terug  begin  verderprepost
[p. 335]

Zwerftogten in Brabant en Zeeuwsch-Vlaanderen.

Een vergeten hoekje van ons vaderland is die landstreek, die bij velen onder den niets zeggenden naam van het 4de en 5de Distrikt van Zeeland bekend is. Die naam zegt alleen, dat zij thans tot de provincie Zeeland behoort. Iets meer wordt uitgedrukt, als wij haar Zeeuwsch-Vlaanderen noemen. Daarin ligt althans de herinnering, hoe zij eertijds een deel van Vlaanderen uitmaakte en later met Zeeland werd verbonden. Spraken wij van Staats-Vlaanderen, dan zou het tegenwoordig minder juist zijn, omdat het onderscheid tusschen ‘de souvereine gewesten’ en de ‘generaliteitslanden’ niet meer bestaat, maar daarin zou de aanwijzing worden gevonden, dat het landschap, in vroeger eeuwen Vlaamsch grondgebied, in den grooten worstelstrijd met Spanje door de wapenen gewonnen, in den tijd der Republiek tot de Vereenigde Nederlanden behoorde, maar niet als zelfstandig gewest in den statenbond was opgenomen en door de Algemeene Staten werd bestuurd. In groote trekken zou daarmede zijn geschiedenis zijn verhaald en tevens zijn eigenaardigheid en zijn afzondering ten deele zijn verklaard. Door de breede wateren der Schelde van Zeeland gescheiden, daarentegen onmiddellijk en zonder eenige natuurlijke grens aan Vlaanderen palend,

[p. 336]

heeft het met Nederland zeer weinig, met België overvloedig gemeenschap. En tusschen de beide deelen, waaruit het bestaat - 4de en 5de Distrikt - ligt de groote, nagenoeg opgeslijkte inham de Braakman, zoodat er tusschen beider bewoners niet het minste verkeer bestaat. Over Vlissingen of door België komt men van het eene Distrikt in het andere. In het gansche 4de Distrikt is geen enkel openbaar middel van vervoer, dan een zoogenaamde diligence tusschen Breskens en IJzendijke en de snorwagens van IJzendijke en Aardenburg op Belgische spoorwegstations; in het 5de loopt een spoorweg van ter Neuzen, die de belangrijkste plaatsen, Axel, Hulst en Sas van Gent toegankelijk maakt, ook rijdt er een wagen van Walsoorden op Hulst. Maar in vergelijking met de zeer uitgestrekte landstreek beteekent dit een en ander niet veel. Geen wonder, dat slechts weinig Nederlanders, behalve de handelsreizigers, dit afgelegen oord bezoeken! Wiens weg leidt er heen, tenzij hij er toevallig bekenden mogt hebben of bloedverwanten, of door den aard zijner betrekking derwaarts werd geroepen! Als wandelaars door Nederland zouden wij te kort zijn geschoten in de vervulling van onze taak, wanneer wij ook Zeeuwsch-Vlaanderen niet bij eigene aanschouwing hadden leeren kennen. Maar zullen wij, van onze ontdekkingsreize teruggekeerd, anderen krachtiglijk opwekken, om ons voorbeeld te volgen? Wie nog weinig van zijn vaderland kent en met reistijd en reisgeld wat zuinig moet zijn, vindt elders en ligt meer binnen zijn bereik belangrijker steden, merkwaardiger gebouwen, schooner landschappen. Ook is de nabijheid van steden als Antwerpen, Gent en Brugge hoogst verleidelijk! In denzelfden tijd en voor niet zoo veel meer geld kan men plaatsen als dezen zien? Wat heeft het nederige Zeeuwsch-Vlaanderen aan te bieden, om met zulke naburen in het strijdperk te kunnen treden? Maar laat ons alle gedachten aan mededinging van ons zetten. Laat ons niet vragen: ‘is het 4de Distrikt te verkiezen boven Arnhems omtrek, het 5de boven den Stichtschen lusthof; is het aan te raden, liever Hulst te bezoeken, dan Antwerpen, liever Aardenburg dan Gent, liever Sluis dan Brugge?’ Luidt

[p. 337]

de vraag: ‘is Zeeuwsch-Vlaanderen, op zichzelf beschouwd, waard om door het overige Nederland te worden gekend?’ dan kan het antwoord zijn: ‘een landstreek met een in menig opzigt belangwekkende geschiedenis, met oude en om verschillende redenen merkwaardige steden en dorpen, met een' vruchtbaren en geenszins van schoonheid misdeelden bodem, met een voorkomende bevolking, met eenige opmerkenswaardige eigenaardigheden, heeft in elk geval aanspraak op onze belangstelling’. En wie meenen mogt, dat bij haar inwoners weinig betrekking zou worden gevonden op het land, waartoe zij in hunne afzondering behooren, wie verwachten zou, dat hij er zou verkeeren onder Nederlanders in naam, onder Belgen in der daad, die zal zich, even als wij, aangenaam verrast vinden.

