terug  begin  verder

VIII

Zij kwamen's avonds, den dag na de begrafenis, Lot en Elly, moê van de reis en, door hun werkelijk verdriet heen, ontstemd. Tante Adèle - zij zouden op de Mauritskade logeeren - zag het niet dadelijk, want zijzelve, na zich goed gehouden te hebben de twee laatste dagen, wierp zich snikkend in Elly's armen - zoo als Elly

[p. 199]

haar nooit had gezien en de snikken vrij weg zich banend, kreeg zij een zenuwtoeval, viel zij flauw.

- De juffrouw heeft het ook zoo druk gehad en zoo akelig; zei Door, en Keetje beâamde dat en met Elly brachten zij tante Adèle bij.

- Ik ben beter, kind, het is niets... Kom, laten we gaan in de eetkamer. Jullie zullen wel wat willen eten.

Zij snikte nog steeds, overspannen, maar deed zich geweld aan. Aan tafel zag zij Lots en Elly's ontstemming.

- Is Grootpapa gisteren begraven?

- Ja, kind... Dokter Thielens dorst niet langer wachten.

- Dan was het eigenlijk nutteloos, dat wij overkwamen, zei Lot hard. Zijn lippen trilden; een harde strakheid was in zijn anders zacht, blond gezicht.

- We hebben jullie getelegrafeerd, zei tante, nog huilend en zacht; om over te komen, omdat Elly toch dadelijk inzage moest hebben, in de zaken...

- Ik had misschien alleen kunnen komen, zei Elly. Om die zaken...

- Steyn is executeur-testamentair, zei tante zacht; en hij dacht...

- Steyn? vroeg Elly. Waarom niet Lot...?

- De oude heer had het zoo beschikt, kind... Als de man van mama Ottilie,... die erft ook... met jou...

- Mama? vroeg Lot.

- Ja... zei tante verlegen.

Zij begrepen en vroegen verder niet, maar hunne ontstemming was zichtbaar; moê en tegelijk hard stonden hun beider gelaatstrekken.

- Mama zoû van avond hier komen, om jullie te zien, zei tante Adèle.

Elly schudde het hoofd, van neen.

- Ik ben doodmoê, zeide zij. Ik kan mama van avond niet zien. Ik ga naar bed, tante.

- Ik zal mama wel ontvangen, zei Lot.

Elly stond gauw op en zij ging naar boven. Tante Adèle volgde

[p. 200]

haar: Lot, in een andere kamer, zoû zich verfrisschen. Op de trap begon Elly te weenen.

- Arme oude opa! snikte zij: haar stem brak.

In de kamer hielp tante Adèle haar.

- Ben je zoo moê, kind? Ga je naar bed?

Elly knikte.

- Kind, is er iets? Je hebt zoo iets hards in je gezicht... Iets, wat ik van je niet ken... Kind, zeg me, je bent toch gelukkig...

Elly glimlachte vaag...

- Tante... Misschien niet zóó... als ik het me gedacht had... Maar als ik niet gelukkig ben... is het mijn eigen schuld...

Tante Adèle vroeg niet verder: zij dacht aan de opgetogen brieven, die den ouden man steeds zulke prettige oogenblikken hadden bezorgd, en zij dacht, hoe brieven toch konden bedriegen.

Elly kleedde zich uit, ging naar bed.

- Ik zal je maar alleen laten, kind...

Maar Elly nam hare hand, zij voelde een verteedering voor die vrouw, die haar een moeder geweest was.

- Blijf nog, tante... tot mama Ottilie komt.

- Kind, zei tante, zoekende; je bent toch niet ontstemd, omdat mama Ottilie meê erft... Ze is zijn dochter, weet je...

- Ja tante, dat weet ik... Neen tante, heusch, daar ben ik niet over ontstemd. Ik ben alleen moê, heel moê... omdat alles... wat wij ons voornemen... te doen... zoo nutteloos blijkt...

- Kind, zei tante Adèle, maar half hoorende. Ik ook... ik ben moê, ik ben dood-op... O, ik woû, dat ik dorst zeggen...

- Wat...?

- Neen, kind, neen, ik durf niet...

- Wat is er dan?

- Neen kind, ik durf niet... Nu nog niet, nu nog niet... misschien later... Hoor, daar wordt gebeld... Dat zal mama Ottilie zijn... Ja, ik hoor ook Steyns stem... Ik ga naar beneden, kind...

Zij liet Elly alleen, maar zij was zoo geschokt, dat zij, beneden, op nieuw in tranen uitbarstte.

