terug  begin  verderprepost
[p. 321]

Eenige togtjes in Friesland.

Wij zijn reeds geen vreemdelingen meer in de belangwekkende provincie, met wier naam voor eeuwen een groot gedeelte van ons tegenwoordig vaderland werd genoemd. De prachtige bosschen in den omtrek van Beetsterzwaag hebben wij doorkruist. Bloeijende vlekken en dorpen, die aan het nederig maar nuttig werk der verveening hun ontstaan te danken hebben, leerden wij kennen. Onafzienbare weiden en vette kleilanden hebben wij gezien, waar vroeger wilde wouden groeiden, of de Middelzee golfde. Over groote meeren en door lange, stille vaarten droeg ons stoomboot of zeilschip en in geheimzinnige, tusschen riet en biezen verscholen plassen zagen wij het gloeijend avondrood of fantastisch gevormde wolkgevaarten zich spiegelen. Welvarende boerderijen, nette buitenverblijven, deftige landgoederen kwamen wij voorbij, en enkele ‘Staten’, eertijds door edele geslachten bewoond, hebben wij bezocht. Van overoude dorpskerken vonden wij nog velen gespaard. Sommige eigenaardigheden uit het volksleven ontgingen ons daarbij niet. Het spreekt echter van zelf, dat daarmede de stof nog op verre na niet is uitgeput. Slechts enkele streken van het gewest werden door ons bezocht

[p. 322]

en wij zouden Friesland onregt doen, wanneer wij de heuvels van Gaasterland en de liefelijke boschpartijen van het Oranjewoud onvermeld lieten en niet op nog andere fraaije punten de aandacht vestigden. De Friezen dragen daar roem op en zij mogen met billijken trots er op wijzen, wanneer de vreemdeling beweert, dat de Friesche bodem vruchtbaar moge zijn, maar natuurschoon er vruchteloos is te zoeken. Bij het vele schoone en merkwaardige, dat ons elders in onze landpalen wordt aangeboden, leidde onze weg ons in den laatsten tijd door andere provinciën. 't Wordt tijd, dat wij ter afwisseling weêr eens den voet zetten op het grondgebied van een der Noordelijke gewesten.

't Moet eerlijk worden erkend, dat niet enkel het vele, dat elders onze opmerkzaamheid vroeg, ons tamelijk lang uit Friesland verwijderd hield. Wij zijn wat verwend - wij stelden wat uit. 't Is nog altijd de oude klagt, dat Friesland zoo arm is aan behoorlijke reisgelegenheden. Weinig of niets is er nog veranderd, sedert wij er de laatste keer vertoefden. 't Heeft wat in, eer een reisplan kan worden gemaakt, dat in den minst mogelijken tijd het meest mogelijke voordeel belooft! De spoorbaan kan ons maar voor zeer enkele gedeelten dienen. Overigens - er varen stoombooten, maar niet elken dag. Bij uw berekening moet gij wel in het oog houden, waar en wanneer het marktdag is. Daar is een boot, die u te pas komt. Rigting, tijd van vertrek en aankomst, alles is naar wensch. Alleen, gij wenscht Maandag te reizen en deze vaart Dinsdag. Gij meent het nu toch gevonden te hebben. Een schuit, die van A. naar B. vaart, hebt gij ontdekt. Deze legt ten 10 uur bij C. aan; spoort gij met den eersten trein tot D. - stel het gunstige geval, dat gij niet te ver van een station vertoeft, om dien trein te halen - dan kunt gij naar C. wandelen en de schuit opvangen. Maar gij zijt eerst half tien in D. en de afstand is een uur gaans, zooals u, na tal van vragen en nasporingen, blijkt. Gij hebt een andere gelegenheid opgespoord. Bij het aanbreken van den dag is er een bootje naar een marktplaats. Gij moet nu wel een' nacht in de plaats van vertrek logeren, maar dat hebt gij er voor over; gelukkig hoort gij nog bij tijds,

[p. 323]

dat het water in de vaart buitengewoon laag is en uw aankomst ligt een paar uur kan worden vertraagd. In dat geval mist gij de aansluiting, die gij noodig hebt om verder te komen. Daar rijden ook wagens. Om billijk te zijn, moet erkend worden, dat niet allen uit den tijd der Schieringers en Vetkoopers afkomstig zijn en sommige paarden iets beter, dan die de ‘Illustrateur’ in no. 46 van het tijdschrift Eigen Haard voor 1881 heeft afgebeeld - naar het leven, voor zoover er in die viervoeters nog van leven sprake is. Maar deze wagens - aangenomen dat zij niet op onmogelijke uren vertrekken - brengen u slechts een eind weegs, en van hun eindstation resten u vaak nog eenige uren afstands, die gij, òf wandelend langs een' eentoonigen weg, òf gezeten in een duur huurrijtuig kunt afleggen. Verkiest gij het laatste niet, dan verliest gij uw' besten tijd. Maakt gij van eigen rijtuig gebruik, laat dan uw geldbeurs welgevuld zijn!

Wij stelden wat uit. Immers, herhaaldelijk berigtten de dagbladen, dat er ontwerpen waren gemaakt en concessiën waren verkregen voor gewone of buurtspoorwegen, en later vond men meêgedeeld, dat Friesland nu zeker eerstdaags zou gaan deelen in de zegeningen der ‘trams’. Als die er snorden langs de wegen, dan waren de grootste bezwaren van het reizen in die provincie weggenomen. Nog slechts een jaartje geduld! Maar jaar op jaar verstreek. Eén tramlijn kwam intusschen - die van Dockum naar 't station Veenwouden. 't Vervolg dier lijn tot het station Heerenveen is in aanleg. Maar voor ons doel zijn wij daarmede weinig gebaat, en eer de beloofde en verwachte rails gelegd zijn naar de streken, die wij bezoeken willen, geniet onze wandelstaf welligt reeds de eervolle rust. De boeren, die in de gemeenteraden zitting hebben, zijn in den regel niet vóór de tram, allerminst vóór de stoomtram. Zij hebben er weinig behoefte aan, daar zij paard en wagen hebben. Zij zijn om de wille hunner paarden er niet zelden doodelijk bevreesd voor. 't Is ook niet te ontkennen, dat de dikwijls zeer smalle grintwegen tusschen twee slooten, het gebruik van het vervoermiddel van den nieuwen tijd hier aanmerkelijk belemmeren en daardoor nog vrij wat tegenstand overwonnen zal

[p. 324]

moeten worden, eer overal de vereischte vergunning verkregen is.

Daar is echter een reden, waarom wij niet langer ons bezoek in Friesland willen uitstellen. Blijft het daar vaak bij het oude, de overblijfselen uit den ouden tijd staan er aan dezelfde gevaren bloot als elders in ons vaderland.

In het voorjaar van 1881 verspreidde zich het gerucht, dat een der laatste ouderwetsche heerenhuizen - zoo niet het eenige, dat nog over was - zou worden verkocht en gesloopt. Wiardastate te Goutum bij Leeuwarden was ten ondergang gewijd. Dat werd door velen in den lande met groot leedwezen vernomen. Men wist, dat het slot nog in zijn' ouden toestand was bewaard en een belangrijke verzameling antieke meubels, familieportretten en kunstvoorwerpen binnen zijn eerwaardige muren werd gevonden. Maar ook het gebouw zelf gold om ouderdom en bouwstijl als een merkwaardigheid. Niet enkel de Friezen roemden het. Ook de man, die zich zoo verdienstelijk heeft gemaakt door het schetsen van Oud Nederland in zijn burgten en kasteelen, ruimde in zijne verzameling aan dit huis de tweede plaats, onmiddellijk na den Brederode, in. Henri Havard, die 't op zijn reize langs de bedreigde grenzen bezocht, spreekt er met ingenomenheid van. Op 't berigt van de voorgenomen slooping liet de Kunstbode van Julij in een paar nummers zijn waarschuwende stem hooren, opdat zulk een merkwaardig gebouw toch zou worden gespaard. De gelegenheid mogt dan ook niet verzuimd worden, om Wiardastate nog te gaan bezigtigen, eer het vonnis voltrokken was. Voor een zooveel mogelijk juiste voorstelling van het leven onzer voorvaderen is het noodig, ook hun woningen te leeren kennen. Waar en hoe leefde de Friesche adel in den bloeitijd van hunnen éens zoo veel vermogenden en invloedrijken stand? Wiardastate was nagenoeg het eenige huis, dat bijdragen van groote beteekenis daartoe leveren kon, want al is Friesland aan overoude kerken rijk, de woningen zijner edelen, die een paar honderd jaren tellen, zijn er hoogst zeldzaam geworden en zelfs uit de 15de eeuw dagteekent nog een gedeelte van dit gebouw. Reden

[p. 325]

genoeg, om ons optemaken terwijl het nog tijd is en, getrouw aan ons programma, ook dit verdwijnend gedenkstuk voor de vergetelheid te helpen bewaren.

 

Op een goed halfuur afstand van Leeuwarden ligt het dorpje Goutum. De straatweg op Zwolle blijft er eenige minuten van verwijderd, evenals van het aanzienlijk Huizum en het bloeijend Wirdum, die in ééne lijn nagenoeg evenwijdig met den grooten weg liggen. Men zou zeggen, dat bij den aanleg van dien weg in 1827 de dorpen opzettelijk waren vermeden. Een blik op de oude kaarten leert echter, dat de oude rijweg werd behouden en deze liep over den kruin van den dijk, die eertijds dit gedeelte van Oostergoo tegen de golven van de Middelzee beschermde. Wij vinden dan ook ter linkerzijde van den weg een aantal dorpen met hun kerktorens verspreid. Dat zijn de van ouds bewoonde plaatsen binnensdijks. Ter regterhand zien wij een uitgestrekte vlakte, waarboven eerst op grooten afstand een reeks van torens oprijst, allen binnen den ouden zeedijk van Westergoo. Wat daar tusschen ligt behoorde eens tot den grooten zeearm, die diep in Friesland doordrong en er, naar den aard van zulke wateren, voorspoed zoowel als verwoesting bragt.

 

Om van Leeuwarden naar Goutum te gaan, behoeven wij Huizum niet aan te doen. Toch beginnen wij daar onzen togt tengevolge van een dier eigenaardige teleurstellingen, aan het reizen in Friesland verbonden, die nu allengs, naar wij hopen, zullen gaan behooren tot de dingen die voorbij zijn en waarvan het niet jammer is, als zij zijn voorbijgegaan. Het plan is na lang wikken en wegen vastgesteld. De boot van Dragten zal ons langs 't ons reeds bekende vaarwater tot Leeuwarden brengen.

[p. 326]

Wij komen daar vroeg genoeg, om naar Wiardastate te wandelen, den noodigen tijd aan de bezigtiging daarvan te wijden en bij tijds te Wirdum te zijn, waar wij een' reisgenoot bescheiden hebben. Den middagtrein naar Heerenveen mogen wij, in verband met andere plannen, niet missen, maar wij hebben ook naar onze berekening eenige uren tot onze beschikking.

Hoe vaart de boot zoo langzaam! Wees tevreden, dat zij ten minste nog vaart. Straks ligt zij stil. Het water in de vaart is buitengewoon laag. Groote omzigtigheid is noodig, om de droogten te vermijden en als een zwaar geladen turftjalk het vaarwater verspert, dan moet deze hinderpaal eerst met mannenmagt uit den weg geruimd, of wij raken zelven hopeloos vast in den modder. In de ruimte, op de plassen en meeren, gaat het sneller vooruit. Maar reeds vrij wat tijd is er verloren. Digt bij de hoofdstad is 't weer sukkelen. De boot kruipt langs de oevers, die hooge wallen van glimmend slib vertoonen. - Een dier slijkpoelen is de zwemplaats van het Leeuwarder garnizoen. De jongens van het zooveelste regiment infanterie behoeven althans niet naar Bentheim te gaan, om er genezing in het modderbad te zoeken! - Tergend lang hebben wij den dikken steenklomp van Oldehove in 't gezigt. En de vaart in die rigting ligt vol schepen. Mast aan mast daar vóór ons voorspelt, dat het ‘halve kracht’ vrij wat meer dan ons lief is, door ‘stoppen’ zal worden afgewisseld. De autoriteiten aan boord spreken het niet tegen. Zij durven zelfs geen gissing wagen omtrent den tijd, waarop wij zullen aankomen. Ons welberaamd plan dreigt in duigen te vallen. De uren, waarop wij gerekend hadden, zijn reeds onrustbarend ingekort. Een kort besluit moet genomen. Wij zijn op de hoogte van Huizum. Een vastgeraakte tjalk heeft een schuit. Den schipper roepen wij aan. Haastig dalen wij af in het vaartuigje, dat ons op een weiland aan wal zet. Eenigermate hebben wij daardoor onze schade ingehaald. Wij zijn nu ten minste op den vasten wal en op weg. Wèl leidt ons nu die weg aanvankelijk op het erf der pastorie, maar de vriendelijkheid der bewoners weigert aan de onwillekeurige indringers door-

[p. 327]

togt en inlichtingen niet. Wij hebben nu tevens gelegenheid, het welvarende dorp te leeren kennen, dat door de buurt ‘de Schrans’ met Leeuwarden is verbonden en van ouds door de bewoners der hoofdstad druk werd bezocht.

Huizum bestaat uit drie hoofddeelen. De kerkbuurt is digt ineen gebouwd, met enge straten, waartusschen een smalle vaart naauwelijks ruimte vindt. 't Is een aardige mengeling van huizen, tuintjes, brugjes, lindeboomen en schilderachtige achtergevels, met bijgebouwtjes en uitstekken. De groote geportlande kerk ligt op een ruim, van linden omringd kerkhof, waar in vroeger tijd tal van deftige familiën uit Leeuwarden hun laatste rustplaats kozen. Hoog rijst de stevige toren, van zware moppen gemetseld, op. Naar Friesch gebruik heeft hij een gewoon huisdak tusschen twee brandgevels. In de kerkbuurt vinden wij ook het Armengesticht.

