Er werd gebeld; en mama Ottilie zeide zachtjes:
- Zoû dat meneer Lot zijn met juffrouw Elly...?
- Neen, zei Anna, die keek uit het raam. Het is meneer Harold.
En zij ging open doen. Mama Ottilie ging haar broêr te gemoet in de gang.
- Dag Ottilie, zei Harold Dercksz. Is er niemand bij mama?
- Neen... Ik ontmoette meneer Takma net bij de deur. Kijk, hij is in slaap gevallen. Ik wacht hier, tot hij wakker wordt...
- Dan ga ik maar vast naar mama.
- Je ziet er slecht uit, Harold.
- Ik voel mij ook niet wel. Ik heb pijn...
- Waar?
- Overal... Hart, lever, het is alles in de war. Dus morgen is de groote dag, niet waar, Ottilie?
- Ja, zei mama Ottilie treurig. Morgen... Ze zijn zoo saai. Geen feest en geen kerk.
- Lot heeft mij als getuige gevraagd.
- Ja, jij en Steyn: Dokter Roelofsz en d'Herbourg voor Elly... Anton woû niet...
- Neen, Anton vindt die dingen vervelend.
Hij ging, zachtjes aan, naar boven. Hij klopte, opende de deur. De juffrouw zat bij de oude vrouw en las met een doode stem iets voor uit de courant. Zij stond op.
- Daar is meneer Harold, mevrouw...
De juffrouw ging, en de zoon boog zich over zijn moeder, pijnlijk, gaf haar een lichten kus op het voorhoofd. Daar het somber was, werd de porceleinige vlak, rimpelgecraqueleerd, van het gelaat der oude vrouw naùwlijks aangegeven in de wijnroode schemering van gordijnen en hooge tochtlap. Zij zat er op haar stoel, in het cachemiren geplooi van haar wijde japon, stijfrecht als op een troon, en in den schoot sidderden staafjesslank de broze vingers in zwarte mitaines. Enkele woorden gingen heen en weêr tusschen moeder en zoon -; hij gezeten op een stoel naast
haar, want nooit nam iemand den stoel bij het raam, die open bleef voor meneer Takma: woorden over weêr en gezondheid en het huwelijk, van morgen, van Elly en Lot... Soms trok een pijn over het galgele gelaat van Harold, en trok zijn mond als in een kramp. En terwijl hij sprak over Lot en over weêr en gezondheid, zag hij - als hij altijd zag - hier zittende naast, over mama, de dingen, die gingen voorbij en hun spooksluiers sleepten over het van dorre bladeren ritselende pad; de dingen, die zóo langzaam gingen voorbij, zoo jaren -, jarenlangzaam, dat het scheen of zij nooit zouden voorbij zijn, en of altijd hij ze zoû blijven zien, zich altijd verwijderend, langs het jaren -, jarenlange pad. Terwijl hij sprak over gezondheid en over weêr en Lot, zag hij, - als hij altijd zag - wanneer hij zat naast, over mama, het eene ding, het eene vreeslijke Ding, het Ding van den klaterenden regennacht en de eenzame pasangrahan van Tegal, en hoorde hij de gedempte stemmen: de murmelstem van baboe; de nerveus-driftige angststem van Takma; de wanhopige snikstem van zijn moeder - hijzelve een kind van dertien jaar. Hij wist; hij had gezien, gehoord. Hij was de eenige, die had gehoord, had gezien... Zijn geheele leven - en hij was een oud ziek man nu, had hij het Ding zien gaan, zoo langzaam voorbij, en de anderen hadden niets gehoord, niets gezien, nìets geweten... Hàdden zij niet geweten, niet gezien, niet gehoord?? Hij vroeg het zich dikwijls af... De wònd toch had Roelofsz wel moeten zien... Nooit had Roelofsz over een wond gesproken... integendeel, hij had ontkend... Geruchten waren ommegegaan, vaag, van een vrouw in de kampong, van een por met een kris, van een spoor van bloed... Hoe vele geruchten gingen niet omme...! Zijn vader was in de rivier verdronken, een nacht, dat het zwoel was, en hij, om lucht, den tuin was ingegaan, overvallen door den stortenden regen... Het dìng, het vreeslijke Ding ging voorbij, was een pas verder, keek òm, naar hèm, met starende oogen... Waarom werden zij allen zóo oud en ging zoo langzaam het Ding voorbij?... Hij wist: hij had méer geweten... Om geruchten, die hij gehoord had; om wat hij, instinctief, had geraden in de latere jaren, toen hij geen kind