[p. 201]

- Elly is zoo moê, zei zij tegen mama Ottilie; ze is naar bed gegaan; ik zoû haar van daag maar laten...

Maar zijzelve was geheel van streek. Zij voelde, dat het vreeslijke geheim, dat zij alléén wist - meende zij - te zwaar woog op hare eenvoudige ziel, dat zij er onder verpletterd raakte; dat zij het moest zeggen, dat zij het moest deelen, met een ander. En zij zeide:

- Steyn... Steyn... terwijl Lot nu met zijn moeder is, niet waar... woû ik je wel even... spreken... als het kon...

- Zeker, zei Steyn.

Zij gingen.

- Boven? vroeg Steyn.

- Ja, zei tante Adèle. In de kamer van den ouden heer...

Zij bracht hem daar; het was er koud, maar zij stak het gas op.

- Steyn, zeide zij. Het spijt me, wat ik gedaan heb. Ik heb die papieren wat geruimd, het was zoo een rommel. Op den grond lag een... brief, een verscheurde brief: den laatste... dien de oude heer woû verscheuren... Ik weet niet hoè, Steyn... maar zonder het te willen ofte wenschen... heb ik... heb ik dien brief gelezen... Ik woû... om al het geld van de wereld, dat ik het niet gedaan had. Ik kàn er niet meê blijven rondloopen... alleen... alleen... Het maakt me gek... en, op den duur, bang... en zenuwachtig... Kijk... hier is de brief... Ik weet niet of ik goed doe... Misschien had ik beter gedaan... den brief maar te verscheuren... Dàt was toch de wensch van den ouden heer...

Zij gaf hem de vier stukken.

- Maar dan is het nog het beste, zei Steyn; dat ik den brief verscheur... en niet lees...

Hij maakte al een beweging.

Maar zij hield hem tegen.

- En mij daarmeê alleen... alleen rond laten loopen... met iets... iets, dat ik niet zeggen kan?! Neen... neen...: lees... in Godsnaam... ter wille van mij, Steyn... om het met me te deelen: lees...

Steyn las.

Er was een stilte in de kamer; een koude winterstilte van verla-

[p. 202]

tenheid: alleen suisde het gas. Uit de getaande letters van het vergeelde en vergane, in vieren gescheurde papier af, spookten omhoog haat, passie, krankzinnige juiching, krankzinnelijke smartliefde, en wroeging om een nacht van bloed, een Indische bergnacht, daverend van stortregen. Met dit alles hadden deze twee menschen niet te maken: zij waren er vreemd aan, maar toch zweemde het Ding, dat voorbij ging, tegen hunne lichamen, hunne zielen, hunne levens. Het deed hen ontstellen, nadenken, huiverend elkaâr nu in de oogen kijken, zij, de vreemden aan het Ding, dat voorbij ging...

- Het is ontzettend, zei Steyn. En niemand, die dat weet...

- Neen, zei tante Adèle. Dat weten alleen jij en ik...

Maar Steyn was ontevreden.

- We hadden dien brief niet mogen lezen, zei hij.

- Ik weet niet, hoe ik het gedaan heb, zei tante Adèle. Er drong me iets... ik weet niet wat. Ik ben niet nieuwsgierig. Ik had de stukken al in de hand, om ze nog kleiner te verscheuren. Ik heb de twee stukken gescheurd... in vieren...

Werktuiglijk verscheurde Steyn de vier stukken... in achten...

- Wat doe je? vroeg tante Adèle.

- Den brief vernietigen, zei Steyn.

- Zoû je niet... aan Lot...?

- Neen... neen, zei Steyn. Wat heeft Lot er meê noodig. Daar...!

Hij verscheurde den brief, liet de stukjes, heel klein, vallen in de mand.

Voor zijn oogen trilden, bleek rood, de hem vreemde passies van vroeger en wolkten op...; toch zag hij de kamer, winterkoud, en stil verlaten door den ouden heer; alleen suisde het gas...

- Ja... zei tante Adèle. Het is misschien beter, dat niemand meér weet... dan wij... O Steyn, het heeft me tòch verlucht... dat je het weet... dat jij het weet... O, wat is het leven vreeslijk, dat er zulke dingen gebeuren!!

Zij wrong de handen, schudde het hoofd heen en weêr.

- Kom, zei Steyn - zijn groot lichaam huiverde. - Kom... Laten we gaan...

[p. 203]

Tante, bevende, deed het gas uit.

Zij gingen.

De donkere kamer bleef winterkoud, en stil verlaten.

Klein verscheurd lag de brief in de mand...

terug  begin  verder