Het tweede gedeelte van Huizum is het Huizumerpad, tusschen de kerkbuurt en den straatweg. Ten behoeve der wandelaars was er reeds voor lang een steenen voetpad gelegd, geen weelde in het kleiland! Een lindenlaan vormt er een lommerrijk berceau en aan weerszijde zijn er nette huizen, door groote tuinen en vruchtbare moezerijen afgewisseld. Huizum heet ‘de moestuin van Leeuwarden.’ Het nieuw en vrij aanzienlijk landhuis Rustoord versiert dit gedeelte van het dorp.

Op den hoek van het pad ligt het uitgestrekte plantsoen van Sixmastate, met het huis naar den straatweg gekeerd, in een' rijken aanleg vol bloemen, heesters en opgaand hout. Hier begint - of eindigt - ook de Schrans, het derde deel van Huizum, een breede straat met nette huizen in het groen van iepen en linden, waar tusschen de straatweg doorloopt en die aldus een voorstad van Leeuwarden vormt.

Even als zoovele Friesche dorpen had ook Huizum in vroeger eeuwen een aantal adellijke huizen, de woonplaatsen van onrustige en krijgshaftige edelen. Zij zijn allen gesloopt. 't Voornaamste was Abbingastate, thans een fabriek, wier hooge schoorsteen wij reeds lang hadden gezien en nog lang boven het vlakke veld

[p. 328]

zullen zien oprijzen. De ouderen van dagen hebben het heerenhuis nog als een uitspanning gekend, want het is eerst in 1837 afgebroken. 't Was het stamhuis der Abbinga's, een oud en wakker geslacht, dat ook een' der onderteekenaars van het Verbond der edelen leverde, maar toen hier niet meer gevestigd was. In dien tijd behoorde het aan Epo Douma, mede een der verbonden Edelen, door Alva gebannen, na zijn' terugkeer ijverend voor de aansluiting van Friesland aan de Unie van Utrecht, tegen de landvoogden Aremberg en Rennenberg kloekmoedig optredend in 't belang van zijn gewest. In de kerk te Huizum ligt hij begraven, met zijn echtgenoote, een dochter uit den vermaarden stam der Burmania's, die destijds op het tegenwoordige Sixmastate woonde. Ook haar vader Gemme komt onder de verbonden edelen voor. Dekema- en Bootsmastate worden voorts onder de heerenhuizen van Huizum genoemd, en vóór eeuwen stond er de sterke stins van den Schieringer edelman Schelte Sytjama, die in 1492 werd nedergeworpen.

 

Aan den straatweg liggen een paar nieuwe huizen met tuinen, door rijk versierde en bontgekleurde ijzeren hekken afgesloten, de opvolgers der aloude staten, door rustende landbouwers bewoond. Ook vinden wij er een paar boerderijen en enkele zijwegen, aan wier ingang handwijzers, die de namen dragen van Teerns en Hempens, waar wij niet wezen moeten, en van Boxum, dat gansch uit onze rigting zou liggen. Spoedig wijst ons een dier stomme gedienstige geesten naar Goutum en zegt ons verder, dat wij langs dezen weg ook naar Warga kunnen komen. De torens van al die dorpen en van vrij wat anderen nog, zien wij duidelijk, want het land is vlak en de zon verlicht hen scherp. Ook het kasteeltorentje kunnen wij gemakkelijk onderscheiden tusschen het groen, dat Wiardestate omringt. Maar het meest van alles blinkt een groot, roomkleurig huis, dat ons weldra blijkt de pastorie van Goutum te zijn. Goutums

[p. t.o. 329]



illustratie
P.A. Schipperus, del.lith
S. Lankhout & Co den Haag


[p. 329]

kerktoren heeft denzelfden vorm als die van Huizum, maar is kleiner, gelijk het dorp vrij wat kleiner is.

De ‘state’ ligt aan deze zijde, d.i. aan de W. zijde van de kerk en van het dorp, waaraan zijn met iepen beplante singel onmiddellijk grenst. Nog staat het huis ongeschonden, maar de tuinman, bij wien wij den sleutel vragen, berigt ons tot onze teleurstelling, dat alle oudheden en meubelen reeds zijn weggevoerd en alleen de behangsels in twee zalen nog overig zijn. Tevens verhaalt hij ons, dat het slot voor afbraak is verkocht, maar de poort gespaard zal blijven. Wij komen dus deels nog vroeg genoeg, deels reeds te laat.

Wiardastate vormt met zijn poort, zijn ruim voorplein, zijn' bloemtuin, zijn bouwschuur en stalling een deftig en indrukwekkend geheel, door een breede gracht omringd. Het huis bestaat uit twee hoofddeelen, van verschillenden stijl. 't Voornaamste is het zoogenaamde ‘groot huis,’ een forsch gebouw met hoog dak en puntgevels aan beide zijden. 't Heeft twee rijen zeer smalle vensters, op de bovenverdieping tien in getal. In het midden is de deur, met vier vensters aan iederen kant en de wapens van Sixtus van Eminga en Rienk van Galama, die het hebben gebouwd. Dezelfde echtgenooten stichtten in 1636 de poort, waarboven zij evenzeer hun namen en wapens plaatsten. De groene bladeren van een' weligen wingert slingeren zich vriendelijk langs de graauwe muren. Boven het dak, juist in het midden, steekt het achtkantig torentje uit. Het W. gedeelte is veel nieuwer. Behalve de deur, met het jaartal 1683 en de wapens van Eminga en Ornia, heeft dit aanbouwsel door zijn groote ruiten een vrij modern voorkomen. Het is dan ook herhaaldelijk vernieuwd naar de behoeften der bewoners, die hier doorgaans huisden.

De achtergevel is onregelmatiger en daardoor schilderachtiger. Daar is het oude beter bewaard in trapgevels, ijzeren muurankers, ongelijk geplaatste vensters van verschillende grootte en uitspringende hoeken. Een klein bestraat terras, uit de gracht opgemetseld en hier en daar met struiken begroeid, loopt langs den achterkant van het gebouw. Van een' lagen vierkanten toren op

[p. 330]

den N.O. hoek, op vroegere afbeeldingen voorkomende, zien wij niets meer. Het muurwerk van het uitspringende gedeelte, dat tegen het ‘groot huis’ is gebouwd, moet dagteekenen uit den tijd van Sjoerd Wiarda, potestaat over Oostergoo, die in 1404 dit huis bewoonde. 't Is van groote Friesche moppen opgetrokken, maar vertoont overigens geen duidelijke blijken van dien hoogen ouderdom.

Inwendig heeft het ‘groot huis’ aan beide zijden der vestibule een ruime zaal met vier vensters. Die aan de regterhand, ‘de antichambre’ genoemd, heeft een zoldering met rood en goud geschilderde balken en is behangen met gobelins, wier kleuren reeds vrij wat geleden hebben. In de andere zaal vinden wij een goudleeren behang, vol bolle figuren: apen, papegaaijen, kinderen, bloemen en andere ornamenten. Boven den schoorsteen bleef een oude schilderij over. Achter de ‘antichambre’, in het oudste gedeelte van het huis, is een groote ‘danszaal’, met twee ramen en een prachtig gestucadoord plafond. Tjepke Tiberius van Eminga, die het ‘nieuwe huis’ in 1683 liet bouwen, heeft ook dit kunstwerk doen vervaardigen. Hij was in zijn' tijd een zeer kunstlievend man, die uit Italië menig schilderstuk medebragt en ook de uitnemend schoone kast, die op de tentoonstelling te Leeuwarden aller aandacht trok, had aangekocht.

Tegenover de voordeur, aan het einde der vestibule, is de trap naar de bovenverdieping van het ‘groothuis’. In het midden is een kamertje, de ‘pastoorskamer’, en daarnevens de ‘kapel’, thans een ledig vertrek, met blaauw geverwde zoldering en lambrisering. Boven de antichambre ligt de ‘ridderzaal’ met vier ramen aan den voorgevel en twee in den zijmuur. De zoldering is groen met goud. Er zijn nog een paar geschilderde glazen met wapens van Eminga, Aylva en Galama en het jaartal 1642. - Sicke van Eminga, gehuwd met Frouck van Aylva, bewoonde het huis, dat hem waarschijnlijk in 1641 door den dood zijns vaders was toegevallen, tot 1659.

Van den trap leidt een smalle wenteltrap in den toren, midden uit het hoofdgebouw oprijzend, uit wiens vensters een ruim

[p. 331]

en fraai gezigt is te genieten op Leeuwarden en de talrijke dorpen in de groene weiden verspreid.

Een eigenaardig vertrek is de zonderlinge, holle kamer met zware balken en een estrade onder het raam, die achter de zaal met het goudlederen behangsel, maar eenige treden hooger, ligt en alleen langs den trap te bereiken is. Zij herinnert ons aan de gerigtskamer op Assumburg en schijnt tot het oudste gedeelte van het slot te behooren. Een deur met in lood gezette ruitjes en een kastje in den muur, met deuren van brons en goud, geven er iets geheimzinnigs aan. Aan de O. zijde is een klein kabinetje en aan den W. kant voeren eenige treden naar een boudoir, met rood satijnen behangsel en beschilderd plafond; de toiletkamer, door Tjepke Tiberius voor zijn eerste vrouw Luts van Ornia ingerigt. Onder het thans verschoten en gescheurde satijn vinden wij op de muren een behangsel van goudleer.

Groote gewelfde kelders ontbreken natuurlijk niet, en in een' daarvan toont men ‘het cachot’.

Het ‘nieuwe huis’ heeft niets merkwaardigs. Er is een groote keuken en dienstbodenkamer, even als de gangen met tegels bevloerd, en er zijn voorts eenige gemoderniseerde vertrekken, tot woonkamers bestemd, met gewone ramen, schoorsteenen en papieren behangsels, gelijk men ze overal vinden kan. Het heeft een' afzonderlijken ingang, maar staat door een' dwarsgang ook met het hoofdgebouw in verbinding.

Is Wiardastate ons mede- of tegengevallen? Naar den roep, die er van uitging, kon onze verwachting moeijelijk overtroffen worden. De belangrijkheid van het huis scheen ons wat hoog aangeslagen. Immers, van het oudste gedeelte schijnt weinig of niets in zijn' oorspronkelijken staat bewaard. Gebouwen uit het begin en ten deele zelfs uit het laatst der 17de eeuw, zijn in andere provinciën nog in genoegzamen getale te vinden en bij Wiardastate van ‘een' middeleeuwschen burgt’ te spreken, gaat niet aan. En, bij alle herlevende ingenomenheid met de goede beginselen der 17e eeuwsche bouwkunst, hebben de kinderen van dit geslacht toch behoeften, die door zulke gebouwen niet be-

[p. 332]

vredigd worden. Wij verlangen iets anders, dan die sombere kamers met zware balken en smalle vensters, die donkere trappen, die holle portalen. En wie kasteelen als dit wil bewonen en onderhouden naar den eisch, die moet beschikken kunnen over schatten, elders met vrij wat meer levensgenot, en vrij wat meer geestelijk genot ook, te besteden. ‘Als Friesland nog bemiddelde en smaakvolle zoonen heeft, blijft dit merkwaardig overblijfsel uit ouden tijd uit sloopers handen,’ zoo riep de Kunstbode den 30en Julij. Wij zouden uit het feit, dat Wiardastate gesloopt wordt, nog niet durven afleiden, dat Friesland geen ‘bemiddelde en smaakvolle zoonen’ meer heeft. Veeleer zouden wij er de gevolgtrekking uit maken, dat de tijd voorbij is, waarin bemiddelde edelen hun leven in zulke huizen willen doorbrengen.

Wij vergeten echter niet, dat wij Wiardastate niet meer in zijn' luister zien, met al zijn oude meubels, sieraden en kunstgewrochten, die eens de bewondering wekten dergenen, wien 't vergund was ze te beschouwen. Toen de vestibule nog prijkte met haar wapenborden, de groote zaal met haar schilderijen, waaronder het levensgroote portret van ‘Viglius’ ten voeten uit, en met de werken van Italiaansche meesters - toen de danszaal haar goudlederen behangsel nog had, of althans aan haar wanden de familieportretten en geslachtswapens in kunstig gebeeldhouwde lijsten nog hingen - toen de kapel haar altaren en priestergewaden en merkwaardige kunststukken van snijwerk en schilderwerk nog bezat en de ridderzaal was behangen met de afbeeldsels veler edelen, toen moet het huis inderdaad een' gansch anderen indruk hebben gemaakt dan nu, nu als de ziel er uit weggenomen is, sedert de oudheden verkocht en de portretten aan het museum te Leeuwarden in bruikleen zijn afgestaan. Afgezien van wat zijn bezitters in den loop des tijds binnen zijn muren vergaderd en bewaard hadden, heeft het gebouw op zich zelf niet zóóveel belangrijks, dat het à tout prix voor slooping behoed zou moeten worden.

Wiardastate is geen der oudste goederen van het aloude en in Frieslands geschiedenis zeer vermaarde geslacht der Cam-

[p. 333]

mingha's. Eerst in 1767 kwam het door erfenis in hun bezit, na sints 1473 aan de Eminga's te hebben behoord, toen de stam der Wiarda's in de mannelijke lijn was uitgestorven. Evenals de eerste bezitters uit het huis der Cammingha's, waren zij R. Catholiek gebleven, zoodat in de kapel voortdurend dienst werd gedaan. De lange rij van edelen uit Frieschen bloede, die het slot bewoonden, werd van 1795 tot 1816 afgebroken door een' Duitscher, een' jonkheer of baron von Glockman, met wien de jonge weduwe van den hoogbejaarden luitenant-kolonel Ruurd Carel van Cammingha was hertrouwd. Hem noemt de beschrijver van Wiardastate, Jhr. G. A Six, ‘een wandaal’, die den zilveren avondmaalskelk van het altaar en verscheidene fraaije ebbenhouten schilderijlijsten vervreemdde. En een sombere overlevering gaat er nog van hem in Goutum rond. Hij had, zoo verhaalt men ons, zijn vrouw vermoord - wat stellig niet waar is, want zij overleefde hem zestien jaren. Te Leeuwarden gevangen, sloeg hij de hand aan zich zelven. Daarom werd hij buiten de kerk onder den drup van het dak begraven. Men wijst het graf tegen den buitenmuur der Goutumsche kerk, ongeveer op dezelfde plek, waar daar binnen het groote rouwwapen van den in 1793 overleden Ruurd Carel van Cammingha hangt.

