijf van den Mangkoe-Negoro, nu weldra hôtel. Een prachtig uitzicht over verschietende valleien en terrassen van sawah's en ter zijde de prachtige Lawoe, de berg der liefdekruiden: zijn weldadige flanken zijn bedekt met alle de kruiden, die, gemengd met geheime kunst, in uw drank, u verliefd doen worden op de vrouw, die u dezen filter bereidde en deed drinken. Maar van zoo verre rees de Lawoe alleen als titanberg, blauw van kleur en harmonieus glooiend van lijnen, en had hij niets van een toovenaar en menger van zoet opwindend gif. Wij dronken geen liefdedranken maar ‘legen’ of arènpalmsap en ‘tegan’, dat is water van jonge kokosnoot. De weg terug ging langs vele dessa's en mij troffen de witte of blauwe, hemelsblauwe toedoengs (groote punthoeden) der landbouwers in de sawah's.

- Dragen zij de kleuren van den Soenân? vroeg ik.

- Neen, werd mij ge-antwoord. Maar als er nog blauwe of witte verf over is, krijgt alles een verfje voor niets, en daarom heeft iedereen wel een witte of blauwe toedoeng.

Ik krabbelde het vlug in mijn opschrijfboekje. En omdat ik zooveel daarin krabbelde, vroeg er een Javaansch dessa-hoofd met grooten eerbied aan Mevrouw Harloff, die met ons was:

[p. 196]

- Wie is eigenlijk die meneer, Kandjeng Njonja Besar? (verheven groote mevrouw?)

Mevrouw Harloff dacht even na. Wat moest zij van mij zeggen? Hoe uitleggen wie en wat ik was?

Maar zij had nagedacht en antwoordde: - Die meneer is een ‘poedjonggo’ uit Holland...

En zij gaf mij hierbij een eervollen titel, die mij echter niet heelemaal toekomt, want de ‘poedjonggo’ is eigenlijk een geschiedschrijver aan de hoven der Vorstenlanden.

Maar hoe het dan ook zij, voor de dagen, die ik nog in Solo ben, zien de Javanen in den meneer met zijn opschrijfboekje, een poedjonggo, een poedjonggo uit de Lage Landen van Koningin Wilhelmina. Een ‘geleerde’ die allerlei gegevens verzamelt om tjerita's (verhalen) te maken... O, Haagsche Post, vergun mij dus uw poedjonggo te zijn, het is werkelijk een titel vol eer voor uw specialen correspondent en causeur.

13

Naar den Kraton, dien volgenden avond. Hoe moet de toerist het bewonderen als de Rezidenten zoo iets weten te arrangeeren! Want... er wordt wel eens meer zulk een avond, dat de hofdanseressen dansen zuilen, ge-arrangeerd voor vreemdelingen, maar het feest is toch afhankelijk van allerlei. Er was ten eerste de rouw over het overlijden van den ouden Sultan van Djokdja; er was daarna, toen de avond eindelijk bepaald was, dat de Soenân ons ontvangen zoû, een zijner vele kleinzonen, die stierf, zoodat de ontvangst weêr een dag werd uitgesteld. Enfin, dien avond dan zouden wij gaan! De srimpi's, de bedojo's, zoo gij haar immers niet hebt zien dansen, de keizerlijke prinsessen of minstens zeer adellijke danseressen, is uw geheele Indische reis mislukt! Het is het hoogtepunt van uw reis, dat te zien; het is van meer belang dan de Boeroeboedoer!!

 

Ik scherts niet. Ik heb de bedojo's nu zien dansen, de negen danse-

[p. 197]

ressen van het eigen ballet van den Soenân, en ik verklaar gaarne nooit zulk een sierlijk schouwspel van beweging en gratie te hebben aanschouwd.

Voorgesteld aan den Soenân en de Ratoe - zij is eene dochter van den overleden Sultan van Djokdja - zetten wij ons volgens een streng protocol op de ons bestemde zetels. De Soenân zat tusschen den Rezident en mevrouw Harloff; de Ratoe ter andere zijde van den Rezident, dan volgden, een vierhoek vormende met deze troonachtige zetels, de stoelen voor de ambtenaren van b.b., voor de Pangérans en andere Ratoes en Raden-Ajoe's, voor ons toeristen. Iedere zitplaats was zeer overwogen. In het midden bleef de ruimte leêg; de dans zoû worden gedanst verder-op, in de immense pendopo: achter-in zaten op den grond, - niet meer op stoelen - mindere vorstelijkheden, zonen, kleinzonen van den Soenân, hunne volgelingen. Ter eene zijde was de gamelan opgesteld, verder het Europeesch-Javaansch orkest, dat wij onder den dirigeerstaf van den Regent Wrekso Diningrat hadden bewonderd. Natuurlijk eerst het Wilhelmus. Ik zat tusschen twee Pangerans, oom van den Soenân en kolonel van zijn leger, maar ik zal u niet al deze sonore Javaansche namen noemen, die zoo prachtig klinken als met den hoogeren en vooral dieperen gamelan-klank.

Ververschingen in afwachting, en het trof mij, dat deze niet meer zoo gratie-vol werden aangeboden, als ik meer dan twintig jaar geleden gezien had, bij voorbeeld in de Kaboepaten te Passoeroean, bij den Regent aldaar, toen gehurkt zich voort bewegend, de dienaren, met immense bladen vol glazen en karaffen, aankwamen, zonder één glas omver te gooien en steeds in een hurkende houding. Misschien is aan deze allermoeilijkste acrobatie van bediening een einde gemaakt, om democratische redenen; hoe dan ook, ik vond, dat de bediening stijl miste, al werd de Soenân ook bediend door een soort ordonnans, geloof ik. De conversatie was nu juist niet gemakkelijk; in tegenstelling met vele Regenten, die ik op Java ontmoette, praatten deze Javaansche prinsen weinig of heelemaal geen Hollandsch, en mijn Maleisch, ik zeide het reeds, is niet berekend op Solo-sche Kraton-conversatie. (Ik breng in

[p. 198]

herinnering, dat Javaansch door bijna geen Nederlander wordt gesproken.)

 

Het was snik- en snikwarm. Hoewel deze pendopo's en verdere ruimten met de tuinen en hoven een open geheel als van wijde pavillioenen maakten, was het dien avond, om den regen, die niet doorkwam en laag bleef in de lucht hangen, snikwarm. Onze dames, in hare lagejaponnen, hadden het, bespeurde ik tegenover mij, warm: hoe hadden wij, arme, mannelijke slachtoffers het dan niet in onze rokken. Wij werden er in, waag ik het te zeggen, langzaam gestoofd, als op een klein vuur. En al transpireerende, glimlachte je allerbeminnelijkst en poogde je een weinig te cauzeeren met de beide hooge Pangérans.

 

Geduld dus maar. Statig afwachten en nippen aan je whisky-soda. Een blik nu en dan rondom. Daar zitten de dienvrouwen van den Soenân, met zijne lijfsieradiën voor klein gala, zal ik maar zeggen. Wat al die gouden voorwerpen zijn, weet ik niet: een kris, een doos, een kwispedoor. De vrouwen zijn in hofdracht, bovenlijf geblanket met zacht gele borèh, kaïn of sarong onder de oksels over den boezem geknoopt. De diamanten schitteren, maar veelal Europeesch gezet - hoe veel mooier is niet de antieke, even wat plompere zetting van juweelen. Soms kruipt een dienaar achter den stoel van den Soenân en biedt hem, ik meen een zakdoek, misschien wel een tandestoker.

 

De Soenân spreekt met ietwat te joviale, luide stem. Ik mis in dezen allereersten Vorst der Vorstenlanden, de zoo fijne distinctie, die eigenlijk allen Javaanschen prinsen en aristocraten eigen is. Maar... hij is mijn gastheer en ik wil niet langer over dit teêre punt uitweiden. Daarbij roemt men zijn goed hart en ik wil dus vergeten, dat hij, toen ik aan hem werd voorgesteld, op mij wijzende, zeide: ‘dus is hij hier (ini!) de broêr van den Oud-Rezident van Djokdja, Couperus?’ Het was niet precies goed van manieren, hoewel het de zuivere waarheid was, die des Soenân's vinger,

[p. 199]

bijna onder mijn neus, aanwees. ‘Hij doet wel meer zoo vreemd’, werd mij toevertrouwd - ik mag niet zeggen door wie. ‘Hij is in zijn jeugd bedorven en niemand dorst hem aan; als hij, bij voorbeeld, alle kranen van de waterleiding opendraaide, liet men hem stil begaan, omdat hij toch de kroonprins was.’

 

Maar kom, nu niet langer daarover, en zelfs niet uitgeweid over de pantoffel van den Soenân, die slipte van zijn grooten teen. Hij heeft mij immers gegund, het wonderschoone schouwspel zijner bedojo's. En van dezen alleen wil ik u verder vertellen en niet meer van dit bedorven kind, dat de Soenân is.

 

De Soenân alleen heeft het recht, negen bedojo's te hebben; de Pangérans, prinselijke bloedverwanten, hebben er zeven. Zij kwamen, alle negen - het zijn bijvrouwen van den Soenân, prinsessen of van adellijken bloede - uit een zijdeur achter ons op en het was dadelijk allersierlijkst. De eene achter de andere, zeer langzaam, traden zij op: bloemen, die voort bewogen. Tropische bloemen, bloemen uit een Voor-Indiesch land, bloemen ontloken aan een Voor-Indiesche heilige rivier. Het is verwonderlijk hoeveel nog in deze landen u laat denken en getuigt van de vroegere verfijnde beschavingen toen dit alles Boeddhistiesch, vooral Hindoesch was. Deze gezichtjes, onder het borèh-blanketsel en die nooit de stereotype glimlach onzer Westersche danseressen vertrekt, maar die steeds ernstig blikken, zijn, onder het antieke, Hindoesche diadeempje, als vrouwelijke Boeddha-gezichtjes. Nauwelijks denkt men aan Javaansche vrouwen en meisjes, die zij toch zijn. Aan het diadeempje strekken zich de vleugelen uit als van een Garoeda-vogel-de vogel, die de vogel van Vischnoû is, half mensch, half dier - ; van achteren hangt een zwarte sluier. De boezem, eveneens met borèh geblanket, beurt zich uit het fluweelen keursje en de kaïn met het bizondere patroon gebatikt, ‘parang roesak’, sleept haar allen zeer lang achter de voeten af. Die sleep en de slendang - sjerp - die langs het middel over de armen slingert, zullen een groote rol spelen in haar dans. Hare soembings

[p. 200]

(oorknoppen) schitteren fabelachtig, de dauwdruppelen van deze bloemen.

 

De Ratoe Alit - de kleine-keizerin, dochter van den Soenân - een zeer spraakzame, opgewekte prinses, vertelde mijne vrouw, dat dit borèh-blanketsel vreeslijk was te verdragen, een marteling. Het sluit alle poriën af, en verhindert te transpireeren - geen drup parelde dan ook bij het dansen aan gelaat en borst der danseressen - zoodat als een vuur van binnen gloeit; tevens mogen de bedojo's den dag, dat zij optreden, geen druppel drinken en zijn zij aan een speciaal diëet onderworpen... Daar zijn zij in de pendopo, vóór de verhevenheid, waarop de Soenân en de Ratoe met hunne gasten zetelen. De gamelan preludeert, de dalang1 geeft het tempo aan met zijn korten klop. Het beweeg ontwikkelt zich zeer langzaam. Het is telkens bij alle negenen - eene schijnt er hoofdpersoon vóór de acht anderen - identiek. Hoe weten zij zoo precies, gedurende dien heel langen dans, wat zij doen moeten? Zij zullen elkaâr nooit aanraken. Zij behouden tusschen elkaâr een steeds gelijken afstand. Heeft dit bloemenbeweeg eene beteekenis? De eene Pangéran zegt vanja, de andere van neen. Altijd, als men zulke inlichtingen vraagt aan de Javanen zelven, wordt men te leur gesteld. Krijgt men geen zekerheid. Het is of iets geheimzinnigs, altijd, moet worden bewaard rondom alles wat zij hier doen, zelfs wat zij hier denken. Er is nooit de volkomene toenadering.

 

De bedojo's dansen. Maar dit is niet dansen, het is vroom en sierlijk, met een verfijnde gratie, zich rhythmiesch bewegen, op het klankgesprenkel dier glazen tonen, op den rhythmeerenden klop van den dalang. En telkens is er de sleep en de slendang. Het is als een sleep- en een slendangdans. Telkens wordt de lange, dunne sleepwimpel van den kaïn weg getikt met de teenen; telkens wordt de lange, dunne slendang weg gewuifd met de strakke,

[p. 201]

opgewipte vingertoppen. Er is een halve seconde wachting: telkens als die sleep wordt weg getikt, slendang weg gewuifd. Kleedsters, gehurkt, zijn onophoudelijk bezig de sleepjes te schikken. Het is bizonder gratieus, bijna gemaniëreerd. Als de negen bedojo's zoo tikken en wuiven, te gelijker tijd, is het of wind waait door bloemen en bladeren. En altijd de serieuze Boeddhagezichtjes, maar heel teêr en vroom van uitdrukking. Dit is alles oververfijnd, overbeschaafd. In latere eeuw, achttiende, negentiende, is niets uitgevonden, dat fijner is en meer gecizeleerd van overbeschaving. Te denken, dat deze dansen eeuwenoud zijn van traditie, gesproten uit eenmaal heiligen dans en eeredienst.

Dan is er plotseling iets vreemds. De bedojo's hebben - wij merkten het niet op - ieder een pistool in haar gordel verstoken. En al bewegende nemen zij het pistool ter hand en schieten het schot van los kruit...

Het klinkt als één schot...

En de Soenân is opgetogen.

- Hoor je wel?! roept hij uit. Zij hebben het te gelijker tijd afgeschoten!

Toen bewogen zij weg, rhythmeerden zij weg, met slendang en sleep. Hare Boeddha-gezichtjes hadden niet bewogen. Geen droppel tikkelde na den vermoeienden dans, aan voorhoofd of borst, om het borèh-blanketsel. Onbewogen wiegden zij heen, maar zoo zoet melancholiek en gratieus. En verdwenen langzaam door de zijdeur. De dunne sleep der laatste was als een loom schuifelende slang.

 

Wij stonden op. In optocht gingen wij den Kraton zien, ge-armd. De vroolijke Ratoe-Alit nam mijn arm. Wij gingen allen door de zaal, waar het symbolieke Bruidsbed stond, waarvoor de vorstelijke huwelijken plaats hebben. Vreemd, dat bruidsbed, dat je zoo maar passeert alsof het een gewoon meubel is. Er waren electriesch verlichte hooge boomen, ik geloof waringin of ficus, ik onderscheidde het niet. Er waren trapjes en bruggetjes, je liep bijna tusschen de verlichte boomtakken. Het was een vreemd

[p. 202]

fantastische creatie. Je zette je naam in een vreemdelingenboek. De Ratoe-Alit vertelde van allerlei, toonde mij de binnenhoven; daar hurkten in schemer, de, in hofdracht gekleede, dienvrouwen, onder de oksels de sarong getrokken. Daar zagen wij ook den toren, waar de Soenân soms een samenkomst heeft met de Godin van den Indischen Oceaan: Njaï Loro Kidoel heet zij. Zij waarschuwt hem soms voor rampen. Eenmaal toen hij, binnen tredend, struikelde, schrikte zij en riep zij: Anâk!!(kind!) Sedert beschouwt de Soenân haar als zijne moeder - vroeger was deze godin de goddelijke gemalin der Soenâns. De Ratoe-Alit vertelde mij dit alles; later bevestigde mij de Rezident het. Gelooft de Soenân het zelve, dat hij zijne hemelsche moeder ziet?

Ik weet het niet, maar hij is overtuigd, dat hij regen en wind kan doen verdwijnen of verschijnen, als de godin van den Indischen Oceaan hem helpt. Geheel zuiver Moslemsch schijnt mij dat alles niet. Zijn er dan toch meer goden en godinnen naast en om den eenigen Allâh? Het zijn de oeroude geloofstradities, die stammen uit den Hindoeschen tijd. Na deze pauze zetten wij ons weêr op onze plaatsen. En zagen wij den Wirèng - den oorlogsdans - gedanst worden door Raden Mas Soediro, een der jongste zonen van den Soenân: hij is zestien jaar, Mulo-scholier, voetbalheld èn... danst den Wirèng met groote gratie. Zijn tegenstander was een neef, geloof ik, die als vorst van Borneo optrad en natuurlijk verslagen werd. De Soenânszoon, Javaansche efebe, fijn en toch stevig gebouwd, bovenlijf naakt en beborè'd, met de Hindoesche Makontah - kroon der helden - om de slapen, den langen, gepoeften kaïn en kleurig voorschoot, dat van achteren in twee banen uitzwierde, versloeg den verraderlijken prins van Borneo met niet altijd overtuigend zwaardgehouw. Toch was hij bizonder gratieus en ontvingen wij zijn portret van den Soenân. ‘Je krijgt er maar één!’ zeide de Soenân. ‘Ik moet elken gast er één geven. Tjoema Satoe! (slechts één).’ Vinger in de lucht. Goedhartig, ja, maar wat vreemd van manier en voordracht.

Toch, hoe dankbaar ben ik Toean Soenân (zoo wordt Zijne Hoogheid aangesproken), dat ik zijne bedojo's en het jonge prinsje heb zien dansen...!!

[p. 203]

Onze djaït (naaister, lijfmeid) was er heen gegaan met den oppasser van den Rezident. Uit den tuin had zij alles gezien.

- Het is mij ‘koud om het hart’ geworden, zeide zij, zeer geemotionneerd: ‘toen ik in den heiligen Kraton mocht binnen treden: de oppasser wist het wachtwoord!’

En geheel de Javaansche eerbied voor den Kraton, voor den Soenân, huiverde aanbiddend in hare stem.

14

Niet zonder een gevoel van groote erkentelijkheid aan den Heer en Mevrouw Harloff voor hunne gastvrijheid - waren wij niet hunne laatste gasten, nu de Heer Harloff tot lid van den Raad van Nederlandsch-Indië is benoemd en spoedig naar Batavia zal verhuizen - en voor alles wat zij voor de nieuwsgierige toeristen deden, verlieten wij Solo om naar Djokdja te gaan. Onderweg tuften wij langs de vele suikerfabrieken, en de Merapi, daarginds aan de kim, stond in woelige werking met zware rookkolommen, die zich vermengden met het blanke gewolkte in de blauwe lucht. Het suikergewas verhief zich schitterend te velde, hoog opgeschoten suikerstammen, sierlijk neêrhangende de lange, smalle bladeren en van ieder blad het zonnelicht afdruipende in droppels vloeiend goud. Maar de machines in de fabrieken waren uit elkaâr gehaald, lichtte mij de heer De Man in, administrateur van de suikerfabriek Tjepper, en te zien was er nu niets. En ook voor de koffie-ondernemingen, velen hier verspreid, was het niet dàt schoone moment, dat de blank bloeiende koffie-heesters in vollen bloesem staan onder de beschaduwing der scharlakenrood bloeiende dadap-boomen: een sprookje van schoonheid, dat slechts twee dagen duurt, meen ik mij te herinneren van vroeger... Alle bloei, vele schoonheid, hangt hier in Java af van het snelle oogenblik, van de korte dagen, van de seizoenen, en de regenmoesson heerscht; tòch een gunstig oogenblik om te reizen, want het regent nooit den geheelen dag: na de blanke stortbuien volgen de gezegende zonneschijnen over de gebade natuur. En nooit

[p. 204]

hadden wij op onze tuftochten last van stof; ook was het steeds betrekkelijk koel. In den Oostmoesson zouden zeker stof en droge schroei-warmte mede op het programma hebben gestaan.

 

Wij waren in Djokdja de gasten van de Nederlandsch-Indische Hôtelvereeniging in het Grand-Hôtel en gaarne beveel ik het Grand-Hôtel aan als zindelijk en goed gedirigeerd. Zijn ook wel eens in de kleinere plaatsen de hôtels nog minderwaardig, er zijn werkelijk wel goede hôtels op Java en het is zeer jammer, dat de sombere tragedie van het Hôtel der Nederlanden te Batavia weêr een blaam, en welk een blaam!, op het hôtelwezen in Ned.-Indië heeft geworpen. Het Grand-Hôtel behoeft zich dien blaam niet aan te trekken en geeft den toerist wat des toeristen is.

 

Maar wij waren weldra ook de gast van den Rezident, den heer Jonquière, en van mevrouw Jonquière, en de rezidentale gastvrijheid is niet door den toerist te versmaden. Een enkel woord aan tafel of bij de thee licht den toerist, vooral hem, die zijn indrukken openbaar moet maken, beter in dan alle gedrukte reisgidsen te zamen, vooral omdat deze gidsen niet door hunne talrijkheid of volmaaktheid uitmunten. Waar blijft de Reisgids voor de Vorstenlanden, die eenigszins zoû evenaren het uitstekende boekje over den Preanger van den heer Hoogland?

 

De heer Jonquière ontving ons met de welwillende hartelijkheid, die alle hoofden van gewestelijk bestuur den toerist-en-persman betoonden op Sumatra en Java, en die ik ten zeerste waardeer. Hebben deze ambtenaren het niet zéér druk, zoû het niet te vergeven zijn als zij de plichten der gastvrijheid maar van zich afschoven? Is de charme van hunne hooge pozitie, van hun eens zoo benijdbare betrekking - zij gevoelden zich koningen in hun gewest - eigenlijk niet weg nu de nieuwe ideeën baan breken? Zoo deze misschien het ideaal bevatten van onze moderne tijden - wat nog zeer te bezien staat! - is dan bij voorbeeld: ‘decentralisatie’, dat is de ontneming van beheer-en-toezicht over takken van

[p. 205]

dienst, die toch eenmaal geschapen werden door de hoofdambtenaren van b.b., niet een bron van bitterheid voor de gewestelijke bestuurders? Hun koningschap heeft uit; met hunne benijdbaarheid is het gedaan; de bekoring hunner hooge pozitie... er is werkelijk niets meer van over. En het is niet alleen omdat de pajong hun ontnomen werd - symbool van gezag - een nieuwigheid, die geen echten Javaan ooit duidelijk is geworden in zijn oeroude traditie-hersenen; dat zij bitter zijn in hun hart, deze mannen aan wie ons Indië zoo onnoemelijk veel heeft te danken. Het is misschien zelfs niet omdat zij met een maandelijksch traktement van ± 1500 of 1800 gulden... een paleis moeten bewonen, in de Vorstenlanden nog wel met een troonzaal! Probeer het maar eens met dit sommetje hen na te doen. Hunne bitterheid is vooral omdat zij mannen zijn, wier krachtige persoonlijkheden, tot besturen geboren, den laatsten tijd min of meer in den hoek werden geduwd, met àlle hunne mede-ambtenaren, assistent-rezidenten en contrôleurs. Zijn zij eigenlijk wel noodig als de Regenten geheel worden ontvoogd en op eigen beenen staan? is de vraag der reformateurs.

