Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...


auteur: Louis Couperus


bron: Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... (Volledige Werken Louis Couperus, deel 25, ed. Karel Reijnders, Ernst Braches, Jan Fontijn, Marijke Stapert-Eggen, H.T.M. van Vliet en Oege Dijkstra). Veen, Utrecht / Antwerpen 1988.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 257]

Verantwoording

[p. 259]

In november 1902 schreef Couperus aan zijn uitgever: ‘Mijn grootere roman voor het volgende jaar zal zijn Oude Menschen. Maar tot nog toe is dit alles in embryonalen staat!’1 Twee maanden later was hij van gedachten veranderd. Couperus had het plan opgevat eerst enkele ‘Antieke Sproken’ te schrijven en in maart 1903 begon hij aan Dionyzos. De roman Van oude menschen zou ‘misschien later’ komen.2

Op 8 mei 1904 kondigde Couperus aan dat hij in de zomer aan Van oude menschen zou beginnen en hij beloofde Veen ‘niet hoogdravend’ te zullen zijn.3 De dag daarvóór had hij met Veen in Amsterdam onderhandeld over de verkoop van het auteursrecht van al zijn tot dan toe verschenen boeken en van de nog niet uitgegeven roman Dionyzos. Couperus vroeg voor deze transactie ƒ15.000,-, maar Veen wilde niet verder gaan dan ƒ12.000,-. Daarop stelde Couperus voor het verschil van ƒ3000,- te betalen als voorschot op het volledig auteursrecht van zijn nieuwe roman: Van oude menschen.4 Hoewel daarvan nog geen letter op papier stond, had hij reeds een idee van de omvang: ‘Grootte zal zijn volgens type groote-roman, ± 400 bladzijden druk [...].’5 Veen antwoordde:

[p. 260]

‘Wat het nieuwe boek betreft, vind ik goed om het te bepalen op 3000 gulden voor volledig copierecht, de omvang wordt dan ongeveer 400 bladzijden maar wanneer denkt gij dat het dan in Groot Nederland verschijnt, want daar hangt het veel van af. Ik bedoel daarmede dat het niet zoolang onuitgegeven kan blijven, dus dat het spoedig na het verschijnen van het laatste stuk ook in boekformaat verkrijgbaar is.’6

Couperus begon niet in, maar na de zomer van 1904 aan Van oude menschen. Op 5 september liet hij Veen weten: ‘Van den zomer heb ik niet gewerkt, maar nu ga ik goed aan den gang: de roman zal heeten (met dubbelen titel):

Van Oude Menschen; De Dingen, die Voorbij zijn.
In het genre van Kleine Zielen. Ik heb het idee ervan al lang in mijn hoofd en van den zomer bepeinsd: dus is het maar te schrijven. Ik denk, dat er dit jaar wel het grootste gedeelte van geschreven zal

[p. 261]

worden, zoo niet voltooid. Dan eerst in Groot-Nederland.’7 Couperus heeft de roman in hoog tempo geschreven. In december 1904 was Van oude menschen voltooid. Een maand later begon de voorpublikatie ervan in Groot Nederland. De boekuitgave bij Veen verscheen pas in juni 1906.

Bronnen

Voorzover ons bekend, zijn van de roman Van oude menschen de volgende door de auteur geautoriseerde bronnen overgeleverd:

A. twee manuscripten van de hand van Couperus: een volledig kladhandschrift en een volledig kopijhandschrift. Beide handschriften bevinden zich in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag (sig. C.383 H.I).8

Het kladhandschrift bestaat uit 209 gelinieerde bladen die eenzijdig zijn beschreven.9 Het is als volgt samengesteld: een ongenummerd blad met het opschrift ‘Oorspronkelijke Copie. Van Oude Menschen, De Dingen, die Voorbij gaan.10 Eerste Deel’, genummerde bladen van 1-102, twee ongenummerde bladen die aan elkaar zijn vastgeplakt, met het opschrift ‘Tweede Deel Van Oude Menschen Oorspronkelijke Copie’, genummerde bladen 1-53 en 53b-103. Het kladhandschrift bevat veel doorhalingen, verbeteringen en toevoegingen. Couperus heeft de eerste versie van de roman zonder veel onderbrekingen op papier gezet. De ductus verschilt nauwelijks en alle bladen zijn in dezelfde lichtzwarte inkt beschreven.

[p. 262]

Het kopijhandschrift bestaat uit 270 gelinieerde bladen die eenzijdig zijn beschreven.11 De bladen zijn als volgt genummerd: 1-69, 1-70, 1-89 en 1-42. Couperus heeft de kopij in gedeelten gestuurd naar W.G. van Nouhuys, zijn mederedacteur van Groot Nederland.12 Het kopijhandschrift bevat vrij weinig doorhalingen, verbeteringen en toevoegingen. Het is geschreven in een lichtzwarte inkt. De ductus is zeer gelijkmatig. Het is als kopijhandschrift te herkennen onder andere aan de zwarte vegen die op de zetterij zijn ontstaan.