Op eenigen afstand van Wiardastate, in de rigting van Huizum, ligt in het veld een boerderij met rood pannen dak. Dat is het voormalige heerenhuis Drinkuitsmastate, evenals het thans onder den naam van de Stins bekende Schenkinsmastate vroeger de woonplaats van een paar broeders Eminga, die er geen geheim van schijnen gemaakt te hebben, dat zij het ‘schenk in’ door het ‘drink uit’ en het ‘drink uit’ door het ‘schenk in’ regelmatig lieten afwisselen. Een derde huizinge, Putsmastate, mede in der tijd door een' Eminga bewoond, is thans ook een boerderij. De ‘put’, waarnaar deze state schijnt genoemd, zal ook wel niet louter pompwater geleverd hebben.

[p. 334]

Tusschen Goutum en Wirdum, niet ver van de plaats, waar de spoorbaan den straatweg snijdt, ligt een klein huisje, met een' gevel in renaissancestijl, op een vrij groot, door een gracht omringd terrein. Tegenwoordig is 't niet meer dan een spoorwachterswoning. Maar 't is toch wel te zien, dat het een overblijfsel is van een vrij wat aanzienlijker gebouw. 't Is trouwens het schamele overschot van het eenmaal vermaarde Barrahuis. Het klooster, onder dat te Bergum behoorende, waar die van Oostergoo in den tijd der woeste binnenlandsche twisten hun landsdagvergadering hielden, is lang verdwenen. Dit huis was in 1507 de geboorteplaats van den welbekenden Wigle van Aytta van Zwichem. De groote boerderij van Nieuw-Barrahuis, die door den soldaat en den ruiter in haar' bloemtuin algemeene bewondering wekt, heeft vrij wat meer aanzien. Sic transit gloria mundi.

Van de talrijke stinsen en staten, nog in de vorige eeuw onder Wirdum gelegen, is niets meer over. Tusschen den heerenweg en het dorp vond men Unia-, Jouwsma-, Camstra-, Oenema-, Cammingha- en nog een paar kleinere staten. Ten deele waren het sterke huizen geweest; Unia althans weerde in 1498 de Leeuwarders af en werd door de Saksers in 1502 met krijgsvolk en geschut belegerd. De oude stins werd op het einde der vorige eeuw gesloopt. Eenige terpen, uit de vlakke velden oprijzend, herinneren aan den tijd, toen de bevolking er veiligheid zocht, als de Middelzee het land overstroomde. De dagen komen, waarin ook deze overblijfsels uit den voortijd vergeefs gezocht zullen worden, want de boeren graven hen af, om de vette klei over hun akkers en weiden te verspreiden.

De buurt Wijtgaard, met een fraaije R.C. kerk, ligt aan den straatweg. Het dorp Wirdum, waaronder het behoort, is er tamelijk ver van verwijderd. 't Is nog een groote, welvarende plaats, al verloor zij door veranderde omstandigheden haar' rang als eerststemmend dorp van Leeuwarderadeel. In de breede, met klinkers bestrate en met linden beplante dorpsstraat staan vrij wat kloeke woningen en deftige heerenhuizen. En al verloor

[p. 335]

de groote, in 1716 vernieuwde, kruiskerk in 1680 een' van haar beide torens, terwijl de tweede in 1806 werd herbouwd, zij blijft nog steeds een zeer aanzienlijke dorpskerk, wier van Friesche moppen opgemetseld koor met een aantal rouwwapens prijkt, terwijl onder de zerken der Feytema's, Heringa's en Camstra's, die de grafsteden veler edelen dekken, merkwaardige proeven van steenhouwerskunst worden gevonden. Vooral opmerkelijk is de prachtig bewerkte, misschien wat al te veel met beeldwerk overladene zerk van Wijtze Rienks van Camstra, gestorven in 1555. Een bevoegd beoordeelaar noemt dezen arbeid van Vincent Lucas ‘een pronkstuk in dit vak van kunst, dat in het midden der 16de eeuw optreedt met een volledigheid, waarover wij ons moeten verbazen.’ Zulke steenen moesten in den muur worden gemetseld, om gezien, bewonderd en voor ondergang bewaard te worden. Buiten de kerk is de grafstede der weduwe van Ruurd Carel van Cammingha en van den Heer von Glockman, overleden in 1832.

Een uitstapje naar Zwichem, hoewel op slechts een goed kwartier afstands gelegen, durven wij ons niet te veroorloven. Trouwens, Ayttahuis aldaar is gesloopt en het door Viglius gestichte gasthuis heeft veel van zijn belangrijkheid verloren, al draagt het, naar men ons zegt, nog eenige teekenen van oudheid. De sieraden uit de kapel werden reeds voor lang naar Wiardastate overgebragt.

Behalve het voorgenomen bezoek aan Zwichem hebben wij onze plannen, ondanks de aanvankelijke teleurstelling, kunnen ten uitvoer brengen en bij tijds bereiken wij 't station Wirdum - een goed kwartier van het dorp - waar de trein ons opneemt, om ons af te zetten te Oudeschoot, vanwaar wij het Oranjewoud ingaan.

 

Wij mogten daar een' heerlijken zomeravond doorbrengen. Maar daar wij ons niet hebben verbonden, om een doorloopend

[p. 336]

reisverhaal te leveren, laten wij de schets van wat in 't Oranjewoud is te zien, voorloopig rusten, om het te verbinden aan het verslag van een uitstapje naar het naburige Wolvega. Vooraf noodigen wij u uit tot een bezoek aan de laatste der Friesche stinsen - de Schierstins te Veenwouden.

 

De landstreek bij Veenwouden is ons ook reeds van een' vorigen togt eenigermate bekend. Wij kwamen destijds het dorp door en zagen ook in 't voorbijgaan de Schierstins, waar wij ons een nader bezoek voorbehielden, ter bezigtiging van de daar bewaarde oudheden. Want ook de Schierstins was een klein, maar belangrijk museum. Zij behoorde destijds aan den zwager van den eigenaar van Wiardestate, Mr. B. Th. baron van Heemstra van Froma en Eibersburen, wiens verzameling van oudheden ten zijnen huize in den Haag tot de merkwaardigheden van de hofstad kon gerekend worden. Hier, binnen de zware muren der middeleeuwsche Friesche stins, vond men ‘tal van kunstvoortbrengselen en zeldzaamheden van allerlei aard, zeer belangrijk voor ieder, die zich met de geschiedenis van Friesland bezig houdt.’ Havard, die haar in 1875 leerde kennen, vermeldt in 't bijzonder: twee fraaije monniksbeelden, die een bank dragen, zonderlinge lantarens, fraaije gedreven koperen grafzerken en een reusachtige steenen doodkist, voorts boeken, meubels, vensterglazen, stoffen en wapens, waaronder een zwaard, dat gezegd werd aan Albert van Saksen, te hebben toebehoord, maar door hem voor een beulszwaard uit de 16de eeuw werd gehouden.

Maar ook bij de Schierstins, evenals op Wiardastate, komen wij te laat om er nog kennis te kunnen maken met de belangrijke verzameling, die er eens was tentoongesteld. Wij hadden trouwens ook niet verwacht, haar nog aan te treffen, want het was ons bekend, dat de baron van Heemstra in 1878 was overleden en zijn collectie in '79 onder den hamer was gebragt. Ook de stins was verkocht. Zou nu haar tijd ook gekomen zijn? Zou zij het

[p. 337]

lot deelen van al die sterke torens, waarin Frieslands strijdlustige edelen de stormen, zoo vaak door hen zelven opgeroepen, trotseerden en den buit hunner plundertogten in veiligheid bragten? Zou deze laatste getuige van dien tijd van bloedige veeten nu ook ten ondergang worden gewijd? Er was reden, om het te vreezen. Immers, boven ieder oud gebouw hangt dreigend de moker des sloopers als 't van eigenaar verwisselt, en ter bewoning is een stins als deze allerminst geschikt, nu 't in Friesland uit is met vechten en stroopen. Nu bouwen zijn zonen zich vriendelijke ‘slotjes’, met groote spiegelruiten en openslaande ramen aan de veranda, gelijk er een paar in de nabijheid der grijze ‘edelmansvesting’ zijn gesticht. Ongaarne zouden wij 't berigt vernemen, dat ook de Schierstins was verdwenen, vóórdat wij gelegenheid hadden gehad, haar naauwkeuriger te beschouwen dan 't bij de vallende duisternis na een' langen dagmarsch mogelijk was.

Te Veenwouden vernemen wij, dat onze vrees ditmaal ongegrond was. Eene afstammelinge van het geslacht, dat de stins in vroeger jaren bezat, heeft het oude familiegoed terug gekocht, met het voornemen om het aan den toren grenzende huis te verbouwen en te bewonen, met behoud van den toren zelven. Het belangrijkste blijft dus vooreerst gespaard en het woonhuis dagteekent eerst uit de vorige eeuw, terwijl het later voortdurend vertimmerd en veranderd werd. Daaraan is dus zooveel niet verloren, maar in zijn' tegenwoordigen toestand vormt het toch een niet onaardig geheel, dat wel waard is voor de vergetelheid te worden bewaard. 't Heeft nu nog iets ouderwetsch en iets deftigs, dat het alligt zal verliezen..

 

Regen en storm te Veenwouden. Was de morgen, te Wolvega doorgebragt, liefelijk geweest, de middag bragt dreigende wolken. Maar zóó ongunstig laat het zich niet aanzien, dat er geen verbetering mag worden gehoopt en verspreiden zich de nevelen, dan hopen wij den namiddag goed te besteden. Wij

[p. 338]

komen vroeg genoeg aan, om het bezoek aan de Schierstins, dat ons niet veel tijd behoeft te kosten, uittebreiden tot een wandeling naar het fraaije Vogelenzangstate van den baron van Heemstra bij Veenklooster. De laatste trein van Buitenpost kan ons dan weêr herwaarts brengen, waar wij in het logement Schoonoord tegenover 't station een zeer goed nachtverblijf vinden. Wij wagen 't er op, Leeuwarden te verlaten, want wij zijn nu eenmaal in Friesland, om wat te zien en wij mogen onzen tijd niet ongebruikt laten.

Daar breekt de bui los. Hoe giert de wind, wat stroomt de regen! 't Ziet er inderdaad bemoedigend uit! De zomermiddag is nog lang genoeg, maar dien te moeten dooden in een eenzaam stations-koffijhuis is waarlijk geen zeer opwekkend vooruitzigt! Wij zijn echter nu eenmaal in den trein en het stoompaard holt voort, langs slooten, waarin het water golft, - langs weiden, waar de runderen, glimmend van het nat, hun achterdeel mistroostig naar den windkant keeren, - langs grintwegen, die in modderpoelen schijnen herschapen, - langs wilgen en peppels, in den stormwind zich buigend en wringend, - langs huizen, wier daken blinken van den regen. Aan een paar stations stoppen wij en dan hooren wij het water neêrkletteren van de luifels en uit de goten, en den wind om de gebouwen loeijen. Straks verdooft weêr 't geratel van den trein hun geluid, maar iedere blik naar buiten overtuigt ons, dat de woede der elementen nog geenszins is bedaard. En mogten wij dat een oogenblik hebben gehoopt nadat wij op de plaats onzer bestemming waren uitgestegen, dan zouden wij 't wel anders hebben ondervonden. Hoe draven de passagiers over het open pleintje, dat het station van het koffijhuis scheidt! Schuins gebogen, worstelend met hun regenscherm, dat onheilspellend klappert en ieder oogenblik dreigt om te slaan, krampachtig het hoofddeksel vasthoudend, ten deele belast met bagage, waarvoor zij geen handen genoeg hebben, zeilen zij naar de veilige wijkplaats. 't Gebouwtje ziet er vriendelijk genoeg uit met zijn lage ramen, zijn balkon en veranda, zijn bloemen en zijn groene heesters. Maar de bloemen zijn

[p. 339]

omgewaaid en de druipnatte heesters buigen in hun bakken; van het balkon gudsen de waterstralen neêr en onder de veranda blaast de kille luchtstroom. Bij mooi weêr is 't zonder twijfel hier een aangenaam plekje, zijn' naam Schoonoord niet onwaard. In deze geweldige bui schijnt zulk een zomerachtig huis een bespotting. Daar binnen is 't althans droog. De kamers zijn besteld, de beschikkingen omtrent het maal zijn gemaakt. Wat nu? De couranten op de tafels zijn gelezen, tot zelfs de aankondigingen van verkoopingen en de berigten van de kasteleins, die gedenken prijs en premie te laten verharddraven of verkaatsen. Met belangstelling is de exodus gadegeslagen der reizigers, die met de snorwagens naar Bergum of naar Dragten en met de tram naar Dockum moeten. Wat nu verder? Van een' togt naar Vogelenzang is geen sprake meer. Het schoone goed mag met zulk weêr niet worden gezien. Dan zouden wij het onregt aandoen. Gelukkig houdt eindelijk de plasregen op en de wind bedaart eenigszins. Een motregentje is wel niet aangenaam, maar 't behoeft ons althans niet terug te houden van de kleine wandeling naar Veenwouden.

Bij den ingang van het dorp ligt de stins. 't Is een vierkante toren met twee verdiepingen en een steil dak, waarop een paar groote sieraden van gesmeed ijzer prijken. Aan de zijde, naar de dorpsstraat gekeerd, is een breede, lage, ronde deur met beelden, en een vrij groot raam. Naast den geheel met klimop begroeiden toren ligt een niet zeer aanzienlijk heerenhuis, vijf ramen breed, met blaauw pannen dak. Een kleine bloemtuin en een gracht scheiden het huis van de straat. Schilderachtiger vertoont zich het gebouw op zijde en van den achterkant, waar de ingang is. Een kleine laan van iepen langs de gracht leidt naar een hek tusschen twee schuins toeloopende muren, dat toegang geeft tot een laan van geschoren linden. In het midden daarvan is aan de regterhand de ophaalbrug naar het voorplein en aan den anderen kant een halfrond, waarin een oude, met snijwerk versierde bank is geplaatst, met het regte middelpad van den ouderwetsch aangelegden tuin. De begroeide gevelspits van het gebouwtje naast

[p. 340]

den toren en de trapgevel van den daaraan grenzenden vleugel, de gemetselde wal en het straatje tusschen dien vleugel en de gracht, geven aan het geheel een eerwaardig voorkomen, dat met de grijze middeleeuwsche stins overeenstemt. Het kan ons eenig denkbeeld geven van de woonsteden der oude Friesche edelen. De toren toch was tot gewoon verblijf van het adellijk gezin niet bestemd. Daartoe waren zulke gebouwen, die slechts drie of vier vertrekken hadden, veel te klein. Alleen als wijkplaatsen in den nood moesten zij dienen. Er was dan ook waarschijnlijk altijd een woonhuis - een state - aan verbonden en dat zal met grachten, muren en valbrug wel genoegzaam versterkt zijn geweest, om een verrassing te voorkomen en den eersten aanval te weerstaan. Zoo was 't althans ook met de laatste oorspronkelijke stins, Grovestins bij Hardegarijp, in 1829 door brand vernield. De Schierstins is niet zoo ongeschonden bewaard. Er is nog al wat veranderd en gemoderniseerd, maar toch niet zóóveel, dat het gebouw zijn hoog belang als een type van middeleeuwsche bouw- en versterkingskunst zou hebben verloren.

