begin  verderprepost
[p. t.o. III]



illustratie
P.A. Schipperus, del.lith.
Kasteel Horn
S. Lankhout & Co den Haag


[p. 1]

Limburgsche landschappen.

Wij zijn in de zuidelijkste provincie van ons vaderland geen vreemdelingen meer. Reeds een en andermaal doorwandelden wij er landstreken, die òf door natuurschoon, òf door hun geschiedenis, òf door merkwaardige gebouwen - niet zelden door dit alles vereenigd - ons aantrokken en boeiden. Daarbij konden wij de opmerking maken, dat Limburg hoe langer hoe meer door de bewoners der andere gewesten bezocht schijnt te worden. Wandelaars doorkruisen het land en het getal der familiën, die in het vriendelijk Valkenburg eenige weken komen vertoeven, klimt jaar op jaar. Daar zijn er niet weinigen, die 't bij één bezoek niet laten. Gaarne zien zij de bekende plekjes, de oude vrienden nog eens weêr. En wie daartoe de gelegenheid niet hebben, zij bewaren toch een aangename herinnering aan het schoone land en het goede volk. Anderen wekken zij op, om hun voorbeeld te volgen. Zoo wast de stroom der reizigers; zoo vermenigvuldigt zich de schare dergenen, die Limburg leeren kennen en liefhebben. Heeft uw gids dan verontschuldiging noodig, wanneer hij u nogmaals tot een' wandeltogt door het Limburgsche uitnoodigt? Heeft hij zich misrekend, als hij meende, dat deze of gene

[p. 2]

niet ongaarne zich zou laten terugleiden naar de plaatsen, die hem lief zijn geworden, of opmerkzaam zou worden gemaakt op gedeelten, die zijn belangstelling verdienen?

 

Wij gaan wat zwerven door het land. Zullen wij ons hier en daar van den afstand bekortenden spoortrein bedienen, het meest willen wij, naar gewoonte, langs de voetpaden en de zijwegen zoeken, wat in het Limburgsche landschap eigenaardig is, of ons door de groote heirbanen laten brengen naar dorpen en gehuchten, naar kerken en kasteelen, waar wij iets belangrijks mogen verwachten of stemmen uit het verledene hooren. Een en andermaal zal ook iets merkwaardigs op het gebied der Limburgsche nijverheid onze aandacht trekken. Ten deele zal 't een aanvulling zijn van wat wij reeds leerden kennen, ten deele eene vingerwijzing naar wat de zwerver in weinig bezochte streken op zijn' weg kan ontmoeten. Er blijft dan zeker voor wandellustigen en belangstellenden nog vrij wat tot eigen navorsching over, maar wij hebben althans op die wijze een schoon en merkwaardig deel der provincie gezien.

In het ons reeds welbekende Valkenburg kiezen wij weêr ons hoofdkwartier. Van daar uit maken wij eenige nieuwe uitstapjes. Wij komen er langs een' niet gewonen weg. Van Venlo uit gaan wij grootendeels wandelen. Tegelen, Swalmen, Roermond, Beek zijn de voornaamste rustpunten, die ons gelegenheid geven den omtrek nader te leeren kennen. En van Beek gaan wij de bergen over naar de oude Valkenstad aan de Geule.

 

Het station Venlo, waar wij aankomen, ligt niet onmiddellijk bij de stad, maar toch volstrekt niet zóó ver, dat wij daaraan een reden zouden ontleenen, om haar onbezocht te laten. Haar geschiedenis is ook belangrijk en haar voorkomen eigenaardig genoeg, om onze belangstelling te verdienen.

[p. 3]

In 1170 voor het eerst genoemd en in 1343 door den tweeden der hertogen van Gelder met stedelijke regten begiftigd, was Venlo een der sterkten van Gelder, om wier bezit en behoud menigmaal fel en met afwisselenden uitslag gestreden werd, totdat de laatste der Geldersche hertogen in 1543 onder haar muren zijn gebied aan keizer Karel afstond. In den vrijheidsoorlog was zij beurtelings Staatsch en Spaansch en had zij menigen aanval door te staan. Bij den vrede van Munster bleef zij in handen des konings - haar vruchtelooze belegering was de laatste krijgsdaad van den reeds kwijnenden en verzwakten Frederik Hendrik - en eerst in 't begin der 18de eeuw kwam zij aan de Vereenigde Gewesten. In den loop dier eeuw herhaaldelijk door Fransche legers bedreigd, werd de vesting in 1794 aan de troepen der Republiek overgegeven. Van 1814 tot 1830 behoorde zij tot het koninklijk Holland; toen opende haar bevelhebber haar poorten voor de Belgische vlag, die er bijna negen jaren woei. Sinds was zij als een der steden van het hertogdom Limburg aan Nederland verbonden en stond zij met den Duitschen Bond in betrekking, totdat zij eindelijk, van alle verband met Duitschland los gemaakt, in geen enkel opzigt meer van de overige steden des lands verschilde. Onrustig was haar verleden, onrustig was ook haar bevolking, en meer dan eens was er oproer in de stad, meer dan eens verjoeg zij haar bezetting buiten haar wallen. Thans zijn die wallen geslecht. Venlo is geen vesting meer en de dagen, waarin zij een belangrijke rol in de geschiedenis speelde, zijn voorbij. Als een stad van levendigen handel en van bloeijende nijverheid heeft zij in plaats daarvan een beteekenis verkregen, die zij vroeger niet had, al werd zij onder de Hansesteden geteld, terwijl zij het middelpunt werd van een steeds drukker wordend spoorwegverkeer, En 't is haar aan te zien, dat zij onder den invloed van verschillende nationaliteiten heeft gestaan. Wie Venlo binnentreedt, weet naauwelijks, in wat land hij zich bevindt. Aan zijn eigen vaderland wordt de Noord-Nederlander nagenoeg alleen herinnerd door een aantal opschriften in zijne taal. Maar zelfs van die woorden en namen is de spelling voor meer

[p. 4]

dan de helft Vlaamsch. Duitsch en Fransch heeft de overhand en op de tallooze kroegen - van de drie huizen zijn er twee ‘cafés’ - leest gij door elkander Schenkwirthschaft, Estaminet en Tapperij. Het voorkomen der stad is ten eenemale uitheemsch. Niet alleen vinden wij er de groote koetspoorten en de ruime binnenpleinen, die wij ook in Noord-Brabant aantreffen, maar ook de muren van donkere, ongevoegde baksteenen, waarin de vensters en deuren zonder kozijnen zijn gemetseld, die aan de Duitsche huizen vaak een zoo ongezellig uiterlijk geven, terwijl de witte, grijze, groene of rozenroode pleister op vele woningen en het behangselpapier in de voorhuizen en gangen er ruimschoots toe bijdraagt, om den bezoeker van Venlo buiten de grenzen van zijn vaderland te verplaatsen. Die bonte kleuren geven hier en daar iets vriendelijks en vrolijks aan de straten, en de groote, blaauwe karren, de blaauwgekielde voerlieden, de zware paarden, met hun overvloedig met koperwerk en roode kwasten uitgemonsterde tuigen en de klinkende klokjes aan den hals, maken zich verdienstelijk door er eenige levendigheid te brengen. Want overigens is Venlo een doodsche, sombere stad, waar niet veel is, dat het oog aangenaam aandoet. Na de slooping van haar vestingwerken vertoont zij zich ‘en profond negligé’ en zelfs haar ligging nabij de Maas verhoogt vooralsnog haar schoonheid niet. Daartoe is de afstand veel te groot en de vlakte, die haar scheidt van de rivier, hoewel tot plantsoen bestemd, is nog veel te dor en te kaal, om reeds een aangename wandelplaats te zijn. Welligt zal het nageslacht er onder verkwikkend lommer den blik kunnen laten weiden over den snellen stroom, waarover de spoorbrug is gespannen en aan wiens overzijde het dorpje Blerick ligt. Dan zal Venlo aan deze zijde veel gewonnen hebben door het verdwijnen van de hooge wallen, die het vroeger insloten.

Aan een der uithoeken van de stad ligt het merkwaardigste van haar gebouwen, de groote St. Maartenskerk. Een oud beeldje van den vromen en barmhartigen ridder prijkt boven den wel wat vervallen en verwaarloosden ingang. Binnen de kerk is het kunstig gietwerk van de koperen doopvont, het fraaije snij-

[p. 5]

werk van den kansel, het meesterlijke schilderwerk van de hand des Venloschen kunstenaars Jan van Cleef opmerkelijk. Het tweede belangrijke gebouw is het raadhuis, met twee torens en een' hoogen stoep. Wij vinden het aan een stijf en ledig vierkant plein. Als begin van restauratie is van den halven gevel de geele pleister afgenomen. Komt later de oorspronkelijke steen weêr aan het licht, dan zal zoowel het stadhuis als het geheele plein er aanmerkelijk door winnen, maar voor 't oogenblik gelijkt het uitwendige, half geel, half rood, op het kostuum van een' weesjongen.

In de nieuwe wijk, die tusschen het station en de oude stad verrijst, zagen wij het postkantoor. 't Is voor een paar jaar in renaissance-stijl opgetrokken en het voorportaal is met gekleurde tegels bezet. De gevel vertoont zich gunstig en de inrigting zal wel aan doelmatigheid niet te wenschen overlaten. Maar als de Venloërs 't wel wat meer in de buurt hadden gewenscht, kunnen wij dat verlangen niet louter voor een uiting van een den mensch ingeschapen ontevredenheid houden.

 

En nu op weg, den straatweg naar Tegelen op.

 

't Is ons bepaaldelijk te doen, om een bezoek te brengen aan het groote kasteel, waarvan de uitgestrekte gebouwen bij ons vorig bezoek, van de spoorbaan af, onze opmerkzaamheid hadden getrokken, en wij hebben tijd in overvloed, om derwaarts te wandelen. De middagtrein kan ons dan van Tegelen naar Swalmen brengen, waar wij een tweede, nog grooter, kasteel zagen liggen, terwijl wij daarna onzen weg naar Roermond kunnen kiezen, zooals ons dat het best zal voorkomen. Wij maken dan kennis met het landschap in dit gedeelte van Limburg. De heuvels zijn hier nog laag en zeer glooijend. Trotsche partijen verwachten wij dus niet, maar wij rekenen er toch op, dat het ons althans aan de rivier niet aan fraaije gezigtspunten ontbreken zal.

[p. 6]

De breede straatweg, met iepen beplant, beantwoordt aan die verwachting wel. Al verliezen wij de Maas meestal uit het gezigt, de uitgestrekte, vruchtbare wei- en bouwlanden langs den oever, waar boven aan de overzijde het vrij groote dorp Blerick zich vertoont, maken toch een' aangenamen indruk. En landwaartsin zijn de zacht golvende heuvelen met welig wassende veldvruchten bedekt, terwijl in de verte de blaauwe hoogten op Duitschen bodem in bevallige lijnen rijzen en dalen. Soms loopt een holle weg tusschen de akkers door, of doorsnijdt een laan van hoog geboomte de velden. Nu en dan blinkt in het groene dal nevens ons de heldere stroom, tusschen boschjes en hagen. De weiden zijn met runderen bezaaid en op de bouwlanden begon reeds de oogst. Hier valt het koren voor de hand des maaijers, ginds staat het in schoven, elders wordt het op groote wagens geladen. Enkele huizen staan langs den weg, - ‘estaminets’ natuurlijk, - en eenige kloeke pachthoeven liggen hier en daar verspreid. De roode daken van een tichelwerk herinneren ons, dat de tak van nijverheid, waaraan Tegelen zijn' naam schijnt te ontleenen, nog niet uit dit oord is geweken. 't Is een vrolijk en vriendelijk landschap en vooral in de nabijheid van het dorp zoeken wij niet te vergeefs naar opgaand hout.

Ook aan heerenhuizen ontbreekt het niet. Aan den weg ligt een groot, nieuw gebouw met ruime schuren, in een' aanleg, die den tijd nog niet heeft gehad, om reeds den naam van een' lommerrijken hof te verdienen, en een weinig verder, op eenigen afstand in het veld, verrijzen de groen-geele muren en blaauwe daken van een aanzienlijke, tamelijk uitgestrekte huizinge, wier kasteelachtig voorkomen haar van de omliggende hofsteden en arbeiderswoningen onderscheidt. Een populierenlaan langs een beekje en een tichelwerk brengt ons spoedig bij den tuin, door een begroeide gracht omringd, en een dwarsweg leidt ons naar den breeden voorgevel, voor een brug die toegang geeft tot het huis en de nevengebouwen. Door de openstaande vensters eener benedenzaal zien wij een altaar en een aantal kerksieraden, die ons aanwijzen, dat de zaal tot kapel is ingericht. Het huis is dan

[p. 7]

ook een klooster, sedert eenige jaren aan geestelijke zusters uit Duitschland behoorende. Vroeger was het een heerenhuis, bewoond door den heer Lom de Berg, die 't verwisselde voor de nieuwe buitenplaats aan den weg. Lange jaren is het blijkbaar de zetel van deftige familiën geweest, want de schuur draagt het jaartal 1698. Maar als men de overlevering mag gelooven, dan dagteekent het gebouw uit nog vrij wat vroeger tijd en dan had het eenmaal een gansch andere bestemming. Er wordt beweerd, dat hier het munthuis van Venlo is geweest. Of deze overlevering is gebouwd op den naam van het huis, dan of omgekeerd die naam aan de overlevering is ontleend, beslissen wij niet. Zooveel is zeker, dat het als de Munt bekend is, welke naam ook gedragen wordt door het gehucht, waartoe het behoort. Met zijn breede gracht, zijn viertal hooge schoorsteenen, zijn smalle vensters, zijn' uitspringenden achtervleugel, zijn ruim binnenplein en zijn kloeke bijgebouwen, met zijn ten deele begroeide muren en het hooge geboomte in den uitgestrekten tuin, vertoont het zich als een deftige, ouderwetsche Limburgsche heerenhofstede, die niet onwaard is, er een' kleinen omweg voor te maken.

Te minder tijd ging er door verloren, omdat een landweg van het inrijhek regtuit naar Tegelen voert. Langs dien weg hebben wij tevens gelegenheid, een der hoofdbronnen van bestaan voor de bevolking te leeren kennen - de steen- en pannenbakkerijen, die, met de pottenbakkerijen, aan een menigte van handen werk geven.