De tekst van het kopijhandschrift wijkt inhoudelijk nauwelijks af van de gepubliceerde versie van de roman. Daartussen bestaan alleen kleine, vooral stilistische, varianten. Daarentegen verschilt het kladhandschrift aanzienlijk van het kopijhandschrift en van de gepubliceerde versie.13 Een groot aantal zinnen en alinea's uit het kladhandschrift is in het kopijhandschrift herschreven of weggelaten. Een nog groter aantal is in het kopijhandschrift toegevoegd. Couperus heeft het verhaal bij het overschrijven op talrijke plaatsen uitgebreid. Zo zijn het gesprek tussen Lot en Elly aan het einde van hoofdstuk VI en de beschrijving van Harold Dercksz en het gezin D'Herbourg aan het begin van hoofdstuk VII veel langer geworden. Deze en andere uitbreidingen verklaren het grote verschil in aantal bladen van klad- en kopijhandschrift.

B. een voorpublikatie in Groot Nederland 3 (1905). Dl. I [januari-juni], p. 1-58; 129-161; 257-282; 385-428; 513-543; 637-672.

[p. 263]

C. een uitgave in boekvorm: Louis Couperus: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan... Amsterdam, L.J. Veen, [juni 1906]. 2 dln. Met een bandtekening van J.J.C. Lebeau.

De eerste druk van Van oude menschen is gezet naar de tijdschriftpublikatie.14 Eind april 1905 zond Veen vier afleveringen van Groot Nederland, waarin het eerste deel en het begin van het tweede deel van Van oude menschen waren gepubliceerd, naar Thieme.

Inmiddels had Couperus de eerste versie voltooid van zijn volgende grote roman, De berg van licht. Hij was hieraan begonnen in dezelfde periode waarin hij de kladversie van Van oude menschen bewerkte. Terwijl Van oude menschen in Groot Nederland werd voorgepubliceerd, onderhandelde Couperus met Veen over de uitgave van De berg van licht. Aanvankelijk weigerde Veen akkoord te gaan met het door Couperus gevraagde honorarium, maar uiteindelijk gaf hij toe. Veen stelde vervolgens voor De berg van licht het eerst te laten verschijnen en de uitgave van Van oude menschen een jaar uit te stellen. Volgens hem was er nog geen vraag naar Van oude menschen. Hij was daarom bang dat de roman ‘weder geen succes’ zou zijn.15

Op 5 juni 1905 stuurde Veen het eerste gedeelte van de kopij van De berg van licht naar Thieme met de opdracht Van oude menschen voorlopig te laten rusten. Een week later zond hij een modelband naar Lebeau die de bandtekening voor Van oude menschen zou maken. Veen liet hem weten dat er geen haast bij was. In deze zelfde maand corrigeerde Couperus de proeven van het eer-

[p. 264]

ste deel van Van oude menschen. Op 11 juli ontving Veen ze met akkoord voor afdrukken.16

Eind augustus 1905 werd de produktie van Van oude menschen hervat met het zetten van het tweede deel. Half september vroeg Thieme aan Veen het vervolg van de kopij te sturen, dat wil zeggen de mei- en juni-aflevering van Groot Nederlands.17 Maar Couperus stelde de correctie van de proeven uit. Hij had al zijn aandacht nodig voor de correctie van De berg van licht.18 Op 30 september schreef hij aan Veen: ‘Ze vervelen me met die proeven van de Oude Menschen, waar ik toch op het moment mijn hoofd niet bij heb. Trouwens, vel 11 en vel 12 ontbreekt daarvan: ik heb die niet gekregen (misschien verloren geraakt: de post hier is heel slordig).’19 In afwachting van de gecorrigeerde proeven van het tweede deel werd het eerste deel reeds afgedrukt. Op 4 oktober zond Thieme de vellen naar de binder.20

In januari 1906 werd de band van Van oude menschen gemaakt. De binder zond Veen enkele modellen: ‘uitgevoerd in verschillende nuancen goudgeel op paars (maar een mooi paars linnen bestaat niet en dus namen wij meer blauwpaars) [en] een paar op goudgeel - een en ander wegens opgave van den heer Lebeau [...].’21 Lebeau zelf bepaalde de keuze. Hij schreef aan Veen: ‘De proef die ik hierbij insluit vind ik de beste van kleur. Alleen zou ik gaarne een scherper druk verlangen. De donkere paarse die ik ontving was te koud. Terwijl de geele druk op blauw geheel verloopt, daar is het ornament te fijn voor vrees ik -’.22

[p. 265]

Uitgever en drukker wilden nu de produktie van Van oude menschen zo snel mogelijk afronden. Veen spoorde Couperus op 7 februari aan de proeven van het tweede deel voor afdrukken terug te sturen. En een week later vroeg Thieme aan Veen of Van oude menschen nog niet afgedrukt kon worden, want de drukkerij was om letter verlegen.23 Maar door een misverstand zou het toch nog tot half mei duren voordat ook het tweede deel van de roman kon worden afgedrukt. Couperus had Veen namelijk de revisie van enkele vellen gezonden zonder er ‘fiat afdrukken’ op te zetten. Voor de zekerheid retourneerde de uitgever ze weer aan Couperus.24 Zo kwam, een jaar nadat het slot van de roman in Groot Nederland was verschenen, de boekuitgave van Van oude menschen in de handel. Couperus vond het boek er ‘aardig’ uitzien ‘in zijn gelen band’.25