De burgt van een' edelman was zij echter niet. Zij behoorde aan het vermaarde klooster Klaarkamp bij Rinsumageest en was een uithof der abten. Dat maakte trouwens niet veel verschil, want de kloosterlingen namen wakker deel aan de twisten van hunnen tijd en zij hadden niet minder behoefte aan een stevig ‘steenen huis’, waar zij hun personen en hun kostbaarheden in veiligheid konden brengen, want de krijg verschoonde hun gewijde muren niet. Een regte vaart tusschen de voormalige veenen en plassen, nog als de Schiersloot bekend, verbond de stins aan het klooster en bij dreigend gevaar was 't ontkomen langs dezen voor den vijand tamelijk ontoegankelijken waterweg doorgaans wel niet moeijelijk.

Het dorp, eertijds St. Johanneswoud geheeten, is vrij groot en welvarend; er staan aan de breede dorpsstraat geschoren linden, die er een vriendelijk voorkomen aan geven, maar er is overigens niets meer te zien. Het kerkje met zijn torentje is een

[p. 341]

miniatuur uitgave der gewone Friesche dorpskerken. 't Is in 1648 gebouwd, ter vervanging van de oude kerk, die veel meer westwaarts en vrij ver van de ‘buren’ stond. Er is niets in te vinden, wat ons zelfs op een' regenachtigen middag gedurende eenigen tijd kan bezighouden.

Onder Veenwouden behoort ook de buurt Veenwoudsterwal, aan de andere zijde van de spoorbaan. Hier rijst het torentje van de Chr. Gereformeerde gemeente uit het groen en aan den straatweg ligt de nette, nieuwe kerk der Doopsgezinden met haar pastorie en uitgestrekten tuin. Ook een paar deftige heerenhuizen versieren dit gedeelte van den weg.

Dit een en ander, hoe liefelijk de landstreek met haar boschjes en akkers zich bij zomeravondzonneschijn moge vertoonen, is onder 't genot van een' digten motregen spoedig gezien. En hoe wel ingerigt Schoonoord moge zijn door de goede zorgen van den wakkeren Swarts, wij, kunnen 't binnen de muren eener gelagkamer toch geen uren lang uithouden. Dus maar een wanhopige wandeling naar Bergum ondernomen. In 't voorbijgaan kunnen wij zien, hoe de werklieden de rails voor de stoomtram leggen en er zorgvuldig het zand in kloppen, maar de modderpoel, waarin de weg door dit werk is veranderd, de gure lucht en de koude regen lokken niet tot langdurig stilstaan uit. Aan den grooten weg van Leeuwarden naar Groningen, op het punt waar de weg tusschen Dockum en Heerenveen dien snijdt, ligt de druk bezochte herberg Quatrebras, tegenover het fraai aangelegde buitenverblijf Agricolantrum en niet ver vandaar de uitgestrekte, nu grootendeels ontgonnen Bergumerheide, waar Menno van Coehoorn, wiens vader het thans gesloopte Hooghuis bewoonde, zich in zijn jeugd in het aanleggen van vestingwerken oefende. Huizen vinden wij overigens niet veel meer langs den weg, die door hooge schermen van elshout althans eenigszins voor wind en regen is beschut. Bergum zelf is een groot en schoon dorp. In de bosschen er om heen is gelegenheid tot aangename wandelingen, en een sieraad is de deftige, in 1770 gebouwde state der Sminia's,

[p. 342]

met de lindenlaan bij het huis. De kerk, een ruim, oud kruisgebouw, met goed bewerkte grafzerken, is oorspronkelijk de kerk van het rijke en vermaarde Bergklooster geweest. Zij ligt op eenigen afstand van de kom van het dorp.

Hadden wij tijd en lust, om Bergum en zijn' omtrek in bijzonderheden te zien, wij zouden niet onvoldaan er van scheiden en ligt zetten wij dan den togt door de laan tegenover de herberg wel voort tot de Bergumerdammen, de uitspanning, om haar baars beroemd. Mogelijk gingen wij wel, tusschen de bijna onafgebroken reeks van boerderijen en kleinere woningen, door tot het aanzienlijke Suameer en wij hadden dan een paar kloeke dorpen en een opwekkend landschap gezien. Maar het weêr overvloedig neerplassend hemelwater drijft ons binnen de herberg, waar wij aan den muur een afbeelding van de thans afgebroken Orxmastate bij Menaldum vinden en naar aanleiding daarvan gelegenheid hebben, ons te verbazen over de kennis van hun land en hun geschiedenis, die den Frieschen boerenstand onderscheidt. Hoe goed is deze min of meer aangeschoten veekooper, die ijverig bezig is in nuchterheid aftenemen, in de kronieken te huis! Feiten en jaartallen kent hij op zijn duimpje, en was de duisternis niet in aantogt en lag 't ons niet te ver uit den weg, wij zouden naar zijn aanbod 't er gaarne op gewaagd hebben, onder zijn spraakzaam geleide, een bezoek te brengen aan het weinige, dat nog van de oude Grovestins op een half uur afstands is overgebleven. Men behoeft doorgaans in Friesland in de dorpsherberg, in den wagen, in de trekschuit, om discours niet verlegen te zijn. En als wij straks in Schoonoord terug zijn gekeerd, dan kunnen wij met een paar doornatte en schamel gekleede landbewoners, die er even komen uitblazen, genoegelijk een uurtje keuvelen over allerlei dingen, die wat hooger en wat dieper gaan dan een gewoon koffijhuispraatje. Het Friesche ras kenmerkt zich door zekere fatsoenlijkheid en een mate van gezond verstand en ontwikkeling, die elders bij boeren en arbeiders veel zeldzamer worden gevonden. En als nu onze vriend Swarts ons toont, wat zijn huis den reiziger

[p. 343]

kan voorzetten; als nu 't gezellig lamplicht schijnt over den welvoorzienen en uitstekend toebereiden disch, terwijl daar buiten met verdubbelde woede de regen klettert en de stormwind giert, dan heeft werkelijk de droevige middag nog een gezellig en aangenaam slot.

 

Tusschen de dorpjes Oude Schoot en Brongerga in de Grietenij Schoterland vond men tot in de tweede helft der 17de eeuw een uitgestrekte heide, woest en eenzaam. De hand des menschen had deze wildernis nog niet aangeraakt. Wèl was, sedert een eeuw, in haar nabijheid het kloeke geslacht van verveeners en ontginners met ijver en kracht aan het werk. Voor Friesland was een nieuwe tijd gekomen. De lange strijd tusschen Schieringers en Vetkoopers, met al zijn gruwelen en ellenden, was ten einde. 't Was geen schade geweest voor land en volk, dat zijn ruwe edelen door een krachtig opperbestuur een' tijd lang gedwongen waren, het zwaard in de schede te steken en te rusten van het onderling verdelgingswerk, waardoor niets dan haat en hartstogt werd gekweekt. De werken des vredes met hun zegeningen bleven niet uit. De afstammeling der edele Dekama's was er niet minder om, nu hij zijn hart op andere dingen zette dan op 't verwoesten van de stinsen zijner vijanden, en zich met eenige burgers verbond tot vreedzamer arbeid dan rooftogt en verdelging. De ‘compagnieschap’, waartoe jonker Pieter van Dekama, ridder en raad in den Hove van Friesland, behoorde, kocht in 1551 groote, nog onontgonnen veenen in Schoterland aan. Vaarten werden gegraven en sluizen gebouwd; turf werd gestoken en verzonden heinde en ver. Bragt de loop des tijds ook zijn onrust en verdeeldheid mede, toen de Hervorming doordrong en toen partij moest worden gekozen voor of tegen den Spaanschen Koning; deelde ook deze landstreek in de gevaren des oorlogs, die voor de heiligste goederen des volks moest worden gevoerd, het groote werk der vereeniging

[p. 344]

ging zijn' gang. En toen de vrede van Munster was gesloten, toen de vrije Republiek der Vereenigde Gewesten, door alle mogendheden erkend, in de rij der Staten haar plaats had ingenomen, was dit gedeelte van Friesland gansch van gedaante veranderd. Een bloeijend vlek, het Heerenveen, was ontstaan. Langs de vaart vormde een bijna onafgebroken reeks van huizen en hofsteden de dorpen het Meer en de Knijpe. Het wilde veen was een digtbevolkte woonplaats van nijvere, welvarende menschen geworden. Maar de heidevelden ten Z. der Compagnonsvaart lagen nog onaangeroerd. In 1664 was voor hen de tijd gekomen, om te deelen in de herschepping door de kunst des menschen, die heerschappij voert over de natuur. 't Was echter geen vennootschap, die hen zou ontginnen met het oog op betamend gewin. Aan eene vorstin zouden zij hun nieuwe gedaante danken.

De lust tot bouwen en planten zat den kinderen van prins Frederik Hendrik en Amalia van Solms in het bloed. De prins zelf had de prachtige lusthuizen te Honselaarsdijk en te Rijswijk gesticht. Zijn weduwe had ter eere van haar' echtgenoot de Oranjezaal bij den Haag tot een gedenkteeken van zeldzame schoonheid gewijd. Hun eenige zoon, Willem II, bouwde het vorstelijk jagtslot te Dieren. De dochters bleven niet achter. Oraniënburg bij Berlin bewaart nog de herinnering aan de voortreffelijke Louise Henriëtte, de gemalin van den Brandenburgschen Keurvorst. Bij Dessau legde Henriëtte Catharina, met den vorst van Anhalt-Dessau gehuwd, den lusthof Oraniënbaum aan. Albertina Agnes heeft van de heide het heerlijk Oranjewoud gemaakt.

In 1652 had haar moeder, op dringend verzoek van de Staten van Groningen en Friesland, de hand van deze hare tweede dochter geschonken aan hun' stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz, den kleinzoon van prins Willems oudsten broeder Johan. Met haar kwam de vorstelijke weelde, die in 's Gravenhage heerschte, naar Frieslands hoofdstad over. Om haar eenigszins 't gemis van de plantsoenen der Oranjezaal en

[p. 345]

de liefelijke dreven van Cleve te vergoeden, had de Stadhouder zich beijverd, den aanleg van den ‘Prinsessentuin’ te Leeuwarden te doen beantwoorden aan al de eischen, die de smaak dier tijden stelde. Ook het Hof was aanmerkelijk vergroot en verfraaid en gedurende hun twaalfjarig huwelijksleven genoten de hooge echtgenooten hier een ruime mate van geluk, door de liefde der Leeuwarders voor 't stadhouderlijk gezin verhoogd. Maar in 1664 maakte een noodlottig pistoolschot een einde aan het leven van graaf Willem Frederik, in vollen vrede denzelfden dood stervend, dien zijn vader en broeder op het oorlogsveld hadden gevonden. In hetzelfde jaar begon de prinses-weduwe met de ontginning der door haar aangekochte heidevelden. Bosschen van eiken, dennen en hakhout werden aangelegd, boomgaarden en dreven van opgaand geboomte geplant en een landhuis gebouwd, waar de vorstin gaarne vertoefde en waar zij in 1696 overleed. Twee maanden vroeger was haar zoon Hendrik Casimir II, zijns vaders opvolger in het stadhouderschap, gestorven en diens weduwe, Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau, betrok het Oranjewoud, wanneer de pligten van het regentschap over haar' onmondigen zoon haar niet in de hoofdstad terug hielden. Slechts van 1707 tot 1711 was 't dien zoon vergund, als stadhouder werkzaam te zijn in het belang van het gewest zijner geboorte; toen vond prins Johan Willem Friso bij den Moerdijk in de golven zijn' dood. Erfgenaam van Koning Willem en daardoor rijk in goed, in den Spaanschen successie-oorlog met roem overladen, sedert 1709 met Maria Louisa van Hessen-Kassel gehuwd, man van groote bekwaamheden en edel karakter, scheen alles hem een schoone toekomst te beloven. Maar de dood, die hem in den krijg had gespaard, maakte aan het 24jarig leven plotseling een droevig einde. Groote plannen had hij met zijn geliefd Oranjewoud. Twee prachtige pavillioenen waren reeds gebouwd, elk op zich zelf reeds een deftig huis, van twee verdiepingen, met hoog bordes, vijf ramen aan iederen kant van den ingang, talrijke dakvensters en schoorsteenen en een' halfronden toren tegen den zijmuur. Ook de grondslagen

[p. 346]

van het hoofdgebouw, dat tusschen deze beide vleugels zou worden gesticht, waren reeds gelegd, toen de noodlottige gebeurtenis het werk deed staken. Zijn jonge weduwe bewoonde de beide voltooide vleugels, wanneer zij zich niet ophield te Leeuwarden op het Hof, of in 't door haar aldaar gekochte Oud-princessenhof, of op haar in de nabijheid der stad aangelegde lustplaats Mariënburg. In 1754 ontving zij in 't Oranjewoud de weduwe en de beide kinderen haars zoons, - een blijde ontmoeting, die zij door een gedenkpenning vereeuwigde. Tot 1765 heeft zij geleefd; tweemaal regentesse, na den dood van haar' echtgenoot voogdes over haar' zoon Willem IV, en na het afsterven van diens weduwe over haar' kleizoon Willem V. Hoog was ‘Maryken Meu’ in Leeuwarden vereerd, algemeen werd zij bemind om haar vriendelijkheid en milddadigheid. Maar dat belette niet, dat ook met haar gebeente bij de schandelijke verwoesting van de graven der stadhouders in 1795 de gruwelijkste moedwil gepleegd werd. Naar de overlevering verhaalt, was 't bepaald haar schedel, die door de opgewonden menigte, in haar' haat tegen de Nassausche ‘tyrannen’, in den letterlijken zin des woords tot speelbal werd gebruikt. Voor eenige jaren, zoo zegt men, werd die schedel door een' bekend verzamelaar van oudheden en merkwaardigheden, in wiens bezit hij gekomen was, aan koningin Sofia ten geschenke aangeboden, maar door haar geweigerd met het verzoek, dien neêrteleggen waar hij te huis behoorde. Dat had wel niemand vermoed, dat Maria Louise's geëerbiedigd hoofd nog zulke lotwisselingen zou hebben, toen het met groote plegtigheid en onder algemeenen rouw naar de vorstelijke grafkelder in de Jacobijnenkerk werd gedragen!