Het voornaamste gedeelte van het dorp ligt langs den straatweg. 't Is tamelijk lang, minder door het groote aantal zijner huizen, dan door hun verspreide ligging. Gebouwen van veel aanzien zijn er niet, behalve de groote, meerendeels nieuwe kerk, die met geschilderde glazen prijkt. Is de kerk vernieuwd, de zware toren, met zijn dikke muren en zijn eigenaardige versieringen van verglaasden steen, is een bouwwerk, dat eeuwen heugt. Toch schijnt hij jonger dan het oude bedehuis, waar vóór eeuwen de geloovigen van Tegelen zamen kwamen. Althans een brok hardsteen, in den zijmuur gemetseld, is oogenschijnlijk afkomstig

[p. 8]

van een oude Romaansche kerk. De praatzieke overlevering weet te verhalen, dat deze steen, waarop een paar staande draken zijn uitgehouwen, het wapen was van de Heeren van het naburige kasteel Holtmuhle en dat een dier Heeren reeds in de 8ste eeuw een kerk te Tegelen zou hebben gesticht. ‘Een wapen’ is de steen in geenen deele. Zijn gebogen vorm doet het oude beeldhouwwerk kennen als een stuk van het kapitaal eener kolom, die wel in Tegelens vroegere kerk mag hebben geprijkt en bij het bouwen van den toren hier kan zijn ingemetseld. Oud is die kerk vermoedelijk wel geweest, al klom zij ook niet op tot de 8ste eeuw. Want reeds omstreeks 999 wordt Tegelen genoemd en destijds had het ook een kerk, terwijl de overblijfsels van Romeinschen oorsprong, die de bodem opleverde, er op wijzen, dat de landstreek destijds reeds eeuwen lang was bewoond geweest.

Als behoorende tot het hertogdom Gulik, is de plaats in de geschiedenis van ons vaderland oudtijds niet regtstreeks betrokken. Eerst in 1816 kwam zij onder Nederland. Tegelen kon echter daarom het lot niet ontgaan, van bij de herhaalde belegeringen van Venlo groote schade te lijden. Zoo werd het in Januari 1578 deerlijk door de Spanjaarden geplunderd.

Behalve het klooster op de Munt heeft Tegelen nog een geheel nieuwe geestelijke stichting, wier bewoonsters zich door het houden van een bewaarschool verdienstelijk maken, terwijl de zusters op de Munt geene de minste betrekking met het dorp schijnen te onderhouden en ook tot de welvaart der bevolking niet bijdragen, daar in alle dagelijksche behoeften door het huis zelf wordt voorzien. Even weinig voordeel geniet de gemeente van de drie groote kloosters in het naburige en onder Tegelen behoorende dorpje Steyl, waar wij straks een bezoek willen brengen. Bakker noch brouwer, slagter noch winkelier, timmerman noch metselaar, kleermaker noch smid, schoenmaker noch verwer uit den omtrek levert er zijn waren of zijn werk.

't Komt ons dan ook voor, dat de Limburgsche plattelands-bewoner zich weinig aangetrokken gevoelt door de menigte der

[p. t.o. 9]



illustratie
P.A. Schipperus, del.lith.
S. Lankhout & Co den Haag


[p. 9]

Duitsche ordesgeestelijken, op zijn' bodem gevestigd, maar als vreemdelingen verkeerend in zijn land.

Welk voordeel - stoffelijk en zedelijk - die van Tegelen, evenals alle grensdorpen in het Oosten des lands, mogen trekken uit den smokkelhandel, die door de hooge invoerregten in Pruisen een bijzondere levendigheid kan hebben verkregen, dat behoort tot de geheimenissen, waarin 't den wandelaar niet gegeven is in te zien en waaromtrent hij zich bescheidenlijk van gissingen onthoudt.

 

Om naar het kasteel te komen, moeten wij den straatweg verlaten en den grintweg volgen, die door een zijstraat van het dorp naar het station leidt en voorts door een niet onaardig heuvelachtig landschap loopt. Bouwland en boschjes wisselen elkander af en hier en daar ligt een tichelwerk of een boerenwoning. 't Kasteel ligt in de laagte, door hoog hout ingesloten, en een fraaije laan van notenboomen prijkt aan den voet van den tamelijk hoogen en steil afloopenden heuvel. Van hier zien wij de achterzijde, met twee vleugels en een' der hoektorens, half verborgen door het groen van den tuin. Ook een gedeelte der nevengebouwen, met hun vierkante torens en donkere muren, komt tusschen het geboomte uit, terwijl achter en nevens het huis een zeer groote vijver zich uitstrekt. Aan het einde van dien vijver, digt bij den dwarsweg, waarheen wij zijn afgedaald, spiegelt zich een goed onderhouden, groen geverwde watermolen in het heldere nat. Weiden en boomgaarden vullen de ruimte tusschen het kasteel en den molen.

Hoe heet het kasteel? ‘Holtmuhle’ - zegt de een - ‘en ten onregte wordt het ook Glasenap genoemd.’ ‘Neen’ - beweert de ander - ‘'t heet Glasenap. Holtmuhle is de naam van den molen.’ Dit laat zich hooren. Maar de Heeren, wien het goed oudtijds behoorde, noemden zich van Holtmuhle, terwijl eerst op het eind der vorige eeuw een baronesse von

[p. 10]

Glasenap als eigenaresse voorkomt. Naar haar ontving het dien naam, gelijk het volk heden ten dage het huis, naar den tegenwoordigen eigenaar, eenvoudig de Rijk noemt.

Meenden wij vroeger, dat het kasteel onbewoond was, het blijkt ons, dat wij verkeerd waren ingelicht, of dat het sedert weêr bewoners ontving. Het zorgvuldig onderhoud van den tuin en het vrolijke, kleurige schuitje in den vijver spreken niet van verlatenheid. Niettemin willen wij beproeven, of ons de toegang zal worden vergund.

Door de laan van notenboomen bereiken wij de steenen voorpoort, met een brug over de buitengracht, waaraan zich ruime stalgebouwen met vierkante torens aansluiten, en wij komen op een groot, onregelmatig plein, dat met een tweede poorthuis en uitgestrekte schuren en verdere getimmerten prijkt. Er is hier plaats genoeg voor tal van onderhoorigen, voor overvloed van paarden en runderen, voor een' rijken oogst van veldgewassen, terwijl op het plein zelf den burgtheer ruimte genoeg voor allerlei ridderlijke oefeningen overbleef. En toen prins Frederik Hendrik in 1646 hier zijn hoofdkwartier had, kon er een gansche stoet van dienaren en soldaten een onderkomen vinden. Het kasteel zelf, met zijn' breeden voorgevel en zijn beide vierkante hoektorens, rijst op uit een gracht, die zich aan de achterzijde tot een' grooten vijver uitbreidt, en is aan drie zijden door een' bloemtuin omringd. Bouwkunstige sieraden heeft het niet. Twee reijen vensters heeft het in het front, dat met een platte lijst gedekt en door een hoog leijen dak bekroond is. Ook de grijsgroene kleur van de muren berooft het van den stempel der oudheid. Toch maakt het indruk door zijn grootte en door den strengen eenvoud zijner lijnen. En nog veel meer indruk moet het hebben gemaakt, toen het fiere slot nog in zijn geheel zijn hooge daken ophief uit zijn grachten. Wat er nu nog van overbleef is maar een gedeelte. Zijn wij de poort doorgegaan, dan komen wij op een binnenplein, aan drie zijden door gebouwen ingesloten, terwijl van de achterzijde alleen een deel der zware keldergewelven is gespaard. Daarboven lag eens de groote zaal,

[p. 11]

‘de leenzaal’, met eenige aangrenzende vertrekken, en nevens de kelders vond men de diepe, donkere gevangenissen. Vermoedelijk ontbraken toen ook aan dezen kant de hoektorens niet en waarschijnlijk sloot een ringmuur het terrein van den tegenwoordigen slottuin in. In de vleugels aan het binnenplein, waarvan slechts één ter bewoning is ingerigt, zijn de toegangen tot de trapportalen en de kamers, waarin wij geen antieke betimmering of oude wandtapijten meer aantreffen. Wat daarvan op het kasteel was te vinden, is reeds sinds lange jaren overgebragt naar het huis der familie de Rijk in het naburige Steyl. Maar bouwen wij in gedachten de gesloopte zalen en torens en muren weêr op, versieren wij de talrijke vertrekken met de kostbare meubels, de gebeeldhouwde schoorsteenmantels, de rijk gestikte behangsels, de ridderrustingen en de wapenschilden, die er in vroeger dagen prijkten, dan rijst het voor ons op als een sterke burgt, door kloeke edelen bewoond, als de statige verblijfplaats van magtige geslachten, met aanzienlijke achterleenen en tienden, met uitgebreide vrijheden en voorregten begunstigd. En wat voor ons Nederlanders den luister van het deftige oude huis nog verhoogt, het is de herinnering aan den edelen en roemruchtigen Oranjevorst, die hier in het statig kasteel der Holtmuhles, von Hunds en Metternichs vertoefde. Met hartelijken dank aan de vriendelijke burgtvrouw voor de ons verleende vergunning en 't ons geschonken geleide verlaten wij het slot, dat, al is het ook niet meer in zijn geheel en al werd het aanmerkelijk gemoderniseerd, ons toch een voorstelling gaf van de inrigting der kasteelen in dit gedeelte des lands.

Achter den molen stort zich het water van den vijver met een' vrij sterken val naar beneden, onder een' gemetselden boog, tusschen ruig bewassen kanten en welig groeijende dennen. Op eenigen afstand komt het ligt gekleurde huis vrolijk uit in het groen van zijn' bloemtuin, en een graslaan, met hooge populieren beplant, verhoogt de wilde schoonheid van het eigenaardige landschap.

Het bruischend beekje, door het afstroomend water gevoed,

[p. 12]

houdt ons nog eenigen tijd gezelschap. Voortschuimend onder het loof van overhangende boomen en struiken, brengt het het rad van een' tweeden molen in beweging, om zich straks zijwaarts af door de velden naar de Maas te slingeren. Aanvankelijk leidt ons de landweg langs den voet der steile heuvels, onder het lommer van eiken en voorbij enkele schilderachtige huisjes. Dan klimt de holle weg allengs naar de hoogvlakte, waarop de korenakkers zich koesteren in de zomerzon en waarover de groote, breede straatweg is aangelegd. Dat witte huis daarginds is een pensionaat voor meisjes. De - meestal Duitsche - jufferkens, onder geleide van eenige zusters, trekken ons in lange rei voorbij. Daar voor ons ligt Steyl, een klein dorpje, maar dat een welvarend voorkomen heeft en vriendelijk aan de rivier is gelegen. 't Bezit een veerhuis, door kloeke eiken overschaduwd, een niet groote, maar nette, nieuwe kerk en een aanzienlijk buitenverblijf, waarvan wij het statig geboomte en het deftige huis door het ijzeren hek kunnen zien. Ook vinden wij er twee uitgestrekte kloostergebouwen, vlak bij de kerk. Achter den tuinmuur van het eene klinkt vrolijk gejoel van vele kinderstemmen, maar meer dan de kruinen der kastanjes ontwaren wij niet. Het andere is een pensionaat voor jongens. De talrijke bevolking van dit gesticht, als zonen van het Duitsche vaderland kenbaar aan petten en gelaatstrekken, hadden wij reeds onder de hoede van een aantal geestelijken in de nabijheid van het kasteel ontmóet.

Het zijpad tusschen en over de met golvend koren bedekte heuvels brengt ons op den grooten weg terug, en al vertoonden zich de Aardmannetjes, die hier huizen, ook niet, wij hebben van den omtrek genoeg gezien, om het station te gaan opzoeken, waar wij den trein naar Swalmen afwachten. Onze kennismaking met dit gedeelte der provincie heeft ons niet onvoldaan gelaten, want het ontbrak er niet aan eigenaardigheden, kenmerkend voor het gewest in zijn' tegenwoordigen toestand en zijn grijs verleden.

[p. 13]

Het dorp Swalmen bestaat uit drie gedeelten. Het eerste ligt aan den zandweg bij het station en heeft enkel eenige armoedige stulpen aan te wijzen. Uit de populierenlaan langs het spoor zien wij 't riviertje de Swalm zich kronkelen door een groene vlakte, waar het een' watermolen drijft. Het tweede deel - het eigenlijke oude dorp - ziet er wonderlijk uit. Daar is een vierkant pleintje, dor en kaal, van ongezellige, verwelooze huizen omringd. In het midden staat een armoedige geschoren linde; eenige voeten boven den grond zijn de takken tot een soort van priëel geleid en door palen gestut, en uit dit tafelbladvormig dak rijst een lange, naakte stam, die slechts een drietal trosjes bladeren draagt. Op dit onbehagelijke pleintje vinden wij een poort, die tot het hoog gelegen, ommuurde kerkhof toegang geeft. Daar ligt de tamelijk oude kerk, met haar' lagen, dikken toren, en van het kerkhof zien wij neêr in de binnenplaatsen van boerenhofsteden of tegen de achtergevels der omliggende woningen. Er is in deze digt aaneengesloten huizen iets drukkends en zwaarmoedigs, dat ons benaauwt. Van frischheid en vrolijkheid vinden wij hier geen spoor en welligt is 't aan het uur van den dag te wijten, dat wij in den ganschen omtrek geen levend wezen - mensch noch dier - ontwaren. Als Swalmen ons niets anders te zien geeft, dan houden wij ons er geen minuut langer op dan noodig is en dan nemen wij er een' gansch niet aangenamen indruk van mede!

Toch blijven wij er eenigen tijd en wij scheiden met vriendelijker gedachten.

Aan het einde der doodsche, gelukkig korte, dorpsstraat wordt het landschap vrij wat liefelijker. Daar stroomt en schuimt de snelle Swalm door het ruime, frissche grasveld, en van de steenen brug zien wij zijn' kronkelenden loop. Boven de brug vormt hij een' kleinen, lustigen val en daar plast het wentelend molenrad. Wij bereiken het derde gedeelte van het dorp, waar nette huizen staan en kloeke boomen hun lommer verspreiden. Hier loopt de groote straatweg door, en alles heeft er een ander, nieuwer, vrolijker voorkomen. Tot het oude Swalmen, waar in den grooten

[p. 14]

strijd met Spanje zoo menigmaal bij afwisseling de huurbenden der oorlogvoerende partijen waren gelegerd en dat jaren lang zoo zwaar onder hun' druk heeft geleden, - dat, naauwelijks herademend gedurende 't bestand, in 1613 zijn droevig aandeel had te leveren aan het veertigtal ongelukkige vrouwen, van hekserij beschuldigd, waarvan er dagelijks twee te Roermond ‘tot polver’ werden verbrand, - tot het latere Swalmen zelfs, waar in 1791 Franschen en Pruisen handgemeen werden, behoort het gedeelte aan den straatweg niet. Aan den aanleg van dien weg dankt het zijn ontstaan en het draagt dan ook een' gansch anderen stempel. Hier vinden wij ook een ‘estaminet’, waar ons in een nette kamer een voedzaam maal wordt bereid, en in den hupschen kastelein treffen wij een' man aan, met de landstreek en hare geschiedenis genoegzaam bekend niet alleen, maar ook gaarne bereid, ons naar het eigenlijk doel van ons vertoef alhier, het vorstelijke kasteel Hillenraad, te begeleiden.

