- Ach! weende Anna. Hoe lang sterft de oude mevrouw! Hoor... daar wordt gebeld... Die goeie meneer Hugo... die lieve jongen, hij is me een groote hulp, mevrouw Ottilie: hoort u; hij maakt weêr open...
Inderdaad maakte Hugh beneden open, en het waren kort na elkaâr Harold, Daan en Floor, Stefanie en Anton, Ina, d'Herbourg en de Van Wely's. Lot had hen bij de buren getelefoneerd te komen, omdat grootmama stervende was. Ook tante Adèle kwam. Zij kwam de trap op, even, van achter het bedgordijn een laatsten blik slaan op de oude vrouw, ging weêr terug naar beneden; tot in de beneden-voorkamer hoorde zij het steunen van de laatste ademen. Zij had alleen gezien, dat korte oogenblik, de rust van die stervende moeder en naast haar bed Therèse, die zij in jaren niet had gezien, biddende en niet opziende. Beneden was Harold Dercksz gezonken in een stoel: hij leed onduldbare pijnen, zijn gezicht was in smart verwrongen, en vóór zich zag hij zijn eigen sterfbed: o, dat zoû niet lang meer duren; hij leed den laatsten tijd te veel, en dat hij òp bleef, was om zijn zelfbedwang. Daan Dercksz stond voor hem en hij zeide, fluisterend aan Harolds oor:
- Harold... Harold... het is goèd, dat mama sterft... en ze sterft rùstig... naar het schijnt...
Ja, ze stierf, ze stierf rustig... Aan haar bed bad Therèse, Therèse, die niet wist, meende Harold: niemand... niemand wist dan hijzelve en Daan... Het Ding... het Ding ging voorbij... Hoor, boven steunde zijn moeder haar laatste ademen weg en bij iederen adem ging het Ding, ging het verder, sleepte het zijn mistigen sluier; bladeren ritselden, dooi-tranen weenden neêr, schimmen
dreigden wel achter de stammen, maar het Ding, het Ding ging voorbij...!
O, jàren, zèstig jaren lang had hij het Ding voorbij zien slepen, zoo langzaam, zóó dralende langzaam, als of het nooit voorbij zoû gaan, als of het eeuwig talmen zoû, te lang voor een naar het einde smachtende menscheleven. Zestig jaren lang, had hij het zoo gezien, het Ding, had het hem in de oogen gestaard... Hoor, mama steende hooger op, heftiger een pooze: zij hoorden Ottilie heviger snikken...
De juffrouw kwam beneden. Daar stonden, zaten, de kinderen, zij allen menschen van leeftijd...
- Het is gedaan, zei de juffrouw zacht.
Zij weenden, de oude menschen; zij omhelsden elkaâr, tante Floor gilde uit:
- Jà... kassiàn! Die ghoèie mama!!
Door geheel het huis huiverde de aandoening, van den Dood, die was gekomen, en ging...
Harold Dercksz staarde...
Zijn smart-oogen puilden uit, maar hij bewoog niet in zijn stoel.
Het Ding... het vreeslijke Ding... hij zàg het!
Het wendde zich bij de eindbocht van zijn jaren-, jarenlangen, eindeloozen weg...
En het stortte weg, in een afgrond.
Het was verdwenen.
Alleen een mist, als het waas van zijn nevelsluier, wapperde voor Harolds oogen.
- O God! riep Ina. Papa valt flauw!
Zij greep hem in haar armen...
De donkere middag viel.
Een voor een gingen naar boven de ‘kinderen’ en zij zagen de oude moeder.
Zij lag in de rust van den dood; de porceleinige vlak, rimpelgecraqueleerd, van haar gelaat, vlakte vaag in de schaduw op het wit van het kussen, maar was effen getrokken in een emotielooze rust.
Hare handen waren gevouwen: zóo was zij gestorven.
Aan het bed knielde Therèse.