 

Het is misschien omdat ik een kind van b.b. ben, een zoon uit een ambtenaarsfamilie, de achterkleinzoon van Abraham Couperus, den Gouverneur van Malakka, die niet anders kon dan Malakka den Engelschen overgeven, maar die Riouw voor Nederland behield door een diplomatieken zet, dat ik geloof wel iets meer te voelen voor den stillen wrok onzer hoofdambtenaren van gewestelijk bestuur. Maar ik mag niet doen gelooven, dat het de heer Jonquière was, die mij op deze gedachte bracht. Ik generalizeer slechts: ik voelde die bitterheid, waarover ik spreek, in àlle rezidenten en ambtenaren van b.b., die ik gedurende de laatste maanden mocht leeren kennen. En zoo ik haar hier vermeld, is het misschien om den indruk van dat immenze Rezidentie-huis, met, als in Solo, die onvermijdelijke troonzaal, dat huis, waar eenmaal mijn broeder Rezident is geweest in de toen nog meer glorievolle dagen van b.b. Die woning, zóó groot, dat de kleine zoon-des-

[p. 206]

huizes er verleden zijne moeder in verloor en begon te weenen omdat hij, verdwalende, haar niet vond... Klinkt het bijna niet als een sprookje?!

 

Zulk een huis, in volle licht en bloem- en plantversiering, moet ge gedurende een grooten dag, bij voorbeeld, den verjaardag van de Koningin, eens zien. Dan komt het tot zijn recht. In het gewone leven moet zulk een huis, zulk een paleis, bewoond worden met een stoet van bedienden, moet het park - het is reeds de helft kleiner dan toen mijn broêr hier woonde - onderhouden worden door een stoet van... gestraften: dat gebeurde vroeger, maar is nu niet ‘moreel’. Moet dit park echter verzorgd worden door vier, vijf kebons1...

‘Het ziet er wel wat verwaarloosd uit’, verontschuldigt zich de Rezident, met wien ik er in wandel. ‘Maar als ze hièr begonnen zijn, is het dààr al weêr vol onkruid...’

 

Middeneeuwsche bentengs, versterkingen en kasteelmuren, zouden aan het emplacement van den Kraton te Djokdja hier en daar het aspect van een kasteel geven, indien het alles niet zoo laag ware, verdiepingloos, torenloos, met de stijllooze, wegvluchtende daken. Van bouworde is dit wederom, als in Solo, onbelangrijk, bouworde-loos; indruk maakt dit wijde complex van gebouwen in het geheel niet. Al de Vorstenlandsche schoonheid en belangwekkendheid verbergen zich achter deze muren. De stad zelve, in dit morgenlicht, is in de oude wijken zeer vervallen, maar men bouwt geheele nieuwe wijken met de kleine moderne huizen, die nu mode zijn, voor de toenemende bevolking.

Toen wij dien morgen den Kraton bezochten, trof mij vooral de Siti Tingil, letterlijk, de ‘hooge aarde’, die op mij hier meer indruk maakte dan deze zelfde plaats te Solo. Het is vóór het paleis, de verheven, overdekte pendopo, - zeer eenvoudig het dak rijzende op maar ijzeren of houten pilaren. Daar, op een

[p. 207]

gewijde plaats, troont de Sultan bij feestgelegenheid, naast zich den Rezident, die hem ge-armd dan heeft geleid naar zijn zetel, zetel geheel gelijk aan die van den Rezident zelve. Deze gewijde plaats is echter anders ingesloten in een soort kooi, om te verhinderen, dat wie ook er over trede.

Het binnendak van gesneden djatihout was mooi. Een, ook omkooide, verhevenheid rechts, dient bij feest voor den zetel van den Kroonprins; links is de plaats waar de dignitarissen met de rijkssieradiën neêrhurken.

 

In dezen morgen, het zonlicht gedempt, maakt dit Kraton-emplacement een bijna geheimvollen indruk. De ordonnansofficier van den Rezident geleidt mij. Hij wijst ons de gewijde maar rond gesnoeide waringin-boomen in gepleisterde balustraden omvat en die vóór de Siti Tingil rijzen; als er een tak breekt van dezen heiligen boom, sterft een familie-lid van den Sultan. Uit de Siti Tingil, van af de troonverhevenheid, ziet men, als uit een Perzische apadâna of troonzaal, over het wijde plein ruim rond en bij feesten zal de geheele, dan dicht op-een gepakte menigte, den Sultan daar met den Rezident zien zetelen. Zoo is het te Solo ook. Er gaan wel eens aardige anekdoten rond over vroegere Sultans en Soenâns en vroegere Rezidenten. De pajongs moesten voor Vorst en Rezident van gelijken omvang zijn, maar soms deed de Soenân, in het geheim, zijn pajong wijder maken, dan voorgeschreven was. De Rezident, wien deze plagerij overkwam, zeide dan niets, maar bestelde oogenblikkelijk een nieuwe pajong van de zelfde wijdte als die van den Soenân. De zetels van Vorst en Rezident moesten op één zelfde lijn staan. Maar de Vorst deed dan wel eens of hij bijziende was, en trok, knipoogende, zijn zetel bij de armleuningen naar voren, zóó dat zijn stoel stond buiten de aangewezen lijn, en hij dus den Rezident àchter zich zetelen deed, al was het ook maar enkele centimeters. Maar de Rezident liet zich dit niet welgevallen, en trok, met de zelfde beweging, ook zijn stoel naar voren, zoodat hij wederom op gelijke lijn troonde als zijn ‘zoon’; hij was immers de officieele ‘vader’ van den Vorst!

[p. 208]

Of deze liet als bij toeval zijn zakdoek vallen, hopende, dat de Rezident dien zoû oprapen, iets, dat hem zeer vernederen zoû in de oogen der omringende Javaansche hovelingen. Maar de Rezident wenkte in dit geval een volgeling en gebood hem 's Vorsten zakdoek op te rapen. Alle deze kleine plagerijen zijn echter nu slechts de anecdoten van meer dan dertig jaren geleden; de Vorsten zijn werkelijk dezer dagen van grootere loyaliteit en voelen den werkelijken steun, dien zij aan de Rezidenten hebben.

 

Wij liepen de hoven en tuinen door. In wachthuizen, hier en daar zaten de ‘regenten’ neêr gehurkt: men vergete niet, dat zij, trots dien naam, hier niet meer dan ordonnansofficieren en kamerheeren zijn, in statige afwachting steeds, en men verwarre ze dus niet met de gewestelijke bestuursregenten, die elders terzijde staan van den Rezident. De wacht werd juist afgelost; wel wat zeer rijpe soldaten, ouderwetsche vuurroeren en sabels, antieke speren, over het algemeen een beetje zielige verdedigers. Er zijn acht vaandels en tachtig soldaten, meende ik te vernemen.

 

Wij liepen door. Geen pracht - de antieke praal zouden wij eerst later zien - maar een wel geheimzinnige huiver. Het is alles zoo vreemd, gestold, huiveringwekkend; men vraagt zich af, wat dit worden moet in spoedige toekomst. Een prins - hij schijnt een oudere broêr des Sultans te zijn, maar geboortig uit een bijvrouw - zit gehurkt midden in den tuin, op den grond, rookgerei vóór zich, volgelingen achter zich. Hij neemt geen notitie van de toeristen, die daar gaan, met hun speciale permissie, want het is geen Vrijdag, de dag van toelating tot den Kraton. Hij zit daar roerloos en droomt. Hij beweegt niet. Hij staart. Als wij over een uur terug komen, ter zelfder plaatse, zit hij er nog, in de zelfde houding. Nu ik weet wie hij is, meen ik hem te moeten groeten. Hij ziet niet op of doet of hij mij niet ziet. Hij blijft roerloos in Oostersche afgetrokkenheid en verzonkenheid, in minachting misschien voor wie daar passeeren.

[p. 209]

Dit is het Gerechtshof, met wederom een gewijde zetelplaats, onder een kooi bedekt, opdat geen ongewijde voet er trede. Dit is de Wand, waartegen de misdadiger, veroordeeld, gekrist werd. Intusschen loopen enkele prinsen ons voorbij, den hoofddoek strak om de slapen, één lange punt van achteren ter zijde uitgetrokken. Slanke, heupwiegende silhouetten, de kris, geheel van achteren, in den gordel. Overal hurken stille figuren, soms bij hun matje-en-kussen, morgenkoffie drinkende. Zij hebben hier geslapen: hebben zij geen andere vertrekken, dat zij hier zoo maar om en bij het Gerechtshof de nacht hebben doorgebracht?

 

Naakte kindertjes dartelen even rond, een amuletje bengelend over hun buikje. Een auto, met dienaar en pajong, rijdt voor een poort: het is de oudste zuster van den Sultan, die haar broêr komt bezoeken: wij zullen dien avond met haar kennis maken. Nieuwsgierig kijkt zij even naar de vreemdelingen, gaat dan door met hare dienaressen. In een glazen palankijn worden stapels ooft binnen gebracht: het is zeker een geschenk, een kleine hulde, van ik weet niet wie. Allerbizonderst, die pisangs en mangis en ramboetans, sierlijk gestapeld in korven en vervoerd in die glazen palankijn. Echt verrassende détails van een Oostersche hofhouding. Dan plotseling een geur van zware parfum en bloemen, die aanwaait, ik weet niet van waar...

 

Ik ben blij iets van den Kraton te zien, in den vroegen morgen, vóór wij dien avond onze opwachting bij den Sultan mogen maken. En wij gaan verder. Er is nog zooveel, dat ons zal worden getoond. Maar hier hurken om hare kaarten, dobbelsteenen en kopjes koffie tien, twaalf oude vrouwen, den sarong onder de oksels geknoopt en zij vragen nieuwsgierig, aan wie ons geleiden: -Wie zijn dat? Hebben ze een speciale permissie? Het is toch geen Vrijdag?

Het zijn de harem-bewaaksters, die niet goedkeuren, dat wij een speciale permissie hebben. En ze vragen en kakelen achter onze ruggen als ontevreden papegaaien, terwijl wij verder gaan...

[p. 210]

15

Zoo, tusschen hoogere en lagere hovelingen - zij zitten, zij hurken, zij loopen hier en daar, en zijn de vrouwen nieuwsgierig, de mannen bewaren de meest minachtende onverschilligheid, met hun naakte bovenlijven, hun vlecht of haarstaartje uit hun kegelvormige mutsjes, hun kaïn zeer wijd gedrapeerd, met een punt - naderen wij de ontvangzaal. Stel u nooit wanden voor; open zijn altijd deze hofruimten. Gesneden djati-hout met bladgoud overdekt, is het binnendak. Steeds de stilte, die heerscht door deze wijdten, met hier en daar het zwijgend gedobbel tusschen de hurkende trawanten...

 

Dit is de eigenlijke Kraton; daar is de Gedong Koening - het Gele Huis - waar de Sultan woont met dichtbij de kantoren; in een binnenhof zitten in kooien vechthanen en een neushoren-vogel te treuren. En hier is de danszaal, waar de srimpi's, dochters van hofregenten, wel zouden dansen een dezer avonden, zoo het niet strenge rouw ware om het overlijden van den ouden Sultan: Hamangkoe Boewono vii: Hij die het Heelal in den Schoot draagt. De initialen h.b. vii, zien wij overal rondom, vooral op een groot spiegelglazen schutsel, een doorzichtig schutsel, ik vraag mij af waarvoor... Deze prachten zijn wel eens onlogiesch en niet altijd goed van smaak.

 

Wat wederom treft in dit heiligste van den Kraton, is het symbolieke Bruiloftsbed, verguld het elaborate snijwerk. Ook worden in vergulde kasten en schrijnen hier de heilige Poesaka's1 bewaard, die wij dien avond bij hooge gratie zullen mogen bewonderen op voorspraak van den Rezident. Een steeds brandende lamp vóór het Bed en tusschen de heilige dingen. De oude vrouwen verzorgen dit gewijde gedeelte van den Kraton; geen man helpt haar in dit werk; om zes uur 's morgens openen zij deze poorten, om zes

[p. 211]

uur 's avonds sluiten zij ze; bij feesten zijn het deze vrouwen, die de gewijde wapenen bieden aan wie het recht hebben ze te dragen.

De Troonzaal hier recht tegenover; in het binnendak prachtige, gouden caissons, gesneden hout met bladgoud overdekt: de talrijke smalle binten zijn als zoovele zonnestralen.

Als een vrouw in het voorbij-gaan de heiligheid van het Bed en de Wapenen en de onzichtbare Poesaka's langs gaat, schetst zij zelfs van uit de verte, het gebaar van de ‘semba’, zooals de Roomsch-Katholieken het kruisteeken maken als zij voorbij een kerk gaan.

Wij zijn weêr buiten; bij de poort staat een schildwacht met een ouderwetschen tromplader. Wat oude wapenen en oude kanonnen! Wat een vetuste overblijfselen van langzaam wegteerende macht! En ook, vermoedelijk, wat een wespennest vol intrigue, van hoogere en lagere vrouwen vooral. De regeerende Sultan, hij is langen tijd in Holland geweest - zagen wij hem niet telkens bij Mengelberg? - om het gevaar dezer intrigues te ontloopen. Ratoe's en bij vrouwen, zonen van de eersten en zonen van de anderen; wat al ijverzuchten, misgunning, haat en misdaad, en de geheime giften gemengd in diepst geheim; geheimen die nooit ontsluierd worden...

 

Dien avond ontvangt ons de Sultan. Hij is nog jong en welk een onderscheid met den Soenân. De Sultan is geheel en al een Oostersch vorst van groote voornaamheid, met de meest hoffelijke manieren, kalm rustig, glimlachend. Als de Rezident mij voorstelt, en als wij daarna in een wijden cirkel zitten - ambtenaren, Pangérans en wij, enkele toeristen met onze dames - verontschuldigt de Sultan zich, dat hij nòch de srimpi's kan laten dansen, nòch zijn wajang kan laten vertoonen, omdat hij de rouw voor zijn Vader draagt. Het is dus een geheel intieme ontvangst. Ververschingen worden geboden door dienaren, sierlijk gekleed en in goeden Javaanschen stijl, hoewel het kruipende dat mij twintig jaar geleden bij de dienaren van sommige Regenten trof, niet

[p. 212]

meer schijnt te worden ge-eischt: invloed van moderne ideeën. En hoewel de Sultan niet veel Hollandsch spreekt en ik niet veel sierlijk Maleisch - ik begin meestal in heel schamel Maleisch en eindig mijn zin in het Hollandsch - laat hij niet af, telkens weêr het woord tot mij te richten, en mij naar mijn reis te vragen, naar Sumatra vooral, terwijl ik hem over Mengelberg spreek.

 

Daarna staan wij op. Ginds zijn de Poesaka's uitgestald; de antieke heilige dingen: gouden vazen, sirihdoozen, gouden kalkoenen en draken, Garoeda's - de vogels van Vischnoû - schilden, speren met vergiftige punten, krissen, lansen. Elk van deze voorwerpen heeft een naam en ik wil u niet zoo vele namen noemen: alle deze Regalia te zamen heeten de Depàtjàrà of Kèpraton; de plaats waar de Sultan ons ontving, zijn officieele ontvangzaal vóór de gewijde verhevenheid van het Bed, heet de Poerbàjèskà, en een kris heette Kjahi Dewàperwàtà. Dit zijn poëtische benamingen en zoo zijn zij allen, maar de sonore klank zij u voldoende want ik weet niet wat zij beteekenen: de ‘translateur’ van den Rezident vertolkte ze mij, helaas, niet. (Waarom heet deze heer maar niet op zijn Hollandsch ‘tolk’ of ‘vertaler’?) Juist terwijl ik dit schrijf, ontvang ik bericht van enkele sonore namen van juweelen mèt de vertalingen! Kwam ooit iets beter te pas? Dus weet ik u nog gauw te vertellen van een ring met kolossalen brilliant, die Temoengoe-Sidji heet: Hij met het Eéne oog, terwijl kleinere brillianten ringen de ‘melati-knoppen’ worden genoemd. Vele dezer prachtige Poesaka-ringen hebben namen als: ‘de glinsterende zee’ en ‘de tot glimlach wekkende’, en als zij klein zijn, zijn zij nòg, voor onze bescheiden begrippen, groot.

 

Iets bizonder moois van stemming is te Djokdja de ruïne van het Waterkasteel. Dit is als een sproke der oude tijden, een sproke van sultans en prinsessen, zoo gij tenminste het geheim weet voor uwe verbeelding de schimmen van Javaansche vorsten en vorstendochters op te roepen, in dezen wel zeer zorgeloos verwaarloosden bouwval. Door die verwaarloozing is zeker schilderachtig

[p. 213]

het complex gebleven van deze torens, trappen, bassins, vijvers en steenen vertrekken waar het mos woekert en de groote bladeren der Caladia als tropisch onkruid tusschen de steenen opschieten in de regenvolle plassen. Geesten zullen hier zeker door de onderaardsche gangen zweven op de hun dienstige schemeruren, geesten van wie zich vroeger hier vermeid hebben, in Oostersche pracht en praal, toen deze vijvers en bassins vol zuiver water waren, toen de barken hier lagen gemeerd, toen zij hier baadden en zwommen terwijl fluiten en luiten samen klonken, en de slaven en slavinnen marden aan de steenen boorden. Dit was dus een lustverblijf van watergenot; en nu is het eigenlijk een nationaal monument, even goed als de Boeroeboedoer, maar de vergrauwde en vergroende steenen brokkelen af; niemand acht het Waterkasteel dan de enkele Javaansche vrouwen, die hier offeren haar doepa (wierook) en bloemen op sommige heiligste plekken, bij voorbeeld, in dit vreemde, geheel uit steen gehouwen slaapsalet met dezen uit steen gebeeldhouwden, zwaren schutselwand.

 

En zoo hebben wij Djokdja alweer gezien en verlaten wij de stad, met den steeds herhaalden weemoed, ge zoudt kunnen zeggen, den weemoed des reizens, die hangen blijft aan elk vertrek van een plaats, die belangwekkend is en die men verlaat, terwijl men er toch niet zoû willen toeven. En verlaten wij de Vorstenlanden, dat wat over is van het groote vroegere Rijk van Mataram. Misschien is er niet veel, maar toch is er wel ièts van deze vroegere souvereine grootheid over. Er is dichtbij de Boeroeboedoer, er zijn de tempels van de Mendoet, van Prambanan, van de Tjandi-Sewoe, en dan is er al deze antieke beschaving. En wat het vreemde is, is dit: stelt men den bouw van den Boeroeboedoer omstreeks 900 na Chr., dan vergete men niet, dat de Hindoesche beschaving zich slechts een kwart eeuw later verplaatst heeft naar het Oosten van Java, al zoû het vermetel zijn, den bouw van den Boeroeboedoer niet langer te laten duren dan deze vluchtige vijf-en-twintig jaren. Toch, als de chronologie der oirkonden klopt - die der beschreven steenen en koperen platen, die de eenige annalen dezer tijden

[p. 214]

zijn - dan is in dezen tijd een groote, politieke beweging Oostwaarts begonnen; dan is het Rijk van Kediri in deze tijden tot macht gekomen. Wat is er, op de genoemde grandioze tempels na, weinig over van die historische tijden, van deze Mataramsche majesteit, die wankelde, van deze Kedirische majesteit, die oprees.

 

Hoe spoelen de eeuwen, met ieder haar eigene cultuur, over elkander, als golven over golven en wat laten zij weinig over van wat millioenen menschenzielen gedurende zoo velen eeuwen hebben gewrocht, van wat alle die zielen hebben doorleefd en doorleden. Nauwelijks een enkele massale rots als de Boeroeboedoer, die bleef òpsteken uit haar getijden omhoog, en als die andere tempels, die ons toeschijnen riffen en klippen rondom den rots; riffen en klippen, waarop de bedrongene Schoonheid dier tijden klom en zich tot nu toe staande hield. En dan verder niets, dan de enkele beschreven steenen, dan de enkele metalen kronieken. Enkele namen van vorsten en heilige asceten, wie men heiligdommen stichtte; een enkele lingga (fallus-symbool), beschreven met bijna onontcijferbaar letterschrift. Erlangga is in den jare 1000 de groote vorst van Kediri tot het Oosten toe, dat Janggala heet. Hij bereidt Kediri's oppermacht voor. Kaneçwaza is na hem de koning, die ons interesseert, omdat hij de Raden Pandji der Pandjiromans is, waaruit wij het wajang-wong-spel zagen vertoonen. Maar verder, wat weten wij van de oer-tijden dezer landen, die nu koffie en suiker gewijd zijn, cultuur en winstbejag. Helden en goden hebben hier gestreden: legenden dragen hunne namen en daden nog van bergtop naar bergtop, de harmonieuze glooiïngen, die de lavastroomen boetseerden, op en neêr.

Ik wil u niet langer vermoeien met dingen en menschen van wie wij weinig weten. Deze schimmen in deze atmosferen zijn hier nauwelijks op te roepen, zooals wèl zijn op te roepen de antieke schimmen van Hellas en Rome. Is het misschien omdat de kolossale natuur hier met zoo krachtige stuwkracht en steeds zoo machtig voort schrijdt, dat onder zoo breede bladeren en zware

[p. 215]

boomenkoepels, en bij zoo hevige bevingen der aarde en uit-laaiïngen der vulkanen, verloren gaat wat een kleine honderdjaar geleden nog zichtbaar en vermoedbaar was? Nu is het gemakkelijker te bevroeden dat Athene en Rome hebben bestaan, dan dat de geheel verdwenen Mataramsche steden hier hebben bestaan onder hunne stedehouders en rijkskanselieren, wier namen nauwelijks oprimpelen op de kabbeling der legenden.

 

Er is tòch iets van dat alles over: dit volk met de mannen der lange haren, die de Midden-Javanen zijn. Huwt geen man met lange haren, o maagden, zoo ge gelukkig zijn wilt, is de spreekwijze in Oost- en West-Java, waarmede de vrouwen aldaar worden gewaarschuwd voor de mannen der Vorstenlanden. Zij vertoonen, zoo zij van hooge geboorte zijn, niet de lenige assimilatie der Soendaneezen en West-Javanen. Zij leeren niet zoo gemakkelijk als deze beiden Nederlandsen spreken. Zij zijn er ook te hooghartig toe. Zij zijn spottend, minachtend: zij voelen zich, hoe ook vermengd met latere elementen, de afstammelingen der Matarammers. Zij zijn nu Môslems, naar uiterlijk vertoon, maar hoeveel Hindoesch bleef er niet in hun nevengeloof, zoo wij niet van bijgeloof willen spreken. Zij voelen zich geboren aristocraten. Toch, een uitspraak, die ik vroeger wel eens gehoord heb: ‘zelfs de minste Javaansche koelie is een aristocraat’, moet ik herroepen. Zijn hunne grooten veelal fijne, geslotene, ons steeds mysterievolle zielen, het eigenlijke volk is grover en ruwer dan vooral dat der Soenda-landen... De Midden-Javaansche vrouw, met haar slordigen, zijlinkschen haarwrong, in haar donkere baadje, kan niet wed-ijveren met de Soendaneesche, sierlijk van kleedij, geurig van bloemen in het glanzende haar. De Javaansche vrouw sjouwt met haar last op den rug langs de wegen: alle de andere Inlandsche vrouwen, die wij lasten zagen dragen, dragen die als koninginnen, wiegelend de heupen, recht het hoofd, en zonder bijna de handen naar die lasten te beuren.

