terug  begin  verderprepost
[p. t.o. 133]



illustratie
P.A.Schipperus.del.lith.
HET STEIGER
ROTTERDAM.
S. Lankhout & Co den Haag


[p. 133]

Een wandeling door Rotterdam.

Onze ‘Hollandsche’, d.i. onze Noord-Nederlandsche steden hebben iets eigenaardigs, dat hen van de steden in het buitenland onderscheidt. Als een Duitsch schrijver zijn boek over Holland en de Hollanders begint met de woorden: ‘Amsterdam is een groote stad, als alle andere groote steden’, dan laat zich dit maar in enkele opzigten verdedigen. In het algemeen is het zeer zeker onwaar. Wie Amsterdam eens heeft gezien, kan het in zijne herinnering met geen andere stad verwarren. En dat geldt ook tot op zekere hoogte van al onze steden van eenig belang. De doorgaans smalle en hooge huizen van baksteen, de levendige kleuren van het houtwerk aan deuren en vensters, aan kozijnen en lijsten, de gevels, die voor het meerendeel met trappen of in ronde bogen en krullen uitloopen, de stoepen, die bij velen naar den ingang leiden, - de talrijke grachten, die de steden doorsnijden, en de menigte van bruggen, die daarover heen zijn gelegd, - de steenen wallen, waarmeê de grachten zijn omzoomd en de boomen, die er langs zijn geplant, - de bestrating met keijen in het midden en voetstraten van klinkers aan de beide zijden, de ijzeren hekken, die de bijzondere eigendommen van de openbare straat afscheiden - dit een en ander

[p. 134]

vormt een geheel, waarop een gansch eigenaardige stempel is geplaatst. In onze groote steden vinden wij deze hoofdtrekken terug, en nog lang zal het duren eer zij zijn uitgewischt, al bragt de nieuwe smaak reeds talrijke veranderingen, al dreigt de portlandsche cement, die als de mantel der liefde velerlei ongeregtigheid moet bedekken, met doodsche eentoonigheid; al vorderde het toenemend verkeer den aanleg van trottoirs, die de stoepleuningen en hekken doen verdwijnen; al werd, in 't belang van gezondheid en ruimte, menig voormalige gracht in een straat herschapen. 't Is mogelijk, dat over een honderd jaar het oorspronkelijk karakter onzer steden zal zijn verloren gegaan en zij, die na ons komen, alom de groote grijze barakken van het buitenland zullen overgeplant vinden op onzen bodem, maar vooralsnog verdringen zij gelukkig onze echt Hollandsche gevels en geveltjes niet.

Intusschen, bij overeenkomst in hoofdtrekken, wat onderscheid en afwisseling in bijzonderheden! Wat reiziger, die eenigszins zijn oogen heeft gebruikt, zal in gedachten Amsterdam verwisselen met Rotterdam of den Haag? Wie zal, in de hofstad rondwandelend, een oogenblik zich in Leiden of Haarlem verplaatst achten? Anders is de inrigting der verschillende steden, anders de bouw harer huizen, anders de beweging en het voorkomen der bevolking op de straten. Zoo heeft ook Rotterdam iets bijzonders. Het is een koopstad als Amsterdam; maar waar vindt gij een stadsgezigt, waarvan gij zegt: dit gelijkt op Amsterdam? Het heeft, even als de hoofdstad, zijn kwartieren, meer bijzonder aan den handel gewijd, zijn aristocratische wijken, zijn gedeelten door den middelstand bewoond, zijn winkelstraten, zijn achterbuurten, zijn drukke en zijn stille plaatsen; maar waar vindt gij in beide steden niet veel meer verschil, dan overeenkomst? Rotterdam mist nagenoeg geheel de grachten, met hare hooge steenen bruggen, die Amsterdam in zoo grooten getale heeft aantewijzen. Zijn havens in de buitenstad zijn daarmede niet te vergelijken, en de grachten, die men vroeger in de binnenstad aantrof, zouden, ook al waren zij niet

[p. 135]

grootendeels gedempt, toch een ander karakter dragen. Velen er van waren maar aan ééne zijde toegankelijk, terwijl aan den anderen kant de huizen uit het water waren opgebouwd, gelijk aan het Steiger achter het Hang en den Houttuin en aan den Groenendaal nog het geval is. In dit opzigt had Rotterdam iets Venetiaansch, al durf ik niet beweren, dat die achtergrachtjes en slooten daarom in alle opzigten op ééne lijn waren te stellen met wat de dichterlijke stad der Lagunen te zien en te bewonderen geeft. Maar ook waar aan beide zijden van het water rijweg en voetstraat ligt, hebben de Rotterdamsche stadsgezigten iets bijzonders. Dat ligt ten deele in den bouwstijl der huizen. Het Amsterdamsche ‘koopmanshuis’ is even als het Rotterdamsche, tevens pakhuis; maar aan het IJ zijn de bergplaatsen voor de koopmansgoederen boven, op de zolders; aan de Maas zijn zij beneden. Aan de straat vindt gij in den regel ruime bergplaatsen met groote deuren, en van het woonhuis alleen den ingang. De ‘stoepen’, die van het oude Amsterdamsche huis bijna onafscheidelijk zijn, behooren in Rotterdam tot de uitzonderingen, en bij de veelvuldige ophooging, die de begane grond moest ondergaan om bij hoogen waterstand boven den vloed te blijven, zijn er velen allengs verdwenen. Daarbij zijn de gebouwen in Rotterdam bijna allen met platte lijsten gedekt. Met name in de buitenstad zijn de trap- en puntgevels zeldzaam, evenals de met lofwerk versierde gevels, die in een' halven cirkel uitloopen. Maar ten deele wordt ook het verschil tusschen Amsterdam en Rotterdam hierdoor veroorzaakt, dat in de hoofdstad de scheepvaartdrukte en de handelsbeweging tot enkele gedeelten is beperkt, terwijl zij hier de gansche buitenstad vervult. Zeeschepen - tot barken en fregatten toe - liggen in de havens langs de kaden en lossen hun vracht op den wal. Groote zeestoombooten brengen hun lading voor de pakhuizen in de stad. Dat geeft op de straten een gewemel van sleepers en sjouwerlieden, dat vervult de lucht met een rumoer van snorrende stoommachines, van dreunende wagens, van schreeuwende stemmen, van neêrkletterend ijzer, dat veroorzaakt vaak een

[p. 136]

opeenhooping van kisten, vatpn, balen en zakken, waardoor de stroom van rijtuigen en voetgangers zich dikwijls niet dan met moeite een' weg baant. Wij zien in Rotterdam, wat er omgaat; wij hooren het, wij voelen het van tijd tot tijd. In Amsterdam blijft de beweging grootendeels in het ruime Oosterdok en in het stille Entrepôt besloten. Gansche rijen pakhuizen staan op de afgelegen ‘Eilanden’, waar niemand komt, dan wie er wezen moet, en zonder gerucht glijden de zolderschuiten, die de koopwaren invoeren, over het water in de lange deftige grachten. 't Is druk op de straten der hoofdstad, maar 't is de drukte eener groote stad, niet in de eerste plaats die eener koopstad. Te Rotterdam kan men 't geen oogenblik vergeten, dat men in een handels plaats is. Althans niet in dat gedeelte, waar de vreemdeling komt, waar een goed deel der bevolking zich bij voortduring beweegt, in dat gedeelte, dat tot het eigenlijke oude Rotterdam moet gerekend worden. Rotterdam, gelijk het tegenwoordig is, bestaat uit drie hoofddeelen: de buitenstad, de binnenstad en de polderstad. De buitenstad ligt tusschen de Maas on den grooten rivierdijk. Hier wonen de kooplieden, hier zijn de kantoren en de pakhuizen, hier liggen de zeeschepen en stoombooten, hier vindt men ook de groote winkels en magazijnen. Ware 't niet, dat enkele plaatsen van gezellig verkeer of godsdienstige zamenkomst in de binnenstad lagen, honderden zouden welligt zelden of nooit de grens, de Hoogstraat, overschrijden. De binnenstad breidt zich benedensdijks uit, en is binnen de oude vesten besloten. Daar zijn de marktpleinen en de lange smalle straten, waarin de neringen en ambachten worden uitgeoefend; daar ook de bekrompen stegen voor de arbeidende en voor de schamele bevolking. De levendigheid der handelsbeweging laat zich ook hier bemerken, al ziet gij hier de masten der schepen en de schoorsteenen der stoombooten niet. De wagens met goederen en koopwaren worden er niet gemist, de kruiwagens en handkarren vervoeren hun deel der producten van Oost en West naar en uit de berg- en werkplaatsen in dit kwartier der stad, en 't is der menigte, die

[p. 137]

zich op straat beweegt, in den regel wel aantezien, dat zij op eene of andere wijze onder den invloed van Mercurius of Neptunus staat. Anders is de indruk, dien wij in de polderstad ontvangen. Zij omvat in wijden boog de oude binnenstad en is buiten de vesten aangelegd. Een nieuwe singel, ten behoeve der waterverversching gegraven, omringt en begrenst haar. Hier hadden de oude Rotterdammers hun buitentuinen, in lange lanen, met houten schuttingen te wederzij, - lanen, als die, waarin ‘Buikjen’ zijn' academievriend Dr. Deluw vond, toen het zoo warm was en zoo ver. Hier breidden zich de weilanden uit, van de tuinen afgescheiden door slooten, waarboven de zomerhuisjes en de koepels waren uitgebouwd, maar waarin niet ligt de straatjeugd op heete dagen verfrissching zou hebben gezocht, en zorgvuldige moeders dus voor de ergernis van badende knapen niet al te bezorgd behoefden te zijn. Voor en na werden verscheidenen dezer lanen met woningen voor den arbeidenden stand betimmerd, meestal in den vorm van zoogenaamde hofjes, geen instellingen van liefdadigheid, zooals uit den naam zou kunnen worden opgemaakt, maar vierkante pleintjes, waaromheen de huizen zijn geschaard en waar de ‘huurlingen’ een bleekje ter hunner beschikking hebben. Deze hofjes zijn er op ingerigt, om een ongeloofelijk aantal bewoners te bergen. Langs den Ouden Singel werden woonhuizen van beter gehalte voor de meer gegoede klasse gebouwd. Sedert korte jaren verrezen ook langs den Nieuwen Singel villa's en deftige heerenhuizen, terwijl de lanen, waar het mogelijk was, werden verbreed en de slooten gedempt. Een aantal ruime straten werden dwars er door getrokken, en allengs bedekte een uitgestrekte stadswijk de gronden der tuinen en weilanden. De polderstad, het nieuwste gedeelte van Rotterdam, heeft weinig of niets Rotterdamsch. Behoudens enkele uitzonderingen zijn de huizen er eentoonig - gansche reeksen van boven- en benedenwoningen onder ééne platte lijst- en de straten zijn meerendeels doodsch en stil.

Buiten den kring der polderstad eindigt het grondgebied van Rotterdam, maar daaromheen schikken zich weêr andere straten

[p. 138]

en buurten, wier bevolking niet wettelijk onder de inwoners der stad wordt geteld, maar toch grootendeels in haar en van haar leeft. Wat ten Oosten ligt, behoort onder Kralingen, dat met Rotterdam zóó zeer zamenhangt, dat beide plaatsen nagenoeg één geheel uitmaken. Wat ten Westen woont, wordt onder Delfshaven gerekend, al is het er in werkelijkheid geheel en al van afgezonderd, terwijl het ten naauwste met Rotterdam is verbonden. Alles, wat rondom de polderstad is gebouwd, dagteekent uit de laatste jaren, en de huizen dragen dan ook den onmiskenbaren stempel van op speculatie te zijn gemaakt.

Zoo vinden wij een drietal, in karakter tamelijk scherp van elkander onderscheiden, bestanddeelen der stad. In eene plaats, wier bevolking misschien voor de grootste helft bestaat uit personen, die of zelven van buiten gekomen zijn, of wier vaders althans elders zijn geboren, verwachten wij niet veel kenmerkende eigenaardigheden van taal of zeden. De echte Rotterdammer heeft zijne eigene spraak. Genestet vermeldde: ‘het Rotterdamsche haaltje’, maar zelfs het fijne oor van van Lennep zou vermoedelijk tusschen het Oost- en West-Rotterdamsch geen verschil van dialect hebben gehoord, gelijk hij het in zijn vaderstad tusschen het Haarlemmerdijksch en het Kattenburgsch had opgemerkt. Toch zijn, naar deskundigen verzekeren, de bewoners der armenbuurten in den omtrek van het Achterklooster van een eenigszins ander slag, dan die van de andere deelen der stad. Het schijnt, dat zich daar vooral het oude Rotterdamsche volk heeft gehandhaafd en er zekere tradities van maatschappelijken, kerkelijken en staatkundigen aard heeft bewaard. Van het Oosten naar het Westen te verhuizen, wordt achteruitgang in fatsoen geacht, al zijn nergens de stegen enger en de woningen ellendiger, dan in de digtbevolkte wijken van den driehoek, die tusschen Hoogstraat, Delfsche vaart en Vest is besloten. Ook staat de bevolking van het Achterklooster bij de politie zeer gunstig bekend. Dáár zou welligt het volk het best te bestuderen zijn.

Om op straat uwe opmerkingen te maken, moet gij dag en uur onderscheiden. Des Zondags ziet gij de wandelaars. Dan

[p. 139]

rust wel niet geheel de zweep des drijvers, want de Engelsche stoombooten, die altijd haast hebben, kennen - buiten Engeland althans - geen' zon- of weekdag, evenmin als dag of nacht. In den middag, tusschen 2 en 5 uur, ziet gij de aristocratie, te voet, in rijtuig of te paard, vooral in het park, waar des zomers muziek is. Als zij terugkeert naar de stad, stroomt de burgerij naar buiten. Opmerkelijk is het, dat de Rotterdammers bij voorkeur in groepjes van drie schijnen te wandelen. - De Dinsdag is de voornaamste marktdag. Dan wemelt het in de stad van schippers en van boerinnen uit het Overmaas met hun reusachtige mutsen, van orgeldraaijers en van luid schreeuwende koopluî met kruiwagens en stalletjes. - Ook de Zaterdag is een dag van drukte, maar de volle luidruchtige bedrijvigheid vangt eerst des avonds aan, als de sabbath voor de vrij talrijke Israëlitische bevolking is geëindigd, als de dienstboden hare boodschappen doen, als het weekloon is ontvangen en naar kroeg of winkel gaat. Dan is de Hoogstraat, met de hoofdstraten, die er heen leiden, en de pleinen in den omtrek, het middelpunt eener uitermate levendige beweging. Dan vooral klinken, boven het gegons der heen en weder woelende volksmenigte, de schelle stemmen der onvermoeibare venters van vruchten en aardewerk wier fabelachtige voortreffelijkheid alleen door hun ongehoorde goedkoopheid wordt geëvenaard. - Wie het Hollandsch riviergezigt lief heeft, den frisschen stroom, met lustig zeilende schepen bedekt, die moet 's Maandags, nadenmiddag vooral, aan 't Bolwerk of aan 't Oude Hoofd de marktschuiten zien aankomen. Als vlugge vogels scheren zij over het water. De witte zeilen blinken reeds van verre in het zonlicht. Het schuim spat op voor den boeg en verstuift als een wolk van damp. Voor den mond der Oude Haven valt het zeil, en met een sierlijke bogt loopen zij binnen, om zich aantesluiten bij de lange reeks, die door de openingen der Koningsbrug de stad intrekt en de ruime Kolk allengs vult. Maar wat den flaneur, die niets te doen heeft, een bron van genot is, dat is den bezige een oorzaak van ergernis, dat is den reiziger, op weg naar het

[p. 140]

Rijnspoorstation, een reden van onrust en zenuwachtige gejaagdheid. Altijd weêr schepen, die opdoemen! En inmiddels pakken zich menschen, rijtuigen, wegens, handkarren, aan beide einden der brug opeen. Zij blijft altijd maar open! En de tijd vliegt heen, de bezigheden dringen, de trein wacht niet! Eindelijk wordt de brug gesloten, de hekken worden geopend, en nu stroomt het in dubbele rij er over heen, de rij- en voertuigen in het midden, en het ‘voetgangers regts’ mag wel goed gehandhaafd worden, wanneer zij elkander niet zullen verdringen op de opgehoogde looppaden aan wederzij.

Als Dinsdag de markt is afgeloopen, herhaalt zich de optogt der schepen, ditmaal als een exodus, en weêr is de Maas met hun zeilen bedekt, totdat zij bij een kromming der rivier uit het oog verdwijnen.

Onwillekeurig zijn wij weêr naar den rivierkant afgedwaald, en wie in Rotterdam gedurende eenigen tijd vertoeft, die zoekt wel telkens en telkens weêr den stroom met zijn frischheid en levendigheid. Langs den wijden boog, dien hij vormt, strekken zich de lange kaden met de reeks van hooge huizen uit, en nagenoeg van ieder punt langs den oever was de gansche bevallige lijn te volgen, eer de spoorwegbrug dit schoone geheel in twee deelen heeft gesplitst. Laat zich nu nog, onder de overspanning door, het grootste gedeelte der kaden wel overzien, in een eigenaardig grootsch lijstwerk gevat, als de zooveel lagere Willemsbrug gereed zal zijn, moet het gezigt langs de rivier onvermijdelijk veel verliezen, en een gansch ander karakter zal dit kwartier aannemen, wanneer eenmaal de stad aan de overzijde zal zijn uitgebreid. Dan wordt de Maas langs de Boompjes een groot dok, met huizen aan de overzij, in plaats van de ledige vlakte, waarop thans het oog nog stuit, in plaats van de statige iepenlaan op den dijk in de verte, die er vroeger prijkte. De vrolijke drukte van de scheepvaart zal zich dan naar de Koningshaven hebben verplaatst; de groote schepen en zeestoombooten zullen voor het meerendeel in de nieuwe haven aan den overkant lossen, en de beweging op de straat zal er aanmerkelijk

[p. 141]

verminderen. Maar thans is de breede rivier, die allengs meer van haar stroomgebied door de stad zag innemen, maar niettemin sints haar jeugd haar trouw heeft gevoedsterd, thans is nog de fiere Maas de bronader van haar welvaart en leven.

 

Wisselt de beweging op de straten en in de havens op de verschillende dagen min of meer af, ook de uren van den dag hebben invloed op de stoffering der stadsgezigten. De vroege morgen behoort aan den ambachtsman en den sjouwer, en onder de voertuigen zijn de bakkerswagens en de tweewielige melkkarretjes het rijkst vertegenwoordigd. In de binnenstad vooral staan gansche reeksen van koperen en ijzeren ketels op theestoven, waarin de water- en vuurvrouw de buurt van kokend water en kolen voorziet. De voorwerpen van koper bereiken niet altijd hunne bestemming op de voor- of achterbovenkamers der rijkbevolkte ‘panden.’ Soms verdwalen zij op geheimzinnige wijze in de winkeltjes van heelers en opkoopers. De groen- en melkmarkten zijn overvol, en, des Dinsdags met name, is de Beestenmarkt voor den liefhebber van schoon vee belangrijk, hoewel nagenoeg ontoegankelijk. Een weinig later drentelen de talrijke naaimeisjes naar hun winkels, en de uitwonende bedienden naar de respectieve magazijnen. Tegen negen uur is de stad vol van de Spes Patriae. Dan openen de veelvuldige en veelsoortige inrigtingen van onderwijs hare deuren, en voor eenigen tijd is de schooljeugd uit alle klassen der maatschappij het overheerschend bestanddeel der straatbevolking. Deftige en ernstige kooplieden, die zich naar hunne kantoren spoeden, en ambtenaren, die hunne bureaux opzoeken, volgen de zorgelooze jongelingschap. Dan komt voor eenigen tijd betrekkelijk kalmte. De arbeid is in vollen gang, maar een groot deel van den arbeid wordt binnenshuis volbragt. Van equipages zijn het de rijtuigen van enkele handelaars, die zich naar 't kantoor laten brengen, eenige afrijwagens en voorts de dokterskoetsen en de vigelantes, waarin vreemdelingen en reizigers rondtoeren.

[p. 142]

Ten twaalf uur barst de schoolbevolking wederom uit. In statige rijen trekken de kinders der bewaarscholen naar buiten en enkele andere scholen ‘wandelen.’ Wie van kinderen houdt, kan dan zijn hart ophalen in het Park of in de Nieuwe Plantage. - Eén uur, en de kooplieden snellen naar de Beurs. Op de kaden wordt het stil. 't Is schafttijd. De snorrende stoommachines rusten, de ratelende wagentjes, waarmeê de koopwaren van de schepen en booten worden gereden, staan een oogenblik stil. Tegen zakken en balen, op planken en stoepen genieten de sterke werkluî hun middagmaal. Vrouw of kind zit er bij en het hondje wordt niet vergeten. - Twee uur. De storm der beweging verheft zich. De schoolkinderen vliegen als een zwerm musschen voort op het geluid der klok. De beurs gaat uit. De arbeid wordt hervat. De dames komen op straat. De tijd van bezoeken brengen, van boodschappen doen, van wandelen is daar. De equipages rollen over de straten. Op de Singels trappelen de rijpaarden. De kindermeisjes en bakers flaneren met de hun toevertrouwde schatten. Rusteloos gaat de arbeid voort. Het leven is in vollen gang. - Omstreeks vier uur gaan de scholen uit. De waterkanten vooral zijn vol van jongens, voor wie het ontrouw element ten allen tijde een groote aantrekkelijkheid schijnt te hebben. Allengs keeren de wandelaars huiswaarts, en voor eenige oogenblikken komt de stilte van den etenstijd. - Des avonds is het de drukte eener groote stad. 't Wordt vroeg stil en donker in Rotterdam. De lichten der winkels worden uitgedoofd; omstreeks elf uren kan men gansche straten ledig zien. De volksbeweging is in enkele punten geconcentreerd. Met de rijtuigen, die de bezoekers van gezellige bijeenkomsten tehuis brengen, en met de liederen van een of andere bruidspartij in de achterbuurten, sterft het gedruis van den dag weg. Hier en daar klinkt het geraas eener stoomboot, die des nachts haar lading lost. In sommige stadswijken krassen violen en galmen luidruchtige stemmen. De eenzame wakers slenteren rond bij de opgestapelde goederen op de kade. Een matroos of zwart geblakerd machinist, wien de breede straat soms bijna niet breed genoeg is, tracht

[p. 143]

zijn vaartuig te vinden. Rotterdam is in rust. Do nacht breidt zijn vleugelen uit over de woelige stad. En als de eerste schemering van den morgen aanbreekt, dan gaat het weêr in den grooten rosmolen rond, altijd hetzelfde en toch altijd nieuw.

 

Waar zullen wij ons een oogenblik nederzetten, om ons een en ander van de geschiedenis van Rotterdam te laten vertellen? De openbare straat met haar gegons en gewoel is daartoe niet de meest aanbevelenswaardige plaats. De Boompjes met name, waar wij zoo gaarne de rivier zien voorbijstroomen en de vrolijke beweging, die leven geeft en welvaart, gadeslaan, de Boompjes met name zijn (of is) bij uitnemendheid ongeschikt, om er te luisteren naar eenigerlei menschelijke stem. Als ‘een stemme veler wateren’ bruischt het om ons heen, en treffen wij het, dat wij wandelen in dezelfde rigting als een reeks sleeperswagens, met staaf- of plaatijzer beladen, dan kunnen wij alle gedachten aan een geregeld gesprek gerustelijk laten varen. Maar wij behoeven niet bezorgd te zijn, dat wij nergens een kalm en rustig plekje zouden kunnen vinden, waar wij elkander mogen verstaan. Wij hebben zelfs de keus uit meer dan één van verschillenden aard. Wilt gij vertoeven onder den blaauwen hemel, in de vrije lucht? Binnen het ijzeren hek, dat het nieuw aangelegde plantsoen aan de Oosterkade omringt, vinden wij ligt wel een bankje, dat nog onbezet is. Maar de bezigheid om ons heen zou ons vermoedelijk te veel afleiden. Langs den breeden houten steiger, die nevens de kade is gebouwd, liggen talrijke rivierstoombooten. Zij komen aan, zij vertrekken, passagiers stroomen af en toe. Er is te veel te zien, om bij voorkeur te willen hooren. Mogelijk werden wij ook wel onaangenaam verrast, door een' os uit een' voortgejaagden koppel, die in arrenmoede over het hek springt, en misschien wordt ons gevoel pijnlijk gekwetst door de beschamende ontdekking, dat een welwillend Germaan, die in 1862 een in menig opzigt degelijk werk over Nederland

[p. 144]

uitgaf1, niet volkomen juist was ingelicht, als hij ten onzent dierenplagerij een zeldzaamheid noemde. Zoowel in 't belang van het vee, dat aan ruwe mishandelingen en noodelooze kwellingen blootstaat, als om de wille der straatjeugd, die ongeroepen maar al te ijverig in slaan en schoppen zich betoont, zouden wij het volksgeweten vrij wat meer wakker willen zien en betreuren wij het diep, wanneer mannen van invloed en talent met een paar grappen om enkele ziekelijke overdrijvingen een goede zaak belagchelijk maken, een groote volksondeugd helpen bestendigen. ‘De regtvaardige ontfermt zich over zijn vee’, zegt de oude wijze, en de wetgever in Israël had het goed gezien, hoezeer onbarmhartigheid jegens de dieren wreedheid en barbaarschheid kweekt bij de kinderen des volks!

Aan de Oosterkade zijn wij te veel van beelden uit het heden omringd, dan dat wij er ongestoord zouden kunnen luisteren naar de stemmen, die uit het verledene spreken. Toch worden wij ook hier herinnerd aan wat geweest is. De gansche Oosterkade is betrekkelijk nieuw. Iets meer dan twintig jaren geleden, tot in 1856, stroomde de rivier nog ter plaatse, waar wij nu rondwandelen tusschen grasperken en heesters. Toen de 16e eeuw ten einde spoedde, was de vest tusschen de bolwerken, die het Oostelijk deel der stad aan de Maaszijde beschermden, en de buitenkade, die van het oude havenhoofd naar de Oostpoort liep, tot een breede, diepe gracht vergraven, waardoor de haringbuizen naar de voor hen bestemde haven - het Buizengat - voeren. De val van Antwerpen had een menigte kooplieden naar Rotterdam doen uitwijken. 't Was een krachtig, bloeijend leven in de als verjongde stad. Schatten van kennis, van ondernemingsgeest, van kapitaal, stroomden haar toe. Veel te beperkt was de ruimte, die de gunstig gelegen en door haar handel reeds belangrijke plaats haar steeds aanwassende bevolking aanbood, en aan weerskanten van den nieuwen ‘Haringvliet’

[p. 145]

werden erven ter betimmering uitgegeven. De grond ten Zuiden bragt de - destijds aanzienlijke - som van 26000 guldens op. Binnen weinige jaren verrezen de kloeke woningen der rijke kooplieden langs de kade, met de achtergevels onmiddellijk uit het water opgebouwd. Menig nog niet uitermate bejaard Haringvlietbewoner heeft uit de ramen zijner woning in de rivier gevischt. Een fraaije poort, de welbekende Hoofdpoort, werd aan het Westelijk uiteinde der kade gesticht, terwijl de Admiraliteit van de Maze aan den Oosthoek bij het Buizengat haar werven aanlegde. In 1785 bouwde zij het ruime en deftige gevaarte, dat thans achter het stationsgebouw daarginds nagenoeg is verborgen, maar krachtig en fier zijn sterke muren en zijn hooge daken mag opheffen boven het bouwprentachtig bordpapieren gebouwtje, waar de treinen der Rijnspoorwegmaatschappij afrijden en aankomen. Een hoofdstation in een koopstad eischt welligt een front in anderen, waardiger, ernstiger stijl, dan het station voor een badplaats of voor een liefelijk, landelijk uitspanningsoord.

Op eenigen afstand van de achtergevels van het Haringvliet, maar evenwijdig daarmede, werd voor eenige jaren een lange houten steiger gemaakt, die zich bij het Hoofd aansloot. Hier vonden de destijds reeds talrijke rivierstoombooten hare aanlegplaats. 't Kon een geweldig gedrang zijn op die beperkte ruimte, wanneer de beide stroomen van vertrekkende en aankomende passagiers elkander ontmoetten, terwijl de sjouwerlieden met hun handkarren zich met niet minder onverstoorbare vrijmoedigheid door de menschenmassa's een' weg baanden, dan de ossen, die van de boot naar het Hoofd werden gedreven! 't Kon er bang genoeg worden voor de met een drietal kinderen belaste moeder, voor den onder zijn bagage zwoegenden reiziger, voor het schuchter juffertje, dat uit kalmer dreven te logeren kwam, voor de bedaagde matrone, die niet zoo haastig meer uit den weg kon! Onhoudbaar werd op den duur deze toestand, en onwaardeerbaar was de verbetering, toen de smalle steiger door de breede kade vervangen werd. De huizen aan het Haringvliet wonnen daardoor tevens terrein voor den aanleg van tuinen, en

[p. 146]

Rotterdam verkreeg er een stadsgedeelte van altijd aantrekkelijke schoonheid door. Het verloor evenwel een zijner fraaiste gebouwen, de Hoofdpoort, thans een belemmering der drukke passage geworden, en al zag de Rotterdammer niet zonder groot leedwezen zijn veelbeminde poort onder den moker vallen, de ijzeren noodzakelijkheid duldde haar behoud niet langer. Zij viel in 1856.

Het Bolwerk aan den overkant der Oude Haven, tot dus ver alleen door een overhaalpont voor voetgangers met het Haringvliet verbonden, werd in 1860 door de breede Koningsbrug met de Oosterkade in gemeenschap gebragt. De steenen leeuwen, door Keerbergen gebeeldhouwd, die vroeger de in 1833 gesloopte Hofpoort hadden versierd, vonden daarbij aan de vier hoeken der brug hunne plaats.

Zoo heeft het plantsoen aan de Oosterkade wat het zou aanbevelen als de plaats, om er eenige bladzijden uit het boek der geschiedenis van Rotterdams ontstaan en ontwikkeling opteslaan. Hier zien wij het volle leven van den tegenwoordigen tijd, hier stroomt de schoone rivier ons voorbij, waaraan ten allen tijde de welvaart der stad zoo naauw was verbonden. Hier getuigen de stoombooten van haar binnenlandsch verkeer, hier spreekt het spoorwegstation van haar verbinding met het Oostelijk deel des lands en met Duitschland, gelijk de spoorwegbrug wijst op haar gemeenschap met de Zuidelijke gewesten, met België en Frankrijk. Hier profeteren de terreinen aan den overkant van de toekomst. Hier herinnert de admiraliteitswerf aan een krachtig voorgeslacht. Hier ruischen de stemmen, die ons verhalen van wasdom en bloei en steeds klimmende behoefte aan ruimte, bij aangroeijende bevolking en toenemende handelsbeweging. Wij willen die beelden opvangen en in gedachtenis houden. Maar elders willen wij liever rusten. Hier is te veel, dat ons boeit en afleidt.

Waarheen dan? Kalmte kunnen wij vinden buiten de stad, onder het hoog en schaduwrijk geboomte der Oude Plantage ten Oosten, in den sierlijken aanleg van het Park ten Westen. Maar al hopen wij beiden op onzen verderen zwerftogt te bezoeken, zij liggen ons nu wat ver uit den weg, en zullen wij bij

[p. 147]

onze wandeling door de stad overvloedig gelegenheid hebben tot opmerkingen en aanwijzingen omtrent het verledene en het tegenwoordige, ik zou in de buitenstad althans geen plekje weten, waar wij voor het oogenblik aan het gewoel onttrokken waren.

Zullen wij binnenshuis onze toevlugt zoeken? 't Ontbreekt waarlijk niet aan localen, waar wij ons kunnen nederzetten! Koffij- en bierhuizen bij dozijnen. Dat was voor een vijf-en-twintig jaar anders. Hadden wij destijds eenige uren in Rotterdam moeten vertoeven, wij zouden, behalve een paar societeiten, zeer enkele koffijhuizen midden in de stad hebben gevonden, maar overigens zouden wij niet veel hebben aangetroffen, wat zich boven den rang eener gewone matrozenkroeg verhief. Rotterdam had destijds den naam, van voor een' vreemdeling hoogst vervelend te zijn. De inwoners waren zeer huiselijk - een voortreffelijke oud-Hollandsche eigenschap! Maar wie geen Rotterdammer was, werd met zijn' vrijen tijd verlegen. Een deftige societeit vervulde de behoefte der kooplieden aan gezellig verkeer. Een paar collegetuinen in een of andere laan boden aan hunne gezinnen gelegenheid tot gemeenschappelijke uitspanning in den zomer. De uren, die van den arbeid overschoten, werden in den regel te huis of in den kring der bloedverwanten doorgebragt. Geen schouwburg kon bestaan. De lezingen in de Maatschappij van fraaie kunsten of in die tot Nut van 't Algemeen, enkele goede concerten, vereenigden in den winter de aanzienlijke familiën en schonken er kunstgenot en voedsel voor den geest. De vreemdelingen klaagden. Thans is dit anders. In allen deele beter? Anders ten minste. In sommige opzigten ook stellig niet minder. Bierhuizen in menigte, caféchantants bij de vleet, twee schouwburgen en een Hoogduitsche opera. Muziekuitvoeringen bij zomer en winter, lezingen, kunstbeschouwingen in grooten getale. Een schoone diergaarde, een permanent feestgebouw met skating rink, een voortreffelijk leeskabinet, blijvende of tijdelijke tentoonstellingen van kunstgewrochten van allerlei aard. Niemand behoeft met zijn' vrijen tijd meer verlegen te zijn. Niemand behoeft op Zon- of werkdag,

[p. 148]

bij regen of zonnenschijn, bij dag of bij avond te vragen, wat hij doen zal, waar hij heen kan. Daar is ruime keus tusschen min of meer geestelijke, min of meer onschuldige genietingen. En wij, voor het oogenblik vreemdelingen en zwervelingen in de stad, wij hebben maar eene of andere straat inteslaan, om al spoedig een rust- of ververschingsplaats te vinden.

Maar liever leid ik u elders heen, dan naar een der openbare pleisterplaatsen. Tot onzen zwerftogt door Rotterdam bereiden wij ons voor binnen de stille muren van het fraaije gebouw, dat eertijds het gemeenelandshuis van Schieland was.

Daar vinden wij het archief en de stedelijke bibliotheek.

Het voormalige gemeenelandshuis van Schieland, thans meer algemeen als het Museum Boymans bekend, staat in een der oudste gedeelten der stad, aan den grooten dijk, die de opkomst der plaats heeft mogelijk gemaakt. Langen tijd vergaderde hier 't Hoogheemraadschap van Schieland. In 1841 werd het gebouw door de stad aangekocht en zes jaren later ingerigt tot het plaatsen en tentoonstellen van de belangrijke verzameling schilderijen, teekeningen, prenten en oud porselein, haar door Mr. F.J.O. Boymans bij testament vermaakt. Een felle brand verwoestte in den nacht van 16 Februarij 1864 een groot gedeelte der kostbare kunstschatten, en van het schoone gebouw bleven alleen de geblakerde muren staan. Bij de herstelling bleef de voorgevel bewaard. De dubbele trap leidt tot de zalen, voor de kunstverzameling bestemd. Wij bestijgen dien nog niet, maar dalen den dijk af en treden eene deur in de benedenverdieping binnen. Daar zijn de ruime localen voor het archief, en van daar uit leidt een achtertrap naar de bibliotheek en de ‘rariteitenkamer’, waar oudheden en merkwaardigheden, de stad betreffende, worden bewaard. Hier is de plaats, waar wij ons op de hoogte kunnen stellen van de geschiedenis van het ontstaan, van de opkomst, van de uitbreiding der stad, waar het verledene ons verklaard kan worden, ter voorbereiding op wat het tegenwoordige ons te zien geeft. Hier is het punt, vanwaar wij onze wandeling door Rotterdam beginnen kunnen.

[p. 149]

Het Rotterdamsch archief, dat wij in het voormalige gemeenelandshuis van Schieland vinden, heeft bij deskundigen een' goeden naam, meer nog om zijne voortreffelijke inrigting, dan om zijn' rijkdom aan oude stukken, gelijk men die in het archief eener zoo belangrijke plaats zou verwachten. Trouwens, de oudste perkamenten charters berusten niet hier, maar in twee groote brandkasten in de zoogenaamde rotonde van het stadhuis, waar ook nog een aantal andere bescheiden, voor de gemeente van belang, worden bewaard. Ook moet men daar alles zoeken, wat op de administratie van de stad sedert 1824 betrekking heeft. Wij vinden het gansche archief dus niet hier. Maar bovendien, Rotterdam's beteekenis als handelsstad dagteekent van niet vroeger dan de laatste jaren der 16e eeuw. Vóór dien tijd behoorde het tot de zoogenaamde kleine steden van Holland, al was het daarvan de eerste. In 1477 telde men er 1275 huizen, in 1553 bedroeg hun getal slechts 1200 en 7 molens. In 1561 was dit cijfer reeds tot 1731 en 11 molens gestegen, en in 1622 waren er 4686. Sints bleef het aantal klimmende. Op de hoogstmerkwaardige dagvaart der steden van Holland, den 15den Julij 1572 te Dordrecht gehouden, werd Rotterdam nog niet vertegenwoordigd. De Spanjaard was er nog meester. Maar het volgende jaar verscheen de stad ter vergadering en werd de vijfde in rang gerekend, daar Haarlem was verloren en Amsterdam nog niet gewonnen. Onder de groote steden bleef Rotterdam in de dagen der Republiek de zevende en stond tusschen Gouda en Gorkum, beneden Dordrecht, Haarlem, Leiden, Delft en Amsterdam. Zelfs was het in het midden der vorige eeuw voor sommigen nog de vraag, of het eigenlijk wel onder de groote steden geteld mogt worden. Waartegen niet ten onregte werd opgemerkt, ‘dat een stad, die destijds reeds sints meer dan eene eeuw, na Amsterdam, het meest in de algemeene lasten gedragen had, gewisselijk wel eene plaats onder de groote steden verdiende.’ En wanneer het magtig Amsterdam zelf altijd de vijfde stad bleef, ook toen het feitelijk door rijkdom en invloed verreweg de eerste was, dan

[p. 150]

blijkt het wel, dat uit de rangorde ter Statenvergadering niet altijd tot de meerdere of mindere belangrijkheid eener plaats mag besloten worden.

Het oude Rotterdamsche archief behoefde evenwel om den betrekkelijk laten tijd van den krachtigen wasdom der stad nog niet arm te zijn. Menige plaats van niet meer, zelfs van veel minder gewigt, heeft vrij wat grooter overvloed aan te wijzen. Zelfs zouden wij, met het oog op de snelle opkomst der stad, kostbare schatten kunnen verwachten betreffende de ontwikkeling van het gemeenteleven, de geschiedenis van het gildewezen, de uitbreiding van haar handelsbeweging, en plaatselijke bijzonderheden in menigte mogten wij hopen te vinden. Werkelijk is er ook een rijk archief geweest, maar het heeft ongelukkiglijk veel geleden. En dat niet alleen door den tand des tijds of door de gewone ongevallen, waardoor bescheiden uit den voortijd uit den aard der zaak worden bedreigd, maar ook en vooral door zorgeloosheid en, ten onzent geenszins zeldzame, onverschilligheid voor de gedenkstukken van vroeger eeuwen. Met name bij gelegenheid van de verbouwing van het stadhuis werd een groote opruiming gehouden van ‘den rommel’, die aldaar werd bewaard. Gansche kisten met boeken, gansche stapels papieren werden op het oude Hoofd verbrand en enkele brokstukken, destijds door particulieren uit de vlammen gered, later op 't archief weêr teregt gekomen - een gedeelte van de oudste thesauriers-rekening, van 1426 o.a. - geven eenig denkbeeld van wat er onherstelbaar verloren ging. Het verslag der commissie aan den gemeenteraad over 1866 bevat bovendien de opgave van een aantal bescheiden, die vroeger in het archief hadden berust, maar destijds verdwenen waren. De eerste helft onzer eeuw was over het algemeen niet zeer gunstig voor oude archieven. Wat van het Rotterdamsche was overgebleven, werd op de zolders van het raadhuis geborgen en bleef er weinig minder dan ontoegankelijk en onbruikbaar, door de groote verwarring, waarin de stukken lagen, en het gebrek aan behoorlijke beschrijving. Maar een beter tijd brak aan. Allengs meer won de overtuiging veld,

[p. 151]

dat de plaatselijke archieven niet alleen van hoog belang zijn voor de geschiedenis, maar ook van dadelijk praktisch nut voor de gemeentelijke finantiën. Rotterdam, dat zoo krachtig zich begon uittebreiden, kwam onophoudelijk in aanraking met allerlei vragen omtrent eigendommen en regten. 't Bleek hoe langer hoe meer noodig, in dienst van de tegenwoordige plannen en behoeften, het verledene te laten spreken van de dingen, die waren geweest, en van de wijze, waarop zij waren geworden. Er werd besloten de groote voorwaarden te vervullen, die een archief bruikbaar maken. Het zou worden geplaatst, geordend, geïnventariseerd. Op de bovenverdieping van het stadhuis werden allengs een zestal vertrekken er voor ingerigt, en de archivaris Scheffer begon met het reuzenwerk, om de massa behoorlijk in rubrieken te verdeelen en een' inventaris van het voorhandene op te maken. De localen waren in 1861 gereed, en de deelen van het gemeente-archief, ook elders in verschillende inrigtingen bewaard, werden derwaarts overgebragt. Het werk der regeling kon natuurlijk eerst allengs van jaar tot jaar worden voortgezet. Daar waren tal van bijna onleesbaar geworden stukken over te schrijven. Het hoogst belangrijke, ja, onmisbare protocol der talrijke erven en eigendommen in de stad moest uit een' oceaan van verspreide gegevens worden opgemaakt; de berigten omtrent personen uit doop- trouw- en grafboeken verzameld. Lijsten en registers werden aangelegd, om in den doolhof der boeken en papieren den weg te kunnen vinden. IJverige nasporingen, op het rijksarchief vooral, bragten aan het licht, wat daar voor Rotterdam belangrijks was te vinden, en copieën of uittreksels moesten er van gemaakt worden. Zulk een arbeid vordert jaren en is nog maar ten deele voltooid. Dringend was dan ook hulp noodig voor de taak, die voor één' ambtenaar te zwaar en te veelomvattend was, te meer, daar zijn tijd menigmaal in beslag werd genomen voor onderzoekingen in dienst der gemeente, bij telkens voorkomende vragen omtrent allerlei regten en bevoegdheden. De heer F.D.O. Obreen werd den archivaris ter zijde gesteld. De toestand van

[p. 152]

het archief werd allengs meer bevredigend, en ook de niet onbelangrijke bibliotheek, aan de gemeente behoorende, werd in orde gebragt. Maar de ruimte was beperkt, en in geval van brand liep de verzameling onmiskenbaar groot gevaar. Een droevig onheil, dat de stad van kostbare kunstschatten beroofde, kwam haar archief ten goede. In 1866 besloot de gemeenteraad, het over te brengen naar de benedenverdieping van het nu herbouwde Museum Boymans, terwijl de nagenoeg brandvrije rotonde in het stadhuis werd aangewezen tot de bewaarplaats van dat gedeelte, dat ten behoeve van de dagelijksche dienst beter ten raadhuize bewaard bleef, alsmede van de perkamenten charters, waaronder verscheidene, die nog van zeer goed bewaarde zegels zijn voorzien. In den loop van het jaar 1867 werd het archief naar de nieuwe localen overgebragt.

Het vond er een zooveel mogelijk veilige bewaarplaats, droog en koel en voorzien van het noodige, om bij brandgevaar dadelijke hulp te verleenen. Behalve de gewone toegang, kunnen drie groote openslaande ramen aan het Hogendorpsplein in geval van nood gelegenheid geven tot verwijderen van bedreigde schatten. Licht en lucht kunnen in het geheel op zich zelf staande gebouw overal hun' weldadigen invloed doen gevoelen, en het bezoek en gebruik der zoo nuttige inrigting is veel gemakkelijker gemaakt, nu zij met den begannen grond gelijk is, en niet, zooals de meeste onzer stedelijke en provinciale archieven, een onnoemelijk aantal trappen hoog onder de hanebalken is gehuisvest.

In een zestal ruime kamers zijn de documenten in groote, goed gesloten glazenkasten geplaatst, deels ingebonden, deels in portefeuilles, allen van titels en nummers van kast en kamer voorzien. Een volledig overzigt van alles, wat het archief bevat, is hier niet op zijn plaats. De verslagen van de Commissie voor het Archief, jaarlijks aan den gemeenteraad gedaan en in het licht gegeven, kunnen den belangstellende de noodige bijzonderheden aanwijzen. Wij willen alleen de zalen doorwandelen en opmerkzaam maken op het voornaamste, wat wij er aantref-

[p. 153]

fen. Hier hebben wij een' eerwaardigen foliant, waarin de Privilegiën der stad zijn geregistreerd niet een hand uit het midden der 15de eeuw. Het oudste privilegie is van 1328, het laatste, in dit register opgenomen, van 1580. Daar staan de resolutieboeken van de Gedeputeerden ter Dagvaart. Zij loopen van 1575 tot 1698. Die der volgende jaren zijn in druk verschenen. Verder vinden wij in deze kamer, de Naamregisters der Regering van Rotterdam van 1555 tot 1793, tal van resolutieboeken van de vroedschap van 1495 tot 1795, van Burgemeesters en Regeerders, van Wethouders en Raden, van den Raad der Gemeente - der Stad, van de Municipaliteit, van den Maire, in één woord, van de hoogste regeringscolleges of personen onder verschillende titels. Ook treffen wij hier de uitgegane Missieven sedert 1645 aan en de requestboeken sints 1735.

Ook de kasten in de tweede kamer bevatten bescheiden, die met de regering der stad in verband staan. Hier berust eene belangrijke verzameling ingekomen missiven bij Burgemeesteren, van 1557 af, ambtenboeken van 1601 tot 1828, sententieboeken van van 1446 tot 1742, - helaas zeer defect! - keur-en ordonnantieboeken van omstreeks 1350 tot 1849, placaat- en publicatieboeken sints 1772, resolutieboeken van de Heeren van de weth, vredemakers of commissarissen van kleine zaken, die het tijdvak van 1676 tot 1796 omvatten, en bescheiden betreffende notarissen.

Hier zijn ook enkele, welligt éénige, nummers van eene Rotterdamse courant, uitgeg. bij L. Baltz, loopende van Woensdag 17 Julij 1720 (No. 86) tot Maandag 12 Aug. van dat jaar (No. 97). Het exemplaar der Rotterdamsche Courant, wier uitgave in 1738 begon, is hier volledig te vinden.

In de derde kamer vinden wij het archief der schepenen, bescheiden betreffende het civile en crimineele regt: de eersten beginnen met 1538, de laatslen met 1499. Ook worden hier de archieven bewaard van de Hooge Vierschaar van Schieland en van de schepenbank der ambachten van Oost-

[p. 154]

en West-Blommersdijk en van de landen van Cool. Bescheiden omtrent openbare veiligheid en brandweer en omtrent het burgerschap van Rotterdam, alsmede omtrent verschillende verkiezingen, vullen de kasten in dit lokaal.

De vierde kamer bezit een' overrijken schat van gegevens omtrent Rotterdamsche familiën, van omstreeks 1450 af, sints korten tijd vermeerderd met de 836 banden in folio, waarin wijlen de Heer L.J.A. Scheltus van Kamferbeke eene ongeloofelijke menigte aanteekeningen omtrent Nederlandsche geslachten had opgenomen, met 41,566 geteekende wapens versierd (No. 272 van den catalogus zijner verzameling, alhier verkocht). Voorts eene kostbare verzameling bescheiden omtrent eigendommen der gemeente en van particulieren, en stukken betreffende de voormalige heerlijkheden, aan Rotterdam behoorende, o.a. den belangrijken foliant op perkament, het register der leenen van den huize van Honingen. Ook wordt hier eene reeks van stukken gevonden, die op het Hoogheemraadschap van Schieland betrekking hebben, en tal van bescheiden betreffende plaatselijke werken van Rotterdam bewaard.

De vijfde kamer is vooral aan finantiezaken gewijd. Men vindt er rekeningen en stukken omtrent verschillende belastingen, voor de geschiedenis der geldmiddelen van hoog belang, omtrent geldnegotiatiën en borgtogten, het archief der wisselbank van 1648 tot 1811, bescheiden betreffende de verschillende gilden, - een en veertig in getal, - betreffende binnen- en buitenlandschen handel en scheepvaart, de Admiraliteit van de Maas, vervoermiddelen te land en te water, visscherij, schutterij, van 1418 af, militie, onderwijs, kunsten en wetenschappen en eeredienst. Ook berust hier het archief van de kamer van koophandel tot 1842.

De zesde kamer eindelijk bewaart de stukken omtrent instellingen van weldadigheid, archieven van godshuizen, bescheiden betreffende de geneeskundige dienst. In dit vertrek is tevens de binderij.

[p. 155]

Reeds een vlugtig overzigt der verschillende rubrieken, een blik op de rugtitels der boeken en portefeuilles, doet hooge verwachtingen opvatten omtrent het belangrijke van dit archief. Hoeveel ligt daar nog verborgen, wat den ontginner van zulke mijnen een' rijken oogst belooft! Wie er studeren wil, die vindt er de voorhanden bronnen bovendien zoo toegankelijk mogelijk gemaakt en ontmoet in de HH. archivarii mannen van uitgebreide kennis en onbegrensde hulpvaardigheid.

Wij behoeven ons bij onze studie nog geenszins te bepalen tot hetgeen wij in de glazen kasten zien staan, noch tot hetgeen ons de benedenverdieping te aanschouwen geeft. Gij kunt het verledene van Rotterdam ook nog op andere wijze leeren kennen. Enkele afbeeldingen van bekende en beroemde Rotterdammers zijn langs de muren opgehangen. Eenige oude gevelsteenen en andere sieraden en zinnebeelden, van gesloopte gebouwen afkomstig, eenige groote metselsteenen van de sloten Honingen en Spangen herwaarts overgebragt, werken mede, om ons van het oude Rotterdam ook nog iets anders te laten zien, dan wat boeken en schrifturen kunnen geven. Maar wat daarvan beneden wordt gevonden, is maar een zeer gering onderdeel van den rijken schat, op de bovenverdieping bewaard. Hebt gij in de groote benedenzaal in 't voorbijgaan het colossale en keurig bewerkte model in kurk van dit groote kasteel, met zijn wallen en torens, met aandacht beschouwd, dan hebt gij het terstond herkend, als niet te Rotterdam te huis behoorend. Gelukkig trouwens! Het is het model van de Parijsche Bastille, dat indertijd het ruime voorhuis van het kasteel Biljoen versierde. Op de verkooping der Biljoensche collectie werd het door eenige heeren gekocht, ten geschenke gegeven en hier geplaatst, waar het voldoende ruimte vond en tot een niet onbelangrijk sieraad strekt. Een Bastille heeft Rotterdam nooit gehad! Het had zijn gevangenissen, het had zeker ook zijne ongeregtigheden, maar een geduchte en gehate staatgevangenis vond het volk bij zijn ontwaken hier niet te sloopen.

Wanneer wij den achtertrap opgaan, die uit de groote be-

[p. 156]

nedenzaal opwaarts leidt, dan komen wij in de zoogenaamde ‘rariteitenkamer’ en in de localen der stedelijke bibliotheek. De verzameling van merkwaardigheden, Rotterdam betreffende, en wat overigens op de rariteitenkamer is te vinden, staat met het archief in onmiddellijk verband. Aan boeken en handschriften ontbreekt het er in geenen deele. In een zeer fraaije kast uit de 17de eeuw berusten alle kronieken van Rotterdam. Ginds staat een welligt volledige bibliotheek over Rotterdam, een verzameling, uit ± 5000 nummers bestaande en alles bevattende, wat in druk over de stad is uitgekomen, in aansluiting met de verdeeling en rangschikking van het archief. Daar ginds prijkt eene collectie Erasmiana, bestaande uit 250 verschillende werken in de onderscheidene drukken. Van Hogendorp en Tollens zijn hier eveneens door de volledige uitgaven hunner werken vertegenwoordigd.

In antiquiteiten is Rotterdam niet rijk. Als museum van oudheden zou de verzameling weinig te beteekenen hebben. Toch ontbreekt het niet aan voorwerpen, die voor de geschiedenis der stad van belang zijn.

Hoogst merkwaardig zijn die overoude schedels, bij het graven van den funderingsput voor den watertoren in de oude Plantage, ter diepte van tien meters onder den beganen grond, op den kleibodem gevonden. Naar men zegt, moeten daar de overblijfselen van een groot aantal menschen zijn ontdekt, maar de vondst kwam te laat ter kennis van belangstellenden en deskundigen, om op de plaats zelve de noodige onderzoekingen te kunnen in het werk stellen. Ook omtrent een vaartuig, daar aangetroffen, maar bij het opgraven te niet gegaan, kon niets worden vernomen, wat eenigszins had kunnen dienen ter bepaling van de oudheid er van. De schedels, die naar het gemeente-archief werden overgebragt, verraden een' zeer hoogen ouderdom, en de zeer lage voorhoofden getuigen van geringe ontwikkeling bij hen, aan wie zij eenmaal behoorden. Eén schedel maakt een uitzondering door zijn' veel edeler vorm, maar deze verschilt in kleur aanmerkelijk van de anderen en schijnt veel

[p. 157]

jonger. Onder de oudste schedels is er een, met een groot gat in het midden, dat er blijkbaar niet in later tijd in gestoot en is en op een' geweldigen dood wijst. Nevens de beenderen vond men een vijftal raadselachtige schijven van been, afkomstig van een of ander reusachtig dier. Zij zijn van verschillende grootte. Vier er van zijn goed bewaard, rond van vorm met vlakke zijden: de grootste is het meest geschonden en peervormig geworden. Deze is 26 centim. lang, 22 breed, 11½ dik, de overigen zijn respectievelijk, 21-22-11, 19-16-8½, 18-16-9, 14-13-5. De laatsten zijn van boven naar beneden, in de lengte, met twee doorloopende gaten doorboord: de eerste heeft de gaten 10 à 11 centim. beneden den bovenrand en dwars doorloopend. Zij hebben het voorkomen van niet kunstmatig doorboord te zijn. De best bewaarden vertoonen op de vlakke zijden een' min of meer glad geschuurden kring, alsof er iets op geslepen of gemalen was.

Waartoe hebben zij gediend? Waren het werptuigen, voortgeslingerd met een touw of pees, door de gaten gestoken? Men vond, in 1841, bij het uitdiepen van den Rijnmond te Katwijk, een groot aantal ballen van gebakken klei, met een sleuf voorzien, die volgens Dr. L.J.F. Janssen waarschijnlijk tot slingersteenen bestemd en van Germaanschen oorsprong waren.1 Onder, de voorwerpen, die hij ter vergelijking beschrijft, en onder de afbeeldingen, die hij mededeelt, komen evenwel geen voor, die op de onzen gelijken. Kunnen zij gediend hebben om koren te kneuzen en te malen, bij gebrek aan molensteenen? De gladgeschuurde kringen mogen het doen gissen. Maar het veiligst is het, vooralsnog ons van alle gissing te onthouden. Een paar van die hoogst belangrijke en welligt eenige voorwerpen zijn aan het onderzoek van deskundigen onderworpen, dat, naar wij hopen, wat meer licht over hun' oorsprong en bestemming zal doen opgaan. Jammer, dat de haastige wegruiming van de overblijfselen door het werkvolk de gelegenheid benam, om een antwoord te vinden

[p. 158]

op een aantal vragen: - hoe groot ongeveer het getal der lijken was? - of er alleen beenderen van volwassene mannen lagen, dan of er ook die van vrouwen en kinderen bij waren? - of er, behalve de schijven, nog andere voorwerpen werden gevonden voor huiselijk gebruik, sieraad of wapentuig? - wat er was van dat vaartuig? - en wat dies meer zij. Vooralsnog schijnt het, dat wij niet te denken hebben aan een begraafplaats, noch aan een vaste woonplaats van menschen, maar aan een verzameling van dooden, in een gevecht of bij een schipbreuk omgekomen.

Wat verhalen ons die spits toeloopende waterkruik - in bruikleen afgestaan door den heer J. van Kempe Valk, - en die kleinere urn, beiden van gebakken klei, goed bewerkt, maar zonder versiering? De eerste werd gevonden bij het graven van de Westerhaven, de tweede in de Koningshaven. Zij staan als Romeinsch vermeld, maar dagteekenen vermoedelijk uit de vroege Middeleeuwen. De lage, meest half overstroomde grond was voor bewoning in die eeuwen nog niet geschikt, en de stroom der rivier voerde wel allerlei voorwerpen met zich, voorbijvarende of verongelukte schepen lieten wel allerlei dingen achter. De groote werken aan den overkant, ten dienste der Handelsvereeniging, bragten, behalve een menigte stammen van oude, zware eikenboomen, ook velerlei vaatwerk aan het licht, dat geen bijzondere waarde had voor de kennis van den voormaligen toestand dezer streken.

Dat de Romeinen hier intusschen geen vreemdelingen zijn geweest, mag wel blijken uit den overouden heirweg, waarvan voor een paar eeuwen nog de overblijfselen bij den ouden dijk te Kralingen moeten te zien zijn geweest, en die welligt nog wel hier of daar is te vinden op de gronden der buitens aan dien dijk. Geregelde opgraving en naauwlettend onderzoek zou gewenscht zijn, indien het nog mogelijk ware. Voor een Romeinsch bouwwerk gold ook de oude duifsteenen toren, die tot omstreeks 1635 gestaan heeft te Crooswijk, waar thans het kerkhof is en waar een overoude sluis in de Rotte moet hebben gelegen. Maar in hoever dit ‘Duifhuis’ van Romeinsche afkomst

[p. 159]

was, is thans niet meer nategaan. De weg van Leiden naar Vlaardigen kan langs dezen toren geloopen hebben.

Die niet zeer groote ballen, klooten van gebakken klei, zijn bij het voormalige slot Honingen gevonden. Zij kunnen dagteekenen uit den tijd van den Jonker Fransen oorlog, toen men ‘tot Honingen’ een schip had laten zinken, om den toegang tot de stad van die zijde voor de belegeraars van Rotterdam te sluiten, en uit die zelfde dagen zijn waarschijnlijk die veel grootere steenen kogels, waarmede men in elk geval vrij wat meer kwaad kon doen, dan met die ballen van klei, en die tot het geschut op de wallen hebben behoord. Uit de 15de eeuw, en wel uit het begin er van, zijn deze merkwaardige boekjes van de schoenmakersen bakkersgilden, - uit de laatste helft dier eeuw zijn die witte en zwarte boontjes met dien fluweelen zak. Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië hadden den 8sten April 1479 aan Rotterdam een privilegie gegeven, waarin o.a. bepaald werd, dat de vroedschappen, bij loting met de witte en zwarte boonen, zeven uit hun midden zouden vinden, die terstond, zonder iemand te spreken en zonder eten of drinken, achttien personen moesten aanwijzen, waaruit de graaf burgemeesters en schepenen voor een jaar zoude aanstellen. Dit gebruik bleef, met eenige wijziging, tot de revolutie in stand. Vijf boonheeren benoemden een dubbel getal, waaruit, bij loting, burgemeesters en schepenen gevonden werden. Uit denzelfden tijd is ook de zilveren papegaai, het insigne van den koning der St. Joris-schutters. Maar het oudste der 200 schepenzegels, dat van Floris, bastaard van Bokel, schout van Rotterdam, is uit de 14e eeuw afkomstig. Aan de reeks der zegels sluit zich die der zegelstempels aan, beginnende met een' fraaijen zilveren stempel van 1560.

Van de gilden zijn niet veel overblijfselen voorhanden. Eenige drinkschalen en bekers, van zilver, glas of tin, de archiefkist van het kuipers-, de instrument- en simpliciakast van het chirurgijnsgild trekken er de aandacht, maar vooral de schoon bewerkte zilveren begrafenisschilden van het zakkedragersgild. Ook het zilveren hoofdmansschild van het speldemakersgilde en dat van

[p. 160]

den commissaris over het wagenveer tusschen Rotterdam en Gouda verdienen de opmerkzaamheid; het eene, omdat het herinnert aan een indertijd in Rotterdam bloeijend bedrijf, het andere, omdat het ons den ouden postwagen van 1788 te zien geeft. De kleine houten wenteltrap ginds is het proefstuk der timmerlieden.

In de met glas bedekte kast, die langs den zijmuur, onder de vensters der zaal, is aangebragt, berusten een groot aantal min of meer belangrijke zaken; tusschen de ramen en langs den muur vinden wij meer dan één voorwerp, dat onze aandacht verdient. Ik wijs u op deze beide met figuren beschilderde paneelen: twee deuren van het dyptichon, in vroeger jaren boven het altaar van St. Jeroen in de St. Laurenskerk geplaatst. Aan de eene zijde staan de mannen, aan de andere de vrouwen. Het is het gezin van den oud-burgemeester Carre, die een vicarij had gesticht, welke nog bestaat, en waarvan thans de heer C.H. van der Looij, Med. Dr. en lid van den gemeenteraad, collator is. De burgemeester is er op te zien en zijn vrouw, de zonen en dochters, de kinderen en de doodgeboren kindertjes, als kleine knielende figuurtjes in het wit er bij. Twee uitstekend ingerigte draaijende kasten bewaren eene belangrijke verzameling gedenkpenningen en medailles en geven de gelegenheid, daarvan de vóóren achterzijde te zien. Een merkwaardigheid van anderen aard, maar ook in zijn soort opmerkelijk, is het kunstig van papier geknipte model de oude Hoofdpoort. Daar staat de stoel van vader Tollens, en daarnevens prijken de kalkbak, de troffel en de hamer, die gediend hebben, toen Z.M. de Koning en de Prinsen van het koninklijk huis, op 28 Mei 1874, de eerste steenen voor de stadsbrug over de Koningshaven legden. Het sierlijk door Rochussen georneerd proces-verbaal hangt er boven, en de gouden pen in de adelaarsschacht, waarmede de vorstelijke personen het hebben onderteekend, ligt er voor. Boven deze herinneringen aan eene belangrijke gebeurtenis uit den laatsten tijd, hangt de groote wapenkaart der schepenen van Rotterdam, van 1661 tot 1811, toen de schepenbank werd opgeheven. Portretten van beroemde vlootvoogden der Admiraliteit

[p. 161]

van de Maze en proeven van fraai tegelbakkerswerk vertegenwoordigen daar ginds tegen den wand een' schoonen tijd uit de geschiedenis der stad. Herinneringen van minder aangenamen aard worden opgewekt door Langendijk's kapitale en - naar zijn gewoonte - hoogst uitvoerige teekeningen, voorstellende de aankomst der Franschen buiten de Oostpoort, den 21 Jan. 1795, en de werving voor de marine op de Groote markt, in 1798.

Van den uittogt der Rotterdamsche schutters in 1830 verhaalt dat koperen scheepje, dat als windvaan op den toren der oude Hoofdpoort heeft gestaan. Gij ziet, dat er een rond gat is in het zeil. Toen de schutters in vaartuigen op de rivier lagen, gereed om naar Brabant onder zeil te gaan, deed een talrijke schaar hen uitgeleide. Sommigen namen de vrijheid, een weinigje te spotten met de schutters, die niet schieten konden! Dat was één hunner te veel. Hij laadt zijn geweer, vuurt, en de kogel vliegt door de windvaan boven de poort. Schitterend was de schietkunst der Rotterdamsche schutterij gewroken.

Boven dit historisch vaantje hangt de uitstekend fraaije plattegrondkaart van Rotterdam, ruim vier meter groot, ontworpen door J. de Vou, gegraveerd door Romeijn de Hooghe, in 1694. Ook ziet gij hier de reliquien van den ‘Lekkerkerkschen boer,’ Gerrit Bastiaansz. den Hals, die in 1666 overleed, - een' reusachtigen schoen en de afbeelding van een hoofd en hand, bij dit schoeisel passend. Een paar modellen van bruggen, dat van den koepellantaren, die van 1621 tot 1642 op den grooten toren stond, en dat van het monument op de Nieuwe Markt van de hand des te vroeg gestorven beeldhouwers Graven, zijn hier en daar in de zaal geplaatst. En als wij dit alles hebben bezigtigd, als wij een' blik hebben geworpen op de volledige collectie schouwburgbilletten, sedert de opening van den eersten vasten schouwburg alhier, op 30 Dec. 1774, dan zagen wij enkele bladzijden opengeslagen uit de geschiedenis van Rotterdam in zeer verschillende tijdperken. Maar dan zagen wij van het allerbelangrijkste nog niets. - Gij hebt natuurlijk gelet op die ei-

[p. 162]

genaardige kast, die gij wel geneigd zoudt zijn, eene dubbele bedstede te noemen. 't Was dan ook eene bedstede, en welligt herinnert gij u, dat die afkomstig is van een oud schilderachtig gebouwtje te Poortugaal, naar men zegt eene woonstede der Egmonts.1 Het kostbaar meubelstuk, van smaakvol bewerkt eikenhout, met ebbenhout ingelegd en met ivoren knoppen versierd, werd, bij de slooping van het huis, voor de helft door den eigenaar, den heer J. de Koning, geschonken, voor do helft door den archivaris Scheffer voor de stad gekocht. Heeft het vroeger welligt aan hooge Heeren ter rustplaats gestrekt, thans heeft het eene andere, niet minder nobele bestemming. Van stevige planken en groene gordijnen voorzien, bewaart het een' schat van onwaardeerbare waarde voor de geschiedenis van Rotterdam en voor die van Schieland, met zijn steden en dorpen. Daar berusten, in veertig groote portefeuilles, honderden van platen, teekeningen, kaarten, platte gronden, afbeeldingen van gebouwen, stadsgezigten uit verschillende tijden, tal van historieprenten, portretten van Rotterdammers en van personen, die op Rotterdam betrekking hebben; - Rotterdams geschiedenis in beeld, eene onvergelijkelijke aanvulling van Rotterdams geschiedenis in letterschrift, die het archief ons te lezen geeft.

Zal ik u uitnoodigen, het met mij te bezien?

Eén man is er geweest, die den ganschen historischen atlas van Rotterdam heeft doorgezien, - de onvermoeide navorscher I.T. Bodel Nijenhuis, en die heeft er veertien dagen van 10 tot 5 uur aan besteed. 't Zou ons dus wel wat lang ophouden. Eenig overzigt over den rijken schat kunnen wij nemen, door kennis te maken met den gedrukten catalogus, die onder den titel van Roterodamum illustratum wordt uitgegeven. Drie stukken er van zijn gereed, het vierde is in bewerking, een vijfde moet nog volgen. De aanteekeningen bij hetgeen reeds in het licht verscheen, kunnen reeds uitstekend dienen voor eene schets der geschiedenis van de stad. Wie van Rotter-

[p. 163]

dam zijn studie wil maken, vindt in den historischen atlas een menigte van allerbelangrijkste gegevens.

Wij kunnen niet meer doen, dan op enkele nummers de aandacht vestigen. En dan komt reeds terstond No. 1 in aanmerking, - de buitengewoon fraaije en hoogst zeldzame ‘chaerte van 't geheele Dyck graefschap en de Hooghe-Heem-raetschap van Rhijn-Landt, van Delf-Landt en van Schie-Landt’, in vijf en veertig bladen, gegraveerd door Floris Balthasar en Balthasar Florissen van Berckenrode, gekleurd en met eene menigte wapens versierd. Waardiglijk opent deze, met de beide volgende, evenzeer belangrijke, nummers, de verzameling van voor een deel hoogst opmerkelijke grondkaarten, en tevens de reeks van afbeeldingen van kasteelen, dorpen en steden van Schieland en van portretten van beroemde personen uit die landstreek.

Zeldzaam zijn die wapenkaarten der Hoogbailjuwen en Dijkgraven, in twee bladen groot fol., die der Hoog-Heemraden, in vier bladen, en die der Secretarissen en Rentmeesters van Schieland in één blad (No. 25-27). Zooals dezen zijn afgewerkt, zijn zij eenig: zij werden nooit gegraveerd uitgegeven. Dit exemplaar is voor een deel geteekend en gekleurd door J. Notemans, in de laatste helft der vorige eeuw, en voltooid door F.D.O. Obreen, naar het origineel in olieverw op doek, berustende op de vergaderkamer van het gemeenelandshuis van Schieland.

Tot de afbeeldingen genaderd, die bepaald op Rotterdam betrekking hebben, merken wij vooral No. 13 op, de zeer belangrijke en zeldzame plattegrondkaart der stad door Henryck Haestens, met aanwijzing van ‘de principaelste plaetsen dezer Stadt’ in 1599 vervaardigd. Zij is overgenomen door van Reijn in zijne geschiedkundige beschrijving der stad Rotterdam. No. 16 is eene welligt eenige plattegrondkaart van 1623, met de namen der straten en gebouwen, waarbij eene eveneens zeer zeldzame Beschrijvinghe der stad. No. 20 is eene fraaije plattegrondkaart van Balthasar Floris in 1626, en

[p. 164]

No. 39 de eerste, zeer zeldzaam compleet voorkomende druk van Rotterdam met al sijn gebouwen, net op haer maet geteekent en gesneden; een uitstekend, geheel onafgesneden exemplaar van de prachtige kaart van J. de Vou en Romeijn de Hooghe; een voortreffelijke kopergravure in zes bladen, van 1694. De tweede druk derzelfde kaart, met een menigte wapens, is onder No. 40 beschreven, terwijl zij onder No. 41 nog eens voorkomt, met de wapens der vroedschappen van 1690 tot 1787 bijgewerkt. Dit exemplaar is opgeplakt en hangt aan den wand der kamer. 't Werd in 1867 door het gemeentebestuur naar de wereldtentoonstelling te Parijs gezonden.

Allermerkwaardigst is de serie, voorkomende onder de N s. 84 tot 87. De postmeester Jacob Quacq gaf, in een reeks voortreffelijke kopergravures, den loop der Maas te zien, van Rotterdam tot in zee, ‘met alle steden en plaetsen, Sanden, Drooghten en Coersen, sooals die Tegenwoordigh bevaren wert. Met eene oprechte afbeeldinge van alle de Actien die bij het Post Jacht De loots boots en andere Schepen in het vyt en in seilen oock van het posthuys en postillions werden gedaen.’ Is de uitvoering van het water vooral uitmuntend schoon, - geestig en belangrijk is de voorstelling, hoe het postjacht de brieven afhaalt van de binnenkomende schepen, - hoe de brievenzak naar land wordt geroeid, tot waar de postillon, zoover mogelijk in het water gereden, dien overneemt, - hoe hij spoorslags, met een vlaggetje in de hand, langs de dijken rent, - hoe hij de rivier oversteekt en eindelijk met zijn hijgend ros op de Beurs aankomt, waar de kooplieden zich om hem verdringen, of hoe hij, onder storm en regen, naar de plaats eener schipbreuk galloppeert, om de nieuwste berigten te ontvangen en overtebrengen. Een en ander is nader beschreven in eene gedrukte ‘verkaringe’ en opgeluisterd door een zestienregelig versje van Joachim Oudaen.

De bekwame postmeester ontving in 1665 van de Staten octrooi voor vijftien jaren voor de uitgave van dit grootsche werk en een subsidie van 250 gulden. Ongelukkig verloor hij, tot postmeester op Engeland aangesteld, op een zijner reizen het leven, in een' zwaren storm in Januarij 1668.

[p. 165]

De eerste zeldzame druk van 1665 is geheel compleet, sints de Heer J.A. Offers in 1876 de tot nog toe ontbrekende bladen, waarop den Briel en Vlaardingen voorkomen, ten geschenke gaf. Van den tweeden druk, die in 1740 uitkwam, is maar een gedeelte hier voorhanden.

In hetzelfde jaar 1665 leverde dezelfde merkwaardige man een prachtige kopergravure Rotterodamum Hollandiae urbs celeberrima et situ portibusque mercaturae opportunissima (No. 117) met eene Beschryvinghe in het Hollandsch en in het Fransch.

Behalve de kapitale en fraai bewerkte gezigten op Rotterdam, die de eer der vaderlandsche graveerkuust waardig ophouden, waarvan een niet onbelangrijk aantal in de verzameling wordt gevonden, ontmoeten wij ook tal van teekeningen, die groote kunstwaarde hebben. Zie eens No. 114, deze kleine teekening in O.I. inkt, een riviergezigt met een donkere lucht, waardoor een helschitterende lichtstraal breekt. 't Is een juweeltje van Ruysdael's hand. Maar ook de Rotterdammers N. Muijs en G. Groenewegen doen zich als wakkere kunstenaars kennen. De laatste vooral levert tal van tafereelen, deels in vlugge schetsen, deels in uitgewerkte en zeer naauwkeurige teekeningen met schepen en figuren, vol geest en leven. Houdt gij van afwisseling, dan vermaakt u zonder twijfel het vervaarlijk werk van A. Groenendijk (No. 188), die de stad van de Schie af te zien geeft, in den jare 1811. Boven eenige onbestaanbare velden, met onmogelijke dieren bevolkt, steken ettelijke torens en molens uit. Van allen waait een ontzettend groote Fransche vlag, ter eere van het bezoek, dat de keizer in dit jaar hier bragt, toen hij in ditzelfde gebouw zijn' intrek nam, en hem de vergulde sleutels werden aangeboden, die gij in gindsche kast op het groen fluweelen kussen kunt zien liggen.

De gezigten binnen de stad, van allerlei punten genomen, geven ons gelegenheid, het oude en het nieuwe Rotterdam te doorwandelen, en doen de stad voor ons herleven, gelijk zij zich in verschillende tijden vertoonde. Haar poorten en oude walto-

[p. 166]

rens, haar kerken en godshuizen, haar openbare en bijzondere gebouwen, verrijzen in gedurige afwisseling voor onzen geest en zij geven ons menig proeve te zien van dien rijken, van dien in zijn details zoo oneindig verscheidenen bouwstijl, die aan onze vaderlandsche steden in de 15e, 16e en 17e eeuw zulk een levendig en schilderachtig voorkomen gaf. De afbeeldingen zijn als kunstgewrochten van zeer verschillende waarde. De vrij talrijke teekeningen van Jacob Kortebrand zijn uitvoerig en getrouw, maar stijf en slecht gestoffeerd; maar in de verzameling berusten kunstwerken van Ruysdael (No. 207, 489, 533), van Dirk Langendijk, belangrijk ook als bewijzen, hoe naauwgezet die vruchtbare en geestige teekenaar arbeidde, - (254, 554, 555) van Hermanus Sachtleven (206), en van tal van vroegere en latere Rotterdamsche kunstenaars, die op zich zelven reeds een klein museum zouden uitmaken, voor kunstgeschiedenis van belang. Een onbekende, maar zeer bekwame hand leverde een menigte teekeningen van kloosters en stadsgezigten, die blijkbaar getrouwe copiën van oude, thans hier of daar verborgen afbeeldingen zijn. Bij vele gravures kon de oorspronkelijke teekening worden gevoegd, en merkwaardig zijn ook eenige photographische gezigten, van den toren genomen, door Dr. P. Wotki vervaardigd en door den heer Josua J. Crooswijk aan de verzameling geschonken.

Zoo vinden wij hier, in de rustige zaal, een' gids door Rotterdam, die ons maar zeer zelden zonder antwoord laat. En wenschen wij de latere uitbreiding der stad in bijzonderheden te leeren kennen, dan levert gindsche kast ons alle bestekken en plannen, die wij kunnen verlangen.

Op andere wijze wederom wordt ons de geschiedenis van Rotterdam verhaald, wanneer wij de portefeuilles met historieprenten en portretten doorbladeren. Daar zijn, gelijk zich laat verwachten, stukken van zeer verschillenden aard, maar ook van zeer uiteenloopende waarde. Daar zijn satires vol geest, maar ook platte en grove hatelijkheden, - hoogst onschuldige afbeeldingen en tamelijk gewaagde voorstellingen, - platen, die verheerlijken en prenten, die verguizen, - cents houtsneden,

[p. 167]

vaak kostbaar toch door hun zeldzaamheid, en fraaije gravures, merkwaardig om de kunst aan 't soms onbeduidend onderwerp ten koste gelegd, - teekeningen, die de meesterhand verraden en broddelwerk van brekebeenen. Maar in talrijke beelden gaat de geschiedenis der laatste eeuwen ons oog voorbij. De gestalten en gelaatstrekken der personen, die een meer of minder belangrijke rol hebben gespeeld, bezielen de verhalen, opgemaakt uit de schrifturen, die zij nalieten of die van hen getuigen. Hier vinden wij vooreerst een allermerkwaardigste en welligt volledige verzameling van portretten van den man, op wien Rotterdam zoo fier is, van Desiderius Erasmus. Daar zien wij de achtbare burgemeesters, de wijze en voorzienige schepenen, de strenge baljuwen, de gevierde of verwenschte volksleiders, de veelbesproken vrouwen, als oproerstooksters veroordeeld of als martelaressen vereerd, de kloeke vlootvoogden, de roemruchtige geleerden, de invloedrijke predikanten, de wijdvermaarde staatslieden, die stad en land dienden of beroerden. Daar zijn dichters en schilders, bouw- en werktuigkundigen. Daar zijn Prinsen Staatsgezinden, Keezen- en Oranjeklanten, Gomaristen en Arminianen, Geuzen en Papisten, geprezen of bespot, met brommende lofdichten of krenkende bijschriften. Daar worden de dooden weêr levend; daar wordt de maatschappij, die voor lang voorbijging, weêr opgeroepen uit haar graf. Daar zien wij de golven van den hartstogt bruisen. Daar zijn wij getuigen van strijd en van zegefeesten, van brand en overstrooming, van oproer en strafoefening, van volksvermaken en zamenkomsten in raadzaal en kroeg. Daar zien wij den arbeid van de voorgeslachten, hun uitvindingen, hun teleurstellingen, hun zeetogten, hun gevaren. Hier zien wij Olivier van Noort, den 2en Julij 1598, de stad verlaten met zijn viertal schepen, waarvan slechts één terugkeerde, en de zeeslagen van Tromp, en modellen van schepen en het afloopen der oorlogsbodems aan de Admiraliteitswerf. Ginds aanschouwen we den marteldood van eenige wederdoopers, - den moord door de Spanjaarden in 1572 - ‘het Arminiaansch testament’ - het oproer, toen de volkswoede uit-

[p. 168]

brak tegen den baljuw van Zuylen van Nyeveld, naar aanleiding van het doodvonnis, over Costerman voltrokken; en de medaille daar ginds, de beide borden van Delfsch aardewerk in de glazen vitrine, herinneren dezelfde droevige gebeurtenis. Hier zien wij het plunderen van het huis der wijnkoopers Hagedoorn in 1751, een zeer fraaije teekening van S. Fokke, en het tumult op 25 en 26 Julij 1756, waarvan een aardige afbeelding op satijn werd gedrukt. Hier zien wij de onlusten in de droevige jaren, waarmede de droevige eeuw werd besloten, in een menigte van spotprenten en ernstige voorstellingen afgebeeld, en daaronder enkele meesterlijke stukken van F. de Roode, vooral den aanval van het volk op de 9e compagnie der gewapende burgermagt, wier vaandel gij nog daar ginds ziet staan. Het andere vaandel daarnevens, door Rotterdamsche jonkvrouwen geschonken, vergezelde de schutterij in 1830. Gij kunt hen zien heengaan uit de stad en hun vaandel en hun uniformen zien afgebeeld. Deze uitvoerige teekening geeft de uitrusting en montering der verschillende vrijcorpsen in den lande te aanschouwen. Hoe het alliantiefeest met Frankrijk in Rotterdam werd gevierd, geeft eene reeks van voortreffelijke teekoningen te zien, en overigens vindt gij er, hoe de stad bij verschillende gelegenheden geïllumineerd was en hoe prachtig het vuurwerk was, in 1713 op de Maas ontstoken. Aan de dagen van Napoleon herinneren de platen, die de eerewacht te voet en te paard voorstellen, wier taak het was, den keizer te begeleiden - de namen der deelhebbers staan er bij; gij vindt er een copie van het wapen, dat Napoleon aan de ‘bonne ville’ gaf, waarvan het origineel, met groot zegel, op 't stadhuis berust. Als droevigen tegenhanger tegen de feestelijkheden ziet gij het doodschieten van den Moordrechtschen kastelein Eel, en als slottafereel een leelijke spotprent op Napoleon's val. Ook de uniformen der Fransche soldaten en der Kozakken, en de spotprent met het onderschrift:

 
Zoek maar uit, zoek maar uit
 
Zes Douáne voor een duit.
[p. 169]

verplaatst ons in de dagen, toen de nabuur, met zooveel opgewondenheid als bevrijder ontvangen, met aller vloek beladen werd uitgeleid. Maar als de winter de Maas bevloerde, dan verdrong zich Patriot en Oranjeman op het ijs, en zóó bang kon 't niet zijn, of de kermis op de Maas trok allen tot zich. Tal van prenten zijn aan dit eigenaardig volksvermaak gewijd. In 1772 werd op de rivier het schoone wijnvat gekuipt, dat gij hier vindt afgebeeld, en dat de heer J.H. Cornelder nog in zijn pakhuis in de Bierstraat bewaart. Hoe Rotterdam zich vermaakte, behalve op het ijs? De beroemde kermis is niet door de teekenaars vergeten. Gij kunt het eerste ‘Fauxhall in den tuin van den Doele’, in 1778, bijwonen, of, in 1804 ‘den grooten troup paardrijders en springers’ en ‘den troup jonge draaddansers’ zien, en nog vrij wat meer, door J.A. Langendijk geteekend, en in een leelijke prent de keus tusschen kermis en dood bij het uitbreken der cholera aanschouwelijk voorgesteld. Ook den eersten wedstrijd der yachtclub vindt gij vertegenwoordigd en het groote muziekfeest, en ‘jufvrouw van der Stel’ in den schouwburg dansend, en den bison, door Brasser verdienstelijk gegraveerd, die in 1766 te zien was in den tuin van Simon van Roon, op den hoek van den Singel en de Boomgaardslaan, voor wiens bezigtiging heeren en dames ‘na hunne generositeit’ betaalden, en ‘particuliere personen’ 3, later 2 stuivers, welk een en ander in 1836 door van Aken trouw werd nagevolgd. Martin's kunsten met zijn wilde dieren zijn er te bewonderen, en ‘Malle Jan’, de beroemde harddraver van 1768 en de ‘Stolksche boer’, die in 1707 gedurende 29 weken zou geslapen hebben. Hier zijn talrijke spotprenten op het ‘Malle Schip’, een uitvinding van Duson in 1653, dat, nagenoeg onder water, krachtig door raderen voortbewogen, de vijandelijke vloot moest vernielen, gelijk het cigaarschip van 1858; maar hier zijn ook uitvoerige teekeningen van de eerste vuur- of stoommachines in 1778 en 1793 opgerigt. Hoe C.B. Wulff te Rotterdam, omstreeks 1806, het vraagstuk der luchtvaart trachtte op te lossen, ziet gij in deze ‘luchtmachine, bestuurd wordende door mechanische werktuigen’,

[p. 170]

en hoe de mislukte luchtreis van F.L. de Ruyter in 1846 werd bespot, kunt gij evenzeer aanschouwen. Hier is het ‘kunstrijtuig’, in 1793 op de beurs vertoond, de voorlooper der ‘wielers’. Deze zeldzame plaat geeft te zien, hoe op het eind der 17e eeuw de nachtschuiten op den Haag, Delft en Schiedam wegzeilden; daar is de ‘stads fourgon’ met vier paarden, waarmeê de representanten naar den Haag reden; ginds ziet gij, hoe een paar Rotterdammers, in 1813, in een koets langs de Bodensee reizen; elders een afbeelding van de eerste paketboot, the Defiance, 10 Mei 1816 te Rotterdam aangekomen, en van de opening van den Hollandschen spoorweg, op 31 Mei 1847. - Ook hoe zij weldadigheid bewezen, is niet vergeten. Wij zien den treurigen optogt der in 1731 uit hun vaderland verdreven Evangelische Saltzburgers, en de opbrengst der collecte, ten hunnen behoeve; wij zien een afbeelding van prijzen voor een verloting ten voordeele van het gasthuis in 1604, ook voor de geschiedenis der kunstvlijt merkwaardig, en eenige andere platen van tentoonstellingen voor liefdadige doeleinden. En zoo ontrolt zich voor ons een rijk en levendig tafreel. Hebben wij zooeven de stad doorwandeld, haar gebouwen beschouwd, de gezigten op haar' omtrek bewonderd, thans zien wij haar bewoners: het volle menschenleven in zijn duizendvoudige vormen, met zijn liefde en zijn' haat, zijn zoeken en werken, zijn vermaken en uitspattingen, zijn wijsheid en dwaasheid, zijn grootheid en kleinheid, zijn' ernst en zijn' luim, zijn genot en zijn ellende. En al die personen, wier herinnering de archieven bewaren, zij worden voor ons menschen - menschen van vleesch en bloed.

 

Aan de rariteitenkamer grenst de bibliotheek. Wij slaan er alleen een' blik in, ons voorbehoudend, haar nader te bezoeken. Wel is zij betrekkelijk rijk, veel te rijk om, in zóó beperkte ruimte, behoorlijk geplaatst en gebruikt te kunnen worden, maar zij is er op ingerigt, om zooveel mogelijk algemeene kennis te bevorderen, en zij verdient onze aandacht, als wij onderzoeken, welke hulp-

[p. 171]

bronnen voor kennis en ontwikkeling in Rotterdam vloeijen; maar zij behoeft ons niet opzettelijk bezig te houden, als wij het oude Rotterdam willen zien herleven.

Wat evenwel aan het slot van ons overzigt niet onvermeld mag blijven, het is, dat sints 1871 door de archivarii Scheffer en Obreen onder den titel Rotterdamsche historiebladen een tijdschrift wordt uitgegeven, waarin allengs de belangrijkste stukken uit het archief worden opgenomen en waarin, nevens menig gewigtige oorkonde en kleine bijzonderheid, reeds tal van opstellen voorkomen, waarin een en ander betreffende de geschiedenis van Rotterdam uit de bronnen is opgemaakt. Daar wordt de stof bijeen gebragt, waaruit later eene goede geschiedenis van Rotterdam kan worden zamengesteld.

 

Eene geschied- en oudheidkundige wandeling door Rotterdam, waarvoor van de rijke bouwstoffen, hier voorhanden, een goed gebruik is gemaakt, wordt door de zeer bevoegde hand van den archivaris Scheffer bewerkt. Ons doel en bestek vereischt en veroorlooft niet, dat wij in zoovele bijzonderheden treden, als een geschiedenis of eene beschrijving van Rotterdam zou vorderen. Tot het een noch tot het ander acht ik mij geroepen of in staat. Maar te midden der papieren en der voorwerpen van allerlei aard, die ons hier omringen en die ons van het verleden der stad verhalen, willen wij beproeven, ons omtrent haar ontstaan en haar opkomst eenige voorstelling te vormen. Hebben wij daarbij eene plattegrondkaart voor oogen of voor den geest, des te beter, want de geschiedenis van het ontstaan van Rotterdam en van zijne herhaalde vergrootingen is tamelijk ingewikkeld.

Wij gaan in gedachten een zestal eeuwen terug, tot de laatste helft der 13de eeuw. Vroeger behoeven wij niet opteklimmen, want vóór dien tijd ontbreken alle betrouwbare berigten, en de naam Rotterdam komt niet vroeger dan omstreeks 1296 voor.

[p. 172]

Eerst omstreeks 1280 was de dam gelegd, - de groote rivierdijk, waaronder de Rotte door sluizen in de Maas, of in de Merwede, gelijk zij toen genoemd werd, uitliep. Tot dien tijd hebben wij ons een geweldige watervlakte voortestellen, doorzaaid met platen, die bij hoogen vloed onderloopen, maar toch grootendeels met gras en ruigte zijn begroeid. Wel is er een dijk, maar die ligt dieper landwaarts in, dan de tegenwoordige groote zeedijk. Bij Nieuwerkerk aan den IJssel beginnende, loopt hij thans nog onder de namen van 's Gravenweg en Oude dijk tot aan de Rotte, en van daar als Bloemers- en Beugels (Boekels) dijk en Oude dijk van Matenesse, om bij Schiedam te eindigen.

In de wijde bogt, hierdoor gevormd, ontstond een betrekkelijk droog en vruchtbaar buitenland, dat allengs tot bebouwing en bewoning tamelijk geschikt werd. Wij vinden daar dan ook na de helft der 13de eeuw een belangrijk aantal ‘ambachten,’ deels van tamelijk grooten, maar ook deels van zeer kleinen omvang en aan onderscheidene ambachtsheeren in leen gegeven. Voor de geschiedenis van Rotterdam zijn de ambachten Cool, Bokelsdijk, West- en Oost Bloemersdijk, Rubroek en Cralingen van belang. Zij vormden een' boog, die van de rivier uitgaande en derwaarts terugkeerend, twee kleine ambachten omvatte, het Roode zand en Bokels ambacht. Het laatste grensde Oostelijk aan de Rotte. Aan de overzijde lag Rubroek, dat, grooter dan het tegenwoordige Rubroek, tot aan de Merwede liep. - Behalve Cralingen, dat zijne eigene Heeren had, destijds waarschijnlijk uit een familie, die omstreeks 1260 op eigen grond buitendijks het slot Honingen had gebouwd, behoorden deze ambachtsheerlijkheden aan twee geslachten; Rubroek aan de Voorschotens, de overigen aan de Bokels. Zij oefenden het lage regtsgebied en stelden daartoe schouten aan. De grond was voor een groot deel het eigendom der grafelijkheid. In Bokelsen Bloemersdijk had koning Willem door zijn' kapellaan en notaris Johan van Diest zijn gronden laten verkoopen en verschillende personen hadden er eigendommen gekocht. Iets dergelijks

[p. 173]

had 's konings zuster, Aleijd van Henegouwen, gedaan in Rubroek, dat haar destijds als ambachtsvrouw behoorde; maar de koop werd nietig verklaard, omdat zij geschied was zonder toestemming van den leenheer. De gelden werden echter eerlijk aan de teleurgestelde koopers teruggegeven. - Omtrent de Voorschotens, die op het einde der 13e eeuw Rubroek bezaten, is weinig bekend. Zij heeten beurtelings Ogier en Gillis en zijn bij den aanvang der 14e eeuw uit den omtrek van Rotterdam verdwenen. Werd in vroeger tijd de opkomst van Rotterdam vooral in verband gebragt met het slot Bulgerstein, dat op het Roode zand was gesticht, uit de oorkonden blijkt van dien invloed niets. De naam van het slot wordt voor het eerst in 1330 genoemd, maar het kan ouder zijn geweest, al is het stellig een fabeltje, dat het reeds in 1071 zou zijn verbouwd. Het was, met zes morgen lands, een leen, door eene vermoedelijk niet adellijke, maar rijke en met aanzienlijke geslachten verwante familie die Vischer van de grafelijkheid verheven. De ambachtsheerlijkheid van het Roode zand behoorde aan die familie niet, en toen in 1358 dit ambacht bij Rotterdam werd gevoegd, was daartoe wel de toestemming noodig van den toenmaligen ambachtsheer, die de erfgoederen der Bokels bezat, en werd aan dezen ook zijn deel in de boeten gewaarborgd, maar van regten der Heeren van Bulgerstein is geen sprake. - Van meer belang voor de geschiedenis van Rotterdam is het geslacht der Bokels en hun huis Wena, aan de Rotte gelegen. De namen van Dirk en Gijsbrecht Bokel vinden wij reeds in de eerste helft der 13e eeuw, maar het blijkt niet, waar zij gegoed waren. Een zekere Gijsbrecht Bokel, ridder, heeft waarschijnlijk een belangrijk aandeel gehad in het bedijken van Zuidelijk Schieland en van het nieuwe land ten Zuiden van Bloemers- en Bokelsdijk, en hij kan de stichter van het slot Wena zijn. Van 1285 tot op het eind dier eeuw komt hij herhaaldelijk in de oorkonden voor en schijnt opgevolgd door zijn' zoon, die mede Gijsbrecht heette, maar geen ridder was. In 1285 was deze met zijn' vader en eenige andere Heeren borg gebleven voor Gijsbrecht van Aemstel, en na den moord

[p. 174]

van graaf Floris moest hij voor diens misdaad boeten. Hij viel in ongenade en zijn goed werd verbeurd verklaard. Een gelijk lot schijnt Heer Ogier van Voorschoten te hebben getroffen, en Wolfert van Borselen, de alvermogende gunsteling en voogd van graaf Jan, liet zich, naar men kan gissen, Bokels ambacht en dat van Rubroek opdragen, waar reeds een buurt, Rotterdam, begon te verrijzen langs de oevers der Rotte bij haar' uitloop in de Maas. De buurt was gunstig gelegen en reeds niet zonder belang, en hij haastte zich, tolvrijheid en poortregt voor zijn nieuwe bezitting te verkrijgen, overeenkomstig het poortregt van Wijk (Beverwijk), dat hij eveneens onlangs uit de verbeurd verklaarde goederen der Zaendens had verkregen.

Maar niet lang had Borselen genot van zijn nieuwe bezitting; van de toegedachte gunst had Rotterdam geen voordeel, en de vereeniging der beide ambachten was kort van duur.

In Aug. 1299 werd de heer Wolfert te Delft vermoord. Weinig maanden daarna daalde ook Graaf Jan in het graf en naar het schijnt is Gijsbrecht Bokel in 't bezit van zijn leenen hersteld, terwijl de voorregtsbrief ten gunste van Rotterdam verviel. Het gedeelte, dat aan de Voorschotens had behoord, werd echter door den graaf aan zich gehouden.

Toen Gijsbert Bokel in 1301 te Veere was vermoord, volgde zijn zoon Dirk hem op. Deze droeg zijn huis Wena, dat een eigen goed blijkt te zijn geweest, aan heer Nicolaas van Putten op en ontving het van hem weder in leen, terwijl hij van Graaf Willem III in 1327 de belofte ontving, dat zijne eenige dochter na zijn' dood hem in zijne leenen zou mogen opvolgen, uitgezonderd Rotterdam. De wijze vorst had blijkbaar zijne eigene plannen met de zooveel belovende en reeds niet onbelangrijke buurt, waarvan de grootste helft reeds in zijn bezit was. Hij gaf op 25 Julij 1328 aan zijn ambacht een handvest, waarbij zijn schout van Rotterdam, in overleg met den baljuw van Schieland, in plaats van de gewaarde regters, die tot dusver met de ‘buren’ hadden regtgesproken, zeven gezworenen mogt kiezen, om met hem keuren vast te stellen omtrent stra-

[p. 175]

ten en stegen, op- en afrellen, maten en gewigten, vuur en licht, en op het maken en onderhouden van de haven. Ook stelde hij er in dat zelfde jaar zekeren Pieter Marren tot schoolmeester en secretaris aan. Er bestond waarschijnlijk reeds een gasthuis; althans in 1329 ontving het gasthuis te Rotterdam een legaat. Reeds in 1315 had de graaf er een eigen herberg, en in 1313 had hij te Rotterdam vertoefd, dat destijds dus van eenig aanzien moet zijn geweest. Zelfs ontbrak er in 1306 geen kerk, althans ‘heer Dirk, pape tot Rotterdam,’ wordt in dit jaar vermeld.

Toen Dirk Bokel omstreeks 1335 was overleden, verviel het Westelijk deel van Rotterdam aan de grafelijkheid, en de vereeniging der beide ambachten was voor goed tot stand gekomen. Maar Willem III heeft de opkomst van Rotterdam niet meer beleefd. Zijn opvolger Willem IV gaf den 7den Junij 1340 den grooten voorregtsbrief, waardoor Rotterdam tot den rang een er ‘poorte’ werd verheven. Dit belangrijk stuk, nog van een goed bewaard ridderzegel in groen was voorzien, berust op het stadhuis. En twee dagen later volgde de vergunning, om een vaart te delven naar de Schie, waardoor Rotterdam voortaan de scheepvaart tusschen de belangrijkste plaatsen van Holland en de Maas tot zich trekken zou. Van 1340 dagteekent de opkomst der stad.

Stellen wij ons haar' toenmaligen omvang voor, dan volgen wij, van de Hoogstraat, - destijds den Dam - de tegenwoordige Westewagenstraat en het Haagsche Veer. Dit was toenmaals een dijkje, als waterkeering van de ‘wetering’ - thans de Delftsche vaart, - een der uitmondingen van de Rotte. Hier was de Oostelijke grens van het ambacht Roode zand, dat nog niet bij Rotterdam behoorde. Van dit Noordelijkste punt, waar vermoedelijk omtrent 1344 de Delftsche poort werd gebouwd, liep de stadsvrijheid in Z.O. rigting, dwars door de Rotte, aanvankelijk regt, later met een bogt, door de latere Boschlaan en lange Warande, tot aan het einde der Hoogstraat, waar de eerste Oostpoort werd gesticht. De stad had aan deze zijde dus een grootere uitgestrektheid dan

[p. 176]

de latere binnenstad. Op den tegenwoordigen Goudschen weg, tegenover den ingang der Lange warande, stond de oude Goudsche poort. Van de uiterwaarden werd, naar het schijnt, de rijswaard ten O. van de oude haven der stad geschonken. Het West-Nieuwland verbleef nog aan den graaf.

Het slot Wena, dat op den regter oever der hier zeer breede Rotte zijn torens verhief, bleef van Rotterdam geheel en al afgescheiden. Als achterleen van Putten vererfde het op een' zijtak der Bokels, die het allengs schijnen te hebben verlaten. Het geraakte in verval, hoewel er in 1472 nog groote muurbrokken van over waren. Eerst in 1590 kwam de grond in het bezit der stad en werd tot lakenramen ingerigt.

 

In 1358 verkreeg Rotterdam een belangrijke aanwinst van grondgebied. Toen werd het ambacht Roode zand der nieuwe stede afgestaan, en zij begon aan die zijde zich met muren en vesten, met torens en poorten te versterken. Ook het huis Bulgerstein, met zijn cingels en grachten, werd binnen de wallen getrokken; maar het bleef eene afzonderlijke bezitting, wier eigendom de stad niet vóór 1620 aankocht. In 1488 lag het slot in puin, en in 1571 vond men bleekvelden en een' boomgaard, waar het huis met zijn tuinen had gestaan.

Hertog Aelbrecht van Beijeren vergrootte Rotterdam, omstreeks 1384, door het West-Nieuwland in erfpacht aftestaan, en Willem VI schonk in 1412 der stad alle aanwassen in de rivier, waarop in later jaren de buitenstad werd gesticht. Zoo kon zij zich ook aan den rivierkant versterken, en zij verzuimde niet, de maatregelen te nemen, die de onrustige tijden noodig maakten en reeds lang hadden doen wenschen. In den aanvang der 15de eeuw had zij den omtrek verkregen, dien zij tot omstreeks 1577 behouden heeft, toen nieuwe omstandigheden haar aanleiding gaven, haar wallen aan de rivierzijde telkens meer uittebreiden. Alleen op het eind der 15de eeuw moest zij voor een deel haar

[p. 177]

grondgebied zien inkrimpen. Toen jonker Frans van Brederode met zijn Hoekschen haar had overgegeven, werd de tegenwoordige Oostvest gegraven en een nieuwe muur met torens en poorten daarnevens aangelegd, die in 1505 gereed kwam.

 

Niet ver van de plaats, waar wij vertoeven, op den dijk tegenover het museum, stond in het begin der 16de eeuw de Schiedamsche poort, terwijl een pad, van den dijk afloopend, naar het kleine Coolsche poortje leidde, dat in de onmiddellijke nabijheid lag. Een wal verbond de Schiedamsche met de Delftsche poort, terwijl tusschen beiden een sterke toren, de Heer Jan Vetten toren, dien wal bestreek. Aan de overzijde der Delftsche vaart was een muurwerk met bogen, de Galerij, en daarnevens het Hofpoortje, dat den toegang tot liet slot Wena gegeven had.

De ingang der Rotte werd aan de eene zijde beschermd door den Schaarslijperstoren, aan den anderen kant door het bolwerk Pompenburg, dat ook den ingang der Botersloot verdedigde, gesteund door den Ketelboeterstoren, die daar tegenover oprees. Van hier liep een wal met bolwerken tot aan de Goudsche poort en verder tot aan den Kruittoren op den hoek van de Vest, bij de Oostpoort aan het eind der Hoogstraat. Langs de rivier werd de stad gedekt door een' muur, eveneens met torens en bolwerken, die liep ter plaatse, waar thans de N. zijde der Nieuwe haven is. Bij den ingang der Oude haven, voor de Hoofdsteeg, stond de met twee torens versterkte St. Laurens poort, leidende naar een hoofd, dat in het water was uitgebouwd. Aan den anderen kant der haven, voor de tegenwoordige Beurs, stond de Brandtoren, en aan den wal, langs de thans zoogenaamde N. Blaak, die met een zwaar rondeel tegenover de Schiedamsche poort eindigde, waren de geduchte Blaauwe toren, de Ketentoren en de sterke Keizerstoren gebouwd. Tusschen het laatste bolwerk en den

[p. 178]

dijk stroomde een uitloop van de Rotte, die den naam van de Leuve droeg. In den driehoek, binnen deze sterke wallen besloten, liepen een aantal straten, op verre na evenwel nog niet digt bebouwd en vrij wat meer smalle binnengrachten, dan wij er nu nog aantreffen. Het mogt een niet onbelangrijk aantal openbare gebouwen aanwijzen, waaronder een fraaije parochiekerk met schoonen, hoewel onvoltooiden toren, en een paar kleinere kapellen, de St. Andrieskapel, nabij Bulgerstein, en de Weverskapel, tegenwoordig het gebouw der Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen, een raadhuis, een gasthuis, een weeshuis, allen aan de Hoogstraat, twee doelens, een nog als de Doelen of ‘den Doel’ aan Rotte's burgerij wel bekend, en de andere in de Lombardstraat, waarvan het Schotsche kerkje nog overbleef. Ook waren er vrij wat kloosters. De Cellebroeders hadden hun convent aan de Slijkvaart - de Broedersteeg bewaart den naam - en het Erasmiaansch gymnasium beslaat een deel van den grond er van. Digt bij huisden de Bagijnen. Een straat herinnert haar stille woonplaats, die sints in de bank van leening werd herschapen. Aan de Westewagenstraat lag het Witte Zusteren huis; de R.C. kerk in de Leeuwenstraat staat ongeveer ter plaatse van zijn oude kapel. De Nieuwe markt werd grootendeels ingenomen door de gebouwen en tuinen van het St. Agnietenklooster, en de kapel der zusters is in de Prinsekerk nog over. Bijna onmiddellijk daaraan grensde het Ste Caeciliaklooster op den hoek van Botersloot en Kipstraat, en aan het andere einde der smalle gracht langs de voormalige Kipsloot, op den hoek der Goudsche Wagenstraat, vond men het klooster der Carmelitessen. Wederom niet ver van daar strekte het uitgebreide convent der Predikheeren zich uit. Langs de Breedstraat was het St. Annen Zusterenhuis gebouwd, in welks tuinen later het weeshuis gesticht werd. Op het W. Nieuwland eindelijk, waar thans de Nieuwstraat is, en aan weerskanten dier straat, lag het kleine, eenvoudige O.L.V. klooster.

[p. 179]

Ook aan bijzondere gebouwen van een deftig en indrukwekkend voorkomen moet het in de stad niet ontbroken hebben, al is 't ons niet gegeven, hen in afbeelding te aanschouwen. Alleen van het fraaije huis Engelenburg op de Hoogstraat is een teekening bewaard, die laat gissen, hoe het zich in het begin der 15de eeuw heeft vertoond. Welligt was het 's graven herberg; zeker behoorde het in 1357 aan Machteld, vrouwe van Valkenburg. De edelen uit het geslacht van Cralingen bezaten en bewoonden sints de helft der 14de eeuw een huis op het Roode zand, dat van Meijne van Doertoghe afkomstig was. Door den tuin, die aan de Vest uitkwam, drongen de Hoekschen in den nacht van 19 Nov. 1488 in de stad. De heeren van de Lecke, die sints 1400 Honingen bezaten, hadden er twee huizen, een in het Oost-vierendeel, Hoppestein genaamd, en een in den Vogelenzang; in een er van schijnt Jan van de Lecke in 1416 gewoond te hebben. Het laat zich vermoeden, dat deze huizen den rang hunner eigenaars niet onwaardig zullen zijn geweest, maar meer dan gissen kunnen wij niet. De stad had bij landgenoot en vreemde een' goeden naam, om haar netheid en levendigheid. Tuinen en boomen werden er in overvloed gevonden, frisch en vrolijk staken de puntgevels tusschen het groen omhoog, en vriendelijk overschaduwden de breede kroonen van iep en linde de rieten daken en de vooruitspringende, vaak met geestig snijwerk vergierde bovenverdiepingen der wijd en zijd verspreide woningen. De nieuwerwetsche dendrofobie had de steden nog niet tot kale en naakte woestenijen gemaakt. Zelfs een Napolitaan, die in 1514 Rotterdam bezocht, raakte in verrukking, en een Napolitaan mag toch geacht worden, wel te weten, wat een bij uitstek heldere hemel, een eeuwige lente, een onvergelijkelijke bloemengeur is. Al deze dingen vond hij in Rotterdam, en onze kalme, ernstige van Reijn vermoedt haast, dat een galant avontuurtje dien Italiaan onze goede stad in zulk een ongewoon liefelijk licht kon hebben doen beschouwen, als zijn verblijf er minder vlugtig was geweest. Maar wie zal zeggen, wat ‘teedere verbindtenissen’ zulk een zoon van het Zuiden zelfs bij ‘vlugtig verblijf’ niet aanknoopen kan!

[p. 180]

De jaren 1563 en 1572 waren voor Rotterdam noodlottig. In het eerste jaar, op den 10den Julij, brak een geweldige brand uit, die tweehonderd huizen vernielde en zevenhonderd andere min of meer beschadigde, die bovendien zesendertig schepen, met een menigte van koopwaren, gereedschappen en werkplaatsen deed verloren gaan. Zoo luidt althans de overlevering, die het getal huizen vermoedelijk wel niet zal hebben verkleind. Maar in elk geval, gevoelig was de slag, die de toch reeds door oorlog en duurte in de laatste jaren zwaar beproefde stad op dien bangen Julijdag trof. En naauwelijks begon zij zich eenigszins te herstellen, of de Spaansche troepen onder Bossu, die voor Brielle en Dordrecht het hoofd hadden gestooten, vervulden haar met plundering en moord. Het bekende versje, op een' steen uit de oude Oostpoort afkomstig, en thans nog in den muur van den nieuw gemaakten doorgang gemetseld, verhaalt er van:

 
Een Grave van Bossu met de
 
Spanyaerts bloetgierigh, int
 
Jaer Seventigh twee April den
 
9 dag. Land hier als vrient
 
Quam maer Scoffirich.
 
Vermoorden veel Borgers met
 
Jammerlijk geclach.

En het oude huisje aan de Markt, op den hoek van het Hang, bewaart in zijn uithangteeken: in duizend vreezen, de herinnering aan den angst, in die verschrikkelijke April-dagen doorgestaan.

Den 21 Julij verlieten de vreemde troepen gelukkig de stad, en sints dien tijd zag zij haar' bloei en welvaart jaar op jaar toenemen, en toen men 1620 schreef, had zij de buitengronden en aanwassen in de rivier met kloeke woningen langs breede straten en ruime havens bedekt.

Twee fraaije havens, de Nieuwe Haven en de Blaak, werden omstreeks 1577 gegraven. In de plaats der oude waltorens en muren, die de stad tot dusver aan de Maaszijde be-

[p. 181]

schermden, werden deftige woningen gebouwd en een nieuwe wal gemaakt, waar thans de Noordzijde van Haringvliet en Wijnhaven wordt gevonden. Al spoedig waren ook deze laatste versterkingen onnut geworden, omdat de stad zich telkens meer uitbreidde. Vóór nog de 16e eeuw ten einde liep, was de Zuidzijde van het Haringvliet ter bewoning geschikt gemaakt en aanvankelijk betimmerd, de Leuve uitgediept en de Westelijke grens der stad een aanmerkelijk eind verder geplaatst, tot waar de groote dijk bij Coolhoek een sterke kromming maakte. De erven langs den dijk aan weêrskanten werden ter bebouwing uitgegeven, en het driehoekig eiland ten Oosten van de Leuve - Wijnhaven, Scheepmakershaven en Leuvehaven Oostzijde, - begon met woningen te worden bezet. In 1615 werd de schoone Boompjeskade langs de rivier aangelegd en de stad verkreeg den omvang, dien zij tot voor eenige jaren heeft behouden. Van Reijn, die in 1832 zijne Beschrijving van Rotterdam uitgaf, schreef, dat de stad in 1615 nagenoeg dezelfde uitgebreidheid had als toen. Maar hij heeft het nog beleefd, dat dit niet meer waar was.

De tweede helft der 19e eeuw was een tijd van vernieuwde, krachtige uitbreiding.

Buiten de sierlijke, in 1661 gebouwde, Witte poort, aan het einde van de Westzijde der Leuvehaven, strekte zich langs de rivier een veel bezochte openbare wandelplaats uit, door zware iepen overschaduwd en met een reeks van buitenverblijven versierd: het eerste en tweede Nieuwe werk. Het eerste werd in de Westerstraat veranderd, terwijl in de rivier de breede, trotsche kade werd aangelegd, die bij 't bezoek van koning Willem III in 1851 den naam van Willemskade ontving. Buiten het tweede Nieuwe werk werd een ruime vlugthaven gegraven en het terrein aan de overzijde met huizen bebouwd. In verband met de waterverversching werd om de gansche stad een nieuwe singel gemaakt, en op de weilanden aan wederzij verrezen villa's en woonhuizen. De straten, door de landen en lanen getrokken en met de namen der vlootvoogden Kortenaer, van Bra-

[p. 182]

kel, Witte de With en Aert van Nes gedoopt, alsmede de straat, die de herinnering aan Joan van Oldenbarneveld bewaart, hielpen mede, om in de telkens toenemende behoefte aan woningen te voorzien. Aan de overzijde der Rotte werd een nieuwe wijk met plein en straten aangelegd, op de plaats, waar het slot Wena had gestaan, en daarnaar genoemd. Aan den Oostkant drong de stad ver buiten het grondgebied, dat zij in 1490 had verloren, en een net van straten bedekte de beschikbare ruimte. Een er van ontving den naam van Jonker Frans (van Brederode), een andere van den grooten Hugo de Groot; andere houden de gedachtenis van beroemde Rotterdammers, als van Alkemade, Dirk Smits, Meerman en van der Werff in eere. Al verder en verder bouwde zij haar huizenreeksen, zoover haar grondgebied strekt, en wat buiten haar grenzen ligt, onder Kralingen en Delfshaven, het zag zich weldra en in steeds toenemende mate bebouwd en bewoond, door wie in Rotterdam zelf niet konden of liever niet wilden wonen, maar overigens in en van Rotterdam leven. En wat de rechteroever der Maas niet meer geven kan, - ruimte tot verdere uitbreiding, - dat wacht zij op den linkeroever, waar de bouw eener nieuwe stad wordt voorbereid. De 82.000 inwoners, die er in 1847 werden geteld, zijn tot ruim 136.000 geklommen; de 8172 huizen, in dat jaar opgegeven, werd vermeer derd tot ─; wij zoeken het getal, tot onze spijt, in het verslag van den gemeenteraad over 1876 te vergeefs. Daar was in de laatste dertig jaren een krachtig, opgewekt leven in Rotterdam. En dat het ook een tijdperk van krachtige ontwikkeling mag worden genoemd, wij zullen het opmerken, als wij de stad doorwandelen en op menige instelling zullen mogen wijzen, in die dertig jaren tot stand gebragt.

 

Intusschen, reeds vóór die laatste belangrijke uitbreiding had Rotterdam zijn uitwendig voorkomen aanmerkelijk zien veranderen. Vooral het tijdvak tusschen 1823 en 1833 had vrij

[p. 183]

wat wijzigingen aangebragt. De meeste overblijfsels der voormalige versterkingen werden in die jaren gesloopt. De oude vestmuren bij de Delftsche poort, die nog het langst hadden gestaan, verdwenen in 1823, terwijl de Schaarslijpers- en Ketelboeterstorens in 1827 voor afbraak werden verkocht. Zij bragten niet meer dan 75 gulden op. In hetzelfde jaar vielen de nieuwe Schiedamsche poort en de Wester Oude Hoofdpoort, die bij het Bolwerk aan de Boompjes stond. De eerste dagteekende van 1646, de laatste van 1664. Op het Bolwerk bleven de sierlijke kanonnen nog staan, die in 1811 de eer hadden gehad door de Franschen te zijn weggevoerd, maar in 1813 waren teruggekeerd. In 1830 werden zij op het altaar des vaderlands geofferd, om tegen de blaauwkielen dienst te doen. De stedelijke regering bood hen den Koning aan. Zij zijn van dat uitstapje niet wedergekomen.

De Ooster Nieuwe Hoofdpoort, aan het andere einde der Boompjes, bij den mond der Leuvehaven, eveneens in 1664 gesticht, werd in 1832 afgebroken; in het volgende jaar ging het Hofpoortje denzelfden weg - het Hofpoortje, dat in 1778 vernieuwd was en zich sints dien tijd vertoonde als de ingang tot een kerkhof, met een noodelooze zuil tusschen de vier leeuwen van de tegenwoordige Koningsbrug er boven op. Zoo verloor Rotterdam in zes jaren tijds vier zijner poorten. In 1836 volgde de Oostpoort, in 1838 de Binnenwegsche, in 1841 de Goudsche poort. De laatste van haar torens, de Kruittoren aan den hoek der Oostvest, bleef tot 1849 bij de Marine in gebruik, gelijk hij de Admiraliteit van de Maze als bewaarplaats van kruit en lood had gediend. Bij de opheffing van de Marinewerf had ook zijn laatste uur geslagen. Drie poorten werden gespaard om haar bouwkundige waarde, maar twee er van konden toch op den duur hun plaats niet behouden. De fraaije Witte poort, aan het West-einde der Leuvehaven, moest in 1854 opgeofferd worden; de sierlijke Oude Hoofdpoort aan het Haringvliet, in 1856. Thans is alleen de schoone Delftsche poort nog over, die in zijne tegenwoordige

[p. 18