Hillenraad ligt een klein kwartier van het dorp, omringd van een fraaije, vruchtbare landouw. De hoofdtoegang is door een breede iepenlaan, die van den straatweg uitgaat, maar wij slaan een binnenpad door de velden in, dat er ons veel spoediger brengt.

Vorstelijk mag inderdaad het trotsche gebouw worden genoemd, vooral wanneer wij 't ons voorstellen, zooals 't zich eens in zijn' vollen luister vertoonde. Van de heerlijkheid zijner ‘plantagiën’ is niets meer over. De groote vischvijver aan ons pad, het bosch, dat bij het huis zich uitstrekt, het laantje van geschoren linden, dat naar de poort van het voorplein leidt, zijn nog maar enkele overblijfsels van wat de weelde hier eertijds had tot stand gebragt. Maar het gebouw staat nog in zijn geheel, al verloren drie der torens hun sierlijke kappen.

Een zeer groot voorplein, aan drie zijden door hechte stallingen en economie-gebouwen omringd, geeft reeds terstond den indruk van deftige pracht. 't Is in volle overeenstemming met het statige, streng regelmatige kasteel, dat door een lange steenen brug van vijf bogen er aan verbonden is. Vier zware vierkante torens prijken op de hoeken, en in het midden van den

[p. 15]

achtergevel springt een kloeke uitbouw uit. De roode baksteenen muren spiegelen zich in een breede gracht en een hoog leijen dak bekroont het schoone bouwwerk. Van de brug geleiden twee ruime trappen naar het terras tusschen de beide vleugels aan het front, waar de hoofdingang is, met gebeitelde wapenschilden versierd en, nevens het jaartal 1767, de bede dragend:

Domine hinc fulgura quaeso repellas.

Onder het terras is de ingang voor de uitgestrekte keldergewelven, de lange gangen, de ruime keukens en dienstbodenvertrekken. Hier worden ons ook de drie kleine, donkere gevangenkelders getoond, wier enge luchtgaten de geweldige dikte der muren te beter doen uitkomen. De hoofddeur komt uit in een zeer groote vestibule en ligt regt tegenover de zaal, aan den achtergevel uitgebouwd. Rondom de vestibule, waaruit de breede trap naar boven loopt, zijn de fraaije vierkante vertrekken geschaard. Ook de bovenverdieping bevat een even groote vestibule, waarvan een deel tot kapel is ingerigt, en een groot aantal kamers. Iedere toren zelfs heeft plaats voor eenige vertrekjes, entresols en trappen, in de hoeken, door de aangrenzende kamers gevormd.

Sinds lang staat het prachtige kasteel ledig. De eigenaar, de graaf van en tot Hoensbroek, woont meestal op zijn goederen in Duitschland en maar een enkele maal kwam in de laatste jaren iemand van de familie er eenige dagen vertoeven. Het ameublement is dan ook geenszins in overeenstemming met het gebouw. Wel zijn hier en daar nog fraaije voorwerpen van porselein, marmeren beelden, schilderijen en portretten over; wel staan er nog ouderwetsche tafels en zetels in sommige vertrekken; wel hangen in de vestibule nog kaarten en plans van het goed, schilderstukken en jagttrofeën; wel bewaart nog de kapel allerlei herinneringen aan de vroegere bezitters, maar 't geheel is toch een droevig tooneel van verlatenheid. Het rood damasten behang der groote zaal werd door ingelegerde troepen afgescheurd en enkele lappen slechts hangen nog aan de kale wanden. De prachtige gobelins, die vroeger hier en daar prijkten, zijn door den eigenaar zelven weggevoerd en nog maar één, van weinig waarde, is er

[p. 16]

over. 't Is te zien, dat de graaf van Hoensbroek zich om dit afgelegen kasteel weinig bekommert en zich vergenoegt met de inkomsten te trekken van de uitgestrekte landerijen, die er onder behooren. Zelfs blijkt het, dat het huis nooit geheel werd voltooid. Van de bovenkamers is meer dan één niet afgetimmerd, alsof de lust of het geld had ontbroken, om de laatste hand te leggen aan een gesticht, dat zeker schatten zal hebben gekost en voor voldoende bewoning een uitermate ruime beurs vereischte. Trouwens, zelfs voor een aanzienlijke hofhouding was er bovendien plaats in overvloed.

In oorlogstijd was Hillenraad herhaaldelijk het hoofdkwartier van bevelhebbers van allerlei landaard - het oude huis althans, dat in de tweede helft der vorige eeuw door het tegenwoordige. vervangen werd. Ook prins Willem nam er in 1572 zijn' intrek.

 

Wij zijn niet ver meer van Roermond. Boven het bouwland langs de iepenlaan zien wij duidelijk zijn torens, en volgden wij den straatweg, dan zouden wij niet veel meer dan een uur noodig hebben, om de stad te bereiken. Maar de dag is nog lang genoeg, om ons een' omweg te vergunnen, die, naar het oordeel van onzen leidsman, ons niet teleurstellen zal. Hij spreekt ons van een' bouwval, in den omtrek als ‘de Ouborg’ bekend en raadt ons, van daar over het dorpje Asselt aan de Maas naar Roermond te wandelen. Dien raad volgen wij en wij worden ook niet teleurgesteld; zelfs vinden wij nog meer dan wij verwachtten, - iets, dat tot nog toe aan de aandacht der meeste Limburgsche kunst- en oudheidkenners schijnt ontsnapt.

Wij verlaten spoedig den straatweg voor een' landweg door de korenakkers en weiden. Dat de tichelarij ook hier wordt beoefend, blijkt ons uit de groote stukken grond, ten behoeve der steenovens afgegraven. Daar ginds stroomt de Swalm door een poort in den spoorwegdijk, en daar ligt ook onze weg. Het lustige

[p. 17]

riviertje moeten wij echter niet volgen, al omspoelt het straks ook den grijzen Ouborg.

Wij gaan in regter rigting, een hooggelegen weiland over, een groote pachthoeve voorbij, over een vlondertje en wij zijn, waar wij wezen moeten. Hier ligt het verweerde overschot van een' zwaren achtkanten toren, aan eenige vormlooze muurbrokken en puinhoopen verbonden. Wat van den toren nog staat, is tamelijk goed bewaard. Behalve de vensterbogen boven de keldergewelven, zien wij nog een gedeelte van een' steenen wenteltrap, en voor zoover wij het ingestorte muurwerk bij den toren kunnen nagaan, schijnt het gebouw den vorm van een rondeel te hebben gehad. Wat van nevengebouwen en ringmuren verborgen mag zijn onder het korte gras, dat de ruïne omringt, kunnen wij niet nasporen. Sinds lange jaren, zoolang 't den ouden van dagen in den omtrek heugt, lag er deze zwijgende steenklomp. Zelfs zijn naam is vergeten. Alleen als ‘de oude burgt’ is de bouwval bekend. Ook de geschiedenis schijnt er niets van te verhalen te hebben. Onder de overoude ‘noodtorens’, waaruit de burgtheer zich maanden lang verdedigen kon, als de ladder naar den smallen ingang boven den grond was opgetrokken, wordt ook deze genoemd, maar welk geslacht hier eenmaal heerschte, welke stormen eens gingen over dit huis, daarvan schijnen geen berigten bewaard. Wèl lag onder Asselt een ‘spiker’, reeds in 1465 genoemd en, aan den tinshof aldaar onderhoorig, in 1726 beschreven als in dubbele grachten gelegen, met toren en voorhof en ophaalbruggen, met tuinen en boomgaard, in het bezit van aanzienlijke jagtregten, waarover de baron van Zuidwijk van Hagestein in 1725 met de vrouwe van Hillenraad twistte, en dat in de 17de eeuw aan de edele geslachten Meerwijk van Kessel en Hoen van Cartils had behoord, maar vermoedelijk is dit ‘spiker’ niet hier te zoeken.

Blijft het verleden van den bouwval voor ons in het duister gehuld, wij genieten daarom niet te minder het liefelijk tafereel, dat ons het tegenwoordige te aanschouwen geeft.

De voet van den graauwen steenklomp rijst uit distels en

[p. 18]

brandnetels op, maar het mos, dat zijn stroeve zijden bekleedt en het net van viooltjes, dat rijk en krachtig neerhangt langs de muren en de blaauwe hemel, die door de open venstergaten straalt, zij geven den somberen middeleeuwschen reus een vriendelijk voorkomen. En zoo helder blinkt het riviertje, dat aan drie zijden de burgstede omringt, zoo vrolijk weerkaatst zijn spiegel de groene gras- en rietpollen, waardoor het zijn' weg baant, zoo verkwikkend is het lommer der eiken, die beschermend hun forsche takken uitbreiden over den dartelen stroom, zoo rustig en kalm is het vruchtbare landschap met zijn weiden en akkers, door de spoorbaan als van de wereld afgezonderd, dat wij van onzen leidsman niet scheiden zonder een woord van dank, dat hij ons dit vergeten en verborgen plekje heeft leeren kennen.

 

Onze kastelein keert naar Swalmen terug, wij zoeken door de velden en over de bouwlanden den weg naar Asselt. De groote pachthoeve met haar bassecour en poort, met haar groepen van eiken, wilgen en peppels, gaan wij voorbij. Op de akkers is alles leven en beweging. De zware kar met rogge schokt door het hobbelig spoor. De maaijers zijn op het veld, de schoven worden opgezet, de wagens met den oogst beladen. De paarsche bloem van de klaver en de witte boekweit wisselt het geel der roggevelden af. Ginds is een aantal vrouwen op een lange rei met het wieden van een' wortelakker bezig. Ruim is het uitzigt van de hoogvlakte. De torens van Roermond blinken in de zon. De lange lijn der boomen langs den straatweg teekent zich scherp tegen de heldere lucht. Van verre zien wij vóór ons de spoorwegbrug, die de Maas overspant, om Antwerpen aan Gladbach te verbinden. En als wij straks tusschen een tweetal kloeke, hooggelegen hofsteden zijn door gegaan, dan stroomt beneden ons aan den voet van den heuvel de statige Maas in kalme majesteit.

't Is warm op de vlakte en aanlokkend is het lommer van den eerwaardigen notenboom bij de pachthoeve. Niet onwelkom is het

[p. 19]

ons, dat de boer ook bereid is, een glas bier te tappen. 't Zit er heerlijk in de schaduw en het uitzigt is er bekoorlijk. Wij overzien er een uitgebreide en vruchtbare landstreek aan de overzijde der rivier, - uiterwaarden met wilgen en peppels, boschjes en lanen, bouwvelden en hoeven en kerktorens, de fantastische spoorbrug, waarover de trein met haar witte dampwolken snelt. Aan deze zijde daalt de roode leemweg met diepe sporen af naar den stroom, om zich te vereenigen met den weg langs het breede water, - wat verder een frissche groene weide, met boomgroepen versierd, - wat verder nog het torentje van Asselt, in het hout, - verder nog Roermond, boven boschjes en heuvels, en in 't verschiet de golvende lijnen van blaauwe bergen. Wij hebben hier een begeerlijke rustplaats gevonden!

De kinders der hoeve, met die van den buurman spelend onder den boom, gapen met verbazing de vreemdelingen aan - zij zien er hier niet velen. - De bejaarde grootmoeder is in verrukking over het nieuwe, dat zij in 't sinds jaren zoo welbekende landschap door onze binocle te zien krijgt. Van een zeer fraai altaarstuk in de Asseltsche kerk spreekt ons de zoon des huizes. Wij voor ons rekenen er nog wel niet op, dat wij zijn ingenomenheid zullen deelen, maar niets belet ons, onderweg een kijkje in de kerk te nemen. Zelf zal hij meêgaan, om den sleutel te halen.

Langs de rivier, die 's winters den weg overstroomt en ook thans nog in de weiden aan haar oevers groote plassen en poelen achterliet, aan den voet der steile, fraai begroeide hoogte, in schaduw van eiken, populieren en wilgen, voorbij boomgaarden en tuinen en verstrooide huizen, komen wij na een kleine, aangename wandeling bij het hooggelegen kerkje op het lindenplein. Regt loopt de muur van het kerkhof af naar het weiland beneden ons. Thans is de rivier een eind weegs van dezen vooruitspringenden heuvel verwijderd, maar indertijd moet hij onmiddellijk langs de helling hebben gestroomd. Er waren althans in Asselt twee riviertollen - die van den voogd van Roermond en van den Heer van Asselt, later onder Hillenraad behoorende - en

[p. 20]

men zegt, dat de kerk het oude tolhuis was. Wat daarvan zij, beslissen wij niet. Wèl zien wij, dat de muren van het eenvoudige gebouw, in onregelmatig verband, van brokken kei en vuursteen zijn opgemetseld en dus al eeuwen heugen. Ook Romeinsche tegels merken wij op tusschen het duifsteen van het oudste gedeelte, dat uit de 11de eeuw dagteekent.

En treden wij nu het kerkje binnen, dan treft ons onmiddellijk boven het altaar de wonderschoone schilderij, waarvan men ons waarlijk niet te veel heeft gezegd. Van Rubbens, zooals in Asselt vermoed wordt, is zij zeker niet, maar daarom verraadt zij niet minder een meesterhand. Voortreffelijk van uitdrukking is het gelaat van den stervenden Christus; uitstekend van kleur en van teekening is de gansche levensgroote figuur, die krachtig tegen den donkeren achtergrond uitkomt. Menigmaal kan de leek over de verdiensten van hooggeroemde schilderstukken niet oordeelen, maar omtrent dit heerlijk beeld zal hij niet in 't onzekere zijn. Het grijpt hem aan, het laat hem niet los, het treedt als een levende gestalte voor hem uit het doek. Een eerbiedige huivering vervult hem bij het aanschouwen van de ontzettende smart en van de onvergelijkelijke grootheid in de trekken van hem, die het hoofd buigende, den geest geeft, met den smartkreet en den zegekreet tevens: 't is volbragt.

Wie heeft dit kunstwerk gepenseeld? Hoe komt het nederige kerkje van het kleine Asselt aan dit juweel? Al had de togt zelf naar het vriendelijk dorpje aan den schoonen Maasoever ons niet reeds beloond, wij zouden 't een voorregt hebben geacht dit meesterstuk te hebben mogen ontmoeten. En niet minder rekenen wij 't een voorregt, de aandacht te vestigen op den schat, dien Asselt bezit en die, zeker door de afgelegenheid en de geringe beteekenis der plaats, zelfs bij velen van Limburgs geleerden en kunstvrienden onbekend bleek te zijn.