 

Er drijft hier steeds een laatdunkendheid in de lucht. En ik kan de

[p. 216]

gedachte maar niet van mij afzetten, dat in deze landen der ommuurde Kratons, waartoe wij toch wel toegang hebben, in deze landen van Soerakarta en Djokdjakarta, het geheim, het afgesloten geheim in zielen en achter muren, is blijven bestaan en voortwoekeren, trots alle, misschien naïve, toenadering die wij, Westerlingen, wij, vooral hier, onbeminde overheerschers, hebben gepoogd tot stand te brengen: wij zijn nimmer nog doorgedrongen in deze Javaansche, in deze Midden-Javaansche ziel, en gesloten zal zij, tot het einde, ons blijven.

16

Wat is de Boeroeboedoer, de van verre bijna zwart profileerende, architecturale massa, die zich daar, als men nadert, uitteekent op den heuvel, uìtstekend middenpunt in de kokosvalleien! Het is geen tempel, dien men binnen kan gaan, hoewel zeer zeker steeds eeredienst werd gewijd aan velen dier Boeddha-beelden, hier onder stûpa's-klokvormige, doorzichtig gebouwde koepels - geplaatst. Zelfs aan velen der bas-reliëfs, die Boeddha's leven er in steenen houwwerk uitbeelden. Zoo als ook nog dezer dagen gebeurt, omdat het Hindoe-isme onverdelgbaar bleef, trots het schijnbaar overwinnende Islâmisme. Neen, de Boeroeboedoer, het Heiligdom der Duizenden Boeddha's, zoû, eerder dan een tempel, geweest kunnen zijn de heilige schrijn, waarin een Boeddha-reliquie - een deel van het heilige lichaam van Boeddha zelven - zoû kunnen zijn bewaard.

 

Veronderstelling, die zich aan u opdringt, als ge hier rond dwaalt langs deze steeds hooger optorenende galerijen. Wij weten niet, en de bekoring van het onbekende is hier dus groot. Dit immense bouwwerk is een geheim: zijt ge genaderd, dan is, in de verduidelijking van het morgen- naar middaglicht toe, deze bouwmassa van bijna zwart, grauw geworden. Tot het lichter en lichter vergrijst, tot hier en daar enkele gedeelten bijna gaan blanken in felleren zonneschijn. Tot, soms, in maneschijn, het indrukwek-

[p. 217]

kende heiligdom wit wordt, ivoorwit, krijtwit, in zijne wijde omcirkeling van palmgaarden, die tot den horizon toe gaan en onder de bijna witte nachtlucht, die nauwlijks blauwt.

 

Boven vier, steeds hooger met vele hoeken omgaande, onoverdekte galerijen, wier nauwlijks manshooge wanden de gebeeldhouwde fries vertoonen, die Boeddha's leven weêrgeeft, rijzen de drie ronde terrassen, waarop de verschillende koepels. En het hoogste terras verheft de klokvormige stûpa, waarin vermoedelijk de heilige reliquie werd bewaard, hoog in de lucht, in den zonneschijn, in den wind, in de maneklaarte. Niets is verhevener dan zulk een gedachte: een deel van het vergankelijke lichaam van den Menschgod in vleeschloos gebeente, haarlok met tooverkracht, wellicht wel, in gewijde schrijn besloten, rafel van een door hem gedragenen mantel, te verheffen tot vereering, op den top van een machtig bouwwerk, dat zich uitteekent, zichtbaar tot verre blauwende kimmen en groenende einders.

Leeuwmonsters zijn dorpelwachters en door stijlen van smalle poorten gaan nauwe trapjes omhoog. Spuiers en gootmuilen zijn gehouwen in den vorm van gedrochtelijke dieren. Bloemfestoenen omlijsten de bas-reliëfs; spiralen vullen in dichten arabesk de ruimte tusschen de steenen schilderijen, die bijna hoogreliëf worden. Bloemen in vazen zijn gebeeldhouwd als rustpunten tusschen de verschillende legendarische tafereelen des beeldhouwwerks.

 

Als men niet te haastig en met Oostersch geduld en vrome toewijding gaat door de Oosterpoort langs den galerij-wand, wordt de incarnatie en het leven van den Boeddha voor u zichtbaar en kan het begrensde kunstwerk zich bezielen in uwe verbeelding en tot de wijdere, ideëele ruimte-afmetingen zich breiden. Hier, in deze stemmings-volle, van bries ruischende atmosfeer, even verheven boven de aarde, kan de toeschouwing zich verdiepen, zich vergeestelijken, zich abstraheeren van het gebeitelde steen. Het kunstwerk wordt waarheid. De Bodhisattwa - dat is wie weldra

[p. 218]

de Boeddha zal worden - is zich in den hemel van zijn middelaarstaak bewust en zegt goden en engelen, dat hij vleesch worden zal en ter aarde dalen. De heilige hemelwezens dalen vóór hem en leeren den volke de Veda's. De goden beraadslagen in welke gedaante de Bodhisattwa zich verstoffelijken zal. De goddelijkheid zal in vele gestalten van nederigheid zich herscheppen, en voor het laatst aanbidden hem in den hemel de goddelijke wezens. Hier zijn zijne toekomstige ouderen, een koning en een koningin. Zij, de koningin Maya, droomt, dat zij een witten olifant baren zal, en, ontwaakt, begeeft zij in vroomheid zich naar het açoka-woud. Brahmanen verklaren haar droom; zij zal baren den Koning der Wereld. Haar gemaal trekt eerbiedig zich terug in een kluizenarij.

Wonderen gebeuren. Leeuwen zetten zich aan de poorten in de plaats der dorpelwachters, een stoet olifanten komt den koning hulde bewijzen; hemelsche wezens dalen uit wolk en lucht.

De koning en de koningin aanbidden elkaâr. Dan baart zij het kind. Stralende zetelt het op een hoog-stengelige lotosbloem. Zeven passen doet het naar elk der elementen en windstreken. De goden gieten hem het water uit tot een bad.

Asita, een Brahmaan, voorspelt den koning, dat zijn zoon de Boeddha zal zijn. Inderdaad doen de goden hem hulde op aarde en geven hem de vorsten paleizen en schatten.

Maar die glans is overschitterd door den glans van het kinderlichaam. Als knaap tot zijn leeraar gaande, bezwijmt deze in eerbied, zoodra hij hem naderen ziet. Des Bodhisattwa's kennis rijpt in hem wonderdadig. Zit hij onder den Bodhi-boom te peinzen, zoo wendt deze zijne beschuttende schaduw niet van hem af...

 

De zinvolle legende ontrolt zich verder en verder. Heb ik aan de hand van Dr. C.N. Krom enkele details in het lange steenen tafereel getoond, het zoû te ver voeren alle deze bas-reliëfs aller deze hoogere en lagere galerijen te verklaren. Dit beeldhouwwerk is mollig van modelé en getuigt van groote rijpheid. Het is dunkt mij, niet archaiesch naïf. Het is wel eens zeer wereldsch: het geeft geen primitieve schoonheid weêr; de extaze's en aanbiddin-

[p. 219]

gen zijn te veel bewerkelijke apotheoze's. Ik kan mij verbeelden, dat er beeldhouwers zijn geweest, voorgangers, die alle deze dingen in grooteren eenvoud en vroomheid reeds hadden gebeeld. Deze kunst nadert de wereldsche volmaaktheid. Zijn wij dan even moê van dit mollige en vleeschlijke en zien wij op, dan zien wij in den blauwen hemel, in de groene palmgaarden en voelen dat deze kunst reeds overrijpheid naderde. De verschillende Boeddha-incarnaties zweemen soms naar een theatrale decadentie. De geheele conceptie van den Boeroeboedoer is de versteening eener, tot den hemel hymne-zingende, verrukking; de details dezer friezen rukken terug tot de aarde. Misschien is de materie, - het poreuze steen, - hiervan de schuld. Het kon zich niet altijd genoeg vergeestelijken of de beeldhouwer was te veel kunstenaar en te weinig Brahmaan.

 

Dit is misschien een vreemd vermoeden. Hoe moeilijk, hoe overmoedig is het eigenlijk te oordeelen over wat eeuwen geleden gewrocht werd, door kunst en kunstenaars, die aan onze moderne ziel vervreemd zijn. Maar wie is de spontaneïteit zijner indrukken meester?

Terwijl ik critizeer, voel ik mijn ontgoocheling onrechtmatig. En zie dan naar boven en rondom in lucht, licht en landschap. En dan is het dadelijk of iets naders van deze vroegere wijdingsdienst en kunst tot mij drijft en mij verzoent, terwijl ik daar sta op die rots, eenzaam uitstekend in den Oceaan der Tijden, die al dit leven van diepe gedachte over hemelsche dingen verzwolg...

De verschillende atâvâra's, de reïncarnaties, blijven, na deze critiek, in deze beeldenreeks dan toch zeer belangwekkend. De Bodhisattwa is voorgesteld als de zoon van een Brahmaan en biedt zijn lichaam een hongerige tijgerin, die hare welpen niet zoogen kan; als de zoon van een vorst, geeft hij zijn oogen een blinden bedelaar, die de god Çakra blijkt te zijn en hem beloont. Steeds is zijn buitengewone liefdadigheid het overheerschende motief. Hij wordt als de god Çakra zelve geboren. Hij wordt geboren als de Koning der Zwanen. Hij wordt geboren als een

[p. 220]

groote aap, en redt een verdwaalde in het woud van diepen afgrond. Den geredde, die ondankbaar den Bodhisattwa vermoorden wil, vergeeft hij daarna. Hij wordt geboren als een hert met een melodieuze stem en predikt ten hove de waarheden. Hij is een olifant, hij is een stier, hij is een prins, een asceet, hij is een houthakker en verlost een leeuw van een been, dat hem dwars door zijn muil steekt. Maar in de doorzichtig gestapelde koepels, die hunne klokken op de terrassen verheffen, zit - of zat - de Boeddha als Mijmer-Boeddha. Hij is daar de historische Çâkyamuni of een der vijf Dhyani-Boeddha's, die onderscheiden worden naar de ‘Mudrâ's’: de houdingen van beide handen. Als Beheerscher van het Zenith beurt zich de linkerhand vóór de borst met duim en wijsvinger, het argument zijner prediking duidende. Als Beheerscher van het Oosten ligt de linkerhand in den schoot open en hangt de rechter- met den rug af van de knie: in dit gebaar raakte de Boeddha de aarde aan om haar tot getuige te nemen van zijne goddelijkheid. Als Beheerscher des Zuidens ligt de linkerhand in den schoot, opwaarts open, de rechter over de knie, palm naar boven eveneens. Dit is de Mudrâ der Weldadigheid. In zijne beheersching van het Westen, liggen des Boeddha's beide handen over elkaâr met den rug omlaag in den schoot, de duimtoppen elkander lichtelijk rakend. Dit is de Dhyâna-Mudrâ; die der mijmering, aangenomen onder de schaduw van den roerloos breidenden Bodhi-boom. Het Noorden beheerschende, ligt den Boeddha de linkerhand in den schoot, open naar boven; de rechter heft zich vóór de borst, in duidenis van vreesloosheid. (Zie ‘Korte Gids’ voor de Archeologische Verzameling van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.)

Steeds is hel ronde hoofd in edelste rust gehouden, de schedel gebootst in den vorm van een bol en de ûrvâ, de astrale verhevenheid als juweel of parel rond op het voorhoofd- De oorlellen rekken lang uit; het haar, dicht krullende, is kort. De monnikspij valt in edelen plooival open over de borst en langs de knieën zoomkrinkelende over de voeten.

[p. 221]

Wat van deze beelden over is, in deze stûpa's of open nissen, blijkt, meer dan de elaborate verfijning der bas-reliefs, in staat, onze vrome aandacht hoog te stemmen. Het is of zij eenvoudiger, grootscher en van goddelijker bezieling zijn, nu de kunstenaar niet meer van noode had de tè bewegelijke legende op den voet te volgen, maar geheel zich wijden kon aan de plastische uitbeelding der verhevene, rustvolle, het heelal omvattende ideeën. Het is tenminste een wonder van schoonheid den Mijmerenden Boeddha te zien zitten, met gekruiste beenen, wijkende open de knieën en de handen in de Mûdra der mijmering, in dien hoog verheven hoek, boven den frieswand de vijf stûpa's als een diadeem de fijn gekartelde nis bekronende. Recht loopt men toe op het, zich daar plots openbarende, beeld en onze gang er heen, al is het maar met de pas van een toerist, is als eene aanbidding.

 

Met deze Rots der Eeuwen, die de Boeroeboedoer is, zijn de heiligdommen van den Mendoet, Prambanan en Tjandi-Sewoe de prachtvolle riffen, waarop Hindoeïsme en Boeddhisme zich nog staande hielden, trots den stormvloed der tijden. Misschien is de Mendoet-tempel wel in zijn beknoptheid het allerschoonste wat van dezen godsdienst en uiterste beschaving bleef. De drie beelden der Trimoerti - de Drie-eenheid van Brahma, Vishnoe en Çiwa1 - die hier afzonderlijk rijzen in vrij kleine ruimte, waar steeds nog het bloemen- en geuroffer gebracht wordt - als sprak Mohammed nooit van den eenigen god! - rijzen hier onder de typische Hindoesche, pyramide-achtige, zich opbouwende verdakking in ontstellende grootschheid voor uw verrasten blik. Voor zoover een menschelijk beeldhouwer ooit wist te geven uitdrukking van goddelijkheid aan de torenende steenmassa, die zijn beitel vroom bewerkte, is dit in volmaaktheid geschied bij deze kolossen, die bijna blank als marmer daar in die geheimvolle, enge, schemerhoogte van het pyramidale heiligdom tronen. Çiwa, de Matadewa, de ‘Groote God’; Vishnou, de berijder van

[p. 222]

het fabeldier Garuda, den zonnearend; Brahma tusschen hen beiden, de Schepper van het Heelal. Nauwelijks is het mogelijk u af te rukken van de overweldigende schoonheid dezer plots geopenbaarde hemelsche schoone titanen.

 

Aan de Prambanan-tempels, die men bezig is te restaureeren - ik geef nooit veel om restauratie maar des te meer om verzorging en in-standhouding van wat over is - is de kunst nóg verfijnder, schijnt het mij, dan aan de Boeroeboedoer: ik heb bijna een rococo-indruk gekregen van dit complex dezer prachtige, harmonisch en hiërarchiesch over elkander gebouwde heiligdommen, waarin de ‘groote goden’ zetelen in hun trappenhoog verhevene tempels. De Tjandi-Sewoe, als een stad van tempels, die de barre Râksasa's aan de poorten bewaken - gedrochtelijke wachters met de grijnzende monstertronie's - maakte bijna een intiemeren indruk, vol weemoed, vooral om den tegen de toen grauwe lucht, kruislings de beenen, zittenden en mijmerenden Boeddha, over wien geen stûpa meer klokvormig zich rondde en over wien ook geen Bodhi-boom de beschutting zijner beweeglooze schaduw dienend breidde. Wolken en verre bergen-golving achter zijn roerlooze hoofd, zat het daar verstild in de mijmering, die eeuwen geduurd had, als de verpersoonlijking eener brooze stemming, als de vermaterializeering van een heiligen droom, die daar ter plaatse geweken niet was, trots de zonnebranden en regenvloeden, die over den heiligen kruin hem sedert jaren, eeuwen wellicht, waren stoorloos heen gegaan.

17

Zoo hij den Oosthoek niet zag, zoû een toerist in Java zijn plicht niet doen.

Er zijn in Java, behalve Batavia, twee groote steden, die wedijveren met haar in importantie. Er is Semarang, maar de toerist zoû Semarang nog kunnen uitschakelen, al zoû hij dan ook missen de bizonder mooie en frissche heuvelwijk, waar, in zicht van de

[p. 223]

zee, de moderne villa's verrezen zijn. Soerabaia, de groote stad van den Oosthoek, is echter niet te vermijden als uitgangspunt veler excursies van groote belangrijkheid. Het is bijna jammer, dat Soerabaia zoo onvermijdbaar is, want het blijkt, trots zijn uitgebreidheid en business-centrum, een voor den toerist onbelangrijke en vuile stad. De verwaarloozing der publieke gebouwen en parken - ten minste van wat men hier ‘parken’ noemt - der wegen, de verwaarloozing van alles wat het aspect van een stad bepaalt, het gemis van alle gratie en lijn, van alle zindelijkheid vooral, doet den toerist zich, verwonderd, hier afvragen, of het werkelijk wel de, om zijn properheid beroemde, Hollander is, die Soerabaia beheert en bewoont. Vervallen Weltevreden is nog sierlijk, elegant en proper, vergeleken bij deze groote, smerige, drukke stad, wier grootheid alle grootschheid, wier smerigheid alle schilderachtigheid, wier drukte alle gezelligheid mist. Hier dringt en duwt en tuft door de trafic naar de Roode Brug àl de drang om toch vooral gauw geld te maken en wèg te kunnen gaan en over dezen drang heen, bimbamt de sombere klok: Malaise!! den bleeken zakenman ellendiglijk en onverbiddelijk om de ooren.

 

Laat mij niet veel woorden meer verspillen aan Soerabaia en er alleen dankbaar mij herinneren de gastvrijheid, bij den heer en mevrouw Cohen, ter Rezidentie-huize, in wier paleisachtige ruimte het aangenaam was de ontstemmende atmosfeer van daar buiten te mogen vergeten. Van Soerabaia uit gingen wij naar Tosari, maar het is in deze regentijden geen gunstig oogenblik om zoo hoog de bergen op te gaan. Ik heb er een paar dagen in regen en wolk gezeten als de gast van de Nederlandsch-Indische Hôtel-vereeniging, wie geen verwijt kan treffen, dat het wolkte en regende om mij heen. Ik ben overtuigd, dat de hôtels te Tosari en te Nongkodjadjar in de droge, warme maanden van den Oostmoesson voor de overwerkte geldzoekers en zakenmannen van omlaag, frissche berglucht bieden en wijd uitzicht.

[p. 224]

Toch was ik blijde Tosari weêr eens terug te zien, al was Oud-Tosari afgebrand, waar ik meer dan twintig jaar geleden heb gelogeerd. Toch was ik blijde in het Oosten den Smeroe te zien en hevig rookende Brômô, en ten Westen den legende-omzweefden Ardjoeno. Over deze bergen heeft Henri Borel geschreven met zoo groote ontroering, ingevende bezieling en liefde, dat ik hem gaarne zeg: gij waart de zanger van deze verheven titanen, en wat zal ik pogen mijn ode hooger te stemmen dan gij uw hymne stemde in vele prozabladeren, die blijven zullen, zoolang onze Hollandsche boeken bestaan. Aan Borel heb ik gedacht, terwijl ik in door mist en nevel doorbrekende zonnestralen zag opklaren... Ardjoenoe, als de jonge held en koningszoon zelve naar wien de berg immers heet en wien de verliefde nymfen omringden op zijn strijdgang tegen de booze demonen. Strijdt steeds, gij groote Zon, omringd van uw heldenzonen, met alle de u nooit kunnende fnuiken booze machten, die doemen op zwarte vlerken in grauwe duivelsrustingen, zooals in uw epopeeën is gezegd reeds eeuwen geleden, door machtige dichters, wie wij, epigonen, enkel nàvoelen om over ònze zwakte te weenen.

 

Zandzee met Batoek en Brômô, en Smeroe, achter dier silhouetten, Zandzee, gij die wel eens vergeleken met een woestijn, voor mij niets heeft van de woestijn, sedert ik de Afrikaansche zag! Maar, Zandzee gij, die wèl zijt de immensiteit van een uitgelaaiden krater, in wiens reuzentrechter oprezen die àndere vulkanen alsof afmeting van geen belang was in deze natuur, die mij de afspiegeling geeft van wat de oertijden der wereldschepping geweest zijn, ik ben u ditmaal niet weder gaan zoeken omdat ik mij u heugde van meer dan twintig jaren geleden of ik u slechts gisteren ware opgegaan. De steile Moengalpas op, gebogen over het kleine paardje, dat ik omhelsde, zag ik u plots verrassend ontzaglijk voor mij breiden en verwezenlijkte mijne verbeelding, zichtbaar, tastbaar bijna, dat deze ‘woestijn’ een krater was. Landschap van cataclysme, lag daar die open krater als een vallei van Jozafat, als een vallei des Doods en des Laatsten Oordeels; vizioen

[p. 225]

en nachtmerrie waart ge, Gehenna waart ge: wàt zoû ik u thans willen terug zien!! Verbleekt zoû mijn moedere verbeelding u na zoo vele jaren zeker hebben gezien; getreurd zoû ik zeker hebben omdat ik u zoo verbleekt, onttooverd terug zoû zien, als zoo veel, dat eenmaal hevig ontroerd heeft en later niet zóó meer ontroert, en nu ik over u schrijf, wil ik dit alleen doen uit eene herinnering, die oppermachtig grootsch is gebleven. Gij waart toch één der ontzettendste wereldlandschappen, die ik ooit had gezien; gij waart als de chaos, waaruit nieuwe orde zich heft in den vorm dier nieuwe maar eveneens eeuw-oude bergen; de regelmatige groeven om Batoek van top naar bazis deden mij denken aan geheimzinnig goddelijk smeedwerk, het brommen van wolkende Brômô, deed mij denken aan onderaardsche werkplaats van Javaansche vuurgoden en cyklopen; ik heb mij toen kunnen droomen, u ziende, den nieuwen bouw van een goddelijke bergstad, na de vernietiging van een goddelijk bergrijk, en ik heb van dit alles nà kunnen droomen de nachten van mijn slaap.

Wat zoû ik u thans hebben weêr willen zien? Wat zoû ik thans om u hebben doorvoeld? Met welke woorden had ik mijn nieuwen indruk van u kunnen geven?

Neen, de woorden, waarmede ik u zegde en die mijn enthouziasme weêrgaven van zoovele jaren her, zijn de ènkele, die ik u wijden wil: nieuwen indruk zoû ik niet willen; matter woord zoû mij te weemoedig maken om wat zekerlijk niet zóó machtig meer overweldigen zoû.

 

Maar behalve uitgangspunt naar het bergenrijk, is Soerabaia uitgangspunt naar wat overbleef van het Rijk van Môdjôpahit, en voor den toerist, die in het huidige land, dat hij bezoekt, óók toch zoekt het Verleden, hoe weinig dit ook restte onder de, zich stapelende, bovenlaag van het Heden, is dit verzonken koningsrijk wel van historiesch en poëtiesch belang. Ten minste, het is bekorend zich dit reeds verbeeld te hebben vóór de ontgoocheling van bitter weinig te vinden, den toerist zich doet troosten met zijn spoedig vervlogene illuzie. Er is heel weinig over van Môdjôpahit, het

[p. 226]

groote Hindoe-rijk, dat zich hier in Oost-Java heeft uitgebreid met een fabelachtige macht. Wat weten wij er van? Wat ons, moeizaam ontcijferd door onze geleerde mannen, wordt mede gedeeld, door enkele koperen platen en gegrifte steenen. Wat namen van vorsten, die in oorlog met elkaâr waren; enkele data. En de combinaties, die met meer of minder overmoed zijn te maken, want wàt is historische zekerheid? Droge feiten, goed, maar de historie te schrijven is het werk van een min of meer overmoedigen dichter, die de verleden vizioenen ziet en weer oproept.