In juli 1906 vroeg Veen aan Couperus welk fragment van de roman hij in zijn jaarboek voor 1907 zou opnemen. Couperus liet de keuze aan zijn uitgever over en bemoeide zich ook niet met de produktie. Veen koos het derde hoofdstuk van het eerste deel, dat door Thieme naar de boekuitgave werd gezet en gecorrigeerd.26

 

De uitgave van 1906 is de eerste en enige druk van Van oude menschen die tijdens Couperus' leven verscheen. De oplage ervan was 2500 exemplaren.27 In 1906 liet Veen 1500 exemplaren innaaien en 300 à 400 exemplaren binden. Na de tegenvallende verkoop van Over lichtende drempels, God en goden en Dionyzos moest Van oude menschen volgens Veen ‘veel goed maken’.28 Hij

[p. 266]

had goede verwachtingen van de roman, omdat het weer een boek was ‘voor het groote publiek’.29 Maar ook de verkoop van Van oude menschen viel tegen. Veen leed naar zijn zeggen op de uitgave een verlies van ruim ƒ1250,-.30

Op 14 februari 1911 liet Veen Couperus weten dat hij een begin wilde maken met goedkope uitgaven van Couperus' werk, want de oorspronkelijke boeken, zoals Van oude menschen, waren te duur. Hij was van plan de boeken in prijs te verlagen of in een goedkope herdruk opnieuw uit te geven.31 Verschillende romans werden toen tegen een verlaagde prijs in de serie Standaardbibliotheek in de handel gebracht. Op 26 oktober 1917 gaf Veen binderij Brandt de opdracht 642 exemplaren van de nog voorradige losse vellen van Van oude menschen in de ‘nieuwe’ band van de Standaardbibliotheek te binden.32 De uitgaven van Van oude menschen in onderscheiden banden zijn dus verschillende bindpartijen van de eerste druk. Er zijn voorzover we hebben kunnen nagaan geen tekstuele verschillen tussen de exemplaren. Alleen is tijdens het drukken op drie plaatsen een perscorruptie ontstaan.33

[p. 267]

Tekstkeuze

Voor deze uitgave van Van oude menschen is de eerste en enige tijdens Couperus' leven verschenen druk als basistekst gekozen: hij vertegenwoordigt de laatste door de auteur actief geautoriseerde versie. Couperus heeft de kopij ervan geleverd en de proeven ervan zelf gecorrigeerd. Voor de tekstsamenstelling is gebruik gemaakt van het exemplaar van de eerste druk dat zich bevindt in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag.

Correcties

Omdat het kladhandschrift van Van oude menschen inhoudelijk sterk afwijkt van de gepubliceerde tekst van de roman, is het niet betrokken in de tekstvergelijking voor de nieuwe editie. Het kladhandschrift is alleen geraadpleegd bij tekstuele problemen in de basistekst die noch met behulp van het kopijhandschrift noch met behulp van de tijdschriftpublikatie waren op te lossen.

In de tekst van deze uitgave zijn, mede op grond van een woord-voor-woord vergelijking van achtereenvolgens het kopijhandschrift (H) van Van oude menschen met de tijdschriftpublikatie (GN), en de tijdschriftpublikatie met de eerste druk, de hieronder volgende correcties aangebracht. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de verbeterde lezing gegeven; na de ‘Duitse komma’ (/) volgt de oorspronkelijke, foutieve lezing van de eerste druk. De laatste is voorzien van een asterisk (*) als zij voorkomt in alle drie genoemde versies (H, GN en eerste druk). Indien dit niet het geval is, worden ook de lezingen van het kopijhandschrift (H) en van Groot Nederland (GN) vermeld. Hierbij is de volgorde GN, H aangehouden, omdat de tijdschriftpublikatie als kopij voor de eerste druk heeft gediend.34

[p. 268]

[3],4 voorbij gaan.../voorbijgaan... (voorbij gaan... GN, Voorbij gaan. H)35
13,18 Therèse/Thérèse (Thérèse GN, Therèse H)
14,30 nog/noch (nog GN, H)
17,28 oorlogsnieuws/oorlogsnieuws, (oorlogsnieuws GN, H)
24,32 kamer/hamer (kamer GN, H)
25,2 praktiesch/pracktiesch (praktiesch GN, H)
27,8 is net/is (is net GN, H)
31,5 staarde/steunde (steunde GN, staarde H)
31,6 zijn/zijh (zijn GN, H)
35,17 Ottilie/Ottillie (Ottilie GN, H)
36,8 angstig./angstig . (angstig. GN, H)
39,8/9 misschien.../misschien. (misschien.... GN, misschien... H)
42,24 verzinnelijkten/verzinnelijkden (verzinnelijkten GN, H)
44,12 trilden,/trilden. (trilden, GN, H)
45,17 Roelofsz/Roelofz (Roelofsz GN, H)
46,19 zoo!/zoo (zoo! GN, H)

[p. 269]

