terug  begin  prepost
[p. t.o. 373]



illustratie
P.A.Schipperus del.lith.
OUD HUIS DE BRUGSTRAAT TE MAASTRICHT.
Lith Emrik & Binger


[p. 373]

Het oude huis in de Brugstraat te Maastricht.

Eene belangrijke verbetering voor het drukke verkeer in een deel van Limburg's schoone hoofdstad is sedert een paar jaar tot stand gekomen. Alles, wat uit Maastricht naar de voorstad Wijk, aan de overzijde der Maas, gaat en wat uit Wijk de stad binnenkomt, neemt zijn' weg door de straat, wier naam ook den weinig scherpzinnige ligtelijk doet vermoeden, dat zij op ‘de brug’ aanloopt. Die doortogt was nooit gering en aangezien te Wijk het spoorwegstation wordt gevonden, nam het verkeer in de laatste jaren aanmerkelijk toe. Menschen trekken menschen. Een drukke straat is druk, omdat zij druk is. En de Brugstraat, die, als de meeste oude straten, nooit door haar breedte had uitgemunt, werd allengs hinderlijk smal. 't Mogt dus inderdaad een verbetering worden genoemd, toen het besluit tot hare verbreeding in uitvoering kwam en de voorgevels aan de linkerzijde bij het inkomen van den kant der brug, een paar meters achteruit werden gedrongen. Daarmede werd veel gewonnen en niet veel ging er door verloren. Niet veel - maar toch iets; iets, wat velen niet zonder groot leedwezen zagen ver-

[p. 374]

dwijnen, al moesten zij toestemmen, dat het niet anders kon. Daar stond in de Brugstraat een hoogst belangrijk antiek gebouw, dat ieders opmerkzaamheid wel tot zich trekken moest. ‘Een oude cavaille’ mogt het zonder onbillijkheid worden genoemd, 't Zag er haveloos en vervallen uit. Aan de kleine ramen ontbraken tallooze ruiten; hier en daar waren gansche stukken er uit weggevallen; ginds waren de openingen met ruwe, verwelooze planken digtgespijkerd. Sommige pilasters aan den gevel waren scheefgezakt, niet weinig gebeeldhouwde koppen waren geschonden en onkenbaar geworden, 't Was een heerlijk huis, om er donkere, geheimzinnige kamers in te fantaseren, waarin een vrek, of een menschenhater, of een rampzalige met een duister verleden en een wroegend geweten, zijn eenzaam leven sleet, en zoo eenig huis ter wereld, dan had dit regt op een spook. Daalde uw oog naar het onderste gedeelte van den gevel, dan keerdet gij in zooverre tot de werkelijkheid terug, dat u door een paar meer moderne winkelkasten en een bord met een' Hollandschen naam en een Fransch opschrift inlichting werd gegeven omtrent den tegenwoordigen bewoner en de huidige bestemming van het huis. Een hoedenfabriekant verkocht er allerlei hoofddeksels, en sigaren bovendien. Die onderpui was met het overige niet meer in overeenstemming; trouwens, dit gedeelte van den gevel bevatte, voor zoover bekend is, ook vroeger, niet meer dan een eenvoudige deur en een paar onversierde vensteropeningen. Maar overigens - hoe fraai van stijl, hoe rijk aan afwisseling was dit opmerkelijk gewrocht onzer oude burgerlijke bouwkunst! Wel verdient het eene plaats in een werk als dit, waarin wij allengs verdwijnende overblijfsels uit de dagen van weleer althans door het teekenstift in herinnering willen helpen houden. En te meer is het oude huis in de Brugstraat te Maastricht het waard, omdat het overigens in geen enkele beschrijving van Maastricht vermeld noch afgebeeld is. Er schijnt evenwel van zijn geschiedenis niets bekend, en geen enkele overlevering is er, voorzoover wij ontdekken konden, aan verbonden. Wat aanzienlijk edelman of vermogend burger 't

[p. 375]

uit ruime beurs heeft gesticht, welke geslachten er huisden, eer 't een pettenwinkel werd, schuilt in het duister. Bij het afbreken werd, volgens ingewonnen berigten, niets, opuierkelijks gevonden. Heeft eens de inwendige betimmering aan de uitwendige sierlijkheid beantwoord, dan zijn de sporen daarvan verloren gegaan, en wij hebben dan ook overigens niets te zeggen van het thans verdwenen huis, dat alleen nog belangrijk was om zijn' fraaijen voorgevel, waarvan de uitvoerige en wel gelijkende afbeelding iedere beschrijving overbodig maakt.