Stel u gerust, lezer. Ik zal die dichter niet zijn. Het vizioen was te vaag en te vluchtig en meer dan enkele ruïnes in het kleine muzeum van Môdjôkerto kan ik u niet toonen. Dit is alles wat ons rest van het rijk van macht en grootheid, Môdjôpahit! Wat verder overbleef is misschien in vroegere tijden voor de onversaagde predikers van den Islâm gevlucht naar Bali, waar wij er misschien nog iets van zullen weêr vinden...

 

De Regent van Môdjôkerto, Hollandsch sprekende, wil mij wel rond leiden in het Muzeum, dat op het erf van de Kaboepaten (Regentswoning) zelve ligt. Hij heet Raden Temenggoeng Kromo Adi Negoro en vertelt mij van zijn vader, Raden Adipati Ario Kromo Djajo Adi Negoro, Regent alhier vroeger, en die misschien wel de dichter had kunnen zijn van wie ik zoo even sprak, zoo hij slechts overmoediger ware geweest. Maar de oude Regent was een man van wetenschap, in al zijn liefde voor het Môdjôpahitsche verleden. Hij liet dus onderzoeken en opgraven; hij deed uit de aarde verrijzen de waterreservoirs van TjandiTikoes: hij vond verschillende Hindoe-istische beelden, steenen huisraad; hij vond een antiek gamelan-spel. Lagen aarde, modder, humus waren er overheen gespreid, de eene over de andere. Wat nu te zien is, is dikwijls Aziatiesch-barbaarsch, in dien zin, dat het moeilijk is te bevroeden hoe deze kunstwerken van veel lateren datum zijn dan het beeldhouwwerk van Boeroeboedoer, Prambanan, Mendoet. In allen gevalle is in het verloop van drie, vier

[p. 227]

eeuwen geen hoogere stijging te bespeuren; de kunstenaars schijnen een grens te hebben bereikt.

 

Môdjôpahit is gesticht in 1292, meent men. Door Raden Wijaya, schoonzoon van Karta Negoro, Koning van Oost-Java. Hij is de eerste vorst van Môdjôpahit en noemt zich Kartarâjasa jayawardahana. In het muzeum te Batavia is zijn portretbeeld, maar vierarmig, als Çiwa, de Groote God. Dit beeld sluit zich zekerlijk aan bij al de volmaaktheid van Prambanan en Boeroeboedoer. Ook deze Raksasa, demonische tempelwachter, nu nog te Môdjôkerto aanbeden en be-offerd door zwangere vrouwen. Maar waar is de beeldhouwkunst van hooger stijgend ideaal?

 

Misschien is deze den Garûda berijdenden Vishnou, den Onderhouder van het Al-Geschapene, in tien âtâvâra's - herscheppingen - vereerd door zijne geloovigen, en Eenheid der Trimurti. Troonende op den monsterkop van den mensch-arend of zonnevogel liggen zijne handen in het Boeddhistische gebaar der Dhyana-Mudra, die der peins-kalmte. Zijn beide andere armen echter heffen ter zijde zijner schouders twee attributen; ik meen trompetschelp en werpschijf. Er is een zeer groote weekheid in dezen Vishnou-kop. Hij heeft iets van een zwakken Boeddha. Hebben wij even iets gezien van een nog schitterenden vervaltijd? Ik weet niet of ik mijn indruk vertrouwen mag: hoe ver staat deze kunst van ons af! Hoe inniger bevroeden wij, als vereenzelvigd met ons, een Hermes van Praxiteles, een Dionyzos, een Afrodite...

 

Toen de Poort van den nieuwen Kraton, die de laatste Vorst van Môdjôpahit zijn zoon en opvolger bouwde, de voltooiïng naderde, werd het Rijk bestormd door de Nieuwe Gedachte en door de legers van den Islâm...

Maar de Regent meent glimlachend, dat deze traditie - dat de Islâm Môdjôpahit zoû hebben veroverd - niet historiesch is... Welke traditie dan wèl de historische is?... En de vluchtende koning vloekte iedereen, die het zoû wagen de onvoltooide kraton-

[p. 228]

poort door te gaan. Geen Javaan dorst het ooit bestaan...

Ik geloof niet, dat er iets van deze poort nog bestaat. Of is het werkelijk deze brokkelende boog? Hoe ook, ik ga er niet door; ik wil den vloek van den vluchtenden koning niet lokken.

Is dit nu alles wat over is van Môdjôpahit? Alleen dit kolossale waterwerk? Was het een lustverblijf, was het een reservoir? Harmoniesch van verhouding lijnen zich de neêrdalende treden, is het monumentale bouwwerk, dier massieve pijlermassa's - ééne rijst er hoog nog, hooger dan de bezwijkte anderen: is het een koningsbad? Zijn die bassins daaromheen prinsesse-baden? Of was dit alleen het waterkasteel, dat de stad van water voorzag? Ornamentieke monsterkoppen zijn de spuiers...

Wij weten niets. Dit is opgegraven. Dit wordt vereerd door den Javaan van heden ten dage - ‘wij zijn nog zoo Hindoesch in ons bloed!’ verraadt mij de Regent. Ook vereerd door den toerist. En het is alles!

Neen, niet alles. In het muzeum treft mij de eeuw-oude op-gegravene gamelan. Men heeft de koperen bekkens en vazen en platen gevonden met roest overwoekerd. Zij zijn gereinigd en liggen nu, de platen, op nieuwe houten stellage. En zij geven een klank, een gamma van klanken weêr, zacht en teêr en als van héél ver klinkende. Van uit een Verleden... Er is niet aan te twijfelen: deze klanken zijn de zelfde, die eenmaal, eeuwen geleden, hebben geklonken met de heilige feesthymne van Môdjôpahit. Deze nu bijna astrale muziek heeft vermoedelijk, met een bijna dergelijk vervluchtigende melodie, geklonken, toen, in die laatste jaren des Rijks, de nieuwe kraton gesticht werd, de nieuwe poort werd gebouwd, toen de Islâmietische legers reeds doemden ter kimme...

- Neen, neen, zegt de Regent glimlachende. Ik geloof niet, dat de Islâm anders dan vredelievend verwonnen heeft...

Ik weet het niet. Maar de klanken van af die eeuwoude, als het Verleden weêr-echo-ende gamelanplaten zijn voor mij vooral geweest... dàt wat over was van Môdjôpahit, het verzonkene Hindoe-rijk van macht en pracht.

[p. 229]

18

Grissee, ten tijde der Compagnie al een belangrijke havenplaats van Oost-Java, is nu het vervallen plaatsje, waar echter dit groote interesse is voor den toerist: het kerkhof, waar enkele der zeven wali's of profeten, predikers van den Islâm, begraven liggen. En zoo lang ik historisch niet beter ben ingelicht, moet ik wel aannemen, trots tegenspraak uit veler Javaanschen mond, dat de Nieuwe Gedachte met de vaan van den Profeet uit het Westen - Arabië-hierheen is gekomen naar het verre Oosten, en dit machtige Môdjôpahit heeft ten onder gebracht. De geschiedenis van Java, heeft Professor Veth gezegd, is één voortdurend epos, en dit epische vinden wij hier zeer zeker tot laat in de tijden der Compagnie. Dàn modernizeert zich het epos wèl, en de heroïsche elementen worden vervangen door het meer psychische verloop; de jonge Europeesche kracht, die ook diplomatiesch - zelfs onze eerste zeevaarders waren volstrekt niet zonder diplomatie1 - tegen de vermolmde bolwerken der groote Javaansche beschaving opstuwt.

 

Heeft de Islâm geheel overwonnen? Oppervlakkig-weg zoû men zeggen: ja, maar dieper-in is iets stil geheimzinnig Hindoesch gebleven, vooral in de Midden-Javaansche ziel, in de Oost-Javaansche ziel. Tot wij in Bali het Çiwa-isme nog levend zullen voor ons zien, als in een plots geheel andere wereld. Wat de Islâm gebracht heeft, is vooral een godsdienst zonder kunst, een godsdienst van enkel gedachte, met de, voor een gedachtevollen godsdienst, weêr zoo vreemde eindbelooning na dit leven, door het noodlot gedrukt, van een paradijs voor de zinnen. Wat het Hindoe-isme had gebracht, was godsdienst van kunst, van kunstvolle

[p. 230]

heiligdommen en beeldhouwwerk, met, als apotheoze veler atawâra's, de bereikte heiligheid der volstrekte zaligheid van Nirwânâ, waarin alles begrepen en geweten wordt en alle zinnelijkheid in der zielen ziel zich oplost. Was de verdrongen godsdienst er niet een schoonere, een verhevenere? Misschien moet men aannemen, dat de Hindoe-idealen waren verslapt en kleurloos geworden door te groote cultuur en overbeschaving - zelfs zonder automobielen, aëroplanen en draadlooze telegrafie zijn er wel eens meer overbeschavingen geweest in de wereldhistorie. En dat de profeten der Nieuwe Gedachte, de wali's van den Islâm, de krachtige dweepers waren, de extatische maar reuzesterke gigantische voortstuwers.

 

Er ligt in Midden-Java het Djiëng-plateau met ruïnes en heiligdommen en hoog-òp strevende trappen, gehouwen in het steen, en die tot die heiligdommen opgingen. Er was daar een eeuwen reeds durende pelgrimage, naar wij weten niet juist welke Hindoe-sche en Boeddhistische heiligheden. Maar sedert de eerste soerât van den Korân was uitgesproken geworden door de dweepende monden en donderende stemmen der eerste wali's: Er is maar één God... schijnen de bedevaarten niet meer zoo vele duizenden voeten die wondertrappen te hebben opgestuwd. Het was als een Protestantisme, dat aan een Katholicisme den oorlog verklaarde, en omdat de Islâm krachtig was met al de kracht der extaze en dweeperij, en de Boeddha-gedachte als met verwelkte lotus-bloemen op hangende steelen slap neêr lag, zoû de eerste niet anders dan overwinnen.

Hier, op het bizonder stemmingsvolle kerkhof van Grissee, zijn de heilige graven van Hadji Poerwâ, van Malik Ibrahim en Magfoer. Zij zijn, als alle sepulkers van deze gewijde plaats, geel en groen van fluweelen mos, en zij zijn kunstvol. De opstaande steenen, met eerende opschriften ingegrift, vooral die aan het hoofdeinde der graven, zijn van een lapidaire calligrafie, die vermoedelijk nog Môdjôpahitsch is en niet door een Islâmitiesche kunstgedachte ingegeven. Verder op dit kerkhof, zal u treffen een

[p. 231]

schoone urne, van vooral harmonieschen vorm en met dit opschrift - als verzekerd wordt - : ‘deze urne is een voortreffelijk werk’. De uit een groote monolieth gedraaide steenen urne was de trots van den beeldhouwer, een trots, die de Islâmitiesche overwinnaar nooit meer zoû kennen. Want wàt spreekt ons van Islâmitiesche kunst? In welke antieke medsjit - messigit=bedehuis - is iets over van kunstgedachte? Zelfs geen enkele arabesk of karakter-teeken. Plotseling is de kunst verdwenen, verbannen, gevlucht - misschien wel zondig bevonden - en niet vóór wij in Bali zijn, zullen wij iets van hare overleving terug vinden en natuurlijk in Hindoe-istieschen stijl.

 

In zoo verre is Môdjôpahit niet dadelijk verslagen door den Islâm, dat ten tijde harer laatste Mâhârâdja's (groote koningen, keizers), de wali's - de profeten - priestervorsten waren op Ngampel en Grissee. Onze voorouders spraken later van de Mahomedaansche ‘pausen’. Maar hoe ook de ondergang van het groote rijk is geweest, den laatsten stoot zijner in-een-storting hebben zeker wel deze dweepende, krachtige, priestervorsten met de ontzagwekkendheid hunner donkere, starre oogen en het imperatieve gebaar hunner dorre pezige handen, gegeven.

Van dit alles weten wij weinig. Ik geef, wat ik hier zeide, voor niet meer dan even historiesch getinte mijmerij, die mij overvalt terwijl ik hier dwaal tusschen deze graven en grafgesteenten. Geheele Regentenfamilies liggen hier begraven. Wat bizonder treft, is dat de hier aanwezige Arabieren, - de Luitenant-Arabier vergezelt ons-geen eerbied aan de graven der eerste wali's betoonen; zij hebben uit een andere sekte hun religieuze gedachte genomen. Toch doet hun gemis aan devotie vreemd aan.

 

De Regent van Grissee vergezelt ons naar het beroemde graf van Soenân Giri, bij Ngampel. De hooge heuveltrap opgestegen, treden wij binnen in dezen heel heiligen graftempel. In het grafmonument zelve, van verguld gesneden hout, rust wie, vroeger Raden Pakoe genoemd, een heilige profeet en voorvechter was.

[p. 232]

Van zijn lans werden twee krissen gesmeed. Een der krissen is, meen ik, verdwenen; de andere, eenmaal geroofd, werd hier, wederom teruggebracht. Het is een bizondere eer, dat wij die kris mogen zien. Gehurkt, met vele semba's, ontsluit de bewaker van dit mauzoleum de grafpoort en haalt de kris te voorschijn uit een foedraal, en houdt haar, biddende, tegen zijn voorhoofd en vertoont ons het heilige wapen, en vertoont ons tevens het document, dat verzekert, door onze ambtenaren onderteekend, hoe deze kris werd geroofd en wederom terug gebracht. De kris zelve trof niet als een bizonder wapen, maar het was de kris, die uit de lans van Soenân Giri gesmeed was.

 

Het wijdingsvolle kerkhof van Grissee, zoo elegisch schoon daar zich ontdekkende in de gouden gestreepte schaduw der palmbladeren, schaduw, die wemelde over de fulpig bemoste graven, slechts door den tijd vernield en daarom niet meer hersteld - want de Tijd moet volgens Môslemsche gedachte ge-eerbiedigd worden - was met den Giri-heuvel van kleur en stemming iets bizonder indrukwekkends. Het was van eene groote poëzie, om te doordwalen en te bewonderen, en troostte mij voor het wel zeer weinige, dat wij vinden en weten van deze laatste tijden van Môdjôpahit, van deze eerste tijden des Islâms. Er is veel over Java geschreven, door Professor P.J. Veth tot W. Fruin-Mees toe, maar ons ontbreekt het gevoelig en dichterlijk geteekende beeld van de historie dezer epische landen, en ik meen, dat er voor den dichter-historie-schrijver onzer tijden in dezen nog alles te doen ligt. Java moet vooral door een dichter historiesch beschouwd kunnen worden, wil het nader gebracht worden tot de ziel diergenen, die ànders nog in haar belangstellen dan alleen om uit haar een klinkend fortuin te winnen. Onder Java's vorstenzonen zijn dichters, die het Hollandsch spreken en schrijven als Nederlanders: waarom zoû een hunner niet zich bezield voelen om het òns altijd geheimzinnig blijvende land zijner voorvaderen, op te roepen tot dichterlijk historiesch beeld?

Bronnenstudie... o, die is wel gedaan en kan worden vervolmaakt, maar de Evocatie, waar bleef zij?

[p. 233]

Ik heb mijn reis door Java voltooid. Morgen vertrekken wij naar Bali, dat zoo geheel anders is dan het moedereiland. Ik heb zeer veel moois gezien en herzien, en de herinneringen van vroeger waren als een schat, dien ik ontsloot en die mijzelven soms verbaasde en uit welks rijkdom ik hier en daar een lang verborgen juweel plots meende te zien opschitteren.

Maar dit was alleen voor mijzelven. Ten minste, nadenkend, meen ik in deze opstellen niet anders gegeven te hebben dan het relaas van de indrukken van een toerist, die niet van gevoel zoû ontbloot zijn. Meer dan een causerie, werd, geloof ik, niet van mij verlangd. Er zijn ‘gidsen’ - niet veel - ; er zijn wetenschappelijke werken - nooit te veel, en wij, die geen geleerden zijn, zijn steeds onzen geleerden dankbaar -en de Evocatie... eenmaal zal zij komen!

Toerist, heb ik voor aanstaande toeristen geschreven. Meer is mijn pretentie niet.

 

Zijn Sumatra en Java een land voor toeristen? Het hangt er van af. De toerist, die hier komt, eische niet te veel van wat hij in Europa en elders misschien heeft leeren waardeeren en eischen als... comfort. Wegen wij kosten en comfort tegen elkander op, dan zal, om een oogenblik bij onze materialistische weegschaal stil te staan, de toerist met een ruime beurs, - wie anders waagt zich hier? - meesmuilen. Te Bandoeng zijn opgericht de ‘East India Travel Tourist Offices’ en de ‘General Manager’ is de heer J. Wennips, wiens energie en werklust zeker veel zal doen. (Hem werd verzocht te Singapore te komen om de ontvangst van den Prins van Wales te regelen, voorjaar '22.) Maar hij verhele zich niet, dat op toeristiesch gebied nog veel, zeer veel te doen is in deze landen. Behalve de hôtels, die ik de gelegenheid had lofrijk te kunnen vermelden, is de logeergelegenheid, vooral in de meeste pasangrahan's of ambtelijke rusthuizen, slecht. Daar tegenover staat, dat de oude gastvrijheid nog immer als onwrikbare traditie overeind staat. Ik wil hier herhalen, dat ik van ambtelijke zijde, van de hoofden van Gewestelijk Bestuur de meest hartelijk aangeboden

[p. 234]

gastvrijheid heb mogen ontvangen. Nu eens als speciale perscorrespondent, dan weêr als ‘kind van b.b.’ - want dat heb ik toch zeer sterk gevoeld op Java, ook al dreef mijne roeping mij een andere richting uit. En voor die gastvrijheid der Rezidenten en hunne echtgenooten zeg ik nogmaals mijn innig gevoelden dank. Zij gaven mij steeds de gevraagde hulp en inlichtingen, en lieten zij zich, wat de eersten betreft, wel eens gaan in de intieme conversatie met, eindelijk! iemand, die géén ambtenaar, géén planter was, dan wisten zij wel, dat wat niet voor de pers bestemd was, ook niet in de pers zoû komen. Ten minste, ik hoop bescheiden te zijn gebleven.

 

Maar ik vergat mijn toerist, voor wien ik schreef. Ik wilde hem nog zeggen, dat er... drie pesten zijn in Nederlandsch Oost-Indië. Er is ten eerste de Pest - de gevreesde ziekte - maar een hygiëniesch levende Westerling is daar, zelfs zonder inenting, zoo goed als immuun tegen. Er is ten tweede de Pest der Hoonpers. Als de toerist dus iemand is, die min of meer bekend, beroemd, befaamd is, wordt hij zeker door deze pest ge-attaqueerd. Het is onvermijdelijk... ‘Maar’ troostte men mij, ‘dat deelt ge met àlle uitstekende menschen, die hier op Java komen: wees dus gecomplimenteerd met al de schimp-artikelen, die de pas van de schoolbanken weggeloopen “redacteuren” in vele Indische persorganen - iedereen kan hier de namen dezer stichtelijke bladen zelve noemen - u om de ooren gooien.’ ‘Neêrhalen’ is vooral een wellust van deze jongelingen en misschien leeren zij later wel begrijpen, dat het diplomatischer is, in deze tijden vooral: òp te houden wat nationalen rijkdom, ook intellectueelen, vormt, maar ons zelven te denigreeren op welke wijze ook, is altijd specifiek Hollandsch geweest.

 

De Derde Pest, o toerist? Het klimaat. Het is uw gezworen vijand. Pas op, pas heel erg op! Het klimaat is een veel gevaarlijker pest dan de Pest en de schimp-pers, want de eerste heb ik niet gehad, de tweede ben ik precies de zelfde, die ik was, zegevierend uitgetre-

[p. 235]

den, maar de derde, die voelde ik dat mij iederen dag belaagde: sta, toerist, schrap tegen dit klimaat!

19

Wij zijn aan boord van de ‘Both’, kapitein Van der Worp. (k.p.m. = Koninklijke Paketvaart-Maatschappij.) Aan boord is met ons niemand anders dan Is. Israëls. Complete rust op de even deinende zee. Aan een speeltafel op dek poog ik te schrijven. Het is in den middag: in een wonderlijk zacht gedempt licht, dat uit zachte witte en grauwe wolken zeeft, glijden de berg-panorama's ter weerszijden van ons weg...

 

Stilte, stilte. Er zijn vele varkens aan boord; zij liggen gekneveld in doorzichtig gevlochten manden van bamboe; zij liggen daarginds en soms waait hun even euvele reuk naar het achterdek. Maar zij zijn stil: in stilte gaan zij hun lot tegemoet.

Stilte, stilte. Het landschap van palmboomen en bamboehuisjes heeft in dit licht, in deze stilte iets van plaat en prent, iets van vroeger: je denkt aan Paul en Virginie...

Maar zulke vergelijkingen zijn uit den booze. Ik wil aan niets anders denken dan aan Bali, want wij komen van Bali, waar wij een week lang wondermooie dingen hebben gezien, van die dingen, waarnaar de toerist zich opmaakt.

 

Na Soerabaia, een vuile stad vol pretentie en zucht naar geld, is Bali een idylle. Een vreemde, Oostersche idylle van bizondere lijn en kleur. Laten wij vooral in haar niet denken aan andere idyllen, aan Theokritos of Vergilius. Bali is zichzelve. Bali is Bali en niets anders. Na den rommel van Soerabaia deze zee, deze palmen, deze vele poera's, - tempels - deze mooie, schilderachtige menschen. Deze Boeddhisten. De flamboyante wajang-poppenstijl hunner heiligdommen was mij een teleurstelling. Ik had te veel gehoord van Balische (niet Balineesche) bouwtrant en beeldhouwkunst. De gespleten poorten, puntig maar om den spleet

[p. 236]

geknot, der tempelhoven, zijn sierlijk, maar het beeldhouwwerk dat poorten en tabernakels overlaadt is steeds dezelfde cauchemar van maskertronie en demonsch gedrocht. Van tempels kan men eigenlijk niet spreken. Het zijn tempelhoven, waarin open schrijnen en heilige huisjes. Soms staat er een verguld gestoelte binnen schrijn of heilig huisje. Hier daalt, onzichtbaar, het astrale wezen der godheid neêr op bepaalde dagen en uren. Aan dit astrale wezen wordt dan ge-offerd, de geur van bloemen en vruchten. Het zijn rijk versierde vrouwen, die dit doen, met een enkelen priester of pedanda. Deze offeringen zijn eigenlijk wel iets heel moois en aandoenlijks; ik zal ze u later beschrijven en pogen weêr te geven al hun zachten glans en vroomheid.