Zoolang Willem Carel Hendrik Friso nog enkel stadhouder der Noordelijke provinciën was, hield ook hij in 't Oranjewoud meermalen zijn verblijf, en na zijn huwelijk met een Engelsche koningsdochter werd het lustoord met nieuwe plantsoenen, lanen en bosschen versierd. Op korten afstand, bij het dorpje Brongerga, stichtte hij voor zijn dochter Carolina een

[p. 347]

vorstelijk zomerhuis, met vleugels, ringmuur en poorten, en de edelen van Haren en Tamminga legden daar hun buitenverblijven aan. Toen had het Oranjewoud en zijn omtrek het toppunt van zijn' luister bereikt. Spoedig zouden de dagen van verlatenheid komen, gevolgd door de dagen van ondergang en verwoesting. 't Was voor Friesland een groot verlies, dat zijn stadhouder in 1747 tot erfstadhouder der Vereenigde Gewesten werd uitgeroepen, en ook voor 't Oranjewoud was de tijd van grootheid voorbij. Zoolang Maria Louise leefde werd het nog door vorsten bewoond, maar na haar' dood kwam er een rentmeester. De geweldige storm van 1795 beroofde de Oranjes ook van deze bezitting. 't Oranjewoud werd nationaal domein. In 1803 werd het O. pavillioen verkocht, met het waschhuis, de stallingen en de trekkassen in den grooten tuin. Twee jaar later volgde de verkoop van het prachtig betimmerde W. gebouw. Beiden werden gesloopt. Gedurende eenige jaren vielen honderden van zware eiken en dennen onder de bijl. Eindelijk, in 1813, werd de grond in perceelen geveild.

Dit is de geschiedenis van het prinselijk landgoed, waaraan de herinneringen zijn verbonden van zooveel vorsten uit den doorluchtigen stam, waaruit ons tegenwoordig Koninklijk geslacht is gesproten, - vorsten, door krijgsdeugd en niet minder door staatsbeleid de hulde waardig van het volk, dat hen te weinig kent, door kloekheid en wijsheid de hoog gewaardeerde medestrijders en raadslieden van Maurits en Frederik Hendrik, van Willem II en Willem III. Onder onze ‘historische landschappen’ bekleedt het Oranjewoud een eervolle plaats.

 

Tot ons genoegen heeft het echter nog vrij wat meer dan die herinneringen, waardoor het ons belangstellend bezoek verdient. Nu het liefelijk oord ons ook zulke stemmen kan doen hooren, wint het in belangrijkheid, maar ook wie niets van zijn verleden wist zou er uren van genot kunnen slijten. Zóó was

[p. 348]

't Oranjewoud nog niet geschonden, of er stond nog menig forsche boom, er groeide nog menig weelderig kreupelbosch en gelukkig kwam het grootste deel van den grond in handen van twee vermogende en smaakvolle koopers, die uitstekend partij wisten te trekken van wat er van de voormalige bekoorlijkheid nog over was. En sedert dien tijd werd het lustoord met zorg en liefde niet alleen onderhouden, maar ook voortdurend verfraaid.

Terwijl de trein op den schoonen, helderen zomermiddag van Wirdum naar Oudeschoot met ons voortsnelt, kunnen wij ons desverkiezende door de herinnering aan wat er geweest is, op onze wandeling voorbereiden; als wij te midden door kreupelboschjes en landwegen afstappen, mogen wij ons verblijden in wat er nog is. Den voet in 't Oranjewoud zelf hebben wij echter nog niet gezet.

De bosschen, die ter linkerzijde van den spoorweg tegenover het eenvoudig stationsgebouw liggen, behooren tot het landgoed Jagtlust, waarvan het huis thans gesloopt en het plantsoen verwilderd is. De landstreek is er niet minder schilderachtig door geworden. Langs wildgroeijende hagen en verwaarloosde witte hekken, die een groote weide insluiten, loopt de grintweg. Op die weide staan groote boomgroepen of enkele stammen, van het vroegere digte geboomte gespaard. Oude, met mos begroeide walvischribben, spookachtige overblijfsels uit een' tijd van welvaart en weelde, staan hier en daar geplant. Een gordel van krachtig en onbelemmerd wassend hout omringt het ruime grasveld en overigens omzoomen akkermaalsboschjes en eikenlanen den landelijken weg. Op eenigen afstand steekt het spitsje van Oudeschoot boven het houtgewas uit.

Ter plaatse van het latere Jagtlust, van wiens eertijds aanzienlijke en gastvrije gebouwen alleen een boerenhuis over is, lag in de vorige eeuw een buitenverblijf, onder den naam van zijn' eigenaar Bouricius bekend en iets verder naar het Z.O. vond men de schans, die in 1622 een sterke troepenafdeeling van het Spaansche leger het verder doordringen in Friesland belette. Van het Schooter convent, een klooster der Duitsche orde, in

[p. 349]

1299 voor adellijke jufferen gesticht en later door priesters en dienstbroeders onder een' kommandeur bewoond, schijnt niets meer te bestaan. Maar een deel der landstreek, waardoor thans de spoorbaan loopt, heeft welligt den ouden naam van de Kommanderij-akkers nog niet verloren.

De grintweg, die van de Lemmer komt, brengt ons op den grooten straatweg van Heerenveen naar Zwolle. Op den hoek naar de zijde van Heerenveen blinkt het fraaije witte huis van Heremastate tusschen elzenhagen en donkere sparren, met de van hoog hout overschaduwde boerderij er nevens. Naar den kant van Oudeschoot rijst een kleine heuvel, die een' rustieken koepel draagt, uit het bosch van Jagtlust op. 't Is van die hoogte een liefelijk gezigt op de bosschen, weiden en akkers en op het dorpje met zijn' kerktoren en huizen. Langs den straatweg groeijen eiken en elzen. Bouwvelden, waarop thans - veel te laat in den tijd door de aanhoudende regens! - de schoven nog staan, worden door hakhout afgewisseld. Het hooge hout van 't Oranjewoud vertoont zich boven de velden en de lagere boschjes.

Oudeschoot zelf, de plaats waaruit het vermaarde geslacht der hooggeleerde Schotanussen afkomstig is, is een net dorp, grootendeels langs den straatweg gebouwd. Een zijweg voert van hier, voorbij de op een hoogte gelegen en van krachtige iepen omringde kerk naar ‘het Woud’. 't Is een vrolijke weg, met eiken beplant en met het gezigt over de frische groene weiden naar de boschrijke streken van ter Idserd, Oldeholtpade en Wolvega. Aanvankelijk is 't een straatweg, maar als wij dien hielden misten wij ons doel. Spoedig slaan wij den grintweg in, langs de buitenplaats Veenwijk, met zijn somber roodsteenen huis, een tweede Veenwijk en zelfs nog een derde van dien naam, allen uitziende op de lage landen en de verre bosschen, terwijl kloeke eiken hun breede takken uitbreiden over het zandspoor, waarin de grintweg overging, niet tot schade van het landschap, dat meer het karakter van een bosch begint aan te nemen.

Den zoom van het ‘Woud’ hebben wij nu nevens ons. Witte

[p. 350]

palen met den naam Klein Jagtlust wijzen ons aan, dat de eikenlanen, bij wier ingang zij staan, tot een der drie groote landgoederen van het Oranjewoud behooren. Wij slaan echter nog geen dier lanen in, maar houden den zandweg tusschen de wilgen, elzen, peppels en eiken, de doorn- en beukenhagen en de groene grasranden, waarover het vrolijk doorvallend zonlicht speelt. Bij een huisje maakt de weg een scherpe bogt en nu treden wij het bosch zelf binnen. 't Is een donkere laan, met een digt belommerd voetpad er nevens. Zwaar is het geboomte er niet, maar de forsche vormen der eiken, de blanke berkenstammen, de boschjes van elzen en hakhout, tusschen wier digt gebladerte de gouden gloed der zonnestralen wemelt, geven ons telkens tafereeltjes vol liefelijkheid en kalme schoonheid te aanschouwen. De kamperfoelie, die in weelderigen overvloed de boomen omrankt, vervult de lucht met haar geuren. Tallooze insecten zwermen en gonzen in de verkwikkende warmte, die de late zomermiddag voor 't eerst weêr sedert vele, vele dagen verspreidt. Zoo naderen wij, stil en dankbaar het lang ontbeerd genot in volle teugen genietend, het punt, waar bij de gunstig gelegen en anders druk bezochte, maar heden nagenoeg verlaten herberg Heidewoud verschillende wegen in allerlei rigtingen uiteenloopen. Heidewoud is een der middelpunten van het bosch. Men kan er ook logies bekomen en bij langer of korter oponthoud van hier het woud doorkruisen. Wij vertoeven er niet, al ziet het er uitlokkend genoeg uit. Den tijd, die ons rest, hebben wij te veel noodig. Als wij den weg tegenover het huis kozen en dan regtuit gingen, zouden wij naar het fraai gelegen Oldeberkoop doorwandelen. Dat ligt echter niet in ons plan. Daarom slaan wij een zijlaan in, eveneens bestraat, die bij een bogt ons brengt aan het heldere water, waarover aan den overkant de breede takken van prachtige boomen neêrhangen. Aan die zijde ligt een aanzienlijke buitenplaats, met broeibakken en volières, een' smaakvollen aanleg en heerlijk geboomte van allerlei aard. Dit rijke plantsoen behoort tot de overplaats van Oranjewoud, het landgoed van den heer de Blocq van Scheltinga, en als wij de

[p. t.o. 351]



illustratie
P.A. Schipperus, del.lith
S. Lankhout & Co den Haag


[p. 351]

watering volgen, dan komen wij in korten tijd op het punt, waar inderdaad een keur van schoonheid vereenigd is. Daar opent zich de prachtige laan van vier rijen linden, aan wier einde het grijze huis van Oranjestein ligt, op de plaats der voormalige prinselijke oranjerie. Aan beide kanten der laan vinden wij de plantsoenen van Oranjewoud. Het smaakvolle landhuis staat ongeveer ter plaatse van het vroegere paleis, te midden van een' schoonen aanleg. Voor de witte huizinge is een kamp weiland, waar bonte runderen, fraai van kleur en glimmend van huid, op hunne wijze het goede des levens genieten en de gloeijende tinten der welgevulde bloemperken, de licht- en schaduwpartijen op de breede paden, de groote gazons, de sierlijke boom- en heestergroepen, het spiegelklare water der slingerende vijvers, de afwisselende lijnen van treuresch en peppels, van trotsche beuken en zware eiken vormen er een bekoorlijk geheel. Ook de overplaats prijkt met een kostbaren bloemenschat en statig geboomte. - Op beide lustplaatsen is de wandeling onder 't geleide van den tuinman toegestaan en wie er den tijd voor afzonderen kan, zal er fraaije planten en gewassen in overvloed kunnen bewonderen. - Eigenaardig in 't Oranjewoud, althans in dit gedeelte, zijn de ‘brinken’, groote graspleinen met hoog opgaand eikenhout. Op eene er van werd voor eenige jaren het Noorder Zendingsfeest gehouden. De donkere veengrond geeft er aan het water een buitengewone helderheid en krachtig is de spiegeling der fiere stammen. Vooral van de brug vertoont zich een opmerkelijk schoon landschap, met het doorzigt onder de breed uitgebreide kruinen op het verre wijkende hout, over het door geen, rimpel bewogen kristalheldere water. Ook van een tweede brug aan het einde der lindenlaan, in 1740 over de Oranjegrift gebouwd, is 't een fraai gezigt en een lommerrijke eikenlaan, langs het plantsoen van Oranjestein naar Brongerga leidend, verhoogt hier de aantrekkelijkheid van het oord. De herberg de Kop tegenover de vijvers achter Oranjewoud en bij het overbosch van dat landgoed, aan den weg naar de Knijpe gelegen, verschaft menig wandelaar een aangename rustplaats en de roei-

[p. 352]

lustige jeugd vindt er een schuit, die gretig maar niet altijd handig wordt gebruikt.

De lijnregte weg naar de Knijpe langs de ‘Prinse wijk’ wordt spoedig kaal en onbehagelijk. Wij keeren dus weêr terug en ook tot Brongerga behoeven wij onzen togt niet uit te strekken. De landhuizen bij dat dorpje zijn sinds lang gesloopt. De prachtige lindenlaan gaan wij weêr door en nog eens werpen wij een' blik op de beide schoone landgoederen, om den terugweg naar Heerenveen aan te nemen. Een smaakvolle en vriendelijk gelegen uitspanning, de Tent, zou ons zeker wel een oogenblik op haar vrij hoog terras ontvangen, als de avond niet daalde. Voor de bezoekers van het Oranjewoud is zij een bekoorlijk rustpunt. Nog niet sedert lang is zij daartoe ingerigt. Voor dat de heer Bieruma Oosting, de zoon des eigenaars van Oranjestein, het naburige Klein Jagtlust betrok, was de Tent zijn buitenverblijf. Klein Jagtlust behoorde destijds aan Mr. P. Heringa Cats, bekend om de fabelachtige legaten, door hem aan zijn dienaars en onderhoorigen gemaakt. Langs de bosschen van dat landgoed en den uitgestrekten hertenkamp, aan wiens einde het eenvoudige heerenhuis zich vertoont, door een buurschap van eenige woningen en schuren, voorbij een paar kleinere buitenplaatsen, loopt de breede weg onder hooge boomen. De duisternis valt. Wij kunnen ons bijna verplaatst gevoelen in den tijd, toen het Oranjewoud er nog niet was. De kunstweg is in een' zandweg overgegaan. De weelde der lusthuizen en bloemtuinen ligt achter ons, met het digte hout. 't Wordt eenzaam en stil, op de vlakke velden rust de daauw, en 't is of 't weêr de oude, groote meeren zijn, die zich daar uitbreiden tot in het verre verschiet. Kil wordt de lucht, een gure wind steekt op. Was de heerlijke zomeravond in het liefelijk woud niets anders dan een schoone droom?