meer geweest was... Zijn vader, hoorende geruisch... stemmen in de kamer van zijne vrouw... Takma's stem; de vriend, die zoo veel in huis kwam... De achterdocht: vergiste hij zich niet?... Was het Takma...? Ja, het was Takma... Takma bij zijn vrouw... Zijn razernij, zijn jaloezie... Zijn oogen, die rood zagen... Zijn hand, die zocht naar een wapen... Geen ander wapen, dan de kris, de mooie sierkris, een cadeau van den Regent, gisteren juist aangeboden... Hij sluipt naar de kamer van zijn vrouw... Dáar... dáar: hij hoort hun stemmen... Zij lachen... zij lachen gedempt... Hij rukt aan de deur; de bamboe-grendel wijkt; hij stort bìnnen... De twee mannen over elkaâr om die vrouw... Hun strijd, hun passie, als in oertijden... De kris, ontrukt aan zijn vader, door Takma... Geen menschen, geen mannen meer, maar bèesten, die om een wijfje vechten... Geen andere gedachten in hun roode hersenen en voor hun rooden blik, dan hun passie, en hun jaloezie, en hun wraakzucht... Zijn vader doodelijk gewond...! Maar Harold Dercksz ziet er zijn moeder niet: hij ziet haar niet, hij weet niet hoè zij doet, hoe zij heeft gedaan tijdens den strijd dier twee mannen, die bèesten waren... Hij ziet niet hoe het wijfje gedaan heeft... Dàt is nooit voor zijne intuïtie opgerezen, hoe dikwijls hij ook heeft nagestaard, het Ding, dat voorbij gaat; hoe dikwijls hij zóo, sedert lange jaren, weêr telkens en telkens naast zijn moeder heeft gezeten, en heeft gesproken over weêr en gezondheid. En het is vandaag veel sterker dan gehéel hemzelven en hij vraagt aan de heel oude vrouw:
- De juffrouw las u voor uit de courant?
- Ja.
- Leest ze prettig?...
- Ja... Het is wel eens moeilijk voor haar te kiezen...
- De politiek interesseert u niet...
- De oorlog toch wel; dat is vreeslijk, zooveel menschenlevens verloren...
- Het is een moord... op groote schaal...
- Ja, het is een moord...
- Leest de juffrouw het feuilleton...
- Neen, neen; romans, daar stel ik geen belang in...
- Ik ook niet.
- Daar zijn we te oud toe.
- Ja, wij oude menschen: we hebben onze eigen romans...
- Ja... Een rùstig leven is het beste...
- Dan heb je je niets te verwijten...
Hij ziet de staafjesslanke vingeren trillen... Heèft zij zich te verwijten, méer dan ontrouw aan wien haar man was...? Hij heeft het nooit voor zich gezien, en het Ding heeft toch altijd en altijd over dorre bladeren ritselend zijn spooksluiers gesleept...
- Heeft de juffrouw u niet voorgelezen van die misdaad...?
- Van welke misdaad...?
- In Engeland... Een vrouw, die...
- Neen, neen, zùlke dingen leest ze niet voor...
Hare woorden smeeken bijna... Wat is zij oud, wat is zij oud... De tandelooze mond trilt en mummelt, de vingers sidderen hevig. Hij heeft medelijden, de zoon, die weet, en die vermoedt, wat hij niet weet, omdat hij kent de ziel van die moeder, hare ziel nu verstompt en verdoft, in de wachting op des lichaams afsterven, maar hare ziel éens van passie, van drift, van liefdevrouw, van kreole, van op éen oogenblik geheel de wereld en het leven kunnen vergeten voor éen moment van zaligheid of... misschien van haat! Hij weet, zij heeft zijn vader gehaat, nadat zij hem eerst heeft aanbeden, - gehaat, omdat haar eigen passie voor hem neêrstortte in een hoop asch... Dat alles is jaar na jaar, langzamerhand, voor hem opgerezen, toen hij geen kind meer was, maar man werd en man was, en begreep, en terugzag, en nadacht, en verbond wàt hij had begrepen, en terug had gezien... Hij vermoedt, omdat hij kent hare ziel... Maar wat is die ziel nu verstompt, en wat is zij oud, wat is zij oud! Een medelijden verweekt zijn eigen ziel, oud, oud ook en vòl droefheid om àlle dingen des vroegeren levens... om zijn moeder... en om zich, ouden man... Wat is zij oud, wat is zij oud... Stil, o stil: laat haar even nog ouder worden, en dan zal het gedaan zijn, en het Ding zal voorbij zijn gegaan, de laatste slip van den spokigen sluier zal zijn verdwenen,
het laatste blad over dat eindelooze, eindelooze pad zal hebben geritseld, en al heeft een gerucht, éenmaal, vaag, met een sombere waai, gehuiverd door die boomen, het is nóoit geworden tot een stem en een aanklacht en tusschen de stammen is nooit wie ook te voorschijn getreden, met een dreigende hand, die weêrhield het Ding, het sombere spookding, zich langs zijn langen weg voortslepende, jaren, jaren lang...