 

Langs de wegen, langs de sawah's, langs de poera's, langs de dessa's - die als kleine kratons wegduiken met laagdakkige huisjes achter muren van leem - beweegt het volk, gaan zij mijlen ver, dragen de vrouwen hare lasten, drijven naakte herdersjongens met een herdershoed van palmblad gevlochten, de zeer schoone gladharige, zachtoogige runderen. Het is, waar men heenblikt, een schoonheid, die telkens wisselt. Ik wil deze kleuren en lijnen niet dadelijk zeggen, maar als ik ze later zeg, zullen zij altijd zijn die der idylle. Die van Oostersche herders en landbouwers, en dan die van offerende vrouwen en kinderen. Nauwelijks heeft iets van het moderne leven hier op afgegeven. Het is bijna nog geheel onvervalscht en gebleven zooals het in de Oudheid was. Eene Oudheid niet Grieksch of Romeinsch maar wel Aziatisch en even antiek als de beide anderen. Wie de Oudheid bemint, ook in haar Oostersch aspect, kan haar nòg voor zich zien in Bali.

 

Dit heeft mij getroost voor de teleurstelling de eigenlijke architectuur en sculptuur hier niet zoo mooi te vinden als ik gedacht had. Ik miste in deze Hindoe-sche kunst steeds de alles oplossende, verklarende, omhoogheffende figuur van de Boeddha. Het is een wondervol idee te bedenken, dat de nooit uitgebeelde godheid astraal neêrstrijkt binnen de tabernakels en, onzichtbaar, zich

[p. 237]

voedt met geur en aroom. Maar dit idee doet de beeldhouwkunst blijven een gestolde nachtmerrie van booze reuzen met slagtanden en helsche duivels der wraak. Het zachte van dezen godsdienst is in de idee der onzichtbare goddelijkheid en in de allerliefste ceremoniën, die vrouwen verrichten; het wreede en kunstverdorrende is om het altijd terugkeerende duivelsche motief van booze reuzen en wraakdemonen. De kunstenaar heeft de eeuwen door, steeds meer uitgemunt in de afbeelding van het hemelsche dan van het helsche; de engelen van Fra-Angelico zijn wezens van het paradijs, aan wie wij gelooven; zijn duivelen bleven steeds grotesk en onbestaanbaar.

Toch doen in Bali de zoovele heiligdommen, langs weg en in dessah, om verweerde kleur en bemoste steen mooi aan, onder de hooge palmen en in de schaduw der reuze-waringins. Waringins zijn onder de boomen de patriarchen en anachoreten; zij bespiegelen met hun looverdommen de hemelen toe, maar telkens reiken hunne takwortelen, neêrvallende en weêr den grond zoekende, naar het aardsche.

 

In '17, tijdens de aardbeving, zijn vele van deze poera's, ten deele, ingestort. Zij worden hersteld en dit is het levende van deze toch niet groote kunst. Zij worden, op initiatief van den architect Mooyen weder opgericht en ik heb beeldhouwers aan het werk gezien, die, Brahmanen, als een vroom werk met hamer en beitel het paras-steen be-arbeiden en, ik geloof uit het hoofd de antieke motieven van het blad, arabesk en demonekop volgden; nu de steeds onzichtbare goden te eeren. Deze Brahmanen werden voor dit werk niet met geld betaald: terwijl zij werkten, dachten zij aan Mahabarata en Ramayana en doorleefden zij misschien de antieke epiek.

 

Is deze Hindoe-sche bouwkunst - de gespleten poort is het meest treffende monument - polychroom aangetint, dan is dit, vooral als het gisteren geschiedde, afschuwelijk en grof geel en blauw, maar de vocht taant dit spoedig tot zachtheid en het mos woekert weldadig over alles heen.

[p. 238]

Vreemd doen de ingevatte borden en schoteltjes - soms staat zelfs een kristallen coupe op het dak - in de muren der heiligdommen: zijn het de borden, waarop offers werden geboden? De waardevolle borden - er was Delftsch bij - zijn verdwenen; borden en schoteltjes zijn nu meestal alle gebroken, verbrijzeld.

Dit is alles slordig, nooit onderhouden, in ruïne. Zij bouwen wel op, maar verzorgen nooit. De Oosterling schept, maar weet zelden zijn schepping met zorg te omringen. Heeft hij zijn werk gedaan, dan moeten goden het overige doen.

 

Wij zijn in Singaradja de gasten van rezident Damsté, die ons rondleidt en inlicht: hier is de verbrandplaats, waar de lijken op den brandstapel worden gelegd; hier zijn de heilige boomen, waaraan Yama, de vorst der onderwereld, de zielen spietst en martelt.

En op deze bas-reliefs en op lijnwaad geschilderde friezen, zooals ook in het open raadhuis van den Pasar - zichtbaar den volke de gouden zetels der vorsten - onthullen zich wederom andere martelingen der Hel.

Heeft de gestorvene geen geld zich te doen verbranden - want vooral het doode-gastmaal den volke aangeboden is duur - dan wordt hij eerst begraven: later zal hij dan met tien anderen worden verbrand. En zijn asch wordt daarna verspreid over de zee. Over de branding heen wordt zij verspreid. De branding schuimt haar mede en weg, weêr over het land, weêr terug naar de diepe wateren. De asch mengt zich met zee en land, met water en aarde: het lichaam keert terug tot zijn oorsprong.

 

De stemming, die een dergelijke gedachte oproept, is over mij gekomen in den Poera Pondok-Batoe, die tempel, die daar op een heuvel ligt aan den weg langs de zee, en de zee met hare schuimende branding laag beneden ruischende, ruischende. Het was een laat grauw namiddaguur. De riffen in zee geleken op den bouwtrant van poort en tempel: dezelfde flamboyante krulstijl! Een trap van steen geleidt naar den tempelhof, waar donkere, dicht-

[p. 239]

bladige cambodja-boomen stonden. Voor een oud beeld - zeer zelden treft men zulk een Boeddha-achtig, misschien Hindoeistiesch beeld op deze plaatsen - lag een versch offer: een groot, viergevouwen pisang-blad waarin bloemen, tabak, sirihblad, iets van witte kalk, tusschen enkele ontbladerende cambodja-bloemen... In de laagte bruischte de branding der zee door de verder volkomene stilte...

 

Op eens gevoelde ik over mij komen het bewustzijn hoe geheel verschillend deze atmosfeer was van alles wat ik op Java, op Sumatra had gezien en gevoeld... Het was met niets van de groote Soenda-eilanden te vergelijken. Het was volstrekt eenig en anders, en het was... nog iets van Môdjôpahit, alsof wie eeuwen geleden gevlucht waren van Oost-Java voor de Moslemsche vanen, hierheen met zich hadden meêgenomen iets niet tastbaars en bijna niet zegbaars en dit vermengd met een weemoed om wat geweest was.

Zoo hing het daar, zoo zweefde het daar onder de schaduw der stille, groote bladeren met het lied van de blanke branding, dalende en rijzende beneden den weg tusschen de uitstekende riffen, wier gemartelde vormen als voorbeeld den bouwmeesters schenen gediend te hebben, die toch ook weêr gevolgd hadden de traditie hunner heiligdommen in het verlaten vaderland.

 

Zoo een stemming troost ook weêr voor de teleurstelling, waar ik reeds over sprak. En éénmaal over die teleurstelling heen, treft Bali om velerlei belangwekkende schoonheid.

Het waren altijd als plotse onverwachte tafereelen, als schilderijen uit Aziatische Oudheid. Bijvoorbeeld, dien avond, toen wij langs den weg de vrouwen zagen gaan, naakt het bovenlijf en als koninginnen dragende den offerkorf boven op het hoofd. Nauwelijks met de vingers reiken zij er heen. Zij gingen velen; tientallen van haar, de eene achter de andere, wiegelende heupen en armen, de jonge borsten vooruit en de korf, steeds in evenwicht, als een immense kroon op haar kruin. Die korven waren

[p. 240]

met groote kunst volgeschikt met bloemen en met ooft. De pisangkammen - men spreekt van een ‘kam’ - sisir - pisangsstaken als een puntdiadeem er het eerst uit op en dan was zeer regelmatig alle andere ooft er boven uit, zeer hoog, gestapeld. Zoo gingen zij... Waarheen? Naar een poera - tempel - dichtbij. Het had geregend, dien dag, de avondschemering viel reeds. Honden blaften voor de tempeldeur, een zwijn snuffelde er door de modder. Het was het aardsche, dat zwijn en die leelijke gladakhonden, het afschuwelijkste, nijdigste hondentype, dat ik ooit heb ontmoet. Maar de fiere, vrome vrouwen, stegen uit de modder de tempeltrap op en schenen wandelende karyatiden. Binnen in den tempelhof was één enkele priester, de pedanda, hij de eenige man. En de vrouwen, op de offertafel, zetten hare korven neêr voor de òns leêge tabernakels op stijlen: voor de offeraarsters zelve zetelden daar reeds de astrale godenlichamen in de avondschemer en voedden zich met den aroom van het ooft, met den opwolkenden geur der sterk riekende bloemen...

 

En het was weêr die bizondere stemming: van de Aziatische Oudheid. Nergens toch op Sumatra, nergens op Java offeren de vrouwen met zooveel poëzie in tempels aan goden! Zij offeren nog wel eens uit Hindoe-istiesch getint bijgeloof, voor een enkel beeld, om zwanger te worden. Zij offeren er nergens zooals op Bali, uit diep doordringende vroomheid. De mannen, zij loopen er rond met hun vechthanen, geliefkoosd steeds in hun armen, maar de vrouwen en ook de kinderen, zijn vroom en offeren en bidden...

 

Het was een innig aandoend schouwspel, in den schemer, in die modder, tusschen het verderaf geblaf der nu weggejaagde honden, terwijl alleen het zwijn daar nog zoekende snuffelde.

 

Na drie dagen gezellig verblijf bij rezident Damsté gingen wij ‘op den tuf’. Vijf dagen gingen wij op den tuf en den heer Minas - onthoudt, lezer, zijn naam! - komt de eer toe ons in die dagen met de auto op uitstekende wijze te hebben rondgeleid door het

[p. 241]

eiland. Van het Noorden - Singaradja - naar het Zuiden, waar vooral Bali schilderachtig en eigenaardig zich den toerist vertoont, en dan naar het Westen: Karang-Assem en den boozen Batoer-berg. En het is vreemd hoe het Oosten van Bali dor is, onbewoond, onbezield, onbelangrijk. Terwijl al de volkrijkheid, bezieling, belangrijkheid zich concentreert in het weelderige Zuiden, in het strengere Westen.

 

De heer Minas is behalve eigenaar van een vleeschhouwerij en bioscoop te Singaradja, ook directeur zijner auto-verhuurderij en gids. Hij heeft al de waardeerbare kwaliteiten van zijn Armeniaansche ras. Wendt u vol vertrouwen tot hem, reist ge, toerist, rond door Bali!

20

In het vroege uur langs de Poera van Sangsit naar de badplaats van Tedja-Koela. Vreemd, zoo een vermoedelijk nog Môdjôpahitische badplaats: nissen waarin de mannen, andere nissen, waarin de vrouwen zich baden en sirammen. Terzijde, de badplaats voor paarden en buffels. Beeldhouwwerk aan nissen, en poorten en muren.

Het aanzicht van deze landen is steeds geheel anders dan op Java. De lange wegen gaan vaak onder veel schaduw langs de dessa's, maar liggen die op Java open zichtbaar, schilderachtige verwarring van bamboe-huisjes en zonne-doorgloeide kokosgaarden, in Bali zijn het als kleine kratons aan den weg, want lange, lage muren - gedroogde modder en die overstreken met wit of grauw en beteekend op kunstlooze wijze met rand en hoekmotief - sluiten de dorpen af. Iedere dessa heeft eigenlijk haar poera of heiligdom; iedere groote poeri - huis - heeft hare poera (heiligdom), en boven den muur is die zichtbaar met de tabernakeltjes der goden, de open, altijd leêge schrijntjes - tot er op het offerfeest voor de verbeelding de astrale godenlichamen dalen - en de pagodes, soms zeven-, soms negendakig, die er

[p. 242]

terzijde van zich verheffen. En deze muren geven een beslotenheid aan het Balische leven, die zeer treffend is. Langs de wegen, langs de muren, vloeit dit echter, iederen dag zichtbaar, naar een passer: er is iederen dag wel ergens markt en deze mannen en vrouwen loopen, langzaam, rustig, steeds zonder haast, de vele kilometers af. Het zijn dan steeds de vrouwen, die in den morgen de lasten dragen, evengoed als zij in den avond de offerkorven dragen: het zijn dan steeds de mannen die zeer gesierd van kleederdracht, hun vechthaan in de armen mededragen. Nooit schijnen die vrouwen moede. Ook zijn zij meestal, trots de lange wandeling, gesierd in lange sleepende sarong van kleurig patroon, bloot het bovenlijf, bloemen in het haar. Maar ook de mannen, bovenlijf naakt, - dragen bloemen in het haar, meestal symmetriesch aan de ooren of ook in de plooien van den hoofddoek: het zijn soms bloemen, soms bloemblaadjes. Het zijn een enkelen keer ook sigaretten, die zij zoo dragen.

 

Hanengevechten zijn wel geoorloofd, maar er moet eerst verlof voor worden gevraagd. En als men alle deze Balische mannen met hunne hanen, ze liefkoozende over de ruggen en opstaande staarten, verder niets doende, ziet gaan en gaan, eindeloos over den weg en terug, moet men wel aannemen, dat er ook wel hanengevecht wordt gehouden zonder verlof: waar zouden zij anders heen gaan? Ergens, op een geheime plaats, wordt zeker wel een hanengevecht even vlug geïmprovizeerd: het gevecht zelve duurt enkele minuten - den hanen worden ijzeren sporen aan de pooten gebonden, boven de klauw en groote sommen worden ijlings in enkele oogenblikken verwed en steeds in rijksdaalders verhandeld. De klinkende rijksdaalder is de Balische standaardmunt.

 

Zoo gaat het onophoudelijk langs de wegen, die langs de als kratons ingeslotene dorpen voortschieten onder de auto. Des morgens naar de markt, of naar het stille hanengevecht; des middags, terug van de markt en van de sport, die rijksdaalders deed verliezen of winnen. Dan, in de dalende zon, worden de hanen eenigen

[p. 243]

tijd onder kooien gezet vóór een tempel of op een dijk. Zij kakelen en kukelen hoog en laag, schor en schel. Zij staan daar onder hun koeroengans1 als gladiatorenvogels, die hun zwaardspel dien dag bedreven en zegevierend overleefden. Hunne meesters, staande, hurkende, praten na over den kamp en de gelukkige of ongelukkige kansen, plukken een versche bloem en steken zich die met zorg achter het oor, in den hoofddoek. Als zij ras in zich hebben, zijn de naakte bovenlijven veelal breed en gespierd. Maar meer dan hun sawahs - kan het niet anders - bereiden opdat vrouw en kinderen die dan beplanten, doen zij niet en de rijksten hebben nog hunne menschen daarvoor.

 

Zij hebben soms vier, vijf vrouwen; dat kost hier weinig, een luttele bruidschat en hunne vrouwen zijn hunne dienaressen, slavinnen. Zij werken voor hare mannen, deze mooie vrouwen met de ranke figuren en de trotsche borsten, zij verdienen geld voor hen, men zegt op velerlei wijze. Ge-acht als zij niet worden, is er van moraliteit zelfs niet sprake. Zijn zij oud, dan sjouwen zij alleen nog maar, en dan geeft de onbedektheid van den boezem een onesthetischen aanblik.

 

Dit is, in de idylle, die Bali zoo dikwijls te zien geeft, als ge wilt, het stadsleven, minstens het dorpsleven. De lange wegen zijn er de boulevards en avenues van. De onophoudelijke flânerie ontrolt zich kilometers lang. Naar Den-Passar, naar het Zuiden zijn vooral treffend de zeer wijde amfitheaters der rijstvelden, die plotseling, de schaduw uit den weg, dan stijgen en stijgen in de zonnelucht tot de wolken toe. Zij zijn, op Java ook, altijd mooi, de spiegelende terrassen, maar op Bali zijn zij nog wijder uitgebogen als met de trappen van paleizen, nog hooger opgebouwd, als met eeregaanderijen, het eene boven het andere. Hier golven zij hoog van de pluimende padi, die wuift teêrgroen in den wind; daar nog niet beplant maar ruim overwaterd, spiegelen zij ter allerklaarste

[p. 244]

hemel en bergen, blauwe bergmassa's, witte wolkmassa's weêr. En breiden zich uit tot den horizon, een wijd, grootsch landschap: amfitheater bij amfitheater. Beroemd is dan ook de Balische padi.

 

De idylle neemt hier een grootsche afmeting aan. Kleine kinderen, naakte knaapjes, drijven als overal de karbouwen den weg langs, maar de witte karbouwen treffen hier als bizonder. Mooier nog is het Balische rund, dat hier werkt in de sawah voor den ploeg door de natte klonters, of in kleine kudde te grazen geleid wordt. Het is wel bizonder mooi, dit dier; dit slanke stiertje, dat ranke koetje. Fijn is het ras, en toch krachtig; de gladde vacht is bruin, bijna goud soms; de kop beurt sierlijk aan den nek op, met de zoo zachte, lieve oogen tusschen vierkant front en vierkanten muil, en de lange staartkwast hangt over het scherp eirond afgeteekende, zeer blonde, soms witte achterdeel. De jonge runderen hebben zelfs iets van hertjes. Ik heb altijd een, misschien, vreemd zwak voor runderen, voor sterke stieren en goede moeder-koeien, maar een zoo mooi, elegant rund als het Balische, heb ik nog nergens gezien. ‘Gewijd’ als ik het Bengaalsche rund zag, is dit wondermooie dier echter niet. Wat het wel is, dat is het rund der idylle. Het is het poëtische rund der pastorale, en als het daar huppelt, sierlijk gratieus, weg voor de auto, opspringt den berm op, weg springt het veld in en dan weêr rustig den mooien kop naar ons wendt, kijk ik nog om, om het voor het laatst te bewonderen.

Eenden, met lange nekken, uitgerekt, zitten vreemd wijsgeerig bij elkaâr op de dijkjes der sawah's, tot de hoedster hen met lange staven waaraan de eigene pluimen wit en zwart, naar kooi toedrijft in dalende zon.

 

Het is vooral de tempel en de sawah en de kratondessa, die het Balische landschap aparte kleur geven en lijn, vooral omdat zij alle drie telkens langs uw gladden auto-weg opdoemen met hun wajang-architectuur, hun grootschheid, hun murengeheim. Dat herhaalt zich telkens weêr, als ook het markt-gaan zich telkens

[p. 245]

herhaalt. Als ook de dragende, halfnaakte vrouwen; als ook de half naakte mannen met hun beminde hanen. Nu in de zon, hebben de vrouwen ter beschutting harer naakte borsten, donkere lappen gedrapeerd van links naar rechts aan de korven op hare hoofden en kijken zij boven die waaiende lappen uit. Al dit dragen en gaan en drapeeren en sleepen soms van lang kleed door licht stuivelend stof van den weg, is van een buitengewone, geheel natuurlijke bevalligheid, zwier en schoonheidslust. Al die houdingen, al die kleuren in zonbegin of zoneinde zijn ongelooflijk soms. De vrouwen dragen gele sarong, groene slendang-slip, en dan is er nog iets als een smalle blauwe gordel. Die kleuren, onbewust, completeeren elkander kleurig harmonieus. Een jonge man wandelt met een kersroode mantellap, vierkante kaïn, over zijn naakte schouders en met vuurroode hibiscusbloem aan zijn slapen. Azuurgazige sluiers van jonge meisjes zijn doorwemeld van zonstofatomen.

En naar die wondervolle gratie-figuren kijken wij, en kijken wij links en rechts, en je kan bijna niet bevroeden, dat zij levend realistisch daar over wegen, langs dessa-muren henen wandelen... Van modern leven heeft dit sierlijk lijnige en schitterend kleurige leven niets meê: alleen... soms zitten zij in een auto!

Zoo, langs deze straat- en landwegen vol schoone détails, zijn wij van Den-Passar gegaan door Kloenkoeng naar Karang-Assem. Toen terug en naar Kintamani. Wel, de namen zullen u niet dadelijk iets zeggen, maar onthoudt ze toch, o toekomstige toerist op Bali, want zij zijn de rustpunten van den auto-toer, die door Bali te maken is. Uit Den-Passar zelve bezochten wij den Poera Astrya, vroeger de voornaamste offerplaats der Balische vorsten, en wij troffen er die Brahmanen aan, die niet voor geld maar uit vroomheid er beitelden en beeldhouwden. Te Den-Passar is uw pasangrahan waar gij logeeren moet - stel uw eischen niet te hoog; te Kloenkoeng zult gij wederom - iets netter maar zonder veel accomodatie voor de maag - een pasangrahan vinden. Uw bed en uw tafel, wel, ze zijn in Bali steeds maar zoo-zoo. Het is jammer, dat de contrôleur-vrouwtjes zich niet meer deze

[p. 246]

hôtelletjes aantrekken; het is eigenlijk hun moreele taak het oog er op te houden! Maar te Kloenkoeng is zelfs geen contrôleur meer...

 

Genoeg over deze kleine misère. Gelukkig is onze auto zóó goed en onze gids zóó volmaakt, dat wij vergeten, dat er in Kloenkoeng noch brood, noch vleesch, noch wijn was: alleen maar een beetje nassi-goreng (gebakken rijst). Driemaal per dag nassi-goreng! Poera's en altijd Poera's: tempels en immer tempels; hoogsteltige tabernakeltjes en negendakige pagodes. In muren vervat liggen zij altijd aan den weg. Sierlijk lasten-dragende vrouwen, hanen aan het hart prangende mannen. Hier zijn wederom aristocratische handwerkslieden: met zeer lange nagels aan de handen snijden hier eenige zonen van Ksatrya's - de tweede kaste in rang, na de eerste der Brahmanen - kleine idolen uit hout, meest gedrochtelijkheden - soms kleuren zij ze fel - Boeddha of godsgezicht wordt niet gebeeld: trouwens, hier heerscht meer Çiwaisme dan Boeddha-isme.

 

En toen hebben wij te Karang-Assem het paleis van den Stedehouder mogen zien, want dit is nog de ambtelijke naam van Goesti Bagoes Djilantik. Daar ik echter Karang-Assem geen stad of ‘stede’ vind en dit paleis geen paleis moet ik aan u overlaten hier meerdere interessante impressies op te doen dan mij mogelijk was. Het ‘paleis’ of liever het complex van eenige modderige hoven, vervallen open pendoppo's, afbrokkelende trapjes, open keukens, waar offerkoeken werden toebereid - want er waren juist groote, godsdienstige feesten - dan kakelende kippen, blaffende gladakhonden, scheldende vrouwen, hun huilende kinderen: dit was alles te zamen zoo ontstemmend ònvorstelijk als men zich maar denken kan. Vreemd was in de open lucht, hoewel overdakt, een bed, met witte klamboe's en geheel overdekt in doeken en lijnwaad: op dat bed lag, sedert maanden reeds, een gebalsemd lijk, zeide men ons, van een vrouwelijke verwante van den Stedehouder: het wachtte om verbrand te worden.