 

De eenvoudige maar aangename landweg brengt ons over hoog en laag, langs frissche weiden met wilgen en ganzen, in groene

[p. 21]

lanen, door naar huis keerende runderen verlevendigd, langs glooijende heidevelden, met schapen gestoffeerd, voorbij een groote steenbakkerij en over de spoorbaan op den grooten straatweg terug.

In het veld daarginds, op eenigen afstand van den weg, zien wij het hooge dak en den toren eener heerenhuizinge of aanzienlijke pachthoeve boven de breede en zware muren der nevengebouwen oprijzen. Men onderrigt ons, dat het ‘de Tegelderij’ wordt genoemd en den heer Scheffers toebehoort, maar weet er ons geen bijzonderheden van te verhalen. Ook den toren van Maasniel ontwaren wij en Roermond is nu niet ver meer. Het gehucht Broekhin met zijn' grooten pachthof, die in den gevel het jaartal 1749 draagt, en zijn brouwerij, waar wij een ‘beugelbaan’ vinden, komen wij door. 't Schijnt hier een veelbezocht oord. Althans, talrijke groepjes wandelaars ontmoeten wij in den stillen, heerlijken zomeravond. De schemering daalt, de dauw begint de velden in een' witten sluijer te hullen en de opkomende maan werpt op alles haar' zilveren glans. Fantastisch sluimeren de boomen in het dal aan onze regterhand in het zachte licht. Helder blinkt de waterplas daar ginds aan den weg en schitterend straalt de witte gevel van het huisje aan den oever. Roermond ligt voor ons, en na een niet zeer aangename strompeling over de keijen in de ons reeds van vroeger bekende straten, vinden wij in het uitstekende hôtel au Lion d'or de welverdiende rust na den welbesteden dag.

 

Te Roermond behoeven wij ons niet lang op te houden. Reeds vroeger zagen wij de stad en haar merkwaardigheden en het blijkt ons niet, dat er sedert dien tijd veel is veranderd. Maar destijds was met eenig verlangen ons oog gevestigd geweest op de boschrijke hoogten in het blaauwe verschiet, waar, naar men ons zeide, zoo veel schoone en woeste partijen waren te vinden. Noode hadden wij toen ook de gelegenheid gemist, om een bezoek te brengen aan den merkwaardigen stamburgt der graven van Horn,

[p. 22]

die niet ver van de stad aan de overzijde der Maas nog altijd zijn fiere tinnen verheft. Gebrek aan tijd had ons belet, een eigenaardige Roermondsche industrie - het vervaardigen van behangselpapier - te leeren kennen. Aan de eeuwig jonge natuur, - aan de nijverheid, die over de wetenschap der tegenwoordige eeuw beschikt - aan de oudheid, die van lang vervlogen jaren spreekt - zullen wij den tweeden dag van ons voetreisje wijden.

De heuvelachtige en boschrijke streek ten O. van Roermond is onlangs veel meer toegankelijk geworden. De lijn Antwerpen-Gladbach loopt er doorheen en heeft er een paar stations. Wij behoeven dus weinig tijd te verliezen en kunnen de beschikbare morgenuren nagenoeg geheel in 't door ons gekozen einddoel doorbrengen. Wat zal dat doel zijn? Melick en Herkenbosch is het eene station: Vlodrop is het andere. Men onderrigt ons, dat deze stations ver van de dorpen afliggen en dat vrij wat heide moet worden doorloopen. Dalheim wordt ons zeer aanbevolen. Dat is weinige minuten verder. Maar - wij zijn wandelaars door Nederland en Dalheim ligt even over de grens. Zullen wij het ditmaal maar niet wagen, een weinig ons programma uittebreiden en ons tijdelijk een kleine annexatie te veroorloven? Dalheim kan toch bijna onder de omstreken van Roermond gerekend worden en in Limburg moet de voet wel eens meer over de grenzen worden gezet.

Op onzen weg naar 't station verzuimen wij niet, nog eens onzen groet te brengen aan de Maria-Munster, wier tweede toren aan het front thans is voltooid, en hebben wij plaats genomen in den trein, dan sporen wij de lindenlaan en de kapel van O.L.V. op 't Zand op korten afstand voorbij. Verderop is de landstreek ons vreemd. Wij zien er golvend bouwland en heide, benevens eenige kleine dennebosschen, en bij het eerste station overtuigen wij ons, dat wij wel gedaan hebben, hier niet af te stappen. 't Is een gezigt ver heide en jong naaldhout, broekgrond en wit zand, hier en daar een plas met biezen en eenig schraal bouwland er tusschen. Allengs wordt het beter. De spoorbaan klimt. Fraaije vergezichten openen zich. Rijk begroeide dalen

[p. 23]

liggen beneden ons. Boschrijke hoogten golven nevens ons. Maar vooral tusschen Vlodrop en Dalheim wordt het landschap woest en stout.

Bij 't station Dalheim is de baan tegen de helling van een' hoogen heuvel gebouwd. Ter regterhand ligt het bosch in de laagte. Links loopt een karweg tamelijk steil tegen de hoogte, en de paarden, die hier de lange dennenstammen naar beneden slepen, hebben een zware taak. Daar bij de kleine Wirthschaft - het eenige huis, dat wij ontdekken - staat zulk een paard, bijna geheel verborgen onder de balken, goed in evenwigt deels op de hooge, sterke wielen geladen, deels daaronder gehangen, zoodat zij boven en ter zijde van het paard uitsteken. De voerman zit in de Wirthschaft, waar ook wij inkeeren, om den weg te vragen en waar wij opmerken, dat bouwstijl en inrigting van het huis, dat kleeding en voorkomen der gasten reeds een' geheel Duitschen stempel vertoonen en 't verschil veel grooter is, dan wij zoo digt op de grens hadden verwacht.

Na bekomen inlichtingen tijgen wij op weg, de poort onder de spoorbaan door en een eind weegs tusschen den dijk en een bosch van elzen, eiken en sparren, totdat wij ter linkerhand een breede laan vinden. Dalheim behoort een' Duitschen graaf en is een uitgestrekt boschrijk riddergoed. Een heerenhuis staat er niet, maar er is een groote hoeve, door een' rentmeester bewoond, hoofdzakelijk bestaande uit de gebouwen van een voormalig klooster. Het bosch levert een menigte hout en het wild - ook het roode en het zwarte - is er overvloedig, zoodat er van tijd tot tijd belangrijke drijfjagten gehouden worden.

Het duurt niet lang, eer wij de woning van den rentmeester bereiken, maar 't is een fraaije laan, die er heen voert. Heerlijk speelt het licht op den grond, door de takken van hoog en digt geboomte. De slanke dennenstammen gloeijen er en als matgoud vonkelen de geele halmen langs de hooge kanten. Krachtig verlicht zijn de gewitte leemen muren der schilderachtige boerenhut, over wier rieten dak een oude vlierboom zich buigt. Scherp komt het witte paard voor de kar daar in de poort tegen de donkere

[p. 24]

schaduwpartijen uit. Het frische groen van het notenblad straalt ons vrolijk tegen en de grijze muren daar achter zijn half achter hun sierlijke kruinen verborgen. De weg loopt door de poort, over den binnenhof, waar de stallen en schuren tegenover het woonhuis liggen, en voorts door een tweede poort weêr naar buiten. Hier rijzen hooge Italiaansche populieren op bij de brug over de diepe, thans drooge, gracht en een laan van notenboomen klimt langzaam tegen de helling. Daar in de hoogte is 't alles bosch, en hebben wij vooralsnog bouwland en weide nevens ons, die open ruimten zijn toch ook door krachtig houtgewas ingesloten. Diep ingesneden sporen en groeven toonen ons, hoe het water hier kan afstroomen: tallooze grove en fijne grintsteenen zijn blootgewoeld. Hooger en steiler worden de met varens begroeide kanten. Straks zijn wij in het bosch zelf, in het volle groen, onder beuken en eiken, waar oploopende lanen zich verliezen in de digte gewelven, of een doorkijkje openlaten op den blaauwen hemel en de blaauwe bergen aan het einde. Achter ons hebben wij een heerlijk uitzigt op de hooge, begroeide heuvels, tegen wier helling de stationsgebouwen van Dalheim liggen, over den rijken voorgrond met zijn bosschen en velden, door het krachtig geboomte en het forsche bladerendak als in een grootsche lijst gevat. Verder voert ons de boschlaan, al hooger en al dieper in het woud, langs dalkommen vol sierlijks varens, langs hellingen vol slanke, kloeke stammen, in de plegtige stilte, onder de geheimzinnige schaduwen, en de versterkende boschgeur komt ons tegen, waar wij gaan.

Wij naderen den zoom van het woud. Het hout wordt ijler, 't plantsoen wordt jonger. Daar opent zich een schoon verschiet tusschen de met dennen beplante hellingen. Ginds, op dien hoogen, kalen top wacht ons een ruim en heerlijk uitzigt. Dat de zon er brandt op de heide, weerhoudt ons niet, het smalle steenachtige pad naar boven te volgen. Inderdaad, wij beklagen 't ons niet. Hier waait een frissche koelte en hoe uitgestrekt is het panorama, dat wij er genieten! Rondom ons de onmetelijke golvende heide, aan den kant van waar wij kwamen door het donkere bosch begrensd.

[p. 25]

Ginds de spoorbaan langs de groene heuvels. Hier en daar boschjes en akkers, in de verte torens van steden en dorpen op Duitschen en Limburgschen bodem. Witte zandsporen en voetpaden, - eenzame wegen door de woestenij. Blaauwe bergen in 't verschiet. Maar wij mogen niet lang toeven. Ook Vlodrop's station zien wij, maar op zulk een' afstand, dat het veilig is, af te dalen, om niet te laat te komen. Wij weten immers nog niet, hoe in het bosch, dat voor ons ligt, de wegen nog slingeren en afwijken, hoeveel tijd welligt dalen en stijgen nog vorderen kan! De rigting is ons bekend, maar wij zijn geen vogels, die de regte lijn kunnen houden.

Het blijkt, dat wij wel hebben gedaan, den tijd niet al te zeer te beperken. Wij gaan het bosch weêr in en kiezen een' weg, die ons naar ons doel moet voeren. Hier zijn de houthakkers aan den arbeid. 't Geluid der bijlslagen verbreekt de stilte van het woud. De holle weg loopt tamelijk steil naar beneden, maar buigt zich meer dan eens. 't Blijft een heerlijke togt tusschen dennen en eiken, moskanten en varens. Toch worden wij wat haastig voortgejaagd. Nog weinige minuten en de tijd van den trein is gekomen, en daar ginds, nevens ons in het veld, ligt pas het klooster. Wij moeten een' korten weg vinden, een' die regt op het station aanloopt, of de trein ontgaat ons. Zulk een weg is er. Daar ligt de schilderachtige watermolen, met den grooten, helderen vijver en de beek, die het molenrad in beweging brengt, die tevens de grensscheiding tusschen Holland en Duitschland is. De molen staat op Duitsch, de stal op Nederlandsch grondgebied. Over de brug vinden wij een pad door het veld. Maar daar komt ook de trein reeds. Hij snort ons voorbij. Hij houdt stil aan 't station. Nu de voeten gerept! Nu de hitte niet geacht, noch het mulle zand! Wij zijn bij de baan, wij vinden een open hek. De bel luidt, het signaalfluitje geeft het teeken tot vertrek. De wagens komen in beweging. Toch hebben wij 't gewonnen. Niet zonder ons rent het stoompaard voort. Maar 't was in het zweet onzes aanschijns gehaald!

[p. 26]

Wij zijn tijdig in Roermond terug. Aan de goede tafel van den gastvrijen Leeuw hebben wij weêr kracht genoeg vergaderd, om het tweede gedeelte van ons plan ten uitvoer te leggen. Wij gaan naar de fabriek van behangselpapier - gansch iets anders dan het heerlijke bosch! Maar vooraf nog eens ons verkwikt aan den oever van de Roer, de brug eens overgewandeld, de voorstad nog eens bezocht en dan de schreden gewend naar het uitgestrekte gebouw, waar wij iets nieuws en belangrijks verwachten te zien.

 

De ‘Tapeten-Fabrik’ van den heer B. Deuss te Roermond is, voor zoover wij weten, de eenige in ons land en mag derhalve met regt onder de bezienswaardigheden gerekend worden. Ons verzoek om te worden toegelaten, wordt niet alleen bereidwillig toegestaan, maar zelfs ontvangen wij van de beide zonen des eigenaars alle aanwijzingen en inlichtingen, terwijl een hunner ons door alle werkplaatsen rondleidt. Niet onbelangrijk is het, de bewerking gade te slaan, waardoor de bekleedsels van de wanden onzer kamers hun zoozeer verschillende grondkleuren en patronen ontvangen. Het ‘behangsel’ toch speelt in onze tegenwoordige woningen geen geringe rol. Waren oudtijds de zalen der aanzienlijken met tapijten behangen, zooals de naam nog aanduidt, die weelde was maar weinigen veroorloofd. Zelfs in paleizen en burgten vond men in de meeste vertrekken slechts gewitte muren, of den naakten, onbekleeden steen. De gezeten burgers huisden bijna zonder uitzondering tusschen met kalk bepleisterde wanden, al mogt soms de pronkkamer prijken met geborduurd of geweven doek, en de armen hadden niets dan het leem of de planken, waarvan hun hut was opgetrokken. Thans moge hier en daar een wandtapijt, in den vollen zin des woords, de staatsievertrekken der rijken versieren, maar 't ‘papier’ neemt toch nagenoeg overal de voornaamste plaats in. Een vrolijk, zij 't dan ook goedkoop ‘papiertje’ vernieuwt en verfrischt het

[p. 27]

voorkomen onzer geheele woning en de handige huisvrouw uit de volksklasse knapt voor weinige stuivers haar nederig kamertje op, in verband met den vlijtigen echtgenoot, die een verfje op de planken en balken van de zoldering strijkt. Met aller smaak en aller behoefte houdt de fabriek rekening. Hier worden de kostbare behangsels vervaardigd, die 't met figuren bedrukte leder, of het kunstig weefsel, of het smaakvol naaldwerk bedriegelijk nabootsen. Hier vinden wij de gewone soorten van allerlei teekening, die in den regel worden gezocht. Hier zien wij bonte papieren, met bloemen, landschappen, huiselijke tafereelen, waarop de liefhebbers van sprekende kleuren en levendige voorstellingen azen. Tot de geschiedenis der mode zouden de bladzijden van het groote stalenboek der fabriek niet onaardige bijdragen leveren, gelijk zij een' blik vergunnen in den smaak der verschillende landen en gewesten, wier keuze op de zeer uiteenloopende voortbrengsels van dezen tak van nijverheid valt.