49,14 Pol/Leo (Leo GN, H)36
49,23 toch,/toch. (toch, GN, H)
54,18-21 Waarom mag ik auteurs geen amuzeurs noemen? Ze amuzeeren zich met hun eigen verdriet en emoties, en met den weemoed daarover in een sonnet/Waarom mag ik dus auteurs geen amuzeurs noemen? Ze amuzeeren zich met hun eigen verdriet en emoties, en met den weemoed in een sonnet (Waarom mag ik daarover auteurs geen amuzeurs noemen? Ze amuzeeren zich met hun eigen verdriet en emoties, en met den weemoed in een sonnet GN, Waarom mag ik auteurs geen amuzeurs noemen? Ze amuzeeren zich met hun eigen verdriet en emoties, en met den weemoed daarover in een sonnet H)37
61,30 - De jongens komen binnen./ - De jongens kwamen binnen. (- De jongens kwamen binnen. GN, De jongens komen binnen. H)38
62,12 wel/wat (wat GN, wel H)
63,11 hoestte/hoeste*
68,1 mama! Mama kreunt/mama kreunt (mama! Mama kreunt GN, H)
70,18 afschrijven?/afschrijven ? (afschrijven? GN, H)
72,12 Lot,/Lot (Lot GN, Lot, H)
73,21 nog je leven/nog leven (nog je leven GN, H)

[p. 270]

75,20 halfbroêr/halfbroer (halfbroêr GN, H)
76,32 moeder,/moeder (moeder, GN, H)
78,17 zoo/zou (zoo GN, H)
79,32 kalmeeren./kalmeeren (kalmeeren. GN, H)
80,6 ziek,/ziek. (ziek, GN, H)
81,27 mijn/me (mijn GN, H)
82,21 zal/zàl (zal GN, H)
82,28 jullie.../jullie...- (jullie.... GN, jullie... H)
83,10 vijftig.../vijftig...- (vijftig.... GN, vijftig... H)
83,31 meid,/meid (meid, GN, H)
85,32 oude/oude (omgekeerde ‘u’) (oude GN, H)
86,30 tochtlap/tochtlamp (tochtlap GN, H)
87,17 Takma;/Takma: (Takma; GN, H)
87,20 nu,/nu (nu, GN, H)
89,31 ziel, oud, oud/ziel oud, oud, (ziel, oud, oud GN, H)
94,35 Ja-zoo/Ja - zoo (Ja - zoo GN, Ja-zoo H)
95,25 op en/op en en (op en GN, H)
96,10 nog/noch (nog GN, H)
97,13 flesschen/fleschen (flesschen GN, H)
99,18 goed...?/goed...,? (goed...? GN, goed... H)
99,25 woorden.../woorden,... (woorden.... GN, woorden... H)
101,4 gehoord.../gehoord. (gehoord.... GN, gehoord... H)
106,5 majestueuze/majesteueuze (majestueuze GN, H)
106,33 zoo oud/zou oud (zou oud GN, zoo oud H)
108,20 als van/als (als van GN, H)
108,28 ontmoeten/ontmoetten*
109,22 kandelabers;/kandelabers; (kandelabers; GN, H)
111,7 maakte/maakt (maakte GN, H)
113,23 voor/van (van GN, voor H)
113,27 geweest./geweest, (geweest. GN, H)
115,2 louter van blijdschap om/louter om (louter om GN, louter van blijdschap om H)
115,13 Therèse/Thérèse (Thérèse GN, Therèse H)
115,15 tennis, eerst, al werd/tennis, al eerst, werd (tennis, eerst, al werd GN, H)

[p. 271]

115,29 Schrijven,/Schrijven. (Schrijven, GN, H)
117,4 zìjn/zijn (zìjn GN, H)
117,5 waas,/waas (waas, GN, H)
118,11/12 boekje, wat ze gegeven heeft, al/boekje, al (boekje, al GN, boekje, wat ze gegeven heeft, al H)
118,22 Italië:/Italië (Italië: GN, H)
121,23/24 - Lot kan zoo goed met haar overweg, zei Elly.
  - Lot is een smediger natuur dan ik.../
  - Lot is een smediger natuur dan ik...*39
122,19 toe...'/toe... (toe.... GN, toe...' H)
125,17 denk/denkt (denkt GN, denk H)
125,26 herinnering/herinnnering (herinnering GN, H)
126,8 Lot./Lot (Lot. GN, H)
128,20 hè/hé (hè GN, H)
132,23 zeker! -/zeker! (zeker! GN, zeker! - H)
135,21 Therèse/Thérèse*
137,11 mannetjes-sijsjes/mannetjes- sijsjes (mannetjes-sijsjes GN, H)
139,11 meer./meer (meer. GN, H)
141,14 in/ìn (ìn GN, in H)
146,12 Ddaan/Dhaan (Ddaan GN, H)
146,19 Ddaan/Dhaan (Ddaan GN, H)
146,24 sijn/zijn (sijn GN, zijn H)
147,31 was - en/was en (was - en GN, H)
151,32 raadplegen./raadplegen, (raadplegen. GN, H)
156,1 noemden/noemde*40
156,8 fatidiek/faditidiek (fatidiek GN, H)
157,20 haar zoon/haar (haar zoon GN, H)

[p. 272]

160,30 Dercksz/Derckz (Dercksz GN, H)
161,1 Hij/Het (Hij GN, H)
162,35 los./los, (los. GN, H)
163,9 oom/Oom (oom GN, H)
164,8 Ja.../Ja (Ja.... GN, Ja... H)
167,8 kwam,/kwam (kwam, GN, H)
167,22 heerschte/heeschte (heerschte GN, H)
167,22 ontving zij/ontving zij (ontving zij GN, H)
168,9 mierrren/mierren (mierrren GN, H)
169,35 verrliefd/verliefd (verrliefd GN, verliefd H)
170,9 buik/blik (buik GN, H)
171,21 dokter,/dokter. (dokter, GN, H)
171,29 Misschien/Mìsschien (Misschien GN, H)
173,23 terwijl.../terwijl...? (terwijl.... GN, terwijl... H)
177,12 als/al (als GN, H)
181,34 zoû/zou (zoû GN, H)
182,20 buitenlicht/buitenlucht (buitenlucht GN, buitenlicht H)
183,31 onmogelijk/omogelijk (onmogelijk GN, H)
185,23 Ina/Ida (Ida GN, Ina H)
187,33 staan/staren (staren GN, staan H)
190,21 hem/heden (heden GN, hem H)
191,2 kamer./kamer (kamer. GN, H)
191,14 Ouden/Oude (Ouden GN, H)
196,16/17 missen, o zoo erg missen, op de middagen in de/missen, op de (missen, o zoo erg missen, op de middagen in de GN, H)
197,7 ach-ja/ach- ja (ach-ja GN, H)
197,31 O.S. .../O.S. ... (O.S. ... GN, O.S. ... H)
198,26 Lot/Lot, (Lot GN, H)
198,30 Adèle/Adéle (Adèle GN, H)
201,7 zij/zei (zij GN, H)
202,1 gas/gras (gas GN, H)
202,14 zei/zij (zei GN, H)
207,3 moet/moest (moet GN, H)
212,23 zijn nìets/zìch niets (zich niets GN, zich nìets H)

[p. 273]

217,4 Stefanie/Stéfanie (Stéfanie GN, Stefanie H)
218,1 Ottilie/Ottillie (Ottilie GN, H)
218,7 schel/snel (schel GN, H)
219,8-14 - Is... is die... ook... ziek...
  - Ziek...? Ja hij is ook ziek, mama...
Zij schrikte, de dochter, om de uitdrukking van haar moeders gelaat: groot staarden de donkere oogen...
  - Mama... mama... wàt heeft u??
  - Is hij ziek... of is hij... òok...
Zij voleindigde niet.../
  - Is.... is die.... ook.... ziek....
Zij schrikte, de dochter, om de uitdrukking van haar moeders gelaat: groot staarden de donkere oogen....
  - Mama.... mama.... wàt heeft u??
  - Is hij ziek.... of is hij.... òok....
  - Ziek....? Ja hij is ook ziek, mama....
Zij voleindigde niet....
  (- Is.... is die.... ook.... ziek....
- Ziek....? Ja, hij is ziek, mama....
Zij schrikte, de dochter, om de uitdrukking van haar moeders gelaat: groot staarden de donkere oogen....
- Mama.... mama.... wàt heeft u??
- Is hij ziek.... of is hij.... òok....
Zij voleindigde niet.... GN, H)41
220,18 zitten/zitlen (zitten GN, H)
220,32 Elly.../Elly,... (Elly.... GN, H)
222,18 verve/verre (verve GN, H)
224,29 kan,/kan -, (kan -, GN, kan, H)
229,10 opoffering/offering (opoffering GN, H)

[p. 274]

229,11 scheiden, mij goed: niet scheiden, het/scheiden, het (scheiden, het GN, scheiden, mij goed: niet scheiden, het H)
229,32 Arme/Arma (Arme GN, H)
230,8 uw mama/mama (mama GN, uw mama H)
232,16 weêr/wèl (wèl GN, weêr H)
232,19 ouden/oude (ouden GN, H)
233,14 zat, - huiverde,/zat, huiverde, - (zat, huiverde, GN, zat - huiverde, H)
237,23/24 vond dien/vond hij dien (vond dien GN, was H)
238,35 Zes-en-dertig/Zes-en dertig (Zes-en-dertig GN, H)
242,4 zelfde,/zelfde. (zelfde, GN, H)
242,8/9 kinderen,/kinderen. (kinderen, GN, H)
244,1 weêr/weer (weer GN, meer H)
245,1 gezien... Maar/gezien... [alinea] Maar (gezien.... Maar GN, H)
247,17 hebt/heb (hebt GN, H)
250,2 droom-oneigenlijk/droom-oneigelijk (droom-oneigenlijk GN, H)
250,25 sceptisch,/sceptisch (sceptisch, GN, H)
250,27 ouden/oude (ouden GN, H)
251,3 Castellamare - /Castellamare (Castellamare - GN, H)
253,18 drie-, zeven-/drie - zeven- (drie-, zeven- GN, H)
254,11 na haat/en haat (en haat GN, na haat H)
254,31 was, ach, daar moest je maar niet al te bitter om zijn: het was/was, was (was, was GN, was, ach, daar moest je maar niet al te bitter om zijn: het was H)

Varianten

De eerste druk van Van oude menschen vertoont ten opzichte van het kopijhandschrift (H) en ten opzichte van de tijdschriftpublikatie (GN) de hieronder volgende woordvarianten. Na het paginacijfer en het regelnummer wordt eerst de lezing van de eerste druk gegeven; na het ‘ontstaan-uit-teken’ (<) volgen de vroegere versies, te beginnen met GN.

[p. 275]

11,26/27 natuurlijk-weg zonder < natuurlijk-weg, en zonder H
13,11 dacht, meende < dacht, dacht H
14,2 stem haatte < stem toch haatte GN, H
14,8 gehuwd < getrouwd H
14,14 ooit iets deed... < wat oòk deed... H
14,24 toch < toch, toch GN, H
14,31 jezelve < wij H
14,35 voor wien < wien H42
15,3 om < van GN < om H
15,20 een veel < een hem veel H
15,29 mogelijk < mogelijk was H
16,30 en van < en GN, H
17,13 gemerkt < gezien H
17,22 toen < nu GN, H
18,18 Dit < Dit huis GN, H
20,1 zij nog < zij nu nog H
20,22 uit < met H
21,11/12 hij naar < hij dadelijk naar GN, H
21,13 stommelen < naar bed gaan H
22,22 genieten < grinniken H
24,22 trotsch < fier H
24,29 bekend < beroemd H
25,34 wierp < gooide H
26,5 zichzelve < haarzelve GN < zich H
26,6 met < voor H
26,35 er < daar GN, H
27,26 aan een < aan
28,15 elkaâr, als < elkaâr, en, als GN, H
28,18 van den < in den GN, H
28,35 die < zoo[?] H43
29,11 speuren < zien H
29,17 drie < vijf H

[p. 276]

30,4 anderen: goede kennissen, goede vrienden... Het < anderen.... Het H
32,18 van de schouders < van schouders H
33,7 en < en van GN, H
33,18 haar < een H
33,25 mofjes < handmofjes GN < nauwe mofjes H
33,29 niet meer < niet H
37,30 worden... Ach < worden... maar Roomsch te worden.... Ach H
38,6 hier < neêr GN < hier H
39,6 dat < als H
39,6/7 hadden gevonden. < hadden. H
39,28 voor < uit H
40,2 haar < het GN, H
40,23 Anna < oude Anna H
40,24 mama < de oude mevrouw H
40,25 moeder vooral < vooral mama H
41,14 zouden open gaan < opengingen H
41,20 was < was de GN, H
42,25 het toonde hem < het toonde hem nièt in veelvuldigheid; het toonde hem GN, H
45,23 golving < glooiing H
45,29 uitroep na uitroep < zijn uitroep na -roep H
46,9 Kom < Nu H
46,21 ik éven < ik maar éven GN, H
46,27/28 mummelde < murmelde GN < mummelde H
46,32 is < ja, is H
47,22 vogeltje; klein < vogeltje; zij het vogeltype der Derkszen; klein H
49,3 verloren < naar de haaien H
49,25 verloren! < verloren geweest! H
49,26 mij, Lot < mij H
50,12 Die < Dat GN, H
50,13 mijn jongen < kwâjongen H
52,27 trekken < slepen GN, H

[p. 277]

53,2 wel < niet H
53,11 weefde < zweefde GN < weefde H
53,15 raam: < raam, en H
53,32 de < die GN, H
55,24/25 zult haar, trots dat, toch wel willen zien < wil haar, trots dat, toch wel ontmoeten H
56,29 zien < zien en te GN, H
57,12 redenen < reden H
58,1/2 was weêr < was nu weêr GN, H
58,23 hare moeder hàd nooit papa < papa had hàre moeder nooit H
60,6 van < als van H
62,28 slierden < sleepten H
62,34 geslierd < gesleept H
63,4 tegengehouden. Hij < tegengehouden. Hij had ze van kìnd af gezien... Hij H
63,9 hij in < hij als in H
63,11 kuchte hij, hoestte hij < hoeste hij, kuchte hij H44
63,32 in < als in H
64,4 alleen < mede H
64,24 spreken < spreekt H
64,34 tanden; nu < tanden, en H
65,16/17 vermoord? - Ik < vermoord.
  - Heb je hem niet in de je armen gepakt, toen hij zich verdedigde?
  - Jij, jij hebt hem vermoord!
  - Heb jij zelf niet gezegd: hij liever dan jij: geef hem por?
  - Ja, ja, o God ja!
  - Stil, kandjeng! Stil!!
  - Ik H45
65,19 neen, neen! < ja, ja, ja! H

[p. 278]

65,23 neen < ja H
66,5/6 begrijpt niet < begrijpt nog niet GN, H
66,27 is òm < òm H
67,11 van angst... radeloos, zonder < in angst... radeloos om H
67,12/13 deur... - Papa < deur...
Het is in de kamer donker...
  - Papa GN, H
67,25 terug < dan H
68,21 om het < in het H
68,25 onmogelijk < niet mogelijk H
69,10 gaan ze: < gaan ze, daar gaan ze: GN, H
70,6 meê < van H
71,27 sleutels < sleutel H
72,31 vriendelijk < vriendschappelijk H
72,32 ouder < veel ouder H
73,5 die < die drie H
76,21 gehuwd < getrouwd H
78,8 om < voor H
79,20 arm < armen H
80,5 en < en hij GN, H
85,1 nooit durven < nooit hebben durven GN, H
85,5 met... < met... met... H
87,20 oud ziek < oud en ziek GN, H
88,14 gedachten < gedachte H
88,16 wraakzucht < wraak H
89,16 sidderen < trillen H
89,32 zich < hem GN, H
91,2 ook < nog H
91,7 zijn alleen < zijn nu alleen H
91,25 Ja-ja-ja-ja < Ja-ja-ja GN, H
96,11/12 die zoo vallen...: < die zoo vallen,.... die zoo vallen....: GN, H
96,15 lang < laat GN, H
101,13 en < en wie H

[p. 279]

103,34/35 het stadhuis < stadhuis GN, H
104,13/14 heb den < heb met den GN, H
104,18 er mij < mij er GN, H
106,4 onze < mijn H
109,30 weêr < weêr eens H
110,10/11 hoffelijk. - Mag < hoffelijk.
  - Ik ben heel blij u te zien.
  - Mag H
112,26 wist. < wist, omdat zij wist. GN, H
113,11 niet < nooit H
113,21 traag < hoog H
114,23 zelfs niet < zelfs nooit H
115,5 den hoek < een hoek H
115,22 hem te < hem op te H
116,19 oud, < oud, zij waren allen oud, GN, H
118,12 het zoo < het ook zoo H
122,3 scène < aria H
122,31 naar < aan H
123,12 heel < erg H
123,26 dan liefde. < dan liefde, dan behoefte aan liefde. GN, H
124,29 Hij, < Hij, hij H
126,2 wolken < tinten H
129,5 de rust < de gelukkige rust GN, H
129,34 bruischen, < bruischen, voelen bruischen GN, H
130,11 innig < innig zalig GN, H
132,23 weet < voel H
135,18 stokjes < stokje H
136,30 het < dit GN < dat H
137,1 een < zijn GN, H
137,2 gedachten < gedachte H
137,3 haar zoo < haar nu zoo H
137,31 zijn < een H
139,12/13 te vallen in dien walm < in dien walm te vallen H
142,11 gekitteld < gekriebeld H
143,6 ze twee < ze al twee H

[p. 280]

143,27 dien waan < den waan GN, H
144,29 van < over H
144,30 woû < woû me H
145,20 de < al H
145,23 die < hem H
146,27 vulsalamander < salamander H
147,30 zeker duur < zeker heel duur H
147,30 pension duur < pension ook duur H
149,24 voorbij ging < ging voorbij H
150,17 het < de H
151,2 Perelkamp < Steynhoff H
152,12 niet < niet iets GN, H
152,34 God, God, God < God, God GN, H
154,17 vaders < haar vaders GN, H
154,28 niet < nooit H
157,30/31 voorbij was. < voorbij.... H
158,14 hem en hij zei: < hem. H
161,5 in het < in H
162,28 - Meneer Takma, de dokter en tante Floor <
  - Oom Daan en tante Floor H46
163,19 hoorde toch < hoorde H
166,2/3 wist, tante < wist, dat tante H
166,21 Daan en tante Floor < Anton en tante Floor GN < de buiken van Anna en tante Floor H47

[p. 281]

167,12 drie < seven H
169,22 na < in H
171,18 pittige < kleine pittige H
172,24 alles < hèt H
172,26 alles < het H
172,32 alles < het H
173,30/31 baboe achter de deur had < de baboe achter de deur haar had GN, H
174,28 jullie < hen H
175,23 van zijn < van H
178,1 riep < zei H
179,31 sliep < scheen te slapen H
180,18 gaf geen < gaf nog geen GN < gaf haar geen H
180,34 riep < zei H
183,5 nog < de nog H
183,17 voor < aan H
183,18 Voor < Aan H
183,31 ze < hen H
185,33 mama < grootmama H
186,32 dood < gestorven H
187,28 toen < toen hem H
189,30 donker < dicht H
190,4 drang < een drang H
190,17 door < om H
191,25 meer < weêr H
191,29 in < tot H
191,32 die < maar die H
192,1 hem geroepen < hem misschien geroepen H
192,11 hoogen < rechten H

[p. 282]

193,18/19 hadt misschien < hadt toch misschien H
194,28 het niet < niets H
195,10/11 zij mannelijkheid < zij H
195,24 alles met < alles samen met GN, H
195,32 roode < bloedroode H
196,31 op zijn < zijn H
197,2/3 Adèle: die was < Adèle en tante Adèle was H
197,9 betreurde < beweende H
197,29 in < uit H
198,3 je wel < je dus wel H
198,3 dan < dus H
198,15 en wist < en zij wist H
198,17 nooit meer < nooit, neen nooit meer H
199,7 eetkamer < zitkamer GN < eetkamer H
199,10/11 - Is Grootpapa gisteren begraven?
  - Ja kind... Dokter <
  - Ach! riep Elly. Is grootpapa al begraven?!
  - Gisteren, kind... Dokter H
200,7/8 wat ik van je < dat ik er H
200,9 vaag < navrant H
200,18/19 die vrouw < die goede vrouw H
200,23 over < om H
200,26 Adèle, maar half hoorende. Ik < Adèle. Ik H
202,9 huiverend < huiveren, huiverend H
204,1 zóó vaag < zóó fijn en zóó vaag GN, H
204,3 niet < niet meer H
208,12 papa < Harold H
211,16 liefst < liever H
211,28 zij fluisterde < zei fluisterend H
212,7 jaren her < jaren H
212,10 zijn moeder < de Moeder H
212,33 van... < van... van H
214,24 iemand < een gestalte H
215,7 oogen, maar < oogen, woedend met haat, maar H
215,22 het legaat < het een legaat H

[p. 283]

215,29 brand < gloed H
217,29 vingers < hand H
218,20 zoû... Hij < zoû... Dat herinnerde zij zich nog: dat zàg zij nog voor hare starende oogen... Hij H
218,20 Haar < Trouw H
219,9 ook ziek < ziek GN, H
220,22 verleden nog eens een balletje er van < er verleden nog eens een balletje van H
220,23/24 lust in < lust meer in H
220,28 van < over H
222,13 hij, schooljongen < hij, als schooljongen H
223,8 lijden < te lijden H
223,34 haar niet < niet haar H
223,35 haar niet < haar echter niet H
224,2 schokjes < schokjes op schokjes H
224,15 waarom < maar waarom H
224,30 gewerkt, en < gewerkt, zie je, en GN, H
225,3 iets moois < iets heél moois H
225,10 wel < nog eens H
225,20 zijn < hare GN, H
225,23 het < hij H
226,7 een zoo < zoo een GN, H
226,29 dàt wel < dàt nu wel GN, H
227,2 mevrouw < de oude mevrouw H
227,8 lange < lange, lange GN, H
228,5 gekomen < je komen opzoeken H
228,11 voor zooveel < voor zoo ver H
231,12 wat < ruwe H
231,14 tot < toe tot H
231,19/20 gehouden en hij vond haar zoo aardig < gehouden en hij vond haar aardig GN < gehouden, waarom eigenlijk, wist hij niet. Zij was zijn moeder en hij vond haar aardig H
231,33/34 hare oogen < hare mooie oogen GN < hare zachte oogen H

[p. 284]

233,28 ze < er H
234,30 den < die H
236,23 eindeloozen < einde-, eindeloozen H
237,16 boeken, < boeken, zijn platen, GN, H
238,12 werken... Is < werken. Maar... is H
238,35 na tien < na de tien GN, H
239,6 en Elly < en om Elly GN, H
240,1 aan veel < aan heel veel H
240,24 bij Figaro < bij den Figaro H
242,33 Lots < zijn zoons H48
243,10 dan < dan het zijne, zoo heel anders dan GN, H
243,28 er < nog H
243,29 bizonders < bizonders, hoor GN, H
243,35 je je < je hier H
244,1 weêr < meer H
244,7 het < u GN, H
246,21 zal blijven < blijven zal H
246,30 wie weet < wie weet... wie weet GN, H
247,31 verdriet: < verdriet, want ik hèb verdriet, GN, H
250,1 verder < verder en verder GN, H
250,26 zoû < kon H
252,1 van stil < van nu stil H
252,3 zóo oud < zóo oud... zóo oud GN, H
252,5 verwelk, afsterf < verwelk en afsterf H
252,7 nog niet < niet GN, H
252,29 de verminkten < die verminkten GN, H
252,30/31 doen, handelen < doen, en handelen GN, H
253,10 gezochte < zoekende H
253,11 wel... < wel, misschien wel... H
253,18 hoe rilde < hoe hem rilde H
253,33 Arme < Arme, arme H
254,10 slepen, < slepen, de jaren zouden zich slepen, GN, H
255,8 menschen... en < menschen... en het geheim... en H

[p. 285]

Afbrekingstekens

In deze uitgave van Van oude menschen moeten de volgende afbrekingstekens als een koppelteken gelezen worden:

9,6 stoute-
11,26 natuurlijk-
13,22 en-
25,18 en-
25,25 en-
29,25 ge-
32,14 oude-
40,5 oud-
46,15 en-
78,15 jeugd-
78,25 zeven-
97,7 de-
98,33 hors-
111,23 scheen-
126,17 Een-
132,8 en-
136,4 borst-
137,29 oude-
152,28 en-
161,21 Ma-
163,2 mic-
168,27 zoo-
176,18 zoo-
178,23 rustigjes-
192,13 willen-
204,21 over-
205,2 baby-
219,28 God-
223,5 jonge-
225,22 Arme-
232,2 oud-
232,13 oud-
245,18 de-
251,2 feeë-

 

* Voor de bibliografische gegevens werd onder meer gebruik gemaakt van het Bibliografisch Repertorium Louis Couperus, een door ZWO gesubsidieerd project, onder redactie van G. Borgers, E. Braches, K. Reijnders, uitgevoerd door Marijke Stapert-Eggen.

Zie voor de editieprincipes van de Volledige Werken Louis Couperus: Algemene verantwoording van de Volledige Werken Louis Couperus. Utrecht/Antwerpen, 1987.