[p. 247]

Terug naar Kloenkoeng, en dan naar Kintamani. Nu onthoudt ge de namen wel; trouwens niemand minder dan Clemenceau heeft deze route genomen en te Kintamani overnacht (1500 meter). De koude plek in het midden der winden op het Balische hooggebergte, tusschen Tjatoer-, Batoer-, Abang- en Ajoeng-bergen. Wijd uitzicht over de bergvervluchtigingen heen tot aan de zee, tot aan de Noesa-Penida, het boeven-eiland, eenmaal een duchtige piraterij. Maar het interessante punt om naar te kijken en naar te gaan is de Batoer-berg. Hij werkt vervaarlijk, een dikke, zwartgrauwe rookkolom kronkelt zich uit zijn gespleten flank. Zijn donder rommelt en soms beeft de aarde hier, de hooge aarde van Kintamani. Dan is de mandoer van de pasanggrahan bang en wil weg en wil naar beneden. Want hij toeft hier eenzaam, zoo er geen ambtenaar of toerist bij hem vertoeft en de goden zijn boos en openbaren dat door het gebrul van den Batoer.

 

Daar ligt hij, dreigende, vlakbij. Ge denkt hem zoo even op te gaan om nieuwsgierig te turen in zijn gebarstene flank. Maar zoo gemakkelijk laat hij zich niet benaderen; zeer vermoeiend is de tocht en aan de brandende lava verliest ge uw schoenen ten offer. Daar ligt hij en het meer ligt op een lager plan maar niet zoo laag als vallei en dorpje. Ge denkt u den Batoer uitbarstende; in die catastrofe zoû het meer zich van dat lagere maar nog hooge plan kunnen uitgieten eenvoudig als een wijde kom, die kantelen zoû, in dorp en vallei. Maar de goden behoeden, schijnt het, de valleibewoners, die daar vreesloos aan den voet van den berg wonen. Want toen de berg eens uitbarstte en de brandende stroom lava zich weg baande naar omlaag, bleef de verderf-aanbrengende vloed stil staan, vlak bij het dorp, daar ter plaatse waar nu uit dankbaarheid de poera - het heiligdom - zich uitteekent.

21

Indien ik mijn mooiste indrukken van Bali wil te boek stellen, mag ik niet vergeten den Dans, dien wij 's avonds zagen dansen

[p. 248]

door twee meisjes, heel jong, als godinnetjes gekleed, als kleine, fijne dewi, in hare gouden kaïns en slendangs met de groote, driepuntige mijterkroon. Het waren kinderen van dertien, veertien jaar misschien - op lateren leeftijd dansen de meisjes niet meer - en zij mimeerden in haar dans een hartstochtelijk drama van ik weet niet welke emoties vol wraak en toorn; de eene ten minste hield bijna steeds haar gezichtje verwrongen in hevige passie; de andere - was zij eene medeminnares? - mimeerde bijna smeekend terug; wat de dalang verklaarde, begreep ik niet; nu en dan scheen het mij toe, dat hij de stem der demonen nadeed; de gamelan was zeer expressief. Het was geheel anders dan wat wij gezien hadden te Solo; trouwens, daar was het de hofdans; hier in Bali was het vooral berekend om het volk mede te doen leven in eene legende, die wel van goden en duivels en prinsessen scheen, maar toch zeer bewegend moest werken op de volksziel. De antieken hadden het ‘statariesch’ en het ‘motoriesch’ tooneelspel, het statige en het bewogene; mag ik deze zelfde expressies gebruiken om deze beide dansen te kenmerken, dan zoû ik zeggen: de hofdans der bedojo's te Solo was statariesch - zelfs het malle pistoolschot was statiglijk, - de dans van toorn en wraak der beide Balische meisjes was motoriesch. Wat ook zeer trof, was dat deze dans - trouwens de Solosche evenmin - ook maar eenigszins wellustig was; het was, trots den hartstocht, die meer van gemoed dan van zinnen was, zeer kuisch en waardig en hoog, en deze beide kleine, jeugdige danseressen waren artisten bewonderenswaardig om haar kunst, waarin zij een climax wisten te leggen, die verbaasde.

 

Misschien zijn deze danseressen eigenlijk nog halve slavinnen. Zoo jeugdig reeds, zijn zij, trots aanleg en kunstgevoel, moeten worden gedrild, en strengelijk, door haar meester om niet het woord ‘eigenaar’ te noemen. De Balische vrouw heeft geen benijdenswaardige positie. Zij blijft, al is slavernij afgeschaft, de voor bruidschat gekochte slavin haars mans. Zij werkt voor hem, zij zwoegt voor hem; liever trouwt zij een Chinees, liever is zij de

[p. 249]

huishoudster van een Europeaan, dan dat zij aan een man van haar eigen land wordt toegewezen. Maar zij heeft een oogenblik, dat zij zegeviert in schoonheid en belangrijkheid. En dit oogenblik is als zij ter offerande opgaat naar een poera - tempel -, als zij de Sembaja Dewa - het offer den goden gewijd - gaat volbrengen.

 

Wij hebben het - na het eenmaal in een kleinen tempel gezien te hebben in modder en schemering - onverwachts wedergezien in een tempel van grooten rijkdom en in stralenden zonneschijn. En het contrast was van groote schoonheid. Het was ook van groote reinheid, want op een dergelijk oogenblik moesten de tempelhoven gereinigd zijn van alle vuilnis en de onreine honden waren geweerd. Langs den weg gingen de gesierde vrouwen - sleepende kaïns, doorzichtige slendangs om trotsche borsten, wiegende tred, en op het hoofd de sierlijk geschikte offerkorven vol ooft en bloemen. Zij gingen de hooge, gebeeldhouwde trap op, in edele theorie. Er waren geen mannen bij, wel jeugdige meiskens en knapen, en allen waren in statie gekleed, bloemen in haarwrong, aan hoofddoek en oor, en het goud, doorweven en gedrukt op lijnwaad en zijde, schitterde te allerwege. En de vrouwen zegevierden. Nooit zijn zij zoo schoon als in deze vroomheid. Nooit zijn zij zoo waardig als plaatsende hare offerkorven voor het aangezicht der onzichtbare goden op de lange offertafels. Slechts éen man - de pedanda, de priester - ging tusschen hen door. Er was gewijd water, waarop bloemen dreven. Maar behalve de priester was er ook ééne priesteres - een jeugdige vrouw - en geknield voor de goden - bedenk, dat zij immer onzichtbaar zijn, ofschoon zij daar geacht worden te zetelen in de leêge tabernakels, achter de offertafels - bad zij, zong zij, bewoog zij de altaarschel, sprenkelde zij met een bloem het wijwater over de offeringen van bloemen en ooft en koeken - wat sierlijke offerkoeken! - en gebak en zelfs gebraad, en tikte dan de offerbloem weg voor zich uit met een allersierlijkst gebaar. En het geheel was volstrekt antiek en op dat antieke oogenblik zegevierde de Balische vrouw voor het aangezicht harer goden. Zegevierde deze priesteres met

[p. 250]

alle de andere vrouwen en heel jonge meiskens - en knaapkens ook - die met haar mede knielden. Neen, hier moeten geen zendelingen iets aan willen veranderen of verbeteren. Dit gevoelvolle, gelukkige, heidensche oogenblik moet deze offerende en biddende vrouwen troosten voor àl de ellende harer sekse - men ziet het aan de vrome uitdrukking harer gezichten, aan hare zachte oogen - en hebben de mannen dan hunne hanen en hanegevechten... deze vrouwen hebben hare offerande, haar gebed en haar stil, in statie en praal omringd, gelukkig oogenblik voor het aangezicht harer onzichtbare, maar onbetwijfelbaar ginds aanwezige goden.

 

Midden in Bali, bij Goenoeng Kawi, bijna ontoegankelijk, want slechts te bereiken door de sawah-terrassen af te dalen en dan te dringen door een in rotssteen uitgehouwen vierkant poortje, ligt het - door Rezident Damsté ontdekte - Hindoe-klooster. Het is moeilijk te vinden. De oppasser van Contrôleur Haga, van Gianjar, zal ons vergezellen. Een zee van zonneschijn dien stralenden morgen. In draagstoel tusschen de glinsterende spiegels der sawah-terrassen den keienweg omlaag. De draagstoel tuimelt bijna; de mannen tuimelen. Het poortje, het geheimzinnige poortje door. Een verholenheid, dat Hindoesch heiligdom, die eeuwenoude kloosterruïne, midden in Bali en geheel uitgehouwen in de beide rotsmassa's, die een rivier, de Pekrisan, doorsnijdt. Een diep, geheimzinnig dal, een gewijde plaats, vermoedelijk nooit anders toegankelijk geweest, dan door dat poortje. Nu weeft zich de mysterievolle stemming met den binnenvloeienden zonneschijn in dit gewijde dal, tusschen alle de ruischende watervallen, die het geleide water der sawah's omrond neêr doet storten. Een muziek van water. Zingend water, dat de sawah's afklatert; bruischend water, dat de rivier tusschen de rotsblokken voortstuwt.

 

Ter eene zijde van de rivier vier in het rotssteen uitgehouwen, groote monumentale grafgesteenten. Ten minste, het schijnen grafgesteenten. Van Koningen? Wie weet het. Alles is hier raad-

[p. 251]

sel. Weinig is te weten van deze heilige plaats, trots eenig Sanskrietachtig opschrift. Veel is hier te raden, nog meer te vermoeden. Aan de andere zijde van de rivier vijf dezer tjandi's of kolossale sepulkers. Bijna Egyptiesch van bouwtrant maar Hindoesch van stijl. Geen beeldhouwwerk. Strenge eenvoud. Waarom die sleuven onder die kolossale sarkofagen? Wie, wat bevatten zij en wat werd gegoten door die sleuven? Of waren het geheime gangen naar binnen?

Vermoedelijk niet. Maar wij weten niets. Zijn dit kleine offertafels, deze vierkante met rondten voorziene steenen...?

Maar hier terzijde is een tufsteen uitgehouwen... een klooster. Cellen, kleinere, grootere, voor kluizenaren of voor bewakers dezer Koningsgraven? Dit was vermoedelijk een vijver; bloeide de lotos hier?

 

Wij weten van niets. Maar zulke plekken, die gewijd zijn geworden aan vrome gevoelens en eeredienst aan goden of koningen - in de Oudheid aan elkander verwant - boeien mij zoo, dat ik, hier, in dit afgesloten dal, nauwelijks mij los kan rukken van deze betoovering. Ginds rusten de tandoe(draagstoel)-dragers. Ginds zwemmen zij, spelende in het water. En ik zit op een stuk rots bij het klooster, bij wat eenmaal een klooster schijnbaar of blijkbaar geweest is, en achter mij en voor mij rijzen de kolossale, in den berg uitgehouwen sarkofagen, en om mij rijzen de sawahs den zonnehemel toe en ruischen de honderden watervallen. Tusschen groen en goud en blauw, van padi en zon en water, geheimzinnigt onder een hooge lucht, de gewijde plek die ik ben komen zien, en waarvan ik niets weet, dan wat ik raden en aanzweemen kan. En het is genoeg om te beseffen, dat ons heden niet meer is dan een ademtocht in den Tijd. Want dit alles was eenmaal het Heden en het is nu niets meer dan een ongeweten Verleden.

 

En onder het Hindoesche Verleden schuilt nog ouder, nog antieker, de veelvuldige Legende. De legende van Keboe-Soewa, den reus, den slokop, die te sterk was en zijn ouders arm at, zoodat zijn

[p. 252]

vader zich van hem wilde ontdoen. En een waringin ten deele liet omhakken, opdat, zoo de te sterke zoon, voorbij ging, hij door den omvergeduwden boom verpletterd zoû worden. Maar Keboe-Soewa ving eenvoudig den over hem pletterenden reuzenboom in beide armen als een riethalm op en slingerde hem in de lucht weg. Toch mocht hij niet terug in het ouderlijk huis, en sedert zwierf hij door Bali en werd er de bouwheer der antiekste tempels, en met zijn sterke nagels sculpteerde en cizeleerde de artistieke reus er het poreuse steen en was hij de eerste, die de demonische en gedrochtelijke motieven uitvond, die sedert altijd gebleven zijn als de versiering der Balische poera's. En dan de legende van dien anderen reus met de slagtanden, Begawa Kasisapan, die Dewi Danoe huwde, de godin van het Batoer-meer, dat daar als een hooge, breekbare spiegel ligt boven de vallei. Zij openbaarde zich als een glans aan haar vervaarlijken minnaar en hare stralende zachtheid overheerschte zijn ruwe barbaarschheid en hun zoon was de trotsche Masa-Danawa, dat is de Reus uit Glans geboren, en zoo trotsch was hij, dat alleen aan hem geofferd mocht worden en niet meer aan de goden. Toovenaar was hij en op zijn bevel bloeiden de kapok-boomen van lange kaïns en kleurige sarongs, en de padihalmen hingen zwaar van ketoepats: dat is de in ruitvormig gevlochten kokosblad gekookte rijst. Maar de verontwaardigde goden, die noode hunne offers misten, verlieten Bali en trokken naar het midden van Java en zetelden daar op de bergen en strijd ontbrandde tusschen de goden en den trotschen zoon van de glanzende waternimf en natuurlijk werd hij, trots zijn leger van toovenaars en demonen, verslagen, omdat in die tijden de goden altijd zegevierden...

 

Aan boord van de Both, op de, terugreis - ginds liggen op elkaâr de geknevelde varkens en reizen, zoo stil, hun lot tegemoet! - las ik nog deze legenden over, als ik Ma-Patimah zie verschijnen. Zij verkoopt nu hare Balische, gouddoorweven stoffen, maar eenmaal was zij een der vrouwen van den kroonprins van Bali. En toen deze stierf, zoû zij met alle zijne andere vrouwen, moeten

[p. 253]

worden mede verbrand, ten offer aan den doode. Dan zoû zij, dan zouden alle andere vrouwen de voeten worden geboeid, eerst met koorden en daarna met bloemen-ketenen en dan zouden zij allen van af een hoog verheven plank boven den brandstapel van den doode bij gamelan-slag en hymne-zang roepende: Ik kom! Ik kom o Heer en Meester... door een wiegeling van de plank worden gestort in het laaiende vuur. Een zware steen zoû haar de ombloemde geboeide voeten bezwaren, opdat zij loodrecht vallen zouden in het vuur en niet ter zijde van de naar haar toe lekkende vlammen.

 

In de omwaakte poeri (paleis) wachtte Ma-Patimah (zij heette naar haar dochtertje) haar lot af met hare gezellinnen. Zij had toegestemd in den vuurdood omdat te weigeren schande zoû werpen op hare ouders. Maar den nacht vóór de plechtigheid kreeg zij het leven te lief en... wist te ontsnappen, de muren der poeri over en... zeventien gezellinnen, die mede verbrand zouden worden, vluchtten met haar. Zij vluchtte, Ma-Patimah, van Kloengkoeng naar Singaradja en smeekte om hulp bij het Nederlandsch bestuur aldaar. Zij was veilig...

 

Sedert werd de wreede adat der weduwverbranding afgeschaft. Ma-Patimah is geene radja-vrouw meer, maar verkoopt hare mooie stoffen en met ons mede en met de varkens reisde zij op de Both naar Soerabaia om daar eens - er werd een Amerikaansch stoomschip verwacht met vele kooplustige passagiers - haar slag te slaan, zoo zij vermocht. Nooit had zij in de poeri van den kroonprins van Bali ooit gedacht, nog eens op rijperen leeftijd een eerzame koopvrouw te worden!

22

Nederlandsch-Indië is op verschillende wijzen te zien en een evocatie van onze koloniën voor het Westersch oog is te doen van velerlei standpunt. Er is den toeschouwer te voeren naar het

[p. 254]

standpunt van den ambtenaar, den militair, den planter, den handelsman, den zendeling, naar dat van den beminnaar der natuur en kunst, naar dat van den toerist, naar dat van den gepensionneerde; misschien wel naar tien meerdere standpunten. Maar van welk standpunt men Indië beschouwt, steeds treft den toeschouwer, zoo hij eenige gevoeligheid heeft, het bijna mystiesch wijde en reusachtige dezer wereld van het Oosten, die een klein Westersch land tot nu toe overheerschte. Over die ‘overheersching’ moge men dezer dagen denken als men wil volgens meer of minder nieuwerwetsche wijze; het woord moge voor onze nieuwe mentaliteit een onaangenamen klank hebben, die moderne regeerings-diplomatie liever niet doet doorklinken, de ‘overheersching’ is tot nu toe een feit, dat niet weg te cijferen is. En de overheerschers zijn bij de sedert eeuwen overheerschte rassen niet zoo gehaat als overheerschers meestal zijn. Dit komt omdat wij van den beginne af een regeeringsstelsel schijnen gevolgd te hebben dat langen tijd juist is gebleken, al is het nu verouderd, zooals alle stelsels verouderen.

 

De tijden veranderen, plotseling, sneller dan vroeger. Nieuwe idealen woeien uit heftig bewogen Europa over. De autonomie van Insulinde is niet meer dan een kwestie van tijd. Er is iets zeer sympathieks in, dat de Inlander van rang, tegenwoordig bijna steeds een man is, die belang stelt in onze Westersche cultuur. Bijna alle regenten spreken bijna geheel zuiver Hollandsch; een Hollandsch sprekende regent was, twintig jaar geleden, een uitzondering. Er is niettegenstaande het rasverschil, dat zoo lang de onoverkomelijke kloof scheen, een toenadering van sympathie tusschen Oostersch en Westersch element. De ontvoogde Regent, de inlandsche zelfbestuurder die op eigen been en zal moeten staan, heeft reeds hier en daar verrassend succes te boeken. Hoe de nieuwe toestanden zich ontwikkelen zullen, is niet te voorzien. In deze landen kan alles reusachtig zich openbaren en blijken van stille mystiek doortrokken te zijn. De nieuwe toestanden zijn als het landschap zelve; als de wijde perspectieven van deze glooiende

[p. 255]

bergverschieten tusschen vulkanen, die nóg zullen uitbarsten en bergen, die voor eeuwig uitgelaaid liggen.

 

In deze dagen van malaise en kritiek fmancieelen toestand hebben vooral handelsman en planter hun moeilijk oogenblik te doorworstelen. Maar vermoedelijk is er voor beiden een hoopvoller toekomst in het verschiet. Den grootsten weemoed echter geeft de nieuwe tijd, of hij hem beschouwt in het licht der nieuwe idealen, of in de schemering der nog niet uitgeziekte malaise, aan... den ambtenaar; ik doel vooral op den ambtenaar van het Binnenlandsch Bestuur.

 

Zijn betrekking is tijden lang een bijzonder mooie geweest. De ideale betrekking van den man, die er niet aan dacht rijk te worden - geld was niet bepaald voor hem weggelegd - maar die den drang in zich voelde te werken, te scheppen, te vervolmaken en dus... te heerschen. Het gehate woord klinkt onweêrhoudbaar door. Eenmaal was de ambtenaar b.b., de hoofdambtenaar vooral, assistent-rezident, of rezident, een heerscher, zoo hij een persoonlijkheid was. Hij was vaak een goede heerscher, een heerscher die dienaar kon zijn van zijn land en zijn ideaal, al zoû hij zich in zijn gewest tot een autocraat ontwikkelen. De Bureaucratie te Weltevreden of Buitenzorg was wel eens een stille ergernis den man, die doèn moest en handelen, maar wist hij zijn wil door te zetten, dan smaakte hij de voldoening van zich te gevoelen een koning in zijn werkelijk niet klein rijk! Vergelijk maar eens een rezidentie op Java op de kaart met de oppervlakte van het vaderlandsch grondgebied.

 

Een dergelijke loopbaan van macht, niet zonder gevaar, eischte tevens supérieure krachten. In de geschiedenis van ons b.b., zijn de superieure rezidenten eerder regel, waren de middelmatigheden de minderheid. De superieure rezident had met liefde de hiërarchie doorloopen. Als aspirant-contrôleur reeds kweekte hij in de frischheid zijner voortvarendheid de deugd der zelfbeheersching,

[p. 256]

deugd, die hem voorbereidde later te heerschen over anderen. Als contrôleur b.b. moest hij dadelijk ‘iemand’ zijn. In zijn ressort moest hij zonder besluiteloosheid tevens groote tact be-oefenen met wie niet zijn rasgenooten waren, met inlandsche ambtenaren, van kampong- en dessa-hoofden tot wedono's en pati's. Hij moest zijn een heerscher-in-spé èn een diplomaat. Zonder een groote innerlijke en aangeboren beschaving kwam hij er niet. Jong, moest hij zich reeds voorbereiden een vader te worden in geestelijken zin; werd hij assistent-rezident, dan wàs hij die geestelijke vader. Liefde werd in hem vereischt voor land en volk, waar tusschen hij zijn loopbaan zocht, en die ‘loopbaan’ zoû hij niet alleen beschouwen als een ‘baantje’. Rijk zoû het ‘baantje’ hem nimmer maken! De stopflesschen met klontjes suiker en een of twee paar groote brillianten, waarvan in vroeger jaren de legende wel eens verhaalde, dat zij aan ambtenaarsvrouwen werden ten geschenke gegeven, zijn werkelijk alleen een pittoresk detail om minder ideale toestanden des verledens te illustreeren, en behooren reeds lang tot een ante-diluviaansch tijdperk en het rijk der Uitzonderingen.

 

De ambtenaar b.b. - ook de jongere - moest een ander levensideaal hebben dan geld. Hij moest er levensvreugde in hebben, te zorgen, te doen tieren en voortbloeien, te doen weligen en weelderen. Zijn belooning zoû alleen deze zijn: zich bewust te worden iemand te zijn en iets te doen, niet alleen voor zich, vooral voor anderen en in wijden kring. Deze kring is de laatste jaren zéér wijd geworden en dit is te wijten aan Koning Auto. Vroeger had de contrôleur in niet zoo wijd ressort geen auto. Had hij alleen bendie of rijpaard. Ging hij voor tien dagen of langer op tournée, en voelde zich gelukkig op zijn paard, in zijn karretje, gelukkig, al had hij zijn jonge vrouw en kindje achtergelaten. In het heele geval zat iets gemoedelijks. Hij kende ieder huisje in iedere kampong, ieder rijstveld, iederen boom. Zat hij, gedurende die avonden zijner tournée in de pasanggrahan en had hij de aanteekeningen van zijn rapport bijgewerkt, dan vond hij wel gelegen-

[p. 257]

heid den wedono bij zich te noodigen, praatte met hem vertrouwelijk en leerde vele dingen. Nu vliegt zijn auto het district zoo snel door, dat hij nauwelijks naam, gezicht, persoonlijkheid der ondergeschikte Inlandsche hoofden onthoudt en kent.

Wat kon - wat kan hij nog, maar weldra dreigt het uit te zijn - de assistent-rezident niet doen voor allen over wie hij vadert. Zoo hij een maandelijksche koempoelan uitschreef voor alle mindere Javaansche ambtenaren, pati, wedono, assistent-wedono, dessahoofden, - geheel de hiërarchie waarvoor de Inlander, vooral de Javaan, zéér voelt in zijn ingeboren aristocratisme - was het hem mogelijk alle zaken, moeilijkheden, geschillen te bepraten, te vereffenen, op te lossen. Hij was na zulk eene bespreking - late zij een paar uur hebben geduurd - de middelaar tusschen die allen en den Regent en den Rezident; de Regent, dien de inboorling steeds hoog vereert als den afstammeling en het toch nog wel bijna erfelijke hoofd zijner geboortegronden, en de Rezident, de onmiddellijke vertegenwoordiger en uitvoerder van het Nederlandsch gezag.

 

Ik heb altijd iets moois gevonden in deze opgaande lijn, in deze hiërarchische traditie. Het was misschien omdat ik, als kunstenaar oog heb en liefde kweek voor harmonie en rhythme, en dat ik in deze wijze van regeeren, van dienen en heersenen beiden - want ieder dezer ambtelijke bestuursmannen bleef een dienaar van een hooger gezag - dat rhythme en die harmonie meende aan te treffen. Maar niet iedere ambtenaar is een kunstenaar en daarom doet het mij zoo een genoegen als ik uit hùn monden vaak hoor, dat mijne opvatting ook de hunne is en niet alleen die van een onpraktieschen en dichterlijken litterator. Als ik uit hunne monden hoor wat ik zelve mij dacht: dat Maleier, Soendanees, Javaan door hunne beschouwende, ietwat op één punt starende mentaliteit geene initiatief-nemers zijn, die er tegen op zien verantwoordelijkheid te dragen. Dat zij het drijven hunner enkele veel vooruitstrevende leiders eigenlijk met huiverende antipathie beschouwen. Dat communisme voor hen een woord en een raadsel bleef

[p. 258]

en een Westersche hersenschim, die zij niet waardeeren omdat een instinct hen heeft doordrongen van de eenvoudige waarheid, dat gelijkheid nooit was en nooit zijn kan. Naast de waringin schiet broos de rietstengel en de mier krimpt samen onder des tijgers klauw. Met een semba, hormat te bewijzen aan wie hooger staat is even natuurlijk als dat de rietstengel nijgt voor de waringin. Schaf semba en hormat af, goed, de inboorling schikt zich in dit voorschrift, maar in zijn hart keurt hij den maatregel af en begrijpt dien niet en zal dien nooit begrijpen, al leggen enkele geestdrijvers, in zijn midden, hem uit, dat hij precies een mensch is als de Soenân van Solo. Hij voelt het heelemaal niet zoo. Zijn vorsten stammen af van godheden en helden, die bij de wajang-spelen de dalang hem toont; en den Europeeschen overheerscher die het weet en voor hem doet, blijft hij, ter zijde, toch eeren. Schreeuwt hij brutaal mede met de nieuwe massa, of wat massa zich noemen wil, het is alleen uiterlijke overmoed; komt hij tot zichzelf, dan betreurt hij den tijd van vroeger. En den pajong, door Gouverneur-Generaal van Heutsz afgeschaft, wenscht hij, is de ambtenaar, wien die eertijds boven het hoofd werd gehouden, hem sympathiek, terug.

 

Eenige dingen van vroeger, eenige dingen van nu. De tijden veranderen; de reorganizatie gaat voort. De fatale drang zal veel verbetering inhouden; hoe kan het anders? De meer en meer intellectueele Regenten zullen meer en meer zelven regeeren. De contrôleur - den laatsten tijd werd hij niet meer zoo kieskeurig gekozen als eertijds na een moeilijk vergelijkend examen en na een beproeving zijner moreele kwaliteiten - de contrôleur zal in de toekomst worden uitgeschakeld. De assistent-rezident zal meer een algemeen contrôleur worden, om het zoo te noemen, dan de Europeesche pleegvader van destijds blijven. De innige banden zullen losser worden.

 

Het is mogelijk, dat dit alles ten voordeele zal zijn van een nieuwe bloeiende toekomst vol zelfstandigheid. Wat ik alleen maar wilde

[p. 259]

aanwijzen is, dat er weemoed is, - meer dan van eenig ander standpunt - van het standpunt van den ambtenaar van b.b. die zich de dagen van vroeger herinnert. En dat het met de bekoring van deze in verledene jaren den energieken Hollander lokkende en loonende betrekking - al was er geen geld mee te verdienen - grootendeels gedaan is.

Ten minste, als ik dit, als outsider, waag te opperen, zijn allen het met mij eens.

23

Op het punt ons Indië te verlaten, vraag ik mij af: is de Maleier, is de Javaan in den loop der jaren door evolutie en wereldgebeurtenis ànders geworden? Misschien wel, maar, op een ènkele uitzondering, meen ik, héél oppervlakkig. Oorlog en revolutie in Europa hebben hem wel wijde, vreemde perspectieven ge-opend: hij heeft iets in zich voelen trillen - was het vrees voor mogelijk onrecht, dat hij reeds jaren geleden zoû hebben, verwachting van een voor hem niet uit te zeggen en niet te verbeelden schooner toekomst? Maar toen is de rustige peinzing weêr over zijn geest neêrgezonken en meende hij weder, dat Allah het maar voor hem weten moest. Deze menschen hebben immers zulk een van de onze geheel verschillende ziel en geest. De droom van het leven houdt hen gevangen en zij zijn te gelukkig in die gevangenschap om in het diepst van zich iets anders te wenschen. Oppervlakkigweg is een zekere Europeanizeering hun wel aangenaam maar vooral voor hunne ijdelheid. Te loopen of droomend te zitten in een wit jasje van goeden snit, getailleerd met een strak, stijf, half militair kraagje - hèt model tegenwoordig voor ieder, wie of wat hij ook zij - en dit jasje te dragen boven hun kaïn, met fluweel of zijden kalotje op het korte haar, dit is voor de meesten het ideaal. Zoo zitten zij iederen avond in de bioscoop en kijken naar de wegtrillende cow-boys en Charlie Chaplin en meenen beschaafd en Westersch te doen.

[p. 260]

Voelen zij werkelijk iets voor gruweldrama en laag komieke klucht? Ik weet het niet. Misschien sluimert slechts onbewust hun ingeboren, maar nooit overdacht en nooit bewust geworden schoonheidsgevoel in hunne, het leven zooals het zich voordoet en wordt, aannemende, zielen. Van een ras, dat in fyzieke schoonheid steeds onderdeed voor het Kaukasische, vooral waar zich dit openbaarde in den antieken Helleen, bleef toch steeds in den Inlander de ingeboren gratie, de in hunne vrouwen treffende bevalligheid en tevens in alles wat hij bouwde, weefde, werkte, smeedde, vlocht een groote innige schoonheid. Van een Menang-Kabausch huis met zes dakpunten en drie rijkelijk versierde padischuren, tot een Javaansche mand of korf van een palmblad even vluchtig en voor efemeer gebruik gevlochten, is die schoonheid wondervol treffend. En menschen, die zoo bouwen, weven en vlechten kunnen, trekken 's avonds op naar de bioscoop, naar wat deze in de meeste gevallen geworden is: een duizenden kilometer lange bederving van allen goeden smaak en fijner gevoel. De kruiers kleeden zich als cow-boys en dragen de portretten van Douglas Fairbanks als medaillons op hun petten. Analyzeer, zoo ge kunt, deze psychische tegenstrijdigheid. Maar werkelijk en ernstig zich den Europeeschen geest willen eigen maken, kan ik in deze rage niet zien, evenmin als ik in het getailleerde jasje kan zien den wil gelijk te worden aan den Europeaan.

 

Kan de eigenlijke essentie onzer cultuur wel tot hunne ziel doordringen? Ik geloof evenmin, als wat diep in hen sluimert, en somtijds opwaakt, ons begrijpelijk kan worden. De aarde is klein; de rassen, die uit haar ontsproten zijn, zijn te tellen, maar de schakecringen dier rassen, die deze kleine aarde bevolken, zijn duizenden en blijven geheimenis, die van het eene voor het andere ras. Evenmin als de Inlander ooit geheel zal kunnen begrijpen wat en waarom wij liefhebben en bewonderen, waarheen wij streven en verlangen, kunnen wij Westerlingen begrijpen wat er in den Oosterling omgaat, wat hij verlangt, waarheen hij streeft en wat zijn levensideaal is, zoo dat hem omlijnd voor oogen mocht

[p. 261]

rijzen. Het is daarom zoo onbegrijpelijk, dat de moderne ethici werkelijk meenen dat onze Westersche idealen ook de hunne zouden zijn en de verwezenlijking er van ook hun het gedroomde geluk zoude geven. Deze menschen verlangen geheel andere dingen dan een Europeesche arbeider thans begeert. Zij blijven kinderlijk en traditioneel, en wie onder hen het volk uitmaken zijn tot dienen geboren en tot vereeren van wie uit hunne antieke geslachten stammen. Wij zelven blijven voor hen slechts indringers, die zij met meer of minder bewuste filozofie dulden.

 

En in deze kinderlijke en traditioneel gekenmerkte ziel sluimert en waakt soms op iets wat den Westerling bijna steeds vreemd is en een raadsel, dat hij bruut ontkent, zoo hij geen fijner aanvoelingsvermogen bezit: een Occulte Kracht. Die kracht moge meestal meer sluimeren dan waken, latent schijnt zij mij aan wezig in elk dezer zielen en te kijken uit elk dezer oogenparen. Die kracht schijnt mij in hen te dringen van uit den grond zelve, van uit de lucht, van uit de geheele, machtige natuur, in wier wasdom zij schijnt te schuilen. In iederen boom, in iedere halm, in iedere vezel, overal op de wereld, schuilt iets, dat ons, trots al onze wetenschap, ontsnapt, zoo wij het willen benaderen met onze definiëerende kennis: in Insulinde's natuur schuilt dat geheimzinnige in zoo groote mate, dat het soms zich niet verbergen kan, dat het soms zich openbaart. En zijn geheimzinnigen invloed uitstort en doet stroomen niet alleen in berg en bosch en boom en bloem, maar ook in den mensch, die hier, zuiver van ras, geboren is en wiens bestaan levens-inniglijk verbonden is aan deze antieke gronden.

 

De Inlander weet en kent - soms onbewust - dingen, die wij niet weten en kennen. Het ligt weinig in de mentaliteit van ambtenaar, planter of handelsman om rekenschap met die dingen te houden. Des te meer trof het mij, dat ik, sprekende met een ‘dienaar van Gods woord’, met den heer Hoekendijk, zendeling en sedert vele jaren woonachtig en werkzaam in de Soendalanden, in

[p. 262]

hem aantrof het bewustzijn en de zekerheid, dat er ‘iets’ in den Inlander en in deze Inlandsche natuur schuilt en zich soms openbaart, dat is van Occulte Kracht. Waar ik het zelve zoo heel sterk voel was ik voldaan dat zelfde gevoel te vinden bij iemand, die zoo geheel van mij verschilt in levensopvatting, werkkring en religieus gevoel.

 

De fantazie van den mensch is gering, geloof ik, en van alles wat hij in zijn geest voor zich ziet, bestaat eene werkelijkheid. Als de Inlander gelooft aan verschillende ‘elmoe's’ (Arabiesch: ilm = wetenschap) moeten zulke magische ‘elmoe's’ ook bestaan in zijn ziel. Hij kan ze niet bedacht hebben; een mensch kan eigenlijk niets bedenken; van wat hij ‘bedenksel’ noemt, zweeft ongetwijfeld het prototype ergens tusschen hemel en aarde. Een elmoe is de wetenschap hoe men hoogere macht kan dienstbaar maken om een zeker doel te bereiken. Een elmoe is dus magie of tooverij. Er zijn verschillende ‘elmoe's’. Er is de ‘elmoe’ om rijk te worden; er is de ‘elmoe’ der berekening van gunstige dagen; er is de ‘elmoe’ om onzichtbaar, onkwetsbaar te maken zich of een ander; er is de ‘elmoe’ om krankzinnig te maken of krankzinnigheid te genezen, zich te martelen zonder zich pijn te doen (de fakirs!), regen, storm, boosheid van natuur of mensch af te wenden of op te roepen.

Het is gemakkelijk om dit geloof te glimlachen. Het is moeilijker te begrijpen hoe het ontstaan is zoo er nooit een aanleiding toe bestond. Maar uit eeuwen her stamt dit geloof en stammen de elmoe's. Voor den inlander is een ‘elmoe’ zijn grootste schat, beweren zij, die deze dingen poogden te doorgronden.

Wie een ‘elmoe’ bezit, is doekoen, dat is niet alleen dokter maar vooral toovenaar. De doekoen weet de ‘rapals’, dat zijn de verschillende dingen, die gedaan moeten worden; hij weet de ‘djampe's’ of tooverformules, die gepreveld of, als de Inlander zegt, ‘geblazen’ moeten worden. Meestal is de gunsteling der goden of des duivels slechts met één ‘elmoe’ begiftigd: de ‘elmoe’ is van goddelijken of van duivelschen oorsprong.

Ik geloof, dat het den Inlander van meer waarde is zich bewust

[p. 263]

van een ‘elmoe’ te zijn dan in het bezit te komen van alle moderne kies- en andere rechten. Zijn kinderlijkheid zal nauwelijks weten wat met deze rechten te doen; zijn Occulte Kracht zal wèl weten hoe zijn elmoe te gebruiken, zelfs al zal de oorsprong van die ‘elmoe’ geheim hem blijven.

 

Ik wil niet in de duizenden détails treden, die over deze vreemde dingen te zeggen zijn. Ik durf niet beweren, dat een hagedis met gespleten staart, gedroogd, belezen en als amulet aan den hals gedragen, een middel is om onzichtbaar te zijn. Of dat kleiballen, gelegd onder het kistloos begraven en zijlinks gelegde lijk eener op Vrijdag gestorvene kraamvrouw, een tooverkracht zouden bezitten: gedroogd in de zon, fijn gestampt tot poeier en binnen geblazen in een slaapkamer, bedwelmt dit poeier de slapers. Maar ik geloof, dat het even dom is dadelijk om deze dingen te lachen als om ze voetstoots te aanvaarden als onbetwijfelbaar. Dergelijke praktijken zijn niet gisteren uitgevonden. Zij bestaan sedert eeuwen. Zij zijn misschien verbasterd. Aan hun invloed zijn misschien àndere invloeden verbonden, die niemand meer weet. En wederom: te ontkennen is gemakkelijker dan ook maar eenigszins te verklaren hoe een bijgeloof - laten wij het dan zoo noemen - in de wereld kwam en bleef bestaan.

 

Dat de natuur aan deze bijgeloovigheden medewerkt, is nog geene verklaring, maar wel een feit, dat te denken geeft. De datura-bloem is reeds van de antieke tijden af de bloem der heksen, de bloem der onzalige tooverij. Gaat ge naar Tosari bergopwaarts, dan zult ge de datura-heester - de katjoeboeng - den geheeleh weg langs zien bloeien. Het is een prachtig gezicht, die bloeiende heesters langs den slingerenden weg: de groote, blanke kelken hangen als schellen en klokken bij duizenden neêr aan de twijgen. Het is of zij zoo straks der heksen spreuken met hare toovermuziek begeleiden. Ik weet niet waarom deze bloemen zoo vreemd mij aandoen. Is het omdat ik weet, dat zij der heksen bloemen zijn? Het zijn toch prachtige, blanke bloemen en zij zijn sierlijk

[p. 264]

van gebaar, maar nooit zult ge deze klokken met Kerstklokken vergelijken. Waarom niet? Ja, zij hebben iets demonisch. Die blanke bloemen hangen daar als altaarbellen voor een zwarte mis. Hare blankheid suggereert de geblankette matheid van het buigende lijf van lichtekooien. Zoo is geen roos, geen lelie. Hare geur is als een damp van bezwijmeling, als van een slecht parfum.

 

Deze bloemen zijn de Javaansche tooverbloemen, zooals zij die der Oudheid waren. De bladeren der heesters, fijngestampt, heeten pijnen te stillen en zouden dus nog weldadig zijn. Maar het welriekende stuifmeel der booze, blanke bloemen, door een buisje geblazen, over wie slaapt, schijnt te bezwijmelen en te verlammen en ziek te maken, hetgeen de antieke heksen al wisten, dat het stuifmeel harer datura's deden. Meen niet, dat er één Inlander bestaat, vooral onder de eenvoudigsten en kinderlijksten van hen, die niet aan alle deze dingen gelooft. Maar wie kinderlijk is en eenvoudig, weet soms de geheimen der wereld beter dan de hoogmoedige man der wetenschap. En neemt de vreemdste dingen in eenvoud aan.

 

Siri-spuwen, steenen-gooien in spookhuizen, wie zal die dingen verklaren? Zij zijn o zoo gemakkelijk verklaard door wie de geheimen van die dingen ontkent en meent, dat zij niet anders zijn dan bedrog, bang-makerij, of eenmaal toch uitgekomene wraakneming van listige, handige vijanden. Ik wil ze zelve ook wel zoo verklaren, wanneer men mij de spookhuizen aanwijst en de feiten vertelt. Maar dadelijk na die nuchtere verklaring, voel ik intens na... dat het er geene is. Dat er iets in mij is, dat... deze ontkenning van het geheimenis ontkent. En dat ik geloof, hoewel ik niet weet en niet kàn verklaren en het ook niet beproef.

 

Ja, ik geloof. Ik geloof aan de booze macht van datura-bloemen; ik geloof, dat er ‘elmoe's’ zijn; ik geloof, dat weldadige en vijandige machten ons omzweven, dwars door ons gewone, iederen-daagsche leven heen; ik geloof, dat de Oosterling, welke hij ook

[p. 265]

zij, meerdere macht over deze machten kan doen gelden, dan de meer in nuchterheid, ‘zaken’ en geldmakerij verzonken Westerling. En soms, als ik zie in de oogen van den Maleier of Javaan, één oogenblik langer dan anders, dan geloof ik niet alleen, dan wéét ik ook, dat hij mij, zoo hij mij vriendschappelijk te moede is, trots rasverschil, iets gunstigs, zoo hij mij haat, iets òngunstigs zoû kunnen bezorgen. En is dit gevoel zoo sterk in mij, dat ik mij verbazen moet over den joviaal negeerenden bulderlach van wie meent, dat hij de wijsheid in pacht heeft, en, naïve Westerling, geheel de antieke ziel van het in mysterie gedrenkte Oosten zoû willen verklaren met zijn positivistische machtspreuk.

24

Wij zijn op weg naar de Chineesche Zee, aan boord van de ‘Tjikembang’ (Java - China - Japan-Lijn), kapitein Bouman. Java ligt achter den rug. Bali ligt achter den rug en Celebes is in zicht. Wij stoppen te Makasser en stappen aan wal. Wij, wij, hebben nu toch den voet gezet op Celebes! Wie zal ons dat ontkennen?! Wij hebben zelfs getuft door Celebes, ik meen door Makasser en buiten Makasser om. Enfin, we zijn er geweest.

Meer kan ik er u niet van vertellen. Makasser schijnt mij een van die onbelangrijke plaatsen, waar men doorgaat, zonder dat ze één indruk achter laten. En Celebes omvat mijn reisplan niet, hoewel ik gaarne geloof, dat Boni interessant is en Menado evenzeer. Maar wij moeten ons intoomen, en hoe gaarne ik ook de Molukken gezien had, wij zijn nu op weg naar... Shanghai, want Hongkong zullen wij niet kunnen aandoen om de staking van dok-en havenwerkers.

 

Dus een vrij negatief begin, dit begin van de nieuwe route. Toch iets als een verademing. De vier maanden op Java en Bali waren heelemaal niet negatief en wèl druk; nu, aan boord, begint er iets als rust over ons te komen...

In die rust dringt dieper door het bewustzijn, dat we op een...

[p. 266]

‘vrachtboot’ zijn, die een twaalftal passagiers vervoert. Ik wist natuurlijk wel, dat ik op een vrachtboot zat maar, argeloos en naïef, wist ik niet van te voren, dat ik zoo heel erg op een vrachtboot zoû zitten als ik doe. De kapitein zegt ons: we zijn maar enkele uren te Makasser gebleven - we hadden er niet veel te doen - om vlugger naar Balik-Papan te komen: we worden daar dan ook vlugger geholpen.

 

Ik heb eenigszins idioot toen geglimlacht, geloof ik, nog altijd niet wetende, dat ik zoo heel erg op een vrachtboot zat, hoewel ik wel wist, dat ik op een vrachtboot zat. De Directie van de j.c.j.l. had mij in Batavia zoo charmant ontvangen, en het Agentschap te Soerabaia had mij zoo uitstekend geholpen, dat ik altijd had gedacht: nu ja, een vrachtboot, maar toch twaalf passagiers ook, en wel eerste klasse! En de hutten had ik gezien, ruim en comfortabel en aan de kajuit waren twee comfortabele ‘serres’ afgeschoten op het dek, met heerlijke Hongkong-chairs - afgeschoten met glas want om en bij Hongkong vernoordelijkt de temperatuur. Waarom zoû ik dus niet die vrachtboot genomen hebben, die de snelste verbinding zoû zijn tusschen Java en China en Japan? Er zijn vrachtbooten en vrachtbooten. Ik zat niet op een appelsinen-boot maar op een royale vrachtboot van ik weet niet hoeveel ton. En dan, de j.c.j.l. heeft haar reputatie.

 

Toen vroeg ik, met die argelooze naïveteit van den toerist, die meent heel practisch te zijn en wel eens domme dingen doet:

- En hoe lang blijven we te Balik-Papan, kapitein?

- O, misschien wel zeventien dagen, was het antwoord van onzen gezagvoerder.

Ik grinnikte; het was natuurlijk een grapje. Ik wist wel heel even wat Balik-Papan was: eene der vier ondernemingen van de Bataafsche Petroleum Maatschappij, en die weêr deel uitmakende van de beroemde ‘Koninklijke’. Was het niet zoo? En was ik niet reeds te Pangkalan Brandan geweest? En wist ik nu niet àlles af van petroleum?

[p. 267]

- Kom, kapitein, zeide ik, wees nu even ernstig en vertel me eens hoe lang liggen we voor Balik-Papan? Dat is toch net zoo iets als Pangkalan-Brandan?

Kapitein werd ernstig.

- Hoe kan ik u dat zeggen? Hangt immers af van de lading? Maar misschien zal het maar twaalf dagen duren, soms duurt het laden niet langer.

IJskoude steeg mij naar de hartstreek op. Lichte wanhoop grenseloosde rondom mij heen.

- Kapitein, zeide ik, ietwat bleek. Ik moet naar Japan om de kersen te zien bloeien. De godin der kersenbloesems wacht niet met haar bloesemfeest, tot na zeventien of twaalf dagen ladens ons schip zijn buik vol heeft. En het is een héél eind nog, naar de Japansche kersenbongerds.

- Nou, het valt misschien wel meê! verzekert mij onze kapitein goedhartig en omringt mij in een medelijdenden blik.

 

Maar zijn medelijden werd niet welsprekender. Daar naderen wij de baai van Balik-Papan. En liggen stil, in de baai, ik weet niet op welke lengte- of breedtegraad. Ergens.

Ik spied uit. Balik-Papan ligt, wereldstad, wijd aan den nabij gedoemden horizon.

- Waar wachten wij op? vraag ik. Waarom liggen we hier zoo lui en loom als een zeenymf op het gladde water?

- We wachten, wordt mij ingelicht; tot onze vóórkomer vol geladen is.

Een vinger wijst mij naar den steiger. Het is, geloof ik, Steiger IV. Steiger IV zal ook ònze steiger zijn, die van de Tjikembang. Steiger I, II en III waren zeker òns niet waardig.

- En wanneer is die vóórkomer volgeladen en liggen wij aan, aan onzen voorbestemden steiger?

Mysterie. Vierkante zecmanschouders worden opgehaald: Zoo'n ‘speciale persman’ is veel te nieuwsgierig. Wie kan het ook weten, wànneer die vóórkomer zal zijn volgeladen?

[p. 268]

Het is waar. Ik deed een domme vraag. Ik doorzie zulke eenvoudige dingen niet gauw. Ik ben nog zoo vol van Môdjôpahit en Bali, van srimpi's en bloemen- en vruchtenoffers. Dit is Balik-Papan, de zuster-onderneming van Pangkalan-Brandan en ik weet er immers al àlles van? Het is alleen maar petroleum, de Koninklijke. Jammer, dat ik ook geen geld heb gemaakt met die ‘Koninklijke’... Stom van me geweest, in der tijd... Wat wil je: ik ben nu eenmaal geen financieel genie!

Eenigszins ontstemd en ongeduldig leg ik mij neêr op mijn langen stoel. Ongeduld is mijn grootste fout. Ik wil nu zoo gauw mogelijk de kersen zien bloeien in de kersenbongerds bij de Rijzende Zon. Mijn hééle reis is ééne voorbereiding om de kersenbongerds bij de Rijzende Zon in bloesem te zien. Goede goden, zal ik iets zien? Hier lig ik vóór Balik-Papan, niet eens tè Balik-Papan.

 

Motorboot gaat naar wal. Ik boudeer. Wil geen Balik-Papan. Wil kersenbloesem en Rijzende Zon. Ik weet àlles van petroleum af. Ik wil niets meer van petroleum afweten, ik wil niets meer over petroleum schrijven, en om rijk te worden dóór petroleum is toch voor mij niet weggelegd.

 

De avond valt. Wat is dat? Ik schrik op. Waar ben ik? Een lichtgloor drijft boven Balik-Papan. Is het heusch een wereldstad? Witte torens, ronde bolwerken... O, neen het zijn de tanks. Is het een antieke stad? Op immense, ijzeren drie- of viervoeten schijnen offers, geuroffers (petroleum? neen, het ruikt er niet naar!), rookoffers te worden aangestoken. Ter eere van wien? Van Divus Petroleum? De walmen van blauw tot zwart, stijgen de lucht in. Naar de sterren, die verbleeken. En over de wereldstad Balik-Papan, die daar ligt aan de Oostkust van Borneo - ik dacht dat daar alleen maar Dajakkers woonden en tijgers sluimerden, zoo tusschen Pontianak en Bandjermassin in - schitteren in eens en bijna als met één tooverslag, op dit tooveruur der electriciteit, duizenden lichten! Wat een licht! Het lijkt wel Napels, neen liever Lido, Venetië!!

[p. 269]

Een wereldstad, een wereldstad van Petroleum! Dat is Balik-Papan.

- Zoo heel groot is het niet, declineer ik, een beetje kwaad op Balik-Papan, die Borneosche petroleum-wereldstad, die mij hier doet dralen, ik meen ons schip, als een nymf op der gladde wateren stillen spiegel. Want je kan de lichtjes wel tellen!

Ik ga ze tellen, inderdaad. Ik kom tot dertig, dan tot zestig, dan tot honderd. Dan om vaâm ik zoo een honderdtal lichten met blik en handgebaar en tel bij honderdtallen: ik kom tot drie-, vierhonderdtal. Op één honderdtal komt het er niet op aan.

- Het is geen wereldstad, misprijs ik bij mij zelven. Het is maar Balik-Papan. Het zal iets grooter zijn dan Pangkalan-Brandan. Petroleum kan me niets schelen. Ik heb toch, toen ik het kon, geen Koninklijke gekocht. Stommerik die ik ben. En dan, het is alles illuzie. Rijkdom en Balik-Papan. Het lijkt zoo groot omdat die vierhonderd lichten - laten we aannemen, dat het er vijfhonderd zijn - zich zoo diep terugslaan in de kalme baai. Terugslaan?? Wel neen, natuurlijk niet. Dacht je soms, dat die neêrglans, die trillende weerglans in het water neêrslaat?? Die weêrglans slaat maar over het water en rimpelt dan en breekt bij iedere rimpeling, maar het is een illuzie, een optiesch bedrog, dat ons die weêr- en neêrglans doet zien als zich spiegelende tot den zeebodem toe. Alles is illuzie, geheel de wereld, en de Koninklijke is óók illuzie... hm.

 

Ik ga boos naar kooi. En slaap. En droom van petroleum-offers aan Plutos, den god des Rijkdoms. Den volgenden morgen, als ik wakker ben, doorvaart mij een zacht getril. Onze zeenymf zwemt toe naar Steiger IV. Dan leggen wij aan. Nu zijn wij toch te Balik-Papan. Maar hoe lang wij er liggen zullen?? Dat is het mysterie... van item zooveel of zooveel ton lading. Iets meer of minder, dat is de vraag. Wij zijn immers een vrachtboot; ik meen, dat is de Tjikembang met zijn twaalf eerste-klas passagiers. (Tweede klas zijn er heelemaal geen.)

Ik kijk onzen steiger langs; die buigt uit links en rechts, en over

[p. 270]

rails - een geheel spoorwegnet - zullen de vrachtwagens rollen. Maar boos en uit mijn humeur hoop ik niet naar die vrachtwagens verder te kijken en me niet te interesseeren in petroleum. Naar kersenbloesem kijk ik uit.

 

Een heer nadert mij, dien ik niet ken. Hij groet, zegt zijn naam, hij is rechtskundig adviseur in de administratie van Balik-Papan. En hij overhandigt mij een brief. Het kan niet formeeler en met meer égards. Hij is een afgezant van den Hoofdadministrateur, den heer Dr. Camper Titsingh, die mij in dezen brief verwelkomt, mij verzoekt een blik te slaan op alles wat te Balik-Papan gewrocht is en hoopt, dat ik wel een lezing wil houden voor het intellectueele menschdom te Balik-Papan, in de Aula of in de Soos-zaal.

Het is alles heel hoffelijk, heel hartelijk daarbij. Ik interesseer mij natuurlijk dadelijk verschrikkelijk voor Petroleum, ook al heb ik geen enkel aandeel Koninklijke. Toch misschien maar eens zien. Moeilijk te weigeren. Daar ginds staat de hoofd-administratieve auto. Ik verlaat het schip, loop langen steiger af, tuf naar het hoofdbureau. ‘Kantoor Toean Besar, chauffeur!’ Word geleid in presentie van den heer Dr. Camper Titsingh.

Vertegenwoordiger van het ‘Westersch effort’ aan de Oostkust van Borneo.

Een jonge man van wellicht nog geen veertig (ik schat moeilijk leeftijd). Een energiek, kalm gezicht met donkere intelligente oogen. De jeugdige heerscher over Balik-Papan en zijn bevolking van ik meen pl.m. 20.000 zielen. Een innemende glimlach, een stevige handdruk.

 

De eene mensch is gemaakt om den ander af te stuiten of in te nemen. De heer Dr. Camper Titsingh palmt mij heelemaal in. Ik dweep in eens met petroleum. Ik wil alles zien, maar dan ook àlles zien. Pangkalan-Brandan? Maar het is een dorp, vergeleken bij Balik-Papan; het is een petroleum-dorpje, een gehucht.

Balik-Papan is de wereldstad. Daar hangt aan de muur een kaart. Nieuwsgierig en nu werkelijk, vol intens interest, blik ik er

[p. 271]

heen. En ik zie het gebied van den Sultan van Koetei, de vele riviermonden, die naar de baai uitmonden, de concessie-terreinen (1898 begonnen) genaamd Mathilde, Nonnie, Louise, naar de dochters van den heer Menten, den eersten concessionaris, Samarinda, waar de Assistent-Rezident, Noordelijker nog Tengaroeng, waar de Sultan van Koetei rezideert, en dan daar het eiland Tarakang, het rijke petroleum-eiland, een vat van olie nu der Koninklijke overgegeven en dat misschien van meer belang is dan ik wel zeggen mag.

 

Het Westersch effort! Ik gevoel er toch wel bewondering voor, hoezeer ik naar mijn kersenbloesems verlang. Ja, ik wil alles zien. De heer Ir. H. Driebergen zal met mij meêgaan. Maar moeilijker, o lezer, is het mij Balik-Papan te doorzien en te begrijpen dan de Boeroeboedoer en de ruïnes van Môdjôpahit en de poera's van Bali.

Toch wil ik u, o aandeelhouder, die nooit en nimmer noch zeventien, nòch twaalf dagen, nòch zès dagen - als ik deed!!! - aan steiger iv te Balik-Papan zal blijven toeven tot uw ‘vrachtboot’, die u naar Japansche kersenbloesemlente voert, het wijde sop kiest, trachten u ièts te laten zien van deze machtige schepping der ‘Koninklijke’!

25

Hoe precies de petroleumrijkdom van Balik-Papan ontdekt is, weet ik niet - ik heb vergeten het te vragen - maar zulke rijkdommen in den schoot der aarde schijnen wel eens op de meest simpele manier te worden gevonden. Er wandelt wel eens een oud-militair of ik weet niet wie met meer of minder ondernemingslust rond door onze koloniën, met zijn njai (huishoudster), een Winchesterbuks en een gramophoon. Het is een avontuurlijke zoeker, het is een concessie-jager en hij zou een figuur zijn voor een mooi jongensboek; hij is bepaald een boeiende held voor een roman van moderne, niet al te romantische ‘avonturen’. Hij gaat

[p. 272]

in Borneo uit op goud, misschien wel op maspoeti (platina), maar de inboorlingen weten zelve zoo goed de waarde der edele metalen, en zij houden zoo lang mogelijk de ligging der kostbare aderen geheim. Petroleum, dat is echter iets dat alleen door de Westerlingen, die zoo verbazend knap zijn, met nut - ook voor den inboorling zelve - kan worden geëxploiteerd. Goud kunnen de inlanders nu zelve delven; petroleum... dat is te moeilijk, die uit de aarde te tappen in groote hoeveelheid. Als dus de concessiejager hun een flesch petroleum toont en vraagt of zij die ‘minjak’ (olie) wel eens gezien hebben, of die ook ergens te vinden is, dan toonen zij die plaats wel aan voor een goede fooi. Ze vermoeden misschien wel, dat ze de Bron der Millioenen toonen, maar ze weten ook zeer zeker, dat ze die millioenen zelve toch niet kunnen laten vloeien. Daar behoort toe, ze weten niet welke, Westersche tooverij...

 

Nu weet ik niet hoe het hier op het gebied van den Sultan van Koetei is in het werk gegaan. Maar wel weten wij, dat hier petroleum wordt gewonnen in wereldberoemde mate en dat de paraffine-fabriek hier de grootste der wereld is. Dat is dus wel iets voor het Nederlandsch ‘effort’ om trotsch op te zijn. Om nu alle geheimen te verklaren van de ruwe olie, van de raffinaderij, van de distilleerderij, van benzine, kerosyn en solar-olie, van ‘residu’ en paraffine-rijke massa... wel, eischt ge het van mij, lezer? Het is misschien een zeer smeu-ig onderwerp om over te schrijven, ten minste, als wij dit alles zien, hebben wij een ‘smeerlap’ in de handen. Maar ik vermoed, dat het moderne epos van de koningen der Petroleum, en de lyrische hymne op de paraffine als ‘onderwerp’ tòch wat weêrbarstig zullen blijken aan pen en woord van den toerist-dichter-schrijver-sight-seeër. En het is vreemd, hoe, als je, trots helder gezegde verklaring, toch je niet ‘technisch’ ontwikkeld voelt, je blik telkens afdwaalt naar het romantische van het tafereel en het ‘eigenlijke’ zoo even langs je voorbij laat gaan. Dat is heelemaal niet goed, het is héél zwak. Maar als in de buiken dier ketels - wij gaan langs de distillatie-batterij - die razende vuren

[p. 273]

zoo loeien, dan boeien mij die razende vuren. En als ik loop langs de koeltorens met de koelers, en ik zie de regelmatige fonteinen sproeien, en die watervallen neêrstorten, dan boeien mij al die waterstralen. En bedenk ik dichterlijke dingen van vuur en van water en vergeet ik alles van petroleum en paraffine.

 

Het is heel ondankbaar aan mijn zoo uitstekende gidsen. En toch maakt die ontzettende stad van ijzer en staal, van tanks en ketels en pompen een overweldigenden indruk. En vind ik een machinekamer met tal van vliegwielen een moderne cykloperij. Door geheimzinnige kerkerpoorten, die met omzichtigheid worden geopend en gesloten, dringen wij door in het plots koude mysterie van koelkamer en waait een artificieele Noordewind ons plots op het lijf! De werklieden die wij hier aan den arbeid zien, zijn van alle nationaliteiten: Javanen, Maleiers, Chineezen, Laskaren van de kusten van Malabar. Geen Dajakkers, enkele Boegineezen. Het is een bevolking van wellicht vijftienduizend zielen of meer, en allen verschillende zielen. Onder deze menschen komt veel tragedie voor. Er zijn de vrouwen, die hier wel eens de heldinnen des treurspels zijn. Eenmaal heeft een bedrogen echtgenoot den minnaar zijner vrouw in een gedoofden ketel, dien hij bezig was te reinigen, opgesloten en toen tot bouillon gekookt. Het rook hevig naar bouillon in de machinekamer en zoo kwam de misdaad aan het licht. De sinistere humor der anekdote toont tot welke wraaknemingen deze ruwe werkers in staat zijn.

 

Neen, ik wil u ook niet vertellen hoevele soort smeeroliën hier wel worden gefabriceerd en gecombineerd, van vette tot fijne toe; ge zoudt mij toch niet willen gelooven. Laat mij u liever in de kaarsenfabriek brengen, waar het vrouwelijk element -de heldinnen soms der tragedies - medewerken met haar rappe vingers. Kaarsen voor China vooral, witte, doorschijnend bijna, en aniline-roode offer- en altaarkaarsen. Het is in eens een teeder kleurtje, een lieflijk blosje, na al het machtige geweld der vuren en wateren, en wielen en de boordevolle olietanks, die je laten den-

[p. 274]

ken aan Rachel uit de ‘Juive’: ge herinnert u, in die opera, die ge in uw jeugd zoo mooi vond, wordt de ‘falcon’ = mezzo-sopraan immers in de kokende olie geworpen!!

Twintig, dertig fijn werkende machines maken de kaarsen sierlijk slank rond, trekken de lont er door, fatsoeneeren het puntige einde; de blauwe papieren vallen en glijden door de lucht en zijn plotseling herschapen in kaarslange étuis: het is alles proper goochelwerk en wij hebben geen smeerlap meer in de handen. En het is alles op de Oostkust van Borneo, dat dit werk der industrieele beschaving gebeurt.

 

Tal van Bengaleesche koelies, die er uit zien als even zoo vele wijsgeerige Tagore's, langgebeend en diepzinnig van donkeren blik, hebben de Tjikembang, op de maat hunner zing-zang vol geladen met velerlei kisten en kistjes en drums en wij mogen na ons langdurig oponthoud - waren het vijf, zes, of veertien dagen, o kapitein? - weêr de wijde zee kiezen. Het is een hooge zee, die wel prachtiglijk om het schip opgolft met schuimende kammen, waarover de opstuivende parels schitteren. Het is de Celebes-zee en wij gaan dan dwars langs de eilanden van den Soeloe-Archipel naar de Soeloe-Zee. Het zijn de zeeën en eilanden der zeeroovers, die hier nog een vrij onbeperkte heerschappij voeren. Zijn die zeilen ginds aan den horizon de zeilen aan bark of prauw van die zeeroovers? Zij rooven elkanders schepen en vischvangst, elkanders vrouwen en kinderen, en wie weet door welke romantische atmosfeer onze rustige boot zijn langdurigen draad van beweging stikt. Dan, Mindoro voorbij, is het de Chineesche Zee. Ik probeer dezer dagen en nachten iets anders te zien dan water en lucht en ver ijle eilanden omdat het toch zee en hemel en rotsen zijn, die mij onbekend zijn, Chineesche wateren, hemelen en steenen. Maar het is niet anders... tot ik eensklaps: mijn Chineesche jonk ontwaar. En op éénmaal is alles anders. Hebben de golven een andere krul, de wolken een andere streek, de rotsen een andere ommelijn. En dejonk, daarginds, de twee wittejonken - want zij zeilen steeds samen om veiliger voor de roovers te zijn - steken

[p. 275]

als drakevlerken uit, geribd als met het beenderenstelsel van een fabelachtig dier.

 

Nu naderen wij toch Hongkong, onverwachts, want om de algemeene strike, waarvan wij reeds in Soerabaia hoorden, dachten wij niet anders dan regelrecht naar Shanghai te stoomen. Nu naderen wij toch Hongkong?? Zijn de baai en de haven niet beroemd als de havens zijn van Napels en Rio-de-Janeiro? Hongkong, is het Eiland aan de Geurige Rivier. Nu, in China, zullen de poëtische benamingen ons als zoete koeltjes tegenwuiven. Het is een parel-kleurige nacht. Het is bijna volle maan, die schijnt door vochtig waas. Het is de nevel van Hongkong, bekend en berucht. Maar het is zacht, windstil en tooverachtig. Over Hongkong ligt in wazige vaagheid Kawloon, het vaste land, dat der Negen Draken. Hoe mooi zijn die namen. Ginds tusschen de coulissen der bergen, zichtbaar, schittert plots de stad als van regelmatig geprikte electrische lichtjes, duizenden. Wij liggen stil en zullen slapen in de toovermaan-stilte, vóór Hongkong.

 

Dien volgenden morgen de smalle zee-arm tusschen Kawloon en Hongkong. En àl de watertrafic, in zicht van nu in daglicht vernuchterde stad met hare hooge gebouwen aan kade en op helling gestapeld. De Britsche en Amerikaansche oorlogschepen; de zwarte rook der scheepsschoorsteenen, smeerende de slierten van rouwsluiers, den hemel door. Honderden andere schepen. De Chineesche jonken, de Chineesche vlaggen en wimpels, wit en rood, met de letterteekens, als bloedende spinnen, klapperend op de bries, die opsteekt. Chineesche reclameborden, Chineesche stemmen, Chineesche monosylben. Sampans, geroeid door vrouwen die haar kind tegelijkertijd zich op den telkens doorzwikkenden rug gebonden houden. Victoria heet het hier, en ginds is de Peak en het Peak-Hôtel, met als een groot balcon, de weg, die daar bleek den berg opslingert. Op de prauwen, in de sampans, zetten de vrouwen hun thee, koken zij, ongeacht brandgevaar, op vuurtjes hare groene soepjes.

[p. 276]

Wij komen één dag na dat de strike is opgehouden, die een zeer ernstig politiek karakter droeg. Er is burgeroorlog in China, tusschen den prezident van Peking en den prezident van Canton: er wordt gevochten in het binnenland. Hier, van oorlog en politieke werkstaking merken wij vandaag weinig; alleen is Hongkong-Hôtel stampvol van allerlei gasten, die niet weg konden.

Kamers zijn ons draadloos gereserveerd in Repulse-Bay-Hôtel: een uur tuffen van de stad af. De auto gaat langs een weg, in de helling van den berg arabeskeerende uitgehouwen, de eene baai langs, de andere baai langs. Een getourmenteerde, grillige, toch weidsche natuur van bergrots, water en lucht, die ik weldra beseffen zal, Chineesch te zijn... Een visschersdorp, dat ‘Aberdeen’ heet... Een paar Chineesche tempeltjes met porceleinen godjes en draken op de dakkam... Bochten en bochten, bergcoulissen en rotsdecoraties... een ‘golf’-terrein... Daar ligt een wit weelde-hôtel: Repulse-Bay-Hôtel, aan de baai waar eenmaal Engelschen Chineezen terug hebben gedreven.

 

Een wit gelakte weelde-hôtelkamer, een wit-geëmailleerde weel-de-hôtel-badkamer, een gesloten veranda met groote rieten stoelen, je koffers om je heen - gelukkig gezicht na je mailkoffertje alleen te hebben genoten - thee, koeken, matten badhuisjes beneden op een strand, een tuin vòl bloemen, roode anjelieren en een orgie van witte daysies, en 's avonds huppel-bal en jazz-band, Pêches-Melba, gedecolleteerde ruggen en smokings; enfin, het gewone décor van het weelde-hôtel maar dat, hoe laatdunkend je je neus ook optrekt om zijn banaliteit, toch wel weêr beminnelijk aandoet, als je van je bekrompen bootruimte komt.

Voor de Hongkongers hun week-end-hôtel. Wat ver van de stad, maar anders zwemmen, zeilen, ‘golf’ en tennis en ‘step’: wat willen ze meer!

Wij zijn er ons Hongkongsch weekje gebleven. Den volgenden dag was het Zondag. Doodsche rust maar weldadig. De ‘bay’ tusschen hare rotsen een theater-décor, maar toch mooi. In de verte vage jonken en drake-scherm-zeilen. 's Avonds ma-

[p. 277]

neschijn, champagne, al de ‘daysies’ als witte sterretjes beneden in den tuin; niet veel meer ‘China’, meer ‘Engeland’, ‘Oriental England’, maar alles te waardeeren, zeer te waardeeren.

 

Het is een zwoele lente met bedekten, lagen hemel. Het landschap, tuft ge Hongkong-eiland om, is steeds de getourmenteerde rotsverrassing met de waterinhammen en -uitvloeiïngen naar zee. Breekt de zon door dan geuren de pijnen. Er bloeien al enkele wilde heesters. De aanleg strekt den Engelschen tot eer. De Botanische Tuin is een heuvel van tropische vegetatie, des te meer te waardeeren, omdat de grond hier steenachtig lijkt en steriel. Artificieel maar bewonderenswaardig, zoo is dit Engelsche stukje China. Het is niet meer dan de voorbereiding en een prelude tot eigenlijk China. Daar loopen reeds enkele vrouwen op arme stompen voetjes; hoewel de Republiek die adat te niet deed, zien wij toch nog enkele van die gemartyrizeerde vrouwtjes loopen. Daar gaat in een draagstoel een prachtig waardige Chinees voorbij, met lange grijze snorren, baard en groote bril voor laatdunkenden blik. Precies zooals je je een Chineeschen geletterde voorstelt! Ik ben in Hongkong, maar - er is niet aan te twijfelen - ik ben ook in China! Ik voel iets anders in mij en om mij, dan ik voelde op Java, op Sumatra, in Parijs en in Londen. Ik vind het doodjammer, dat ik geen staarten zie: ze stonden den Chineezen zoo decoratief.

Maar heel tevreden dat ik in China ben - al is het nog maar Hongkong - haal ik mijn ‘Guide Officiel’ te voorschijn die ik van Henri Borel heb gekregen en hoop ik van harte, dat iets van den geest van den schenker mij moge omringen blijven, zoolang ik in China ben.