De grondstof, die hier bewerkt wordt, is natuurlijk papier- ‘papier sans fin’ - dat in vervaarlijke rollen van bepaalde breedte wordt aangevoerd. De groote kunst is het bereiden van de verschillende kleuren. Tot de belangrijkste gedeelten der fabriek behoort dan ook het laboratorium, dat bepaaldelijk aan een' der zonen is toevertrouwd. Ten deele worden aardverwen - okers en ombers - gebruikt. Maar de meeste kleuren zijn anilinekleuren, die men scheikundig weet te binden aan een vaste stof. Het kleine heiligdom, waar de wetenschap wonderen wrocht, geeft ons merkwaardige dingen te zien. Hier vinden wij ook een machine, die het voor het bewaren van den onmisbaren lijm benoodigde ijs vervaardigt en in een tiental uren 500 k. levert. Door verwarming wordt ammoniakzout vlugtig gemaakt en onder den druk van 12 atmosferen tot een vloeistof gevormd. Drupvormig in de buizen gebragt, ontneemt het aan de atmosfeer de warmte en doet het een koude ontstaan van - 20 o, waarbij het tusschen de buizen aanwezige water bevriest. Later wordt de gebruikte gas naar de machine teruggevoerd, om wederom dienst te doen, zoodat er maar weinig verloren gaat.

[p. 28]

De grondverw wordt op het papier gebragt door een aantal doelmatig geplaatste borstels en aldus regelmatig verdeeld over de geheele oppervlakte der lange rol, die er langzaam door een machine onderdoor wordt getrokken. Vervolgens worden de patronen met alhier vervaardigde lijmverw machinaal of met de hand er op gedrukt. Bij de eerste bewerking loopt de rol tusschen cylinders, geregeld naar het aantal kleuren, dat op het behangsel moet worden aangebragt. Het drukken geschiedt door middel van vilt, in den vereischten vorm door koperen randen gehouden. Dezelfde machine vouwt het gedrukte papier in lange slingers, die verder over de droogmachine getrokken en op rollengte afgesneden worden. Goud en ‘velouté’ wordt eerst voorgedrukt met een taaije kleefstof en komt vervolgens in een kast met raders, waar de stof er over wordt gestrooid en aan de kleefstof hecht. Eindelijk wordt het geplet. Op een bijzondere machine worden de verschillende figuren gedrukt, die geweven stoffen moeten nabootsen en inderdaad verrassende uitkomsten geven. Met groote belangstelling volgen wij den stillen, geregelden gang der werkzaamheden en slaan wij den arbeid der vernuftig uitgedachte werktuigen gade. Ook de ruime magazijnen en pakkamers en de werkplaatsen, waar de noodige hulpmiddelen worden vervaardigd of de machines worden hersteld, houden onze aandacht langen tijd bezig. En wagen wij ons ook in het minst aantrekkelijke gedeelte, - 't lokaal waar de lijm wordt gekookt, - dan is 't ons een dubbele verkwikking, een' blik te werpen in den fraaijen tuin van het aan de fabriek grenzende heerenhuis, met zijn bloeijende heesters, zijn geurende bloemen, zijn hoog geboomte en zijn klaterende fontein.

 

Tusschen een fabriek en een' middeleeuwschen gravenburgt is de afstand groot. Tusschen het moderne leven, door stoommachines en scheikundige laboratoria vertegenwoordigd, en de maatschappelijke toestanden, waarvan de dikke muren en zware

[p. 29]

torens getuigenis geven, ligt een wijde klove. Aan afwisseling ontbrak 't dan ook niet bij ons verblijf te Roermond, dat wij met een bezoek aan het kasteel Horn besluiten. Onze vriendelijke leidsman van vroeger, de heer Musquetier, is ook thans weêr onze gids, door wiens bemiddeling de poorten van het slot zich voor ons openen.

Het dorpje Horn met zijn kasteel ligt niet ver van Roermond, aan de overzijde der Maas. Wij gaan de fraaije ijzeren rivierbrug over en volgen den straatweg op Weert, die tusschen laaggelegen vruchtbare weilanden doorloopt. Verderop wordt de grond iets hooger en bij het dorp vinden wij uitgestrekte boomgaarden, door groene hagen omringd, terwijl op heerlijke weiden prachtig vee zich zelf onbewust ter slagtbank voorbereidt. Te midden van een' rijk begroeiden lusthof verrijst het kasteel, van mergelsteen gebouwd, op een' heuvel. De breede gracht, die vroeger de hoogte beschermde, is thans welig met opgaand hout bewassen. Tusschen acacia's, bruine beuken, tulpenboomen loopt de slotbrug naar boven. De vaste burgt werd sinds lang een vreedzaam woonverblijf.

Toch vertoont zich het hooge poorthuis met zijn' gewelfden doorgang nog krijgshaftig genoeg. Toch spreken de stroeven muren van het hoofdgebouw nog van een' tijd, toen het tegen stormladders en brandpijlen bestand moest zijn. Toch verhaalt de dikke ronde toren en het zware rondeel van dreigende krijgsgevaren, die de versterkingskunst afweren moest. Al werd dan ook de voorgevel van het slot in eenige bijzonderheden veranderd, zooals een afbeelding van het huis in 1740 - in een der kamers bewaard - ons laat zien, nog altijd maakt het een' diepen indruk, omdat het zijn middeleeuwsch karakter in menig opzigt heeft behouden. Zijn wij de poort, waarin de sleuven der oude valdeur nog over zijn, doorgegaan, dan komen wij op een ruim binnenplein, nagenoeg geheel in zijn' oorspronkelijken staat bewaard. Het woonhuis aan onze linkerzijde, door een zijgebouw aan de poort verbonden en met een' kleinen uitspringenden vleugel aan den tegenovergestelden kant, is eenvoudig van stijl, grijsgeel gepleisterd, met drie verdiepingen en een hoog dak. Eigenaardig

[p. 30]

daarentegen is de galerij van twee boven elkander geplaatste rijen bogen, die in een' halven cirkel het overige gedeelte van het burgtplein omringt. De onderste bogen zijn open en geven het uitzigt in het frissche groen van het plantsoen aan den voet van den heuvel, of op het vriendelijk landschap, dat den burgt omringt. De walgang boven de eerste rij heeft door smalle deuren gemeenschap met twee halfronde torens, aan de zijde van het plein regt opgaande. De eene toren grenst aan de poort. Wij vinden er in de kelderverdieping een' ouden bakoven; boven de kelders ligt de slotkapel, met een beschilderd venster; enge steenen trappen voeren naar den walgang en naar de kap, uit wier kleine raamgaten een groot deel van den omtrek is te overzien. De tweede toren verrijst omstreeks het midden van de galerij en pronkt met een sierlijke, zeer hooge spits. In de bovenverdiepingen houden duiven in menigte hun verblijf en tegen den voet is een fraaije serre gebouwd. Waarschijnlijk stond een derde toren nevens het hoofdgebouw, waar de galerij is afgegebroken. Een deurtje bij den eersten boog leidt naar een torentrap, die in den tuin uitkomt.

De tegenwoordige eigenaar en bewoner van Horn, de heer L.H.A. Magné, lid der Gedeputeerde Staten van Limburg, is ongehuwd en heeft maar weinige vertrekken van het groote kasteel in gebruik. De bewoonde kamers liggen gelijkvloers nevens elkander in het hoofdgebouw en den vleugel naast de poort. Zij hebben muren van 2 M. dikte, wat hen niet belet er vrolijk en gezellig uit te zien, en heerlijk is overal het uitzigt uit de ramen in de diepe nissen, zelven reeds kamertjes van niet al te kleinen omvang, waarvan één een juweeltje van een studeercel vormt. In drie der salons zijn antieke spiegeldeuren tegenover elkander, die het vertrek tot in 't oneindige weerkaatsen; overigens vinden wij er een bibliotheekzaal en een biljartzaal en wat verder tot een aanzienlijke woning behoort.

Dit is de stamburgt der graven van Horn, het middelpunt eener overoude heerlijkheid, die een tiental dorpen bevatte en waaraan de erfvoogdij over de landen van Thorn en Neerit-

[p. 31]

ter was verbonden, de zetel van een hoog edel geslacht, dat menig krijgsman voortbragt, in oorlog en veete geducht, en der kerk meer dan één' bisschop leverde. Oorspronkelijk, naar het schijnt, een deel van het graafschap Loon, werd het later als mannelijk leen aan een' tak van het geslacht Altena uitgegeven. Bij het uitsterven van de mannelijke lijn der Loonsche graven, in 1360, kwam het leenheerschap aan den bisschop van Luik. Bisschop Cornelis van Berghen vergunde in 1538 den kinderloozen Heer Johan van Horn over deze zijne heerlijkheid, die in 1450 tot een graafschap verheven was, vrijelijk te beschikken. Zoo kwam Horn bij testament aan zijne weduwe, Anna van Egmond en aan den oudsten zoon uit haar eerste huwelijk, Filips van Montmorency, wiens hoofd op het schavot te Brussel viel. Weinig genot van 't op hem vervallen goed had Filip's erfgenaam, zijn broeder en lotgenoot Floris, de baron van Montigny, die in Spanje gevangen was en in het najaar van 1570 zijn vonnis onderging. Sinds werd het bezit van het graafschap een bron van talrijke protesten en processen. Horn was een mannelijk leen, dat bij ontstentenis van mannelijk oir tot den leenheer - in dit geval de Luiksche kerk - moest terug vallen en het domkapittel erkende de buiten zijn toestemming door bisschop Jan van Berghen gegeven vergunning niet. Bovendien deden de zusters van graaf Filips met hunne echtgenooten en nakomelingen hun regten op de nalatenschap gelden. Eindelijk trad Casper Hoen van der Lip, Heer van Blijenbeek, op met zijn aanspraken, gegrond op de aan hem door Anna van Egmond gedane verpanding. Tot vermeerdering der verwarring kwamen nog andere partijen in 't geschil. Filips' weduwe, Walburg van Nieuwenaar, legateerde het graafschap aan Egmonds dochter Sabina, die 't aan den baron de Cerclair verkocht. Door den bisschop beleend, tot tweemaal toe door 't kapittel verdreven, droeg deze zijn regten over aan de Staten van Holland en dezen op hunne beurt aan Adriaan van Horn, Heer van Kessel. Weinig verkwikkend is dan ook de verdere geschiedenis der heerlijkheid. Door den prins-

[p. 32]

bisschop van Luik in bezit genomen, bleef het graafschap, ook door inlegeringen gedrukt, door binnenlandsche onlusten beroerd, door landloopers en bokkenrijders geplaagd, een twistappel, totdat in 1794 de Fransche overheersching er een einde aan maakte. De verschillende dorpen, onder Horn behoorende, waren vroeger en later als afzonderlijke heerlijkheden vervreemd. Het slot met omliggende landerijen werd als domein verkocht.

Hielden de Hornsche Heeren en graven bij voorkeur hun verblijf op hun huis te Weert, de burgt te Horn was toch de zetel der regering. Daar vergaderden de landsstaten - geestelijkheid, ridderschap en gemeenten. Daar hield het leenhof zijn zittingen. Daar woonde de Hoog-drossaert en daar werden de vonnissen geveld en uitgevoerd.

Rondom den heuvel, die de nog altijd fiere en merkwaardige slotgebouwen draagt, legeren zich de pachthoeven en woningen, de schuren en tuinen van een klein, maar welvarend dorpje. De overoude kerk, wier muurwerk Romeinsche votiefsteenen bevatte, is in 1838 afgebroken en door een nieuw bedehuis vervangen. In een kapel naast den ingang is de grafstede der familie Magné. En werpen wij straks van den straatweg nog een' laatsten blik op het edele huis, dan nemen wij de herinnering mede aan zijn ernstige muren, zijn sterke uit de gracht oprijzende torens, zijn hecht rondeel, gelijk zij daar forsch en krachtig uitkomen tusschen het weelderige groen, dat de helling van den heuvel bekleedt en zich spiegelt in den helderen waterplas aan zijn' voet.

 

Nog dezen zelfden avond brengt ons de spoortrein naar Beek, waar wij in de kleine en eenvoudige, maar nieuwe en nette herberg van den heer Jan Bausch den nacht willen doorbrengen.

[p. t.o. 33]



illustratie
P.A. Schipperus, del.lith
S. Lankhout & Co den Haag


[p. 33]

Wie wat zien wil op een' togt als dezen, moet zoo weinig mogelijk tijd verliezen. Daarom hadden wij de duisternis van den avond gebruikt tot den spoorrid naar Beek, om 's morgens vroeg tot een nieuwe wandeling gereed te zijn. Vooraf hadden wij ons vergewist, dat te Beek logies was te vinden, want daarop valt niet in alle Limburgsche dorpen te rekenen.

Al ontbreken ook ten N. van Beek de heuvels niet geheel, dáár begint toch eerst het eigenlijke bergachtige gedeelte der provincie, en al heeft de landstreek, die wij door sporen, ook ontegenzeggelijk haar belangrijkheid, zoowel door de historische herinneringen, er aan verbonden, als door de gebouwen, er in welstand of in ruïne te vinden, 't wordt tijd, dat wij ons opmaken tot het doorkruisen van andere landschappen, dan waardoor op de beide vorige dagen ons pad ons leidde.