[p. 353]

Op eenigen afstand van Heerenveen, maar langs den spoorweg spoedig en gemakkelijk te bereiken, ligt het fraaije dorp Wolvega. 't Is de hoofdplaats der grietenij West-Stellingwerf en behoort tot het gedeelte van Friesland, dat van ouds de Zeven wouden heet. Die naam herinnert aan den voormaligen rijkdom in bosschen, waarvan ook de uitgestrekte veengronden nog de getuigen zijn. Zelfs zoekt men bij 't naburig Oldeholtpade het heilige woud Baduhenna. Sinds eeuwen zijn natuurlijk die maagdelijke wouden verdwenen en gansche streken zijn er, waar uitgeveende plassen of vlakke weilanden het wild ineengegroeide en vaak ontoegankelijke bosch der moerassen hebben vervangen. Toch is er nog vrij wat hout te vinden en Wolvega's omtrek met name heeft daaraan een niet geringe mate van bekoorlijkheid te danken. Van den helderen morgen maken wij tot een uitstapje derwaarts gebruik. Met een' vroegen trein van Heerenveen vertrekkend, hebben wij eenige uren ter onzer beschikking en omstreeks een uur na den middag kunnen wij den beraamden togt over Leeuwarden naar Veenwouden beginnen. Wij maken dan een' grooten omweg, maar, gelijk wij weten, de stoomtram van Heerenveen naar Veenwouden, die den afstand aanmerkelijk zou bekorten, staat ons dit jaar nog niet ten dienste. Bij de ongestadigheid van het weder is het zaak, ieder gunstig oogenblik zoo goed mogelijk te gebruiken, maar onze plannen zóó interigten, dat wij, als de natuur ons tegenwerkt, de hoofdstad met haar museum en andere bezienswaardigheden gemakkelijk kunnen bereiken. Daar is ten minste op een' wanhopigen regendag gelegenheid, den tijd niet geheel nutteloos door te brengen. Van de spoorlijn durven wij ons dus niet te verwijderen. Onze reis door Friesland wordt op die wijze wel een min of meer omslagtige zwerftogt. Bij vast weêr zouden de plannen anders en beter kunnen zijn, maar wij moeten met de omstandigheden rekening houden en veel laten afhangen van den toestand van het oogenblik.

[p. 354]

De tegenwoordige gemeenten en voormalige grietenijen Oost- en Weststellingwerf en Schoterland vormden tot 1517 één geheel, dat sinds eeuwen onder naam Stellingwerf of Stallingweer bekend was. Met een gedeelte van de tegenwoordige provincie Overijssel behoorde het in de 10de eeuw tot de gouw Walderen, die een deel uitmaakte van het uitgestrekte gebied der Brunswijksche graven Ludolf, Bruno, Egbert I en Egbert II, in 1086 en 1087 door den keizer aan den bisschop van Utrecht geschonken. In voortdurenden strijd met den kerkvorst en met de naburen, waaronder vooral de eenmaal magtige graven van Kuinre behoorden, wisten de Stellingwervers hunne onafhankelijkheid zóó te handhaven, dat het wereldlijk gezag van den bisschoppelijken stoel in den regel weinig of niets beteekende. Even weinig baatte graaf Reinoud van Gelre de hem later geschonken heerschappij, en maar voor zeer korten tijd kon de wakkere Jan van Arkel de inmiddels weêr erkende regten van St. Maarten doen gelden. Niet beter slaagden hertog Aelbrecht van Beijeren en Filips van Bourgondië in hun pogingen. Eerst in 1500 gelukte 't hertog Albrecht van Saksen, na langen tegenstand, zich ook door Stellingwerf als erf-potestaat te doen huldigen. Was het landschap tot dusver bestuurd door drie ‘stellingen’ of regtbanken, die ieder jaar verwisselden en ‘bij werving’ vervielen op de plaatsen daartoe geregtigd, nu werd het een grietenij en met zijn onafhankelijkheid was het gedaan. Maar eerst keizer Karels sterke hand bedwong voor goed alle verzet. Toen werd Stellingwerf gesplitst. Schoterland werd in 1517 een afzonderlijke grietenij, met de helft van Stellingwerf aan den grietman Lijckle Eebles geschonken, ter vergoeding van de schade hem toegebragt door de Gelderschen, die in 1514 zijn slot Friesburg te Nijeholtpade hadden verbrand. In 1524 werd deze grietenij - het tegenwoordige West-Stellingwerf - door den keizer erfelijk in zijn geslacht verklaard. Uit dezen Lijckle Eebles is het adellijk geslacht Lycklama à Nyeholt gesproten.

In hoever Wolvega gedeeld heeft in den eeuwenlangen strijd,

[p. 355]

welke rampen het had te verduren, welke heldendaden zijn inwoners mogen verrigt hebben, is ons onbekend. De geschiedenis spreekt er niet van. Maar als het waar is, dat er reeds in 't begin der 13de eeuw een zeker edelman Hajo woonde, die zich bij de verovering van Damiate in 1219 beroemd moet hebben gemaakt, dan zullen er destijds ligt meer woningen hebben gestaan en de nabuurschap van het Oversticht, dat allengs geheel aan den bisschop onderworpen werd, zal op de lotgevallen van het dorp wel niet zonder invloed zijn gebleven. Dat zijn naam is ontleend aan de wolven, die zich in den omtrek ophielden, is niet onwaarschijnlijk. De groote bosschen waren uitnemend geschikt om tal van wilde dieren te huisvesten. Nog in de 18de eeuw waren wolven er niet zeldzaam en op het gemeentehuis was nog voor weinig jaren de huid te zien van een wild zwijn, in de nabijheid geschoten. Vrees voor ongewenschte ontmoetingen met dergelijke ongure gedierten behoeft nu natuurlijk niemand meer van een wandeling in de liefelijke omstreken van het dorp terug te houden. Sedert lang is alles in den omtrek ontgonnen. Heidevelden ziet men er niet meer en de bevolking der landstreek is talrijk genoeg geworden, om uit het steeds overvloedig houtgewas de gevaarlijke gasten te weeren.

Wolvega is een vrij lang dorp, waarvan de meeste huizen langs een breede straat zijn gebouwd. Zijn ligging aan den straatweg van Leeuwarden naar Zwolle maakte 't gemakkelijk bereikbaar in den tijd, toen de kunstwegen nog zeldzaam en vrij wat welvarende Friesche plaatsen in najaar, winter en lente soms nagenoeg ontoegankelijk waren. Ondanks dit voorregt was 't er stil. Doortogt was er weinig; van de levendigheid, door een' straatweg veroorzaakt, bespeurden zijn inwoners niet veel en door de meesten ongezien, reed er de diligence van Van Gend en Loos voorbij. Want alleen het uiterste einde der dorpstraat raakte den straatweg. Wederkeerig zagen de passagiers in den zwaren, geelen wagen dan ook van Wolvega niets anders dan de herberg, waar zij een oogenblik pleisterden, het witte gemeentehuis op den anderen hoek der straat, en wat zij bij 't voorbij-

[p. 356]

rijden in een' oogwenk van die straat zelve konden onderscheiden. De spoorwegreiziger ziet nog minder. Het geboomte eener buitenplaats met een ‘zitje’, de torenspits boven de boomen, de nieuwe R.C. kerk en eenige huizen aan de andere zijde van den weg, een' straatweg, die de spoorbaan kruist, in 't voorbijsnellen nog een paar woningen, voorts wat bosch in de verte - dat is alles. Maar 't is genoeg, om hem te doen zien, dat het landschap fraai genoeg zou zijn, om hem voor een oponthoud van een paar uur ruimschoots te beloonen, als hij aan het station had kunnen uitstappen. Wie het doet, vindt zich niet teleurgesteld, en wie Wolvega van vroeger kende bemerkt, dat de plaats sedert den aanleg van de spoorbaan is vooruitgegaan. Vooral wie er een' nacht vertoeft vindt de logementen belangrijk vermeerderd en verbeterd. 't Kostte in der tijd wel eens moeite, een onderkomen te vinden in de zeer primitieve herbergen, als men 's avonds laat er aankwam! Aan meer dan één deur kon de voetreiziger vruchteloos aankloppen. Dan luidde 't, als in Gijsbrecht van Amstel:

 
‘Men opent hier geen deur zoo spade.’

En ontfermde zich eindelijk een kastelein over den vermoeiden reiziger, dan werd hem een bedstede geopend in het gewone slaapvertrek der familie, waar ‘heit en mem en de bentsjes’ in de andere kooijen de zoete rust genoten. Nu zijn er een paar ruime, nette logementen, die, wat het uitwendige betreft, vergeleken met wat er vroeger was, wel haast ‘hotels’ mogen heeten. Over 't inwendige kunnen wij niet oordeelen, daar wij geen aanleiding hebben, er de proef van te nemen.

De aanleg tegenover het station behoort aan Helomastate. De met iepen beplante rijweg naar 't station, die op den grooten weg van Wolvega naar Oldeberkoop uitkomt, loopt langs het plantsoen dier uitgestrekte buitenplaats, en als wij op den straatweg zelven zijn gekomen, hebben wij de vijvers, de grasen bloemperken, de opgaande boomen en de digte heesterpartijen nog eenigen tijd nevens ons. Het groote, vrij moderne huis wordt

[p. 357]

tegenwoordig niet meer door den eigenaar bewoond, maar 't is aan een' der notarissen verhuurd. Niettemin wordt de plaats uitstekend door hem in orde gehouden en niet weinig draagt zij tot de fraaiheid van Wolvega's omtrek bij. Ook de iepen en eiken langs den straatweg doen daartoe het hunne en vriendelijk vertoonen zich de eerste huizen van het dorp onder het lommer der hooge, kloeke stammen. Alles ziet er vriendelijk en frisch uit, gelijk dan ook de meeste woningen eerst in de laatste jaren zijn gebouwd en Helomastate, hoewel van niet zóó jonge dagteekening, toch geenszins tot de oude Friesche ‘staten’ behoort. Alleen een herberg, die het jaartal 1759 in den gevel draagt, herinnert aan een' wat ouderen bouwtrant, en schilderachtig vertoont zich het uitstek boven de deur, door zware vierkante pijlers gedragen, als een thans verdwijnende type der ouderwetsche Friesche dorpsherberg. De smidse op den voorgrond en de donkere bladerkroonen, waartegen de witte gevel met zijn uithangborg vrolijk afsteekt, vormen met het zware hout en het spitse torentje in de verte een bekoorlijk geheel.

Spoedig hebben wij het punt bereikt, waar de groote straatweg op Zwolle de dorpsstraat snijdt en het witte gemeentehuis van West-Stellingwerf ligt, in gezelschap van een paar nieuwe logementen en heerenhuizen, die mede van Wolvega's vooruitgang getuigen, terwijl de krachtige iepen die er prijken, het toonen, dat de bodem als van ouds nog in staat is, forsche en gezonde boomen voort te brengen. Vóór ons strekt nu de oude, lange straat zich uit, maar ook hier vinden wij de bewijzen van welvaart en bloei. Voor 't meerendeel zijn de woningen goed onderhouden en niet gering is het aantal deftige heerenhuizen, die zelfs in een plaats van hooger aanzien niet misplaatst zouden zijn. De kroon spant Lindenoord, tegenover de pastorie der Hervormden, het oude huis der van Harens, tegenwoordig het eigendom van Mevr. de Wed. Manger Cats. Maar ook het fraaije gebouw, door den tegenwoordigen burgemeester bewoond, behoort met zijn' smaakvollen aanleg tot de sieraden van het dorp. Bijna aan het einde der straat ligt de nieuwe, nette Doops-

[p. 358]

gezinde kerk, en wandelen wij nog een eindweegs door, dan komen wij uit op een' vriendelijken landweg, met linden en eiken beplant, tusschen weiden en boschjes, vol opwekkende kijkjes op rustige landschappen, vruchtbare velden en zandige, houtrijke gronden. 't Is een frissche, zonnige zomermorgen. Geestige kantlichtjes spelen op de stammen. Gouden stralen vallen door 't gebladerte op den lommerrijken weg. De weiden blinken in den zonnegloed en de weldoorvoede runderen loeijen van genot. Witte wolken drijven langzaam langs den azuren hemel. Alles voorspelt een' heerlijken dag. Wij wisten het toen nog niet, hoe dreigend de middag zou worden, wat stroomen van regen ons de avond zou brengen! De meest beproefde weêrkennis werd in de Augustusmaand van 1881 beschaamd.

Niet al te ver mogen wij voortwandelen, als de tijd ons niet zal ontbreken, om met het bezienswaardige in Wolvega kennis te maken. Verderop, bij het dorpje Oldetrijne, wordt de landstreek kaal en boomloos, en al is het dorp zelf ook oud, zooals zijn naam aanduidt, er is niets bijzonders te vinden, evenmin als in het veel naderbij gelegen gehucht Sonnega, al is daar het gebied der houtstreek nog niet ten einde. Wij moeten terug naar den Zwolschen straatweg, waar wij op korten afstand van het dorp den ingang der begraafplaats vinden in een smaakvol aangelegd en zorgvuldig onderhouden boschje. Het kerkhof zelf is door een hooge beukenhaag omringd en daarnevens is een Engelsch plantsoen met een' grooten vijver, waaromheen, tusschen heesters en opgaande boomen, breede slingerpaden loopen. Enkele banken onder sparren of hooge populieren, waarvan eene op een kleine, van den uitgegraven grond opgeworpen hoogte geplaatst is, geven gelegenheid tot rusten en om de slingerende waterpartij ten deele of in haar geheel te overzien. Het houtgewas is er nog jong, maar het groeit goed, en naarmate het weliger wast zal dit bekoorlijke plekje bij de goede verzorging, die er blijkbaar aan ten deel valt, jaar op jaar voor de ingezetenen van Wolvega een aangenamer wandelplaats opleveren.

Van 't station komende wierpen wij reeds een' blik op den

[p. 359]

straatweg aan de overzijde der spoorbaan, waar de R.C. kerk verrijst. Onzen naderen ontdekkingstogt strekken wij ook derwaarts uit. Zij is, evenals de meeste gebouwen in dit gedeelte van Wolvega, nieuw en sierlijk en prijkt met een goed bewerkt beeld in den gevel boven de groote hoofddeur. Ook het inwendige maakt een' gunstigen indruk, maar de wapens op het hek van het plein voor de kerk zou men eer bij den ingang van een adellijk goed verwachten. Beter zouden zij passen aan de oprijlaan van Lycklamastins, het grijze landhuis in 't geboomte, dat eenige schreden verder aan den straatweg ligt. Een ‘stins’ hebben wij daar echter niet te zoeken. Zoo er ooit een dier hechte, eenvoudige torens heeft gestaan, is die sinds lang verdwenen. De geschiedenis schijnt er trouwens niets van te weten. Wèl verhaalt zij, dat Rienk van Lycklama, sedert 1626 grietman van West-Stellingwerf, hier een aanzienlijk gebouw had gesticht, uit het water opgetrokken en van schoone plantsoenen naar den smaak van dien tijd omringd. Een huis ‘uit het water opgetrokken’, schijnt destijds de liefhebberij der Friesche edelen te zijn geweest. Wat vroeger een vereischte ter verdediging was, werd in rustiger dagen het kenmerk van eens edelmans huizinge. Van Hette van Aebinga althans wordt vermeld, dat hij aan zijn state Offingaburg bij Hallum een nieuwe zaal wilde doen bouwen, omdat de zaal, die er reeds was, ‘niet uit het water was opgebouwd.’ 't Had hem bijna, tengevolge van de onhandigheid der werklieden bij het graven van de fondamenten, zijn gansche huis gekost, en nadat er schatten aan verspild waren, was zijn zoon genoodzaakt, alles weg te breken en ‘uit het zand te bouwen.’

Lycklamastins schijnt ook niet door hechtheid te hebben uitgemunt. Reeds een eeuw na de stichting moest het huis om bouwvalligheid worden afgebroken en jaren lang was de plek, waar het gestaan had, ledig, totdat in 't begin dezer eeuw het tegenwoordige heerenhuis werd gebouwd door Mr. Meinardus Siderius, in zijn' tijd een man van hoog aanzien en grooten invloed, om vele gaven van verstand en hart in eere bij wie hem kenden. Bij de kerk der Hervormden zien wij zijn houten grafteeken.

[p. 360]

Ons rest nog een bezoek aan de kerk en aan de plaats van Mevr. Cats. Wij moeten daartoe naar het midden van het dorp terug, maar een buitenweg geeft ons gelegenheid tot afwisseling, en inmiddels zal het laat genoeg in den morgen zijn geworden, om zonder al te groote onbescheidenheid den toegang tot den ouden lusthof der van Harens te mogen verzoeken. Langs den stationsweg, voorbij het uitgestrekte plantsoen van Helomastate, komen wij op den Zwolschen straatweg, dien wij echter aanstonds voor een' vriendelijken zandweg tusschen eikenboschjes en akkers verlaten. Ook van hier gezien maakt het dorp een' aangenamen indruk, gelijk het daar met zijn ranke torenspits en zijn vrolijke huizen tusschen 't geboomte ligt, terwijl de frisch groene weiden vol bonte runderen den voorgrond vormen en de olie- en houtzaagmolens vóór ons en de boomkweekerij aan onze regterhand ons tevens nog eenige bronnen van welvaart voor de ingezetenen leeren kennen. Bij de vaart verlaten wij den weg en kiezen een voetpad door de weiden, dat ons, langs de havenkom met haar gemetselde wallen en voorbij het kerkje der Chr. geref. gemeente, in een der welbebouwde zijstraten van het dorp en door een met eiken beplante laan in de onmiddellijke nabijheid der hooggelegen kerk brengt. In haar nabijheid ligt de pastorie, het nieuwe postkantoor en de groote, lommerrijke tuin achter het witte huis van den oud-burgemeester J. Sickenga.

Terwijl iemand wordt opgezocht, om ons de zware, ouderwetsche deur der kerk te ontsluiten, kunnen wij de fraaije dorpsbuurt met haar nette huizen en kloeke boomen op ons gemak overzien en rondwandelend over het oude, thans niet meer gebruikte kerkhof, het uitwendige der kerk in oogenschouw nemen. De sterke, vierkante toren is van groote Friesche moppen opgemetseld. Van dezelfde steensoort is het muurwerk der kerk gebouwd, voorzoover latere herstellingen niet met kleinen geelen steen zijn uitgevoerd. In 1646 moet het gebouw, zoo niet geheel dan toch grootendeels vernieuwd zijn geworden, blijkens het niet zeer duidelijke versje op een' blaauwen steen boven de zuiderdeur:

[p. 361]
 
Anno 1646.
 
Als Titan Jullium den Vierden Dach ontweide
 
Ontfonckte deze kerck Door ijver In Gods geest,
 
Ons (Grietman) dirck van Baerdt d eerste steen hier leide,
 
Tot Nadenck Van sijn hand. Maar Christi Eere Meest.

Die oude grietmannen hebben inderdaad voor de onder hun bestuur staande dorpen veel gedaan, al zorgden zij doorgaans wel voor de ‘nadenck’ van hun' naam, bij de werken door hen ‘uit ijver in Gods geest’ en tot ‘Christi eere meest’ tot stand gebragt. Maar de mannen van 1795 kwamen met beitel en hamer en hakten hun titels met groote zorgvuldigheid en stalen volharding uit de door hen geplaatste opschriften en van hun grafzerken weg. Zoo verdween ook van dezen steen het woord grietman, gelijk wij straks in de kerk het opschrift van het orgel geschonden zullen vinden. Daar schijnt echter de titel Jonkhr. aan de aandacht ontsnapt. Misschien hebben de onnoozele letters hr. de waakzaamheid der gelijkheidsvrienden bedrogen. Elders zagen wij menigmaal alles, wat ‘heer’ was, uitgebeiteld. Men zegt, dat ook de edelen zelven, om verdere schending van hunne huizen en familiegraven te voorkomen, bij het opkomen van den storm vaak voor het wegnemen van zulke ergerlijke woorden hebben gezorgd.

Inmiddels heeft de schoenmaker-klokkeluider zijn driestal verlaten, om de honneurs der kerk waar te nemen. Hij is er te huis. Driemaal daags komt hij de klok luijen en dat zijn zittend leven zijn ledematen nog niet heeft verstramd, bewijst de vlugheid, waarmede hij door een klein deurtje verdwijnt en over de galerijen en banken in de kerk klautert, om van binnen de zware deur te openen, wier slot de gewone gehoorzaamheid aan den sleutel ditmaal weigert. Het inwendige van de ruime kerk ziet er net en goed onderhouden uit. Van al de wapenschilden, vroeger aan de muren opgehangen, zijn de meesten verdwenen. Van de Heloma's, uit wier geslacht een lid hier van 1820 tot 1859 het grietmansambt bekleedde, hangt er nog een. Twee zijn er van de van Harens: van Willem en Duco, met de jaar-

[p. 362]

tallen 1728 en 1742. De laatste schonk ook het met snijwerk versierde orgel in 1733, en tijdens zijn bestuur werd een nieuwe klok in den toren geplaatst. Planken en banken verbergen de zerken boven den ingang van hunnen grafkelder en welke andere steenen meer nog welligt als proeven der Friesche steenhouwerskunst zouden kunnen gelden. Het fraaije snijwerk aan de donkere eikenhouten heerengestoelten is daarentegen goed te zien. Ieder bezoek aan dergelijke dorpskerken overtuigt ons op nieuw, dat de aanzienlijken in de vorige eeuwen voor zulke smaakvolle versieringen goed geld over hadden en dat het dientengevolge ook niet ontbrak aan kunstenaars in dit vak, die goed werk wisten te leveren.

In de leuning van den trap naar de preekstoel wijst ons de spraakzame en beschaafde tempelwachter een diepe insnijding. Dat heeft volgens de overlevering een baldadig Munstersch soldaat met zijn' sabel gedaan, toen de troepen van Berend van Galen in de Augustusmaand van 1673 na hun' mislukten inval in Friesland op Steenwijk terugtrokken. De wakkere Hans Willem van Aylva, die in Wolvega gelegerd geweest was om de grenzen te dekken, had een sterker stelling bij Heerenveen ingenomen. Zoo werd Wolvega weerloos, maar den vijand was het verder doordringen door een reeks van gevechten belet.

Ons laatste bezoek geldt Lindenoord. Het breede hoofdgebouw ligt een weinig achterwaarts met zijne dubbele stoep, zijn nevengebouw en zijn' vleugel, die aan de dorpsstraat reikt. Aan de andere zijde is de stal, aan het huis verbonden door een' hoogen muur, waarin de poort van den tuin wordt gevonden. Een ruim voorplein, rijk met bloemen en heesters versierd en door steenen palen met kettingen van den weg gescheiden, ligt voor het onregelmatige maar deftige huis. Daarachter strekt zich een prachtige lusthof uit, waarin de wandeling ons welwillend wordt toegestaan.

Wat zware, schoongevormde olmen staan daar in twee rijen bij den achtergevel! Tweehonderd jaren zijn zij oud, naar men zegt. Voor linden zou men hen groeten, naar den vorm der sierlijk neêr-

[p. 363]

hangende takken en der krachtige stammen. Prachtiger iepen zullen er in ons vaderland schaarsch zijn te vinden! Over groote, frissche gazons en rijke bloemperken ziet het hoofdgebouw op een bosch van statig geboomte, waarin een lange laan het uitzigt geeft op een' kerktoren in de verte. Heerlijk houtgewas prijkt in overvloed langs de breede slingerpaden. Tulpenboomen en accasia's, eschdoorns en sparren, esschen en bonte eiken en een donkere bruine beuk, tegen wier neêrhangende takken het witte beeldje zoo schitterend uitkomt - iepen, tot in den top met klimop begroeid - beuken, hoog van stam en kloek van kroon - coniferen van allerlei soort, mengen er de kleurschakeringen van hun loof. Vorstelijke oranjeboomen en krachtige stamfuchsia's staan langs de grasperken geschaard. In een kleine vijverkom spiegelt zich het groen der boomen en het blaauw des hemels, en als wij uit de beukenlaan aan 't einde der plaats terugzien naar het huis onder de eerwaardige iepen, dan weidt het oog over een' lusthof, die thans zeker wel niet minder een eereplaats inneemt, dan in den tijd toen hij de bewondering der bezoekers opwekte door zijn' regelmatigen aanleg en zijn kunstig ‘tooneel’ van geschoren beukenhagen, waar Onno Zwier met zijn kinderen ‘de doos van Pandora’ plagt optevoeren.

Lommeroord was de woonplaats der van Harens, sedert Ernst van Haren in 1673 het grietmanschap ontving tot loon van zijn dapperheid in den Munsterschen oorlog. ‘Kinderen, neemt den hoed af,’ zeî Onno Zwier nog in later dagen, als hij met de zijnen de Schoterschans voorbijkwam. Jhr. Ernst was de opvolger van Dirk van Baerdt, die zich ook in 1672 een wakker aanvoerder had betoond en nog twintig jaar leefde, maar van zijn ambt had afstand gedaan. Hem volgde zijn zoon Willem op - wèl te onderscheiden van ‘den grooten ambassadeur’ en van den dichter - wiens rouwwapen wij in de kerk hebben gezien. Duco van Haren, grietman van 1711 tot 1742, was Willems zoon. Na Duco's kinderloos overlijden verkreeg zijn neef Onno Zwier de waardigheid, die sedert 1673 in zijn familie erfelijk was. Zoon van Adam Ernst, grietman van het Bildt,

[p. 364]

Duco's ouderen broeder, kwam hij na zijns vaders vroegen dood onder de leiding van zijn' grootvader, even als zijn broeder Willem, met wien hij uitnemende gaven des geestes, een' mannelijken leeftijd vol eerambten en vorstengunst, een' ouderdom van vernedering gemeen had. Na den dood van prinses Anna had de haat van velen, aan wier hoofd de hertog van Brunswijk stond, vrij spel en de beschuldiging van een gruwelijke misdaad was de aanleiding tot zijn verwijdering uit alle staatsambten, het grietmanschap van West-Stellingwerf uitgezonderd. Daar is in deze vreeselijke familiegeschiedenis, die in elk geval over de zeden der aristocratie in die dagen een allertreurigst licht verspreidt, nog altijd veel geheimzinnigs, ondanks de talrijke geschriften daarover verschenen, en de herinnering daaraan werpt een droevig waas over het bekoorlijk oord, waar hij de laatste jaren van zijn leven doorbragt en zijn Geuzen heeft gedicht.

In dit huis heeft Onno Zwier evenwel niet gewoond. De gebroeders van Haren, in zoo menig opzigt lotgenooten, waren het ook in 't verlies hunner huizen door noodlottigen brand. In 1732 verbrandde het slot van Willem, destijds grietman van het Bildt, te St. Anna Parochie. Daarbij gingen de voor de geschiedenis zoo kostbare papieren van den ambassadeur verloren, benevens het dagverhaal van ‘hopman Daam,’ den Watergeus, die den Briel hielp winnen, den afstammeling uit het oude geslacht, dat reeds in den aanvang der 13de eeuw de voogdij van Maastricht in pandschap had, den eersten, die zich op Noord-Nederlandschen grond had gevestigd. Een dergelijke ramp trof Onno Zwier in den nacht van 20 Oct. 1776. De brand kwam op de studeerkamer aan en naauwelijks ontkwam het gezin den dood. Uit de bibliotheekzaal beneden werden nog 300 banden benevens een kist met 500 eigenhandige brieven van prins Willem IV en zijn gemalin gered, maar de boekerij in de beide bovenzalen werd vernield, gelijk onderscheidene kostbare schilderijen, waaronder de originele portretten van Brederode en Granvelle en het geuzenmedaillon van hopman Daam. Sommigen schreven den brand aan de kwaadwilligheid toe, die hem ook hier geen rust

[p. 365]

liet, maar voor dat vermoeden bestaat geen genoegzame grond. Wèl was de deelneming en hulp der dorpsgenooten den grietman een groote vertroosting en ‘zijn boeken hadden hem geleerd, met gelatenheid zijn ongeluk te dragen.’

De voltooijing van dit huis heeft hij niet beleefd. Onaangenaamheden met den aannemer vertraagden den wederopbouw, en drie jaren na den brand stierf hij in het in 1760 gekochte huis in de Wildbaan naast de pastorie, een stichting van den generaal Tiddenga, die ook in de treurige familiegeschiedenis een rol heeft gespeeld. Een zijner zonen, Willem Anne, volgde hem als grietman op. Het jaar 1795 beroofde dezen van zijn waardigheid. Hij stierf in 1835 op Vogelzangstate bij Veenklooster.

 

De tijd is gekomen om te beslissen, of wij onzen wandeltogt nog verder zullen uitstrekken door de boschrijke streken van Oldeholt- en Nyeholtpade en Oldeberkoop, die mede tot de bezienswaardigheden van Friesland behooren, dan of wij veiligheidshalve met den trein naar Leeuwarden zullen vertrekken. Daar komen donkere wolken opzetten en de voorzigtigheid raadt, ons niet te wagen aan de kans, om op de eenzame wegen en in de afgelegen dorpen door de dreigende regenbuijen te worden overvallen. Wat de morgen beloofde, wordt door den middag niet gehouden, maar die vriendelijke morgen in het fraaije dorp en zijn' liefelijken omtrek doorgebragt, heeft ons genoeg te genieten gegeven, om dankbaar en voldaan van Wolvega te scheiden.

 

In Friesland geweest te zijn en het Gaasterland niet gezien te hebben, dat is - volgens sommigen - in Rome geweest zijn zonder den Paus te zien. Het land der zandige hoogten aan de

[p. 366]

zee geldt voor velen als de parel aan de kroon der provincie, niet wat de vruchtbaarheid, maar wat het natuurschoon betreft. Een vroeger bezoek aan die landstreek had uw' gids geleerd, dat deze lof wel wat al te hoog gespannen is. Herinnert het Gaasterland door den aard van zijn' bodem en door zijn ligging bij de Zuiderzee aan het Gooi, in rijkdom aan schoonheden staat het in zijn geheel daarbij achter. Maar ook met andere streken in Friesland zelf vergeleken, zou ik er den palm der eere geenszins aan durven toekennen. Het heeft echter in zijn landschap iets zeer eigenaardigs, waardoor het belangstelling opwekt ook van wie wel schooner landschappen zagen. En wat gij elders in ons vaderland niet vindt, dat is een bosch als dat van Rijs, nagenoeg aan het strand der zee. Al ware 't alleen daarom, zou Gaasterland aanspraak maken op ons bezoek.

Staat nu het plan tot een' togt derwaarts vast, dan laat de gewone vraag: ‘hoe komen wij er?’ zich met dubbelen nadruk gelden. Want afgelegener en armer aan openbare vervoermiddelen is voor 't oogenblik nog geen der bezienswaardige streken in Friesland. Voor ons, wier hoofdkwartier Heerenveen is, is de weg, dien wij te volgen hebben, van zelf gewezen en wij hebben daarbij het voordeel, dat deze weg zelf niet onaangenaam is en ons door een fraai en niet onbelangrijk gedeelte der provincie leidt. Tot het aanzienlijk vlek Joure kunnen wij van een' vrij goeden wagen gebruik maken. Voorts moeten wij ons zelven helpen.

Wij plaatsen ons op den bok van het voertuig, van waar wij het landschap kunnen overzien. Dat landschap is vlak. De weg leidt ons door de grietenij Haskerland, rijk aan veenachtig weiland. Terwijl wij naar 't station te Heerenveen rijden, verlaten wij de grietenij Schoterland voor die van Aengwirden, waarvan het gemeentehuis aan den straatweg ligt, en de lange rij huizen aan de overzijde der vaart behooren tot Nyehaske in Haskerland. Heerenveen heeft dus het voorregt, onder drie verschillende gemeenten te behooren. Voor de meeste inwoners, die twee gemeentehuizen in hun onmiddellijke nabijheid hebben, levert dat weinig bezwaar. Alleen op 't stuk van belastingen is

[p. 367]

er ongelijkheid. Maar die van Nyehaske moeten te Joure zijn, om een huwelijk te sluiten, geboorte of sterfgeval aan te geven, of hun' burgerpligt door loten of stemmen te vervullen. En dat Joure een goed eind van daar ligt, ondervinden wij. Het dorp Nyehaske is zijn' opkomst aan de verveening verschuldigd, evenals Heerenveen, waaraan het onmiddellijk verbonden is.

De lange, regte weg langs de spoorbaan is de groote straatweg naar Leeuwarden. Wij volgen dien, totdat hij gesneden wordt door een grintweg, die ook de spoorbaan kruist. Daar slaan wij links af en wij laten de huizenreeks van Heerenveen achter ons, om het digtbebouwde en volkrijke vlek te verwisselen voor de vlakte met haar weiden en slooten, biezen en boschjes, boerderijen en molens, wilgen en elzen, en tallooze draaibruggetjes over de vaart. 't Is een eenvoudig en volstrekt niet indrukwekkend, maar vrolijk en schilderachtig landschap. De morgen is koel en de overjas is geen weelde; zelfs heeft de koetsier zich niet geschaamd, zijn' dikken wintermantel om te hangen, al is het midden in den zomer. Maar de zon schijnt en haar stralen vergulden boomstammen en rietstengels. De witte huisjes met hun rieten daken doet zij blinken en het water der vaart nevens den weg schittert als een spiegel. Zij tint het bleeke wilgenloover en doet de bonte runderen krachtig uitkomen tegen het groen der uitgestrekte grasvelden. Uit den wazigen morgennevel, die den horizon als in een' fijnen grijzen sluijer hult, treden hier en daar rooskleurige, helder verlichte muren en torens te voorschijn. Van verre liggen de donkere bosschen van Joure en reeds op grooten afstand onderscheiden wij een lange laan, die uit de vlakte oprijst. Nog verder schemert aan onze regterhand het houtgewas bij Haskerdijken, waar eertijds een vermaard klooster van Reguliere kannuniken, St. Maria's Rozendal, stond en een sterke stins, in 1422 verwoest, waaromheen allengs de weinige huizen zich schaarden. En ter linkerzij tintelt hier en daar tusschen 't geboomte de heldere oppervlakte van een' grooten waterplas, die het nederige kerkje van Oldehaske schijnt in te sluiten. Een aantal diepe vierkante putten in het veld en eenige turfhoopen, hier

[p. 368]

en daar opgestapeld, bewijzen, dat het veen nog niet is uitgeput. Overigens is er niets bijzonders te zien, tenzij dan het Jodenkerkhof in zijn haag en een gewezen buitenplaats, thans een boerderij, die volgens den voerman in der tijd met enkel dubbeltjes werd betaald.

Ook het dorpje Oldehaske heeft niets opmerkelijks. 't Bestaat uit eenige huizen langs den weg, met een eenzaam kerkje in het veld, merkwaardig om de digte berceau, die naar den ingang leidt. Vroeger was 't een aanzienlijke plaats, maar voor en na werden de boerenhuizen afgebroken.

De groote plas, aan wier overzijde de toren van St. Johannisga oprijst, nadert hier digt aan den weg. 't Is een woeste streek, met gebroken land vol biezen en sierlijk gepluimde rietbosschen, lage weiden, hier en daar met roode daken en zwarte turfhoopen; maar allengs wordt de bodem wat hooger en de bouwakkers worden talrijker. Nog altijd vormen voor ons de laan en de bosschen van Joure den achtergrond der haast onafzienbare vlakte.

Te Haskerhorne pleisteren wij een oogenblik ter wille van de paarden, die inderdaad hun werk uitstekend verrigten, en de stevige kasteleinsdochter brengt den voerman zijn kop koffij, gelijk de gewoonte is gedurende de vele jaren, waarin hij dag aan dag dezen weg langs rijdt. Den langsten tijd heeft zijn geele wagen te Haskerhorne stilgestaan, want ook hier zal eerlang de stoomtram loopen, om de beide welvarende vlekken Heerenveen en Joure aan elkaar te verbinden.

Het kerkje ligt vriendelijk in het groen, met roode lijsterbessen geschakeerd. Overigens hebben wij ook hier geen merkwaardigheden op te merken. Alle welvaart en weelde heeft zich vereenigd in de bloeijende hoofdplaats der gemeente, en ook dit dorpje is spoedig weêr door den grooten wagen achter ons aan ons oog ontrokken. Straks maken wij een bogt en wij rijden de laan van fraaije, hoogstammige iepen in, die wij zoo lang vóór hadden gezien. De teekenen van grooter welvaart vertoonen zich. Het land in den grooten, in 1716 bedijkten polder ziet er

[p. 369]

beter uit, dan de lage ruwe maden, en de verspreide boerenwoningen zijn goed onderhouden. Toch is Westermeer op verre na niet meer wat het geweest is. Eens was 't een aanzienlijk dorp, waarvan Joure sléchts een onbeteekenende uitbuurt was, naar men wil te midden van een haverveld gelegen. Maar de dochter wies de moeder verre boven het hoofd. In 1480 ontving de tot een dorpje aangegroeide buurt van den abt van het Haskerconvent het regt van jaar- en weekmarkt, en allengs trok zij de beste krachten tot zich. Westermeer is niets meer dan een gehucht. De beide staten Rinsma en Lycklama, eertijds bij het dorp gelegen, zijn gesloopt en van hun plantsoenen is niets meer over. Ook de kerk is afgebroken en slechts de zware toren bleef staan, als een herinnering aan wat er geweest is. Maar een weinig verder is thans een middelpunt van bedrijvig leven, als ingesloten door de staten van edelen. Aan den ingang van Joure ligt de nieuwe, sierlijk aangelegde lustplaats Unemastate van een' der jonkers Vegelin van Claerbergen, en als wij die voorbij zijn heeft de wagen zijn dienst gedaan. In de breede, deftige straat, bij de herberg onder de linden, dalen wij van onze verhevene, niet al te ruime zitplaats neder.

 

Wij konden nu terstond hier een rijtuig nemen naar het Gaasterland, of wel den wandelstaf opvatten; maar nu wij in Joure zijn, moeten wij er eerst wat rondzien. 't Is ook pas negen uur in den morgen en de dag is lang genoeg.

Wij beginnen met een' blik op 't uitwendige, dat onmiskenbaar de blijken draagt van leven en bloei. De breede hoofdstraat prijkt met tal van nette, deftige huizen en van welvoorziene winkels, met sierlijke pui en groote spiegelruiten. De kerken der R. Catholieken, Doopsgezinden en Hervormden, het gemeentehuis, de groote nieuwe scholen, die wij achtereenvolgens voorbijkwamen, zijn flink gebouwd en goed onderhouden. Enkele fabriekschoorsteenen verkondigen duidelijk en ondubbelzinnig, dat

[p. 370]

in Joure ook de nijverheid niet vreemd is. Daar zijn twee olieslagerijen en een fabriek van naaigaren, die met stoom werken. Maar er is nog vrij wat meer, dan waarvan die rookende getuigen vertellen. Welligt bevreemdt ons het betrekkelijk groot aantal mannen en jongens, die wij tegenkomen, dragende meubelstukken van allerlei aard, en de niet onbelangrijke menigte van winkels, waar zoogenaamde Friesche klokken te koop hangen. Kastemakerijen, klokkemakerijen en daarmede in verband staande geelgieterijen, zijn nog altijd mild vloeijende bronnen van bestaan. Aan het einde van het vlek ligt de zeer uitgestrekte boomkweekerij van Wijbren Krijns & Co., waar in den winter ieder werk en brood kan vinden, en die ook in den zomer tal van handen bezig houdt. Verlaten wij de hoofdstraat, dan vinden wij er havens, vol van schepen en een scheepstimmerwerf, waar Eeltje van der Zee, behalve stevige vrachtschepen, ook bij de liefhebbers van zeilen gunstig bekende pleiziervaartuigen bouwt. De boterhandel is er van beteekenis en drie stoombooten onderhouden geregeld de gemeenschap met Sneek. Wij leeren Joure kennen als een volkrijk en welvarend vlek, en behalve de fraaije, lange hoofdstraat vinden wij er belangrijke buurten langs de vaarten, vol schilderachtige kijkjes op huizen en boomen en schepen. Vooral van de groote klapbrug bij de oude herberg, met het in steen gemetseld opschrift:

Int Tolhuys Goet logis,

vertoont het zich gunstig. Daar weerkaatst het breede water de kloeke woningen in het groen, de gemetselde wallen, de talrijke vaartuigen, en aan den anderen kant rijst het hoog en digt geboomte van Heremastate, met het breede roodsteenen heerenhuis, aan het einde der lange hoofdstraat.

Groote zeeschepen, zooals een eeuw geleden, toen de ‘Hamburgervaarders’ hier in ‘de kolk’ overwinterden, ziet men er thans niet meer. Destijds kwamen nog, gelijk van ouds, de schippers der Hamburger vloot jaarlijks in de maand Januarij hier in het Tolhuis zamen, ter regeling van de vergoeding,

[p. 371]

volgens onderling ‘kompakt’ uittekeeren aan hen, die hun schepen verloren hadden. Ten jare 1788 waren nog negentien dergelijke vaartuigen in deze onderlinge assurantiemaatschappij opgenomen.

Na onze rondwandeling ter kennismaking met het uitwendige, beginnen wij met de nadere beschouwing van eenige bijzonderheden; 't geleide van den Doopsgezinden predikant F. Born verschaft ons daartoe hier en daar de gewenschte gelegenhe