Wij gaan dus een' zwerftogt maken in het land over de Schelde. Maar wij wenschen daaraan nog eenige andere zwerftogten te verbinden. Onze weg leidt ons door Noord-Brabant en wij maken van de gelegenheid gebruik, ook daar nog eens rond te zien. Van den Bosch uit bezoeken wij het merkwaardige kasteel te Heeswijk. Dan gaan wij naar het aloude markgraafschap Bergen op Zoom. De spoorbaan moet ons voorts naar Middelburg brengen, om in den overrijken Historischen Atlas eenige studie te maken van het terrein onzer verdere wandelingen. Voorts stoomen wij van Vlissingen naar Breskens, waar wij verder onzen weg zoeken. De naaste weg is dit niet. Verlieten wij te Vlake den trein, dan zouden wij met een' wagen naar Hansweert kunnen gaan en van daar met de stoomboot naar Walsoorden, om verder van de diligence op Hulst gebruik te maken. Maar dan bleef de ‘Atlas’ ongezien en ongezien welligt ook het Noordelijk deel van het 4de Distrikt, want dan kon de verzoeking wel eens wat sterk worden, om ons niet te ver van de Belgische spoorlijnen te verwijderen!

[p. 338]

Vooreerst gaan wij van den Bosch uit in tegenovergestelde rigting, Z.O. waarts heen. De stoomtram maakt het mogelijk, ons in betrekkelijk weinig tijd een uitstapje naar Heeswijk te veroorloven. Heeswijk ligt drie uren van de hoofdstad. Met het welaangename vervoermiddel, dat in de laatste jaren zoovele onzer steden en dorpen toegankelijk maakte, kunnen wij er vroeg genoeg zijn, om een paar uren op het kasteel te vertoeven en bij tijds voor den middagtrein naar Roosendaal in den Bosch terug te komen. Dat zou wandelend of zelfs met rijtuig ondoenlijk wezen. Bovendien heeft de tram het voordeel, dat wij even goed de gewone wegen en de dorpen daarlangs leeren kennen. Niet als de hooghartige en eenzelvige spoortrein zoekt hij zijn' weg door heiden en velden, ver van de woonplaatsen der menschen. Hij volgt de wegen, hij rijdt door de dorpen, hij houdt op voor de herbergen, hij staat stil, waar de reiziger het verlangt. De ruime, gemakkelijke wagens geven door hun groote glazen en door hun balkons gelegenheid tot onbelemmerd uitzien en van conducteur of medepassagier is onderweg nog wel het een en ander te vernemen omtrent land en volk.

Aan het Hinthamereind, waar de stoomtram afrijdt, overzien wij uitgestrekte hooilanden, hier en daar van lange lanen doorsneden en begrensd door verre boschjes, waarboven eenige kerktorens uitsteken. Aan die lage velden, die gemakkelijk onder water gezet konden worden, dankte 's Hertogenbosch een geduchte sterkte in den tijd, toen de stad nog een vesting was en het geschut niet zoo ver droeg, als thans.

Tot Hintham houden wij hen nevens ons, aan beide zijden van den regten keiweg, die naar Brabantschen trant met iepen beplant is en aan weerskanten een zandpad voor de karren heeft. Op een dier zijpaden zijn de rails gelegd, zoodat het verkeer er niet door gehinderd wordt en de tram in volle vaart er langs snellen kan. In de dorpen moet natuurlijk langzaam gereden worden.

Hintham is een vrij groote welvarende plaats, met goede heerenhuizen. Zoolang 's Hertogenbosch een vesting was, was het

[p. 339]

bezit van deze post van groot belang. Ernst Casimir lag er in 1629 met 50 vendelen en behield haar, ondanks den hevigen aanval der belegerden. Later waren er werken ter verdediging van de vesting aangelegd en was er bouwen en planten aan strenge bepalingen onderworpen. Thans is alles vrij en het dorp breidt zich uit naar welgevallen en behoefte.

Na kort oponthoud gaat het weêr voorwaarts. Lang en regt blijft de weg, maar de grond wordt wat hooger. Er komen wat meer bouwakkers en boerderijen. Vooral als wij het station aan den zijweg naar het overoude, reeds in 815 genoemde dorpje Rosmalen achter ons hebben, wordt de landstreek boschrijk.

 
‘Rosmalen is een ellendig land;
 
's Winters in 't water en 's zomers in 't zand;’

zegt het rijmpje. De grond is echter voor houtteelt zeer geschikt. Het buitengoed aan den straatweg bij het station is daarvan een der bewijzen. Rosmalen zelf, met zijn groote kruiskerk, blijft achter 't geboomte verborgen, maar wij blijven nog geruimen tijd op het grondgebied der gemeente, gelijk wij reeds te Hintham daarop gekomen waren. Weldra verlaten wij den straatweg, en slaan een' zijweg in, te midden van een landschap vol hakhout, weiden, boschjes en lanen, frisch en vrolijk en rijk aan kleur. Wij vinden er een landhuis, dat de plaats beslaat van het voormalige Brigittenklooster Coudewater, als een dubbel klooster in 1434 door een Hollandsche weduwe, Maria of Milla van Campen, gesticht op de plek, waar volgens de overlevering de toenmalige eigenaar der hoeve, Peter de Gorter, uit zijn bijenkorven een liefelijk gezang gehoord en in den korf een wonderbaar kerkje en twee kloostertjes van was had gevonden. 't Werd in 1566 door beeldstormers geplunderd en verbrand. De nonnen keerden er echter in 1629 terug en bewoonden een nog tamelijk bruikbaar deel van het gebouw tot 1712. Toen kwam 't in handen van bijzondere personen, die het deels sloopten, deels tot een heerenhuizinge inrigtten.

Sedert eenige jaren is de naam van Coudewater vooral be-

[p. 340]

kend geworden als die van een uitgestrekt krankzinnigengesticht. Het groote hoofdgebouw en de fraaije woningen van directeur en geneesheer liggen vriendelijk tusschen hooge boomen in een' ruimen, smaakvol aangelegden lusthof. Ook hier heeft de tram een station.

De volgende halte is te Berlicum. Daar zijn er zelfs twee, want Berlicum is een zeer lang dorp. Het oudste deel is in den omtrek van de fraaije Romaansche kerk, die in het bezit der Hervormde gemeente is. Niet ver van daar lag eertijds het adellijk Huis te Berlicum, naar het riviertje, dat er langs stroomt ook ter Aa genoemd. Evenals de andere kasteelen bij het dorp, is ook dit slot gesloopt. Thans vinden wij er nog een heerenhuis, met witte muren en rood dak, in zijn plantsoen gelegen.

De eerste halt is bij het logement De gouden leeuw, in de dorpsstraat. Verderop staan de huizen wat verder uiteen, maar zij volgen elkander toch nog een' geruimen tijd langs den weg op en de groote, nieuwe R.C. kerk met haar' zwaren toren, hoe ver ook van het begin des dorps, ligt nog geenszins aan het einde. Ook hier stopt de tram een oogenblik en dan gaat het weêr verder, langs de molens, de verspreide woningen, de groene hagen, de dennen- en akkermaalsboschjes, de rogge- en boekweitvelden, en de talrijke populieren, die er ten gerieve der vele klompenmakers wassen. 't Blijft een aangename landstreek en 't is er ook geenszins eenzaam en onbevolkt. Oud en jong weet zich intusschen voor de met pijlsnelle vaart voorbij schuifelende slang wel te wachten en ook de stevige karrepaarden, met hun blinkend koperwerk aan het tuig en hun golvende vliegennetten, slaan niet veel acht meer op de verschijning van hun' zonderlingen collega. Een enkele maal schijnt er een oogwenk gevaar. Een jong, vurig ros, door den bestuurder, die in de kroeg zit, zorgeloos alleen gelaten, schrikt en steigert en springt met de ledige kar vlak voor de machine op de rails. Maar onze voerman heeft zijn stoompaard goed in de magt. Eén wenk en het staat onbewegelijk stil, terwijl de angstige viervoeter nog bij tijds wordt gegrepen. Het laatst stoppen wij te Middelrode, een buurt onder Berlicum behoorende. Dan volgen

[p. 341]

eikenlanen, elzenwallen, weiden en akkers in het hout, groene zijwegen, een uitgestrekt bosch en daar vertoont zich op eens ter zijde van den weg het doel van onzen togt, het grijze kasteel met zijn torens, voorpoort en buitenmuren. - Halt! - 't Is goed, dat het huis zoo duidelijk van den weg te zien is. Immers, het dorp ligt nog wel een half uur verder en wij winnen tijd, 'door hier af te stijgen. Tusschen den weg en het kasteel ligt een groote weide, door eikenlanen ingesloten. Kloek komt het gebouw boven het houtgewas aan zijn' voet en tegen den donkeren achtergrond uit. Reeds aanstonds zien wij een voorproefje van de oudheden, daar te vinden, in het kanon in het gras en in de kunstig gesmeedde ijzeren sieraden van de palen aan den ingang der oprijlaan. De laan leidt ons langs de buitengracht en den ommuurden voorburgt, waarachter het slot uit zijn breede grachten oprijst. Dan buigt zij zich en onder het loofdak van hooge iepen vinden wij de lange brug naar de voorpoort. Het poorthuis met zijn' toren en trapgevels maakt een' gunstigen indruk. Romeinsche wapentrofeën van hardsteen zijn in de muren gemetseld en in het ruime poortgewelf treffen wij reeds een klein museum aan; oude, fraai bewerkte muurankers, stangen voor windvanen, ijzeren roosters, antieke lantarens en ander ijzerwerk, terwijl het voorplein ons eenige proeven van beeldhouwkunst in beelden, vazen en dergelijke ornamenten te zien geeft. Een deftige steenen brug leidt naar het kasteel zelf. Terwijl de dorpelwachter voor ons toegang vraagt, hebben wij gelegenheid, den forschen gevel te beschouwen. Het hoofdgebouw is grijs gepleisterd, met Gothische vensters, hoog leijen dak en met talrijke consoles en wapens van gehouwen steen, in de muren gemetseld. Op den hoek rijst een ronde hangtoren, steunende op een vierkant voetstuk met inspringende hoeken. Naast het huis ligt een bestraat plein, aan den achterkant gesloten door een gebouw, dat de ridderzaal bevat, terwijl een op bogen rustende galerij en een hooge, nieuwgebouwde toren de zijde tegenover het kasteel beslaat. In dezen vorm is het gebouw deels uit de laatste jaren, deels tamelijk oud, hoewel sterk gerestaureerd. In het jaar 1610 bestond het tegenwoordige huis reeds, maar

[p. 342]

het schijnt destijds nog niet lang geleden belangrijk vernieuwd te zijn geweest, terwijl een gedeelte van het oude slot - een vooruitspringend poortgebouw, benevens een ronde hoektoren en hoog muurwerk op de plaats, waar thans de nieuwe toren en de galerij worden gevonden - in ruïne was overgebleven. Vond Frederik Hendrik in 1629, toen hij het kasteel innam en bezette, deze vervallen overblijfsels der voormalige versterking nog, veel tegenstand zullen zij wel niet meer hebben kunnen bieden. Volgens een afbeelding uit het eind der vorige eeuw sloot zich bij den achtergevel, waar thans de ridderzaal prijkt, een zwaar, gekanteeld rondeel aan. Heeswijk was eertijds dan ook een sterke burgt, in staat, de Geldersche krijg benden buiten zijn muren te houden, toen zij in 1398 en in 1512 het naburige dorp in de asch legden.

Had de loop des tijds zijn' magtigen invloed doen gevoelen aan het grijze gesticht, dat gezegd wordt, reeds uit het begin der 12de eeuw te dagteekenen, vooral sedert 1833, toen Jhr. A.J.L. van den Bogaerde van Terbrugge het kocht, werd het met smaak vernieuwd en met zorg onderhouden en zijn zonen, de tegenwoordige eigenaars, gaan op denzelfden weg voort. Forsch en edel rijst nog het kasteel uit zijn grachten op, en met zijn breede, deftige brug, zijn hooge muren, zijn kloeke torens en daken vormt het een statig geheel. Veel grooter aantrekkelijkheid heeft het echter nog door den rijkdom van kunstschatten en oudheden, daar binnen bijeengebragt. Met bereidwilligheid wordt het verlof tot bezigtigen van de merkwaardige verzameling verleend, maar wie ook maar eenigszins een volledig overzigt over de menigte voorwerpen van dezelfde soort zou willen verkrijgen, die mogt wel dagen tot zijne beschikking hebben! En wie een gezette studie wilde maken van dit voor kunstnijverheid zoo hoogst belangrijke museum, die kon er wel weken en maanden doorbrengen. Als wandelaars kunnen wij niet meer doen, dan het bestaan van dergelijke verzamelingen met ingenomenheid vermelden en het een en ander noemen, van wat uit zulk een' overvloed onze aandacht trok.

[p. 343]

Van het plein betreden wij in de eerste plaats een voorzaal, als ter inleiding met marmeren beelden en beschilderde glazen versierd. Daaraan grenst een groote zaal, die reeds zóóveel bevat, dat haar inhoud alleen wel een kostbaar museum mag worden genoemd. Daar vinden wij kasten vol kunstig bewerkt ivoor en drijfwerk, pullen en vazen, kannen en bekers, lampen en drinkglazen, prachtige bronzen, kerksieraden, kruisbeelden, getijdeboeken met miniaturen van uitnemende schoonheid, waaronder een van Memmelinck of Quintijn Metsijs, meesterlijk geschilderde glazen met bijbelsche voorstellingen en oude schilderstukken, fraai gesneden spinnewielen, heerlijke kasten, waaronder een, met veelkleurige steenen, bergkristal en ivoor ingelegd, een andere, met tafereelen uit het O. en N.T. versierd, een oude, merkwaardige klok, door Balthasar Tusch in Elbing vervaardigd, eenige historische merkwaardigheden, als de greep van het zwaard van Tromp, of een' dier curieuse gordels, die over het leven in de middeleeuwen zulk een eigenaardig licht verspreiden. Al bepaalden wij ons tot deze ééne zaal, wij zouden reeds een' schat van groote waarde hebben gezien. Maar dit is nog slechts een begin. Een tweede zaal opent zich. Wat al portretten, waaronder van Rembrandt's hand, en wat al miniaturen van groote kunstwaarde, wat weelderige overvloed van Saxisch en Sèvres porselein, beeldjes van biscuit, geëmailleerde klokjes en andere sieraden, tafels met metaal, kristal of kostelijk gesteente ingelegd. Antieke meubels van allerlei aard, draagkoetsjes en narresleden, rijk gekleurd en verguld, een vuurscherm van gobelin, met het wapen van Voorne, een groote spiegel, afkomstig van een' der graven van Oost-Friesland, die het slot eenigen tijd bezeten hebben, pendule en candelabres van malachiet en brons, - wat rijkdom van kostbaarheden, door grondstof of bewerking opmerkelijk! Wij gaan verder. Bij al de weelde, in de zalen tentoongespreid, moge het portaal met zijn stoffeering van aarden kannen wat afsteken, ook die verzameling is om de menigte van exemplaren niet zonder belang. En prachtig in hun soort zijn de met koper versierde paardentuigen, langs den trap naar boven uitgestald. Een cabinet met

[p. 344]

Chineesch behangsel en daarmede overeen komende gordijnen, bevat alleen reeds porselein genoeg, om de liefhebbers te doen watertanden, maar nog veel meer van dien aard is te vinden langs de wanden eener bovenkamer, waar bovendien een glazen kast vol oude drinkglazen en andere merkwaardigheden onze belangstelling verdient. Nog is op verre na niet alles gezien. Wat prachtig drijfwerk en wat overrijk zilveren tafelservies in de kamer, waar behalve dat een allerbelangrijkste verzameling van oude zakuurwerken wordt bewaard - een er van is door de Ruijter gedragen - benevens een menigte van zilveren degengevesten, snuifdoozen en andere kleinodiën. Bezienswaardig is er ook het artistieke mozaïkportret en de collectie oude muziekinstrumenten, als harp, clavecimbaal en wat dies meer zij. Een tweede vertrek aan den bovengang geeft een aantal antieke meubels te bewonderen; een derde is merkwaardig om de rijkbewerkte priestergewaden en bisschoppelijke sieraden, ook om zijn schilderstukken, zijn kasten en tafel, zijn ivoren snijwerk en een kunstig gedamasceerd en geciseleerd tafereel. Een torenkamer daarnevens is vol Chineesch en Indisch kunstwerk en de daaraangrenzende bibliotheek zou ons in de verzoeking brengen, ons in dit rustig heiligdom ter afwisseling in weêr andere schatten, dan die tot dus ver ons oog voorbijgingen, te verdiepen. Maar verder gaat de togt door het huis, de oude eikenhouten trap op, met de teekenen der sabelhouwen, door ruwe soldaten in de zware leuningen achter gelaten. Wederom kamers met oude gebeeldhouwde kasten - een met ijzeren beslag uit het jaar 1538, - met porseleine pullen, antieke ledikanten; een kamer, waar in een pronkkast de perkamenten charters met good bewaarde zegels berusten; een kamer, waar tal van oude beeldhouwwerken nog op schifting en plaatsing wachten, en dan hebben wij het hoofdgebouw doorwandeld. Maar dan hebben wij geenszins alles gezien. Afgedaald naar het plein wacht ons nog meer. Ook de nieuwe toren, langs wiens trans vergulde wapenschilden op ijzeren stangen in het zonlicht blinken, bewaart een eigenaardige en belangrijke verzameling. Vooral het smeedwerk is hier vertegenwoordigd. Ontel-

[p. 345]

bare sloten, grootendeels rijk geciseleerd, hangen aan de muren en pilaren der galerij, die rondom het hooge benedenvertrek loopen. Ook sleutels, boeijen en andere voorwerpen van ijzer zijn er in overvloed, maar opmerkelijk zijn vooral de reusachtige en smaakvolle, met krullen en figuren versierde uithangteekens, door meesterhand geteekend en gesmeed. Dat intusschen ook in dezen tijd fraai werk kan worden geleverd, al is de stijl niet oorspronkelijk, bewijst de met koperen beelden en wapenschilden ingelegde vloer der bovenverdieping, die nog niet geheel gereed is, maar, evenals het metselwerk van den toren, de vergelijking met de oude kunst niet al te zeer behoeft te vreezen. Uitnemend schoon is in dit hooge gewelf het antieke snijwerk, dat in tal van tafereelen en figuren het lijden van Christus voorstelt.

De galerij, die den toren aan de ridderzaal verbindt, is vooral voor de plaatsing van grafzerken bestemd. En treden wij eindelijk de ridderzaal binnen, dan vinden wij er als tot toegift een collectie wapenen, zooals ons vaderland er geen enkele meer, het buitenland er niet velen, heeft aan te wijzen. Tal van volledige ridderrustingen, waarvan een aantal op geharnaste paarden, maliënkolders, helmen, schilden, lansen, zwaarden en dolken, strijdbijlen en hellebaarden, vuurwapens van hoogen ouderdom, alles uitstekend bewaard en in rijke verscheidenheid, vormen een geheel, den grijzen ridderburgt waardig en in volkomen overeenstemming met den onschatbaren rijkdom van kostbare en merkwaardige zaken, waardoor het kasteel te Heeswijk zonder eenigen twijfel onder de belangrijkste plaatsen in den lande gerekend mag worden. Door den kunstlievenden vader der tegenwoordige eigenaars aangelegd, door beiden nog voortdurend uitgebreid, verdient de verzameling, hier bijeengebragt, ten volle den roem, die van haar uitgaat en het drukke bezoek, dat zij ontvangt. En wie haar doorwandelde kon zeker den wensch niet werhouden, dat zij niet eenmaal weêr verstrooid worde, maar voor het vaderland behouden blijve!

[p. 346]

Zooal niet met de snelheid der gedachte, dan toch met die van den sneltrein worden wij verplaatst te Roosendaal, thans een belangrijk middelpunt van spoorwegen, door handel en nijverheid bloeijend. Aan zijn' Gelderschen naamgenoot herinnert het in geen enkel opzigt. Daar een klein, vriendelijk dorpje, aan de helling der Veluwsche heuvels en onder het lommer van eikenen beukenlanen gelegerd bij het statig kasteel; hier een bedrijvig vlek, waar de stoomfluit gilt en hooge fabriekschoorsteenen oprijzen. Daar stille paden in groene boschgewelven; hier schaduwlooze straten tusschen heerenhuizen en arbeiderswoningen. Daar ruischende watervallen en klaterende fonteinen; hier hijgende spoortreinen en ratelende karren. Daar een vrolijke schare, die uitspanning zoekt te midden der rustige, rijke natuur; hier koopman en fabrikant, winkelier en werkman, bezig met de zorgen voor het dagelijksch brood. Daar de zetel van den adellijken landheer; hier het gebied der burgerij. Heeft Roosendaal zijn' naam ontleend aan een vallei, waar wilde rozen welig groeiden, van dal noch rozen is iets meer te vinden. Aanvankelijk een deel der heerlijkheid Breda, in 1300 daarvan gescheiden en in 1500 door Engelbrecht van Nassau er weder meê vereenigd, oudtijds een buurt van Nispen en sedert 1268 eene parochie, had Roosendaal zijn opkomst vooral te danken aan het bevaarbaar maken van het riviertje de Steenbergsche vliet in 1451, waardoor het een haven verkreeg en handel dreef op Holland en Zeeland. Iets meer dan vier eeuwen later, in 1854, bragt de spoorweg er nieuwe welvaart, al houdt het vlek daarom zijn haven niet minder in eere. Behalve enkele trapgeveltijes herinnert in Roosendaal niets meer aan het verleden. Alles ziet er tamelijk nieuw en zeer gewoon uit. De plaats heeft dan ook voor den vreemdeling weinig aantrekkelijks. Het nabijgelegen ‘huis te Roosendaal’, eertijds een kasteel, is een alledaagsch burgerhuis geworden. Het raadhuis heeft eenig aanzien, de Protestantsche kerk is net en goed onderhouden, er is een groot klooster en er zijn goede heerenhuizen, maar iets opmerkelijks ontmoeten wij bij onze rondwandeling niet. Alleen de groote, in 1839 gestichte R.C. kerk, die

[p. 347]

de oude, herhaaldelijk door brand verwoeste parochiekerk verving, is een fraai gebouw, dat met een' schoon gesneden preekstoel prijkt, terwijl de nog nieuwere, in 1872 begonnen kerk van O.L.V. van altijddurenden bijstand, wanneer zij geheel voltooid is, door haar inwendige versiering een kostbaar pronkstuk worden zal. Toch zal zij met al den rijkdom van haar uitstekend in den stijl gehouden schilderwerk en verguldsel niet ligt iets hebben aan te wijzen, wat vergeleken kan worden bij de prachtige kunstwerken, die de kerk van het naburige Wouw te bewonderen geeft.

Dat wij te Roosendaal den trein verlieten, was vooral, om de vermaarde Wouwsche koorbanken te bezigtigen. Een wandeling van een uur brengt ons derwaarts. De breede straatweg is nagenoeg lijnregt. Wanneer wij ook omzien, de Roosendaalsche toren blijft in 't gezigt, juist aan het einde der lange populierenlaan en de zware toren van Wouw is reeds spoedig boven het houtgewas te bespeuren. Het landschap is vlak, maar niet onaangenaam. 't Is een afwisseling van bouwland, akkermaalshout en weiden. Er staan enkele huizen langs den weg, waaronder knappe boerderijen. Hier en daar loopt een zandspoor door de velden naar de onder Roosendaal behoorende buurtschappen en een beekje kruist den straatweg. Even voor dat wij het dorp bereiken, waar een oude landweg zich bij de groote heirbaan aansluit en een niet onaanzienlijk heerenhuis zijn witte muren vertoont, maken wij een scherpe bogt en wij hebben de dorpsstraat met het hooge kerkgebouw op korten afstand voor ons. De plaats ziet er door haar meerendeels nette en goed onderhouden woningen vrolijk en welvarend uit. Eigenaardig is er vooral het zeer ruime grasplein in het midden, van iepen omringd en versierd met twee fraaije hardsteenen pompen uit het jaar 1768. Aan dit plein liggen de voornaamste huizen en daar vinden wij ook de kerk. 't Is een ruime, statige kruiskerk, van grijzen steen opgetrokken en, naar gezegd wordt, in 1414 gesticht. Het schijnt, dat er evenwel in het muurwerk nog gedeelten van een ouder gebouw over zijn. Toen Arnold van Leuven en zijn vrouw Elisa-

[p. 348]

beth, erfdochter van Breda, in 1277 het tiendregt en het patronaatschap van Wouw aan de abdij van St. Bernard te Bornhem bij Antwerpen verkochten, was er reeds een kerk, wier overblijfselen wij in den Zuidermuur meenen te vinden. Sedert 1820 weêr in het bezit der R.C. gemeente, werd zij met zorg hersteld, en bij voortduring wordt er goed de hand aan gehouden, gelijk het schoone bedehuis ten volle verdient.

Op het hooge koor zijn de heerlijke gestoelten geplaatst, van het St. Bernardklooster afkomstig. Op last van den destijds regerenden abt Spanoch werden zij tusschen de jaren 1680 en '90 naar de plannen van den bouwmeester Bouvard vervaardigd. De voor dien tijd belangrijke som van 26000 gulden werd er aan ten koste gelegd en behalve de ontwerper zelf, die de kleinere ornamenten beeldhouwde, wijdden Antwerpsche kunstenaars als Quellinus - de bekwame zoon van den vermaarden Arthur - Willemsens en andere mannen van naam hun uitnemend talent aan de bewerking der prachtíge beelden, die het schoone geheel in rijken overvloed versieren. Elk der beide gestoelten, tegenover elkander langs de wanden van het koor geplaatst, bestaat uit twee rijen zetels, door smaakvolle en kunstig bewerkte beschotten van elkander gescheiden. Een hooge lambrizeering, evenals al het overige van kostbaar donker eikenhout, vormt den achtergrond en op de leuningen van de bovenste zitplaatsen staan de talrijke beelden, waaraan blijkbaar verschillende meesters hebben gearbeid, waarvan wel het eene boven het andere uitmunt, maar die toch allen van hooge kunstvaardigheid getuigen. Een afbeelding, die de schoonheden van hoofden en handen en draperiën in bijzonderheden te aanschouwen gaf, zou noodig zijn, om het geheel in zijn waarde te doen schatten; en een veel uitvoeriger beschrijving, dan wij ons kunnen veroorloven, zou alleen eenig denkbeeld kunnen geven van het in al zijn deelen uitnemend geschikte en bewerkte kunstgewrocht, dat alle andere, overigens teregt beroemde, koorgestoelten in onze vaderlandsche kerken verre acbter zich laat en overwaardig is, dat er de aandacht van landgenoot en vreemde op gevestigd worde.

[p. 349]

De fraaije biechtstoelen, evenzeer met tal van beelden prijkende, zouden elders, zonder zulke gevaarlijke naburen, welligt nog gunstiger uitkomen. Een prachtig Petrusbeeld was op de Tentoonstelling van retrospectieve kunst te Amsterdam te bewonderen. En van goede uitvoering is ook het voetstuk van den kansel, uit onzen tijd, een' martelaar voorstellend, wiens hoofd door engelen gedragen wordt. Maar bij de koorbanken vergeleken, moet alles afvallen!

 

Na den dood van Arnold van Leuven werd zijn uitgestrekte heerlijkheid Breda in 1287 in twee deelen gesplitst. Het eene deel, dat den ouden naam behield, verviel aan Razo van Gaveren; het andere kwam aan Gerard van Wezemale en was sedert als het land van Bergen op Zoom bekend. Wouw behoorde tot het aan Heer Gerard toegewezen gebied. De boschrijkheid van het oord trok de Heeren van Bergen op Zoom krachtig aan en zij stichtten er een jagtslot, dat echter, blijkens de bouwvallen van zware torens en muren, in de vorige eeuw er nog van over, tot een' zeer sterken burgt moet zijn geworden. Volgens de afbeeldingen stond destijds een nieuwer, ofschoon toch ouderwetsch gebouw, met hooge trapgevels en toren, tusschen de ruïnen van den voorburgt, terwijl daarnevens colossale muurbrokken van het voormalige kasteel het toonden, wat geduchte veste hier eenmaal verrees. In den Spaanschen oorlog werd het dan ook beschouwd als een sterkte van groot belang, op wier bezit beide partijen hoogen prijs stelden. Had Jan van Withem 't in 1581 den Spanjaard overgeleverd, de Staten wenschten zich twee jaar later met de herovering geluk. Maar in 1587 ging het weêr door verraad van den slotvoogd verloren en langen tijd maakte een bandelooze rooverbende, die er zich genesteld had, wegen en scheepvaart onveilig. Een poging, om het in zijn magt te krijgen, mislukte in 1598 den Staatschen bevelhebber van Bergen. Beter slaagde prins Maurits in 1606, hoewel niet dan

[p. 350]

na een beleg van vijf dagen. Sedert bleef het onaangetast, maar het schijnt allengs te zijn vervallen, terwijl het nieuwe jagthuis in de ruïne den markgraven tot zomerverblijf strekte. Thans is alles nagenoeg geheel verdwenen en een boerderij neemt de plaats in van het oude en edele slot. Wij behoeven ons daarvoor dus niet langer in den omtrek op te houden. Ook moeten wij de op veel te grooten afstand gelegen Wouwsche plantage, een uitgestrekt dennenbosch, onbezocht laten. Al behoort het tot de eigenaardigheden der heerlijkheid, 't zou ons veel te ver van den weg afleiden. Ons hoofddoel hebben wij bereikt, nu wij de kostbare koorbanken mogten leeren kennen.

 

Bergen op Zoom is een vrolijke, welgebouwde stad, eertijds een belangrijke vesting. Thans zijn haar verdedigingswerken, meesterstukken van Coehoorn's genie, geslecht. Zij had daardoor gelegenheid, den kring harer huizen uit te zetten en er zijn dan ook een aantal nieuwe woningen gebouwd. Vooral bij het spoorwegstation dagteekent alles uit de laatste jaren. Overigens vinden wij er wel enkele ouderwetsche gebouwen, maar het beleg van 1747 maakte de stad nagenoeg geheel tot een' puinhoop. Het meerendeel der huizen is dus betrekkelijk nieuw en goed onderhouden. De straten, die hier en daar een weinig klimmen, zijn vrij breed en er zijn enkele pleinen, zoodat wij er geenszins de bekrompenheid en somberheid van menig andere oude vesting aantreffen. Er is levendigheid en welvaart door het garnizoen, door brouwerijen, beetwortelsuikerfabrieken en pottenbakkerijen, door visscherij, handel en scheepvaart. Haar heuvelachtige en boschrijke omstreken zijn fraai en haar ligging nabij de Ooster-Schelde geeft haar een eigenaardige bekoorlijkheid.

Volgens oude kronieken had de H. Geertruida, de dochter van Pepijn van Landen, hier in de 8ste eeuw een kapel gesticht. Zeker stond er reeds in den aanvang der 11de eeuw een kerk, gewijd aan den H. Lambertus, den apostel der Taxan-

[p. t.o. 350]



illustratie
P.A.Schipperus, del.lith.
S. Lankhout & Co Haag


[p. 351]

driërs, bisschop van Maastricht en martelaar. De oudste geschiedenis der stad schuilt echter in het duister. Eerst na de splitsing van de heerlijkheid Breda komt er wat meer licht. Dat Heer Gerard van Wezemale nog in dat zelfde jaar de plaats met muren omringde en dat zij aan het gansche gebied haar' naam gaf, bewijst, dat zij toen reeds eenige beteekenis had. Na Gerard van Wezemale verkreeg zijn zoon Arnoud de heerlijkheid. Zijn dochter bragt haar aan Albert van Voorne en hunne dochter aan Jan van Valkenburg. Dit huwelijk bleef kinderloos en door verkoop kwam Bergen aan het geslacht Bautersem, en in 1418 door huwelijk aan dat van de Glimes. Uit dit huis, door bastaardij uit Brabant gesproten, volgden eenige Heeren elkander op, waaronder Antonius, die in 1533 zijn heerlijkheid door Keizer Karel V tot een markgraafschap verheven zag en de ongelukkige edelman, Jan de Glimes, de tweede markies, die door de verbonden edelen naar Filips II afgevaardigd, in 1567 in Spanje den dood vond. Hij was de laatste mannelijke afstammeling uit het edele geslacht en het markiezaat werd ten behoeve des konings aangeslagen. Jan van Withem, met een nicht van den laatsten markgraaf gehuwd, kreeg in 1577 de bezitting en trachtte herhaaldelijk, haar onder de gehoorzaamheid aan den koning te brengen. 't Gelukte hem met zijn slot te Wouw, niet met zijn stad Bergen. De poorters verzetten zich met kracht en namen Staatsche bezetting in. Vergeefs werd beproefd, haar door verraad te winnen of bij verrassing te vermeesteren. Vergeefs belegerde Parma de stad in 1588 en Spinola in 1622. Eerst in 1747 werd ‘de ongerepte maagd’, de nooit overwonnen veste, na een hevig bombardement door de Franschen genomen. De regerende familiën wisselden elkander voortdurend af. Nagenoeg niet anders dan dochters werden den markgraven geboren, en zoo kwam de heerlijkheid achtereenvolgens door huwelijk aan Herman en