Onze morgenwandeling naar Steijn en Elsloo geeft ons dan ook weêr iets nieuws te zien en brengt ons in een paar zeer eigenaardige en hoogst schilderachtige dorpen, wier omstreken aan natuurschoon rijk zijn. Aanvankelijk is 't een vriendelijke weg, door knoestige peppels, wilgen en eiken omzoomd, langs golvend bouwland, waar blaauwe klokjes op de steile kanten groeijen en alom de drukte van den oogsttijd heerscht. Soms liggen de akkers reeds zóó hoog, dat wij wandelen in holle wegen, in wier ruig bewassen zijden de populierstammen halverwege beneden de eerste takken zijn verborgen. In een heerlijk opgaand zijpad straalt de morgenzon onder een' groenen boog van weelderig gebladert. De grijsgeele mergelgrond tintelt van licht, door koele schaduwpartijen afgewisseld en een kudde schapen, afdalend door het ravijn, komt juist ter regter tijd, om nieuwe bekoorlijkheden te geven aan dit uitnemend fraaije landschapje. Wordt straks de weg meer open, wanneer hij op de hoogvlakte is gestegen, ruime vergezigten over uitgestrekte bouwvelden en in vruchtbare dalen vergoeden ons 't gemis van het lommer. Ook ontbreekt het niet aan 't verkwikkend groen, waartegen het goud van het korenveld afsteekt en het witte huisje krachtig uitkomt. Spoedig komen wij ook weêr in het hout. Tusschen breede greppels en randen van

[p. 34]

kort, maar frisch en geurig gras, waarop een paar omgehouwen boomstammen blinken als brons en paarlemoer, aan weerskanten ingesloten door hooggelegen akkers, loopt de grintweg op een digte en donkere boschpartij aan. Een oud moedertje leidt er langzaam haar kleine, magere, roodbonte ossen, met een van teenen gevlochten muilkorf om den bek, van het bouwland naar den stal. De geduldige dieren bragten den wagen naar den akker en terwijl deze wordt opgeladen, gaan zij een tweede voertuig halen. Of men ‘den dorschenden os zou muilbanden’, als hij hier voor dat werk werd gebruikt, is ons onbekend, maar de trekos is buiten de gelegenheid gesteld, om zijn deel te nemen van het gemaaide koren, wat hem anders, naar zijn uiterlijk te oordeelen, niet onwelkom zou zijn. Het drinken echter wordt hem niet ontzegd. Bij den waterpoel aan den voet van den hoogen wal, door wild opgroeijend struikgewas overwelfd, waar sparren en iepen een koele schaduw spreiden over den weg, laat de vrouw haar beestjes zich verkwikken. Tegen het bosch ligt een huisje met witte muren en rood pannen dak, half in het groen verscholen. Op den akker daarginds gaat de zaaijer heen en weêr, gevolgd door het sterke paard, dat de egge over de voren trekt. Een herder drijft zijn wollig leger naar het stoppelland en langs de golvende heuvels, daar tusschen het hout. En over heel het liefelijk tafereeltje werpt de zon haar' warmen, opwekkenden gloed. Als de bogt van den weg het aan ons oog onttrekt, naderen wij spoedig de eerste huizen van Steijn, eerst op eenigen afstand van elkander gelegen, weldra meer nevens en tegenover elkander langs den weg geschaard. En welke huizen! Twee hoofdtypen laten zich onderscheiden: kleine woningen, meest van ééne verdieping, met een paar ramen aan de straat, en boerenhofsteden, met binnenplein en daaromheen gebouwde schuren. Maar wat oneindige verscheidenheid, wat voortdurende afwisseling! De weg klimt aanhoudend, al is 't ook niet sterk. De mergelsteen van de rots komt overal te voorschijn, onder de muren, tusschen de huizen, of uit den mantel van mos en wilde struiken, die de milde, onbedwongen natuur er over geplooid heeft. Wat weelde-

[p. 35]

righeid van lijnen, wat rijkdom van kleuren en schakeringen in dit zonderling dorp! Hier een reeks van hoeven, met de schuren van leem en vlechtwerk en verweerde mergelblokken rondom de mestvaalt, waar 't wemelt van kippen en varkens. Daar armoedige stulpen, met half ingezakte daken en deuren, waarheen een ruwe trap van opgestapelde steenen leidt. Ginds wat knapper geveltjes, waar het lakmoes den boventoon voert. Straks een flinke pachthof, met sterke, steenen poort, maar verweloos en verwaarloosd als de rest. Elders wonderlijke getimmerten van latten en planken, met mos begroeid en met spichtig gras op het schuine dak. Wat mengeling van wit en geel, van grijs en bruin, van groen en zwart, van blaauw en rood, in alle denkbare nuances. Wat bogtige bemoste rieten daken, wat hellende muren, wat scheve vensters. Wat verwarring van blaauw gekielde boeren, bonte runderen, zwaar getuigde paarden, bloeijende vlierstruiken, sierlijk neerhangende wingerdranken, verwilderde hagen, krachtige esschen, oogstwagens en landbouwwerktuigen, kinderen en huisdieren. Wat overvloed van geestige binnenpleintjes, scherp door het invallend zonlicht verlicht. Wat donkere zijwegen, onder het digte loofgewelf afdalend van de hoogte. Wat blinkende en stralende waterpoelen, waar het vee zijn' dorst komt lesschen. Zeker, wat wij netheid noemen, is schaarsch in Steijn te vinden! Als er welvaart is, dan wordt dat aan de gansche lange dorpsstraat althans niet openbaar. Bij de gedachte, om hier in een van die huizen te wonen, zelfs om in den zomer hier eenigen tijd te vertoeven, zouden wij huiveren. Maar schilderachtig in hooge mate is het wonderlijke dorp. Bij elken voetstap vinden wij een tafereeltje, dat den kunstenaar in verzoeking zou brengen, om er zijn' ezel te plaatsen, of althans zijn schetsboek open te slaan, verrukt over de lijnen en kleuren, die zijn oog hier treffen, waar ieder hoekje een schilderij is en iedere schrede weêr een verrassing bereidt. Wij doorwandelen intusschen vooreerst het dorp nog niet in zijn geheele lengte. Een der diep ingesneden ravijnen brengt ons, in schaduw van hoog geboomte, naar een' weg aan den voet van den berg, waar te

[p. 36]

midden van een' fraaijen lusthof de trotsche bouwval van den ouden burgt zich verheft. Reeds veel vroeger hadden wij dien weg kunnen inslaan, maar tot ons geluk deden wij het niet. Wij zouden dan een goed deel van het dorp hebben gemist. De hooge Heeren van Steijn zagen van de hoofdplaats van hun gebied niet veel, gelijk wij er van beneden niets van bespeuren. Daar ginds op de hoogte lag zij verborgen. Steile hellingen, met dennen begroeid, rijzen hier op nevens den breeden rijweg. Het water uit een' grooten, tamelijk hoog gelegen vijver drijft het rad van een' ouden molen en vormt dan een snelvlietend beekje, dat lustig voortstroomt door de groene weiden daar ginds, waar het vee onder hooge boomen graast. 't Is hier een gansch ander landschap, dan daar boven op den berg! Hier is 't gebied der aristocratie, daar huist de daglooner en de boer. Hier spreekt alles van rijkdom, gelijk daar de harde arbeid voor het dagelijksch brood aller krachten in beslag neemt. Hier is alles zorgvuldig onderhouden; hier is alles, wat tot het heerenhuis behoort, ook van de buitenwereld afgezonderd. Het schoone plantsoen is deels door stevig rasterwerk, deels door een' steenen muur omringd en een oude, sterke poort, met gracht en brug, die het wapenschild der Merodes draagt, is de eenige toegang. Den belangstellenden bezoeker blijft die poort intusschen niet gesloten, te minder, wanneer - zooals nu - de eigenaar der lustplaats met zijn gezin afwezig is. Het witte poortgebouw zelf heeft iets opmerkelijks, minder door zijn' bouwstijl en den lagen, dikken toren, die er bij behoort, al vormt een en ander een' niet onaardig geheel, als wel door de bijzonderheid, dat dit gedeelte van den burgt - van ouds als de middelste of ‘witte’ poort bekend - een leen was van Valkenburg, terwijl de burgt en de vrije rijksheerlijkheid van Steijn overigens in geenen deele aan de leenzaal aldaar onderhoorig was, maar aan de graven van Loon en later aan het bisdom Luik. Binnen de poort ligt de voormalige voorburgt, thans met heesters en opgaand hout, met bloemen en grasperken versierd. De oude grachten zijn tot fraaije vijvers vergraven en een aanzienlijk heerenhuis, een veertig jaren

[p. 37]

geleden gebouwd, prijkt aan een der zijden van het ruime plein. Dit alles is in nieuwen stijl en smaak. Is hier van de vroegere slotgebouwen nog iets over, dan is 't alleen verborgen muurwerk in den grond. Maar op een' begroeiden heuvel rijst nog de sterke ronde hoofdtoren van den burgt, met klimop digt omkranst, omhoog. Aan den voet der hoogte is de slotpoort van mergelsteen nog over, door een' ten deele vervallen halfronden muur aan een' ronden toren van kleinen baksteen verbonden. Het overige is grootendeels in puin gestort en onkenbaar geworden, of met struiken en woekerplanten bedekt. Eenige steenen kogels, die hier liggen, zijn de getuigen uit een' tijd, toen zulke vaste burgten tegen het onbeholpen geschut nog genoegzaam bestand waren. Beklimmen wij de ruïne zelve, dan vinden wij ook hier een rondeel, dat de eene zijde van het binnenplein insloot, terwijl de andere zijde was ingenomen door het gansch verdwenen woonhuis, waarvan enkel de uitgestrekte kelders nog over zijn. De ingang van den grooten toren is ongeveer ter halve hoogte van het hechte gevaarte en thans alleen te bereiken langs een' ijzeren, van buiten aangebragten trap. De muur van gehouwen steen is bij de deur 3 M. dik en heeft, in de vensternissen gemeten, een dikte van 2½ M. In dien muur loopt een gemetselde trap naar het plat, waarboven vroeger een hooge spits zich verhief. Eenig roestig ijzerwerk van de windvaan ligt er nog op, en ruim en heerlijk is er het uitzigt. Behalve een ijzeren vuurplaat in een der torenkamers, die het wapenschild van Luxemburg vertoont en daardoor uit het einde der 17de eeuw afkomstig blijkt, treffen wij geen overblijfsels van huisraad of wapentuig aan, terwijl wij ronddwalen tusschen het puin of de talrijke kelders doorkruisen. Maar in den toren bij de poort wijst men ons, als wij een' steenen trap zijn afgedaald, een zware, gegrendelde deur. Daar achter ligt de donkere, thans voor altijd gesloten gevangenis, waar, zooals men elkander in den omtrek verhaalt, de zoon van een' der Heeren van Steijn zeven jaren was opgesloten, met de schuld van vadermoord op het geweten. Misschien ligt het voorval, dat de grondslag dezer overlevering kan zijn ge-

[p. 38]

weest, niet zóó ver achter ons, als wij bij een dergelijk verhaal wel zouden vermoeden. Den 15den Nov. 1740 waren droevige en schandelijke dingen op den burgt geschied. Terwijl de hooge baron Maurits Willem van Kinsky met zijn gezin en zijn gasten aan tafel zat, had zijn oudste zoon Maurits met bittere verwijten en gruwelijke verwenschingen zijn' vader aangevallen. Op den degen had hij hem geëischt en buiten de eetzaal had hij zelfs zijn rapier tegen hem getrokken, terwijl hij hem met vloeken en lasteringen overlaadde. In den kerker van het slot had echter de woesteling zijn misdaad niet geboet, maar sedert had hij het huis verlaten en als een vagebond had hij met een Joodsche deerne omgezworven, ja zelfs, zooals 't gerucht liep, had hij het Joodsche geloof aangenomen. Bij testament werd deze jonker, die zoozeer zijn geslacht onteerde, door den beleedigden en vergramden vader onterfd.

De baronnen van Kinsky bezaten evenwel de rijksheerlijkheid Steijn niet alleen. Door vererving en verkoop was de baronie sinds lang in handen van zeer verschillende geslachten. Reeds van ouds schijnt zij tweeheerig te zijn geweest. De eerste bezitters, niet onwaarschijnlijk uit de graven van Heinsberg gesproten, hielden de heerlijkheid als een Loonsch leen. Een hunner, Arnold van Steijn, verdreef de kinderen van zijn' broeder Daniël wederregtelijk met geweld uit het slot, maar werd zelf door den leenheer, den bisschop van Luik, van zijn regten ontzet. In 't begin der 15de eeuw was een deel der heerlijkheid in 't bezit der Heeren van de Merwede, later van de graven van Loon-Heinsberg, en door huwelijk van gravin Maria kwam zij aan Jan van Nassau, Heer van Breda, terwijl ook Willem van Brederode, als gehuwd met een dochter der Merwede's, er regten had gehad. De graaf van Nassau verkocht in 1464 de baronie aan Dirk van Bronkhorst. Sedert bleef zij aan verschillende familiën, die door afkomst of huwelijk met dit edel geslacht waren verbonden. Donkere en droevige dagen kwamen. Herman van Bronkhorst, in 1541 met Steijn beleend en in 1556 overleden, had vier zonen: Willem, Karel, Dirk en Gijsbert. De beide

[p. 39]

jongsten stierven den 1sten Junij 1568 te Brussel op het schavot; de oudste, Heer van Steijn en Batenburg, betaalde de mislukte poging om 't benarde Haarlem te ontzetten, in Julij 1573 met zijn leven. De laatste der broeders werd in 1580 te Keulen vermoord. Toen kwam Steijn aan Karels eenigen zoon Maximiliaan, die zich met den koning van Spanje verzoende en de verbeurd verklaarde heerlijkheid terug ontving, maar de zoon zijns zwagers, Boudewijn van Luxemburg, verdreef hem in 1602 van zijn slot. Na zijn' dood ontstonden er zware processen tusschen de Merodes en de Luxemburgs, waarvan de eersten hun aanspraken grondden op hun regten, door het huwelijk van Maximiliaans dochter met Floris de Merode verkregen. Zoo vinden wij Steijn na 1677 van tijd tot tijd bewoond door Joachim Ernst, hertog van Brunswijk, als echtgenoot eener gravin van Merode. In 1689 werd de baron van Kinsky, als echtgenoot van de erfdochter der Luxemburgs, met Steijn beleend. De beide wapens, die wij in den gevel der poort en in de torenkamer vonden, herinneren aan het gemeenschappelijk, maar daarom nog niet vriendschappelijk bezit der beide strijdende familiën. In den loop der vorige eeuw kwam een zesde deel der baronie in handen van den baron van der Marck, aan wien een der van Kinsky's, ter betaling zijner schulden, zijn aandeel had verkocht. Maar ook deze nieuwe mede-eigenaar, die geruimen tijd het kasteel bewoonde, stak diep in schulden, en na velerlei pogingen om zijn verwarde zaken te herstellen, trok hij naar Amerika, terwijl zijn gemalin, een gravin d'Aspremont-Lijnden, in het klooster ging. Na een veelbewogen en avontuurlijk leven keerde hij naar Steijn terug en stierf in 1797 te Maastricht, na zijn regten op de heerlijkheid aan de gravinne van Holberg te hebben verkocht. De Fransche overheersching hief de heerlijke regten der rijksbaronie op. De goederen gingen in andere handen over. Het kasteel viel in puin. Thans vinden wij er een aanzienlijk buitengoed en een' indrukwekkenden bouwval. En zijn niet alle herinneringen aan wat hier is geschied, van verheffenden aard, wie zich het onderzoek van de zeden onzer voorgeslachten ten taak stelt, kan aan

[p. 40]

de geschiedenis der Heeren van Steijn meer dan één belangrijk tafereel ontleenen. Van de regten der vrije rijksheerlijkheid en van de verwikkelingen door het gemeenschappelijk bezit kon een belangwekkende studie worden gemaakt. De namen van een viertal broeders, in den grooten strijd onzes volks betrokken, zijn aan dezen burgt verbonden. De Geuzen hadden er in 1668 hun wapenplaats en edelen van allerlei rang en landaard - avontuurlijke Heeren soms - hebben er gewoond. En wie zich vermeijen wil in de schildering van vorstelijke pracht en militairen luister, die vindt een dankbaar onderwerp in 't bezoek, dat Lodewijk XV in 1746 bragt op het hooge huis, waar hij de gast was van den kranken, nog steeds om het wangedrag zijns zoons verbitterden baron, waar ook de prins-bisschop van Luik, Johan Theodoor van Beijeren, den koning bezocht, en waar een luisterrijke wapenschouwing over de Fransche legers werd gehouden.

 

Langs den grooten vijver voor het kasteel stijgen wij naar de hooggelegen kerk, wier koor en toren, van mergelsteen gebouwd, de teekenen van vrij hoogen ouderdom dragen. De met linden beplante heuvel, waarop het eenvoudige bedehuis staat, daalt hier steil naar beneden, naar het vlakke, groene veld aan den Maasoever. Eiken en esschen langs de helling en aan den voet overschaduwen enkele huisjes van het dorp, maar de overgroote meerderheid der woningen ligt op den berg, en nemen wij van de kerk den terugtogt weêr aan, dan leidt ons de kronkelende weg bij voortduring langs tal van huizen en hoeven, gelijk aan die wij reeds zagen, maar toch over 't algemeen beter onderhouden, naarmate zij digter bij de kerk staan. Vrij wat straten komen wij door, vrij wat zijstraten laten wij liggen, eer wij terugkomen aan den diepen hollen weg, dien wij straks insloegen, om het kasteel te zoeken. Wij dalen er weêr in af, den rijweg langs den voet der hoogte steken wij over, den fraaijen slottuin met zijn waterwerken en zijn sierlijk geboomte houden wij aan onze reg-

[p. 41]

terhand en weldra beklimmen wij het plateau, waar wij in het lommer van eenige eerwaardige iepen en in 't genot van een frissche koelte ons verkwikken met het heerlijk uitzigt, dat zich over het bloeijend Maasdal vóór ons, over de golvende, vruchtbare hoogvlakte nevens ons, over de verre boschrijke valleijen achter ons opent. De statige rivier aan den voet van den steilen berg vormt hier de grens van ons land. Aan de overzijde is het Belgisch grondgebied. Hoogten zien wij daar niet, maar bouwakkers en weiden, met boschjes en kerktorens en de veerhuizen aan den oever, die over Steijn en Elsloo de gemeenschap met Nederland onderhouden. Boven het bosch aan deze zijde rijst de slottoren van Steijn nog als van ouds omhoog, als de wachter die den omtrek overziet, en aan den anderen kant der bogt, door de Maas gevormd, springt het geboomte van Elsloo met het kerktorentje vooruit, als een voorpost, die den stroom bewaakt. Wij kunnen hier langs het diepe karspoor afdalen naar den weg tusschen de rivier en den steilen, loodregt afgegraven bergwand, maar wij rekenen op trotscher en schooner vergezigten, als wij op de hoogte blijven en wij vinden hier dan ook inderdaad een prachtig landschap, terwijl wij den zoom van het plateau volgen. Niet al te digt aan den kant! Het houweel der grintgravers brak de wanden af, tot zij als regte muren naar beneden liepen. Een brok kan loslaten en gij stort hulpeloos in de diepte, of de voet kan uitglijden over het korte, dorre, gladde gras en een val zou noodlottig zijn. Laat u niet misleiden door het voorbeeld der weidende schapen, die zorgeloos langs den rand der steilte het schrale voedsel zoeken, of der dartele lammeren, die, ligt en vlug als zij zijn, zonder gevaar hun halsbrekende sprongen wagen. Gij kunt daarom toch wel den fieren stroom daar beneden den voet der rotsen zien bespoelen en het donkere bosch van Elsloo zich krachtig zien afteekenen tegen de geele hellingen van den helder verlichten bergwand op den voorgrond.

De landstreek herinnert ons aan den Veluwezoom, waar, evenals hier, de rivier zich slingert langs de heuvels, van waar het oog de vlakke, vruchtbare bouwvelden en weiden aan den anderen

[p. 42]

oever overziet, maar de aard van den grond in beide schoone gedeelten onzes vaderlands verschilt genoeg, om hun in lijnen en kleuren een zóó eigenaardig karakter te geven, dat niemand, die zoowel de Veluwsche hoogte als deze Limburgsche Maasoevers zag, hen in zijn herinnering zal verwarren, noch ooit zal meenen, dat het een wel onbezocht kan blijven, omdat het andere hem bekend is. Niet velen intusschen kunnen die vergelijking maken. Tegenover de duizenden, jaar op jaar door de gemakkelijke reisgelegenheid en den welverdienden roem van Arnhems omstreken naar den Gelderschen lusthof gelokt, dwaalt maar een enkel vreemdeling naar dezen uithoek af, om zijn' zwerflust beloond te zien door de ondervinding, dat het goede land zijner inwoning nog vrij wat meer schoons en indrukwekkends heeft aantewijzen, dan de groote menigte, die des zomers uitzwermt, wel weet en vermoedt.

Om in het dorp Elsloo te komen, moeten wij dalen. Een smal voetpad in een diep, wild ravijn, met allerlei struiken begroeid, brengt ons langs stukjes bouwland en kampjes wei, langs stille waterpoeltjes en geele rotskanten te midden der verward dooreengeworpen huizenmassa, die het dorp uitmaakt. Een deel van Elsloo is gebouwd op den vlakken top der rots. Daar vinden wij de nieuwe kerk, met haar' nuffigen toren, wiens vier kleine hoektorentjes zijn versierd met ronde bollen, waarvoor de bouwmeester zeer vernuftig lampenballons schijnt gekozen te hebben. Daar vinden wij ook nog een hoog en stevig brokstuk der oude kerk, van mergelsteen gebouwd. Daar vinden wij de school en een aantal woningen van allerlei vorm en kleur en een menigte open plekken, werven, tuinen, straatjes en wegen. Aan de eene zijde loopt de rotswand steil naar beneden, en zijn wij afgedaald in den diepen, hollen weg, dan zien wij tamelijk hoog boven ons de huizen, aan de steilte hangend of op den rand der rots opgetrokken, en aan de overzijde der zonderlinge straat groote en kleine, grijze en geele huizen, met groene luiken, roode daken, hooge ruwe steenen trappen, tegen de helling van den berg. 't Ziet er hier weêr gansch anders uit, dan in Steijn, maar ook

[p. 43]

hier vormen de afwisselende lijnen en de rijke kleurschakeringen een hoogst schilderachtig geheel, verlevendigd door de kinders, die er spelen en de vrouwtjes, die er bij een bron in de diepte hun wateremmers komen vullen.

Als een dartel sprankje, straks tot een vrolijk beekje gewassen, stroomt het bronwater langs den hoogen muur, die den slottuin afsluit. Niet als de fiere burgttoren van Steijn, overziet het kasteel van Elsloo van een' hoogen heuvel den omtrek. 't Is gebouwd in de vlakte, aan den voet der welig begroeide bergen. Zijn witte muren steken niet onaardig af tegen het groen, dat daarachter de hellingen bedekt en tegen het groote grasperk, dat zich voor het huis uitbreidt, maar het kan in belangrijkheid en schoonheid bij de naburige slotruïne niet halen. Als een vrij groot, maar gewoon huis, met een hoog dak tusschen twee trapgevels, vertoont het niet veel, dat aan den luister van een' overouden ridderburgt herinnert. 't Is trouwens ook geen overblijfsel van het voormalig kasteel der Heeren van Elsloo, wier naam reeds in den aanvang der 13de eeuw met eere wordt genoemd onder de edelen, die ter kruisvaart togen. Hun sterke burgt, die van Brabant in leen werd gehouden, met uitzondering van den aan Valkenburg leenroerigen voorburgt, is door de wateren der Maas verwoest. Thans vloeit de stroom op eenigen afstand van het park en van de huizen aan den voet der hoogte tusschen zijn bruine, scherp afgespoelde zoomen. Vreedzaam en rustig is het landschap aan zijn' oever. Onder het lommer der kastanjes speelt het heldere beekje, dat zich ginds door de groene weiden kronkelt. Vriendelijk komt het brugje met zijn houten leuningen uit onder het groen van eiken, acacia's, wilgen en struikgewas. De poelen en plassen, half met gevelde boomstammen gevuld, sluimeren in de koele schaduw, terwijl het zonlicht helder blinkt op het voetpad tusschen hagen en tuinen, op de roode daken in 't geboomte en op het witte veerhuis aan den overkant der rivier. Ook het oude vrouwtje in haar kleurig gewaad draagt het hare bij tot de kalmte, die dit liefelijk landschap ademt. Maar 's winters golft hier de wilde stroom. Menig huis heeft hij reeds onder-

[p. 44]

mijnd en doen instorten, en gelijk hij den burgt allengs heeft neêrgeworpen, zoo had hij reeds vóór het jaar 1459 de oude kerk, die bij het kasteel stond, ‘weggedreven’. In dat jaar werd een nieuwe kerk met een' kloeken toren op de hoogte gebouwd. De vrijheer van Merode, wiens slot en heerlijkheid Steijn door hetzelfde gevaar werd bedreigd, had dan ook - met toestemming van den toenmaligen baron van Elsloo, wien het regtsgebied over de Maas met de aanwassen hier behoorde - in 1649 zijn grondgebied door het verzwaren van een' dijk trachten te beveiligen.

Reeds lang vóór dat het slot der Heeren van Elsloo zich spiegelde in de wateren der rivier, moet hier een gebouw hebben geprijkt van geen' minderen rang dan een koninklijk paleis. Althans voor Elsloo houden de geleerden 't Aslao, waar koning Lotharius in 860 vertoefde en de Elidione villa, waar Karel de kale in 876 een diploma uitvaardigde. Weinig jaren later, in 883, verscheen Karel de dikke weêr voor de muren, maar thans om zijn onderdanen te bevrijden van nog geduchter vijanden dan de opgeruide golven der Maas. De gevreesde Noormannen hadden zich sedert 881 in ‘Haslon’ gevestigd. Sterke wallen hadden zij er opgeworpen en den buit, op hun verwoestende strooptogten vergaderd, bragten zij er in veiligheid, om telkens weêr op nieuwe ondernemingen uit te gaan. Twaalf dagen lag het leger voor de sterkte, door de keur der Noordsche opperhoofden verdedigd. Toen werden de poorten geopend, deels, omdat, naar men zegt, een geweldig onweêr de wallen had doen instorten, deels, omdat de keizer, zijn gewone staatkunde volgend, de gevreesde overweldigers met geld en gaven had afgekocht. Met tweehonderd schepen verlieten zij de Maasoevers, maar de verwoesting der Fransche kusten en de brand van Deventer bewees, dat noch het verdrag met den keizer, noch de doop, door Godfried ontvangen, noch de vrees voor des keizers legerbenden, hun roofzucht in 't minst had beteugeld.

Naar men verhaalt, wordt nog in onzen tijd in de kerken van Esloo en Steijn des Zondags na de hoogmis het eeuwenoude gebed

[p. 45]

uitgesproken ‘voor de rust der ziel van koning Sanderbout en zijne gemalin Sofia’. Aan dezen Sanderbout - zooals hier in den omtrek keizer Arnulfs basterdzoon Zwentibolt wordt genoemd - moeten beide dorpen hun aandeel in de uitgestrekte, thans grootendeels bebouwde Graatheide te danken hebben. Eens, zoo verhaalt de overlevering, behaagde 't Z.M., die op het kasteel te Born zijn hof hield, te verklaren, dat zooveel dorpen, als een man te paard kon rondrijden terwijl de koning aan den maaltijd zat, tot het bezit en gebruik dier destijds boschrijke heide zouden geregtigd zijn. De man moet kloek gereden hebben - bij Steijn vond hij een versch paard, een' schimmel - en koning Sanderbout moet niet kort hebben getafeld, zooals ieder zien kan, die den ruiter op de kaart nareist. Van Born reed hij over eenige kleinere plaatsen en Sittard tot Munstergeleen, vandaar tot Elsloo en voorts langs den Maasoever over Papenhoven en Holtum, om nog tijdig terug te zijn op het slot. Bij Holtum weigerde een oude vrouw, hem een hek te openen. Daarom werd deze laatste plaats ten eeuwigen dage van 't bezit der heide uitgesloten. Dit geschiedde op het einde der 9de eeuw, kort voor den dood van Zwentibold, die in het jaar 900 bij Susteren sneuvelde en in de fraaije kerk aldaar begraven werd.

Maar wat was de rit van dien man bij de reis van den vromen Wijnand van Elsloo, in de laatste jaren der 12de eeuw! Met eenige dorpsgenooten was hij ter bedevaart naar Jeruzalem gegaan. Zijn makkers aanvaardden op den heiligen Paaschdag den terugtogt. Wijnand wilde op dien dag niet reizen. Den volgenden dag maakte hij zich op. En zie, daar ontmoette hem een ruiter, die hem op het paard nam, en toen de avond daalde was hij te huis. Hun, die hem niet gelooven wilden, voorspelde hij o.a., dat op zijn graf rozen zouden bloeijen en nog moet de pastorietuin te Elsloo, waar zijn gebeente rust, met de schoonste rozen uit den ganschen omtrek prijken.

Voor ons, die slechts beschikken kunnen over de vervoermiddelen, die de natuur den mensch heeft gegeven, wordt het

[p. 46]

tijd, den terugweg naar Beek aan te nemen. De straat langs de rotsen brengt ons weêr buiten het dorp, voorbij allerlei huizen, werkplaatsen, hoeven en tuinen. Bijna zouden wij tot het vermoeden komen, dat hier niet alleen veelvuldig ooft aan de boomen wast, tot roem en voordeel van Elsloo, maar dat ook het bier er groeit. Een huis aan den weg draagt althans het opschrift: ‘de Bierboom.’ Holle wegen en zonderlinge beplante heuveltjes, hooge bouwakkers en schaduwrijke lanen, uitzigten op golvende bergen en vruchtbare velden geven afwisseling langs het pad, dat ons bij den overgang over de spoorbaan brengt. En te Beek wacht ons de overvloedige maaltijd, waarmede wij ons tot onze wandeling over de hoogten naar Valkenburg voorbereiden.

 

Het dorp Beek ligt op eenigen afstand van het station, maar de weg er heen is levendig genoeg, om niet lang te vallen. Er zijn vrij wat huizen langs gebouwd en de landstreek is vruchtbaar en welvarend. Boomgaarden zijn er talrijk en de bouwlanden prijken met overvloedig gewas. Alles ziet er vrolijker en opwekkender uit dan in de dorpen, die wij dezen morgen bezochten. Hoe zorgvuldig is de haag van ceders en beuken om dien tuin bij den ingang van het dorp onderhouden. Hoe helder blinken de muren dier groote hofsteden en dier nette burgerwoningen. Hoe goed voorzien schijnen die winkels. Hoe fraai zijn die heerenhuizen met hun plantsoenen en bloemperken. Wat wij hier zien is zeker niet zoo eigenaardig en veel minder schilderachtig, als wat ons Elsloo en vooral Steijn te aanschouwen gaf, maar op den duur bevredigt het ons toch meer. Behalve door landbouw en ooftteelt, bloeit Beek door een niet onbeteekenende nijverheid en een aantal deftige familiën zijn er gevestigd. De plaats, die een aantal ruime straten heeft, telt dan ook een 1200 inwoners en bezit, behalve een aanzienlijke R.C. kerk, een net bedehuis voor de Protestanten en een synagoge. En is haar voorkomen niet zoo bepaald Limburgsch, als elders doorgaans 't geval is,

[p. 47]

wij vinden er toch ook de aan de landstreek eigene groote pachthoeven, met het ruime plein in het midden. Zelfs zien wij er, met een zeer eigenaardige hangende galerij rondom den binnenhof versierd.

Prijkte het niet ver van hier gelegen Geulle nog met zijn prachtig kasteel, dan zouden wij onzen weg over dit dorp genomen hebben, al ware 't dan ook een omweg geweest. Maar nu dat edele huis, het schoonste, naar men zeide, van de Limburgsche kasteelen, sedert eenige jaren is gesloopt, kiezen wij een nader pad, dat ons vooreerst naar het gehucht Geverik leidt. Even buiten Beek treffen wij een deftig landgoed aan. Het groote geele huis met cour en stallen en een klein torentje uit het dak, ligt een weinig ter zijde van den landweg. Weldoorvoed vee graast in den glooijenden boomgaard nevens de laan, en ruime volières tegenover de poort huisvesten zeldzame hoenders en rijk gekleurde fesanten. De eigenaar, baron de Rosen, onderrigt ons, dat het huis Gillebroek heet en vergunt ons een wandeling door het fraai aangelegde park, waar een heldere waterpartij tusschen uitgestrekte grasperken blinkt en lommerrijke paden tegen de digt begroeide heuvelhellingen opklimmen.

Geverik is een groot en welvarend gehucht, dat zich nagenoeg aan de laatste huizen van Beek aansluit. Het heeft een kerkje en aanzienlijke pachthoeven, waar heden een groote bedrijvigheid heerscht. De oogst is in vollen gang. De hoog geladen wagens rijden in de poorten. De kostbare vracht wordt in de schuren geborgen. De dorschmachines en wanmolens snorren. De rook der locomobile stijgt omhoog. De boeren zijn blijkbaar in hun nopjes. Eén noodigt ons dringend, binnentekomen - zóó dringend, dat wij zeker gaarne zijn uitnoodiging zouden hebben aangenomen en van nabij die vrolijke drukte gadegeslagen, wanneer 's mans opgewondenheid niet blijkbaar een' ietwat verdachten oorsprong had gehad.

Als wij Geverik door zijn, verlaten ons voor een' tijd de groene hagen, de boomgaarden, de bosschen en lanen, de nette huizen en de groote pachthoeven. Wij beklimmen het hooge,

[p. 48]

vlakke plateau, waar onafzienbare korenvelden zich uitstrekken en enkele schaduwlooze landwegen elkander kruisen. Even boven de golvende zee van halmen verheft zich op eenigen afstand aan onze linkerzijde het torentje van Ulestraten. 't Is echter niet eenzaam op de ruime hoogvlakte. Ook hier zijn de maaijers bezig, en de zware karren met hun krachtig voorspan verlevendigen het landschap. Straks, als de oogst van het veld is gehaald, zal 't er stil en doodsch zijn en als hier de herfstwinden gieren en de regen er neerstroomt, dan moet het hier een toonbeeld van verlatenheid zijn.

Na eenigen tijd dalen wij langs een' vriendelijken hollen weg tusschen populieren en wilgen af, om allengs het gehucht Vlieck te naderen. 't Heeft minder huizen en minder inwoners dan Geverik, maar de meeste huizen liggen in een rij langs den weg en daardoor heeft het een tamelijke uitgestrektheid. Ook hier vinden wij de bewijzen van welvaart in het voorkomen der arbeiderswoningen en der hofsteden, vooral op het punt, waar de weg van Ulestraten op Meerssen den onzen ontmoet. Aan geboomte ontbreekt het er niet en de hoogten nevens ons zijn rijk en digt begroeid. Maar wat het afgelegen gehucht vooral opmerkelijk maakt, is het schoone kasteel, het Huis te Vlieck, door den Heer Magné, den broeder van den Heer van Horn, bewoond. Het groote witte huis met de daaraan verbonden oeconomie-gebouwen, die een tweetal binnenpleinen insluiten, ligt met den breeden, modernen voorgevel gekeerd naar een' prachtigen lusthof, waarlangs geruimen tijd de weg ons leidt. De achtergrond wordt gevormd door de berghellingen, met statig hout bewassen, en eene aanmerkelijke waterval stort zich naar beneden in de grootsche waterpartij van het park. Breede paden, sierlijke boomen heestergroepen, veelkleurige bloemperken omringen een groote, ompaalde weide, waar runderen en paarden van edele rassen het goede der aarde op hunne wijze genieten. Drong de tijd ons niet tot voortgaan, wij hadden gaarne den toegang tot dit bekoorlijk buitenverblijf gevraagd, wat ons, naar men verzekerde, door de heuschheid des eigenaars niet zou zijn geweigerd. Nu moeten wij

[p. 49]

ons daarvan spenen, tevreden, dat het ijzeren hek op den lagen steenen muur althans het vrije gezigt over het geheel vergunt.

Boven de toppen der boomen op den berg steekt een steenen toren uit, alsof 't de wachttoren ware van een' ridderburgt, die daar boven op de mergelrots troont, of liever nog, als een dier geheimzinnige, smalle, vensterlooze gebouwen, die in Engeland eeuwen geleden voor eene overoude eeredienst werden gebezigd. Wij behoeven er echter dergelijke romantische herinneringen niet aan te verbinden. Met de offerplegtigheden van heidensche voorvaderen, noch met den zetel van een middeleeuwsch riddergeslacht heeft dit gevaarte iets gemeen. 't Is eenvoudig een fabriekschoorsteen, daar gebouwd, om beter te ‘trekken’, thans in ruste, want de fabriek zelve is gesloopt. Eenige arbeiderswoningen, die er bij behoorden, vinden wij op de open ruimte, waarover het zijpad naar Raar zich van den weg op Meerssen afbuigt. Wij volgen het langs den rand van den berg, door een bosch- en waterrijke landstreek. Het ruime uitzigt op de blaauwe, golvende hoogten, achter elkander oprijzend in de verte, verliezen wij, maar andere schoonheden komen daarvoor in de plaats. Talrijke bronnen ontspringen in de begroeide hellingen; kleine watersprankjes blinken tusschen het malsche gras en kruisen ons pad, om zich te vereenigen met het beekje, dat nevens ons voortbruist. In het dal liggen korenvelden en weiden, met boschjes en verspreide boomen bezaaid. Enkele roode daken wijzen in dit eenzaam oord de ver uiteengelegen woonplaatsen van menschen aan. Dennen met uitstekende en overhangende wortels klimmen tegen de heuvels op. Esschen en populieren vormen een groene laan, onder wier gewelf wij voortwandelen. 't Is een vreemd en wild landschap, dat wel den arbeid der menschenhand verraadt, maar toch den indruk geeft van niet meer - welligt nog iets minder - dan de eerste en meest onmisbare zorg aan ontginning en beheersching besteed. De natuur blijkt er mild en weelderig genoeg, maar zij schijnt hier te veel aan zich zelve overgelaten, om de vruchten te geven, die zij voortbrengen kon. Wij danken daaraan intusschen een aantal fraaije land- en boschge-

[p. 50]

zigten. Zoo komen wij in het gehucht Waterval. Van de twintig huizen, die het gehucht moet bezitten, zien wij er drie, - een pachthoeve en een paar vervallen, armoedige hutten. Van de ruim honderd inwoners die er leven, ontwaren wij er twee - een oud, stokdoof man, die ons wezenloos aanstaart en een bejaarde, in lompen gehulde vrouw, die het mag zegenen, dat zij in de 19de eeuw leeft. In de dagen der heksenprocessen zou zij den vuurdood niet zijn ontgaan. Haar welwillendheid verdient dan ook beter lot. Onder hevig geschreeuw en met de heftigste gesticulaties vergezelt zij ons door de drassige weide, over een paar vonders, - over de beek geworpen boomstammen, - en door het digte kreupelhout naar den voet der hoogte, waartegen het smalle, steile pad naar Raar opklimt. ‘Daar, daar, daar,’ gilt zij, terwijl de dreigend uitgestoken vinger het pad aanwijst en de magere, gebruinde voorarm rusteloos heen en weêr vliegt. Wie haar zóó had gezien, zou gemeend hebben, dat de bitterste haat zich in de hartstogtelijkste vervloeking lucht gaf. Toch wijst ze ons eenvoudig den weg. Hoe zou het zijn, als zij eens werkelijk in ziedende drift was ontstoken! Daar tintelt zuidelijk bloed in die dochter van Limburg! Of die doove, suffe man is haar echtvriend, en deze blakende opgewondenheid heeft zij geleerd door de behoefte om zich door hem te doen verstaan.

Meer dan een pad voor maaijers is het wegje niet. Maar 't is veel nader, dan de groote weg, en terwijl wij opstijgen, langs hagen en eikenwallen, tusschen weilanden en akkers, worden wij op prachtige vergezigten vergast. Een donker, glooijend bosch bedekt de vallei nevens ons en daarachter legeren zich bebouwde hoogvlakten, door breede, ten deele zigtbare dalen van elkander gescheiden. Blaauwe bergen in het verschiet teekenen hun krachtige tinten tegen den helderen hemel af, en hoog op een' der heuvelen schitteren de witte muren van een groot landhuis of klooster, met een' toren uit het dak, in den gloed der dalende zon. De ernstige schoonheid van het berglandschap, zooals dit gedeelte van Limburg er zoovelen heeft aantebieden, ontrolt zich voor ons oog, totdat een lange muur ter eene, een boomgaard ter andere zijde ons alle

[p. 51]

uitzigt benemen. Nu nog een steile klim - gelukkig, dat het voetpad droog is, anders was er geen doorkomen aan! Wij zijn te Raar, midden in het hooggelegen gehucht, dat aan weerskanten van den kunstweg van Meerssen op Nuth en Amstenrade is gebouwd. Groot is het niet, maar het ziet er tamelijk net en welvarend uit. Wij vinden er flinke pachthoeven, enkele buitenverblijven en een groot landhuis, dat met zijn stallen en oeconomie-gebouwen aan drie zijden een' fraaijen tuin insluit, terwijl de voorkant van dien lusthof door een ijzeren hek aan den weg voor onbescheiden indringers is beveiligd. Hier zijn wij weêr in de bewoonde wereld. Hier wandelen dames in elegante zomertoiletten; hier is in een winkeltje, waar ‘van alles’ te koop is, ook ‘oud-Maastrichts’ te bekomen, niet onwelkom na de wandeling op den zomermiddag. Hier wijst men ons ook het voetpad naar het Geuledal.

't Gaat door een' boomgaard en over weilanden omlaag; 't gaat langs een neêrstroomend beekje, door duizende wilde bloemen omzoomd, en langs met hoog hout begroeide of met koren bewassen berghellingen. Tegenover ons rijst de torenspits van Bergh boven de rotswanden aan de overzijde van 't riviertje. Beneden ons komen de boomgroepen en de witte huizen van Houthem en St. Gerlach en de frissche groene weiden van het bloeijend dal in 't gezigt. Nevens ons treedt het hooge kerkdak van Meerssen op eenigen afstand te voorschijn, en daarachter golven de sierlijke lijnen der wijkende bergen. 't Is een rijk en heerlijk landschap, ons te liever, om de vriendelijke herinneringen, door die bekende namen en plaatsen bij ons verlevendigd. Wij gaan de spoorbaan over en wij komen op den grooten weg tusschen Valkenburg en Maastricht in het levendige, uitgestrekte Houthem, met zijn talrijke buitenverblijven. Een' blik op den watermolen van de Geule en op den waterval bij de brug verzuimen wij niet. Aan den voet der steile rotsen, in wier grotten een deel van Geulems bevolking woont en waar donkere openingen de ingangen der aloude steengroeven aanwijzen, volgen wij de snelstroomende rivier, om straks het smalle, glibberige

[p. 52]

bergpad te bestijgen, dat ons wel van den stroom verwijdert, maar toch niet zoover, of wij kunnen beneden ons zijn kronkelende wateren zien vlieten door de weiden achter het kasteel. En als eindelijk de weg zich afwendt van de Geule, om tusschen hooge stammen en voorbij geele en graauwe rotswanden, met struiken en klimplanten getooid, langs de meelfabriek en villa's en nederige wonigen voort te loopen, dan brengt het ons ter plaatse onzer bestemming. Door de oude Grendelpoort treden wij Valkenburg binnen.

 

Onder de fraaije dorpen en de schoone landschappen, die uit Valkenburg zonder overgroote inspanning zijn te bezoeken, mogen Wijlré en Gulpen met hunne omstreken worden genoemd. Maakt men van de spoorbaan gebruik, dan is de togt zelfs zeer gemakkelijk, want beide dorpen liggen digt bij elkander en het eerste heeft een station. Tijd en kracht kan dus gespaard worden voor de wandeling in dien omtrek, en wie alles goed wil zien, die kan daar zoowel van het een als van het ander genoeg gebruiken. Maar wie, als wij, gaarne ook de binnenwegen en voetpaden leert kennen, doet wel, wanneer hij den weg naar Wijlré over den Keutenberg neemt. De eerste morgen van ons verblijf in Valkenburg mag gewijd zijn aan de ruïne, bij wier sombere muren wij weêr het heerlijk uitzigt genieten; de middag vindt ons op den breeden grintweg, die naar Oud-Valkenburg leidt. Tot dusver is die weg ons bekend. Het kasteel Oost aan de overzijde der Geule, de Schaesberg met zijn bosch en zi