Verbeteringen en bijvoegsels.

Betreffende het graafschap Dalen, dat ik vroeger bij Coevorden zocht, ben ik thans beter ingelicht en neem ik dus gaarne rnijn gevoelen terug. Racer wijdt in het 7de deel zijner gedenkstukken een zeer uitvoerig betoog aan de bepaling van de ligging er van, met allerbelangrijkste bijlagen. Maar dat deel ontbrak aan het exemplaar, waarover ik destijds kon beschikken. Later vond ik het in de bibliotheek van het Leeskabinet alhier, door den Heer P.H. Witkamp te Amsterdam er op gewezen.

Aan denzelfden belangstellenden geschiedvorscher dank ik de wetenschap, dat de brief van Harmakerus (Utrechtsche Volksalmanak 1846 blz. 133 e. v.), dien ik Deel II blz. 239 gebruikte, verdicht is door den inzender in dien almanak - een wel Avat gevaarlijke fictie, als er een naam onder staat, die vertrouwen verdient en bezit.

 

Een ander vriend maakt mij opmerkzaam op hetgeen ik omtrent Warnsveld schreef (II blz. 133), dat o.a. ‘de gelegenheid tot goed onderwijs in de naburige stad’ vele vreemdelingen trekt; hij acht dat eenigszins onbillijk tegenover de voortreffelijke kost- en dagschool voor meisjes van de dames De Vries. Teregt, maar ik wist destijds niet, dat het ook een da gschool was.

 

De Heer K.F.W. Rooseboom, civiel ingenieur alhier, verpligtte mij met eenige opmerkingen omtrent bijzonderheden Gouda betreffende, en wijst

[p. 376]

o.a. op ‘de Schoonkovensche (of Goudsche?) gobelins, die de raadzaal versieren’, en op ‘bijzonder goede regentenstukken’ in het St. Catharina-gast-huis. Daar mij gezegd was, dat alles van dien aard thans op 't Museum, bijeengebragt was, heb ik bij mijn bezoek te Gouda geen onderzoek gedaan naar wat welligt nog elders schuilde. Voor zooveel noodig maak ik dus den belangstellende hierop opmerkzaam.

Dezelfde deelt mij de mij onbekende bijzonderheid mede, dat bij de herstelling van het stadhuis, in geheime kasten, een gevaarlijke hoeveelheid buskruit is gevonden, aldaar, naar men verhaalt, in den Franschen tijd verborgen en sedert vergeten. De vraag, of onder de Gasthuiskerk te Delft, bij de verbouwing tot H.B. school, niet een crypt was gevonden, moet ik, volgens ingewonnen inlichtingen, ontkennend beantwoorden. Wel vond men er een grooten kelder, die oudtijds tot eene naburige brouwerij had behoord.

 

In de wandelingen door Rotterdam zijn een paar onjuistheden geslopen, die ik bij dozen verander.

Blz. 154: 836 banden, lees 86.
Blz. 239: F.D.O. Obreen, lees P. van de Velde.
Blz. 247 en 248: Jacques, lees Jacque.
Blz. 251: A. van Stolk Gzu., lees Czn.
Blz. 253: Heyermans, lees Heyrmans.
Blz. 263: Arnold Boogaerdt, lees Arie Bogaerdt.
Ibid 1784, lees, omstreeks 1754.

Blz. 297. Dê boomen rondom de kerk van Dirksland zijn sinds eenige jaren geveld. Proeven van het Goereesch en Overflakkeescli taaleigen leverde Aart Admiraal in twee novellen in Eigen Haard 1876 en 1877.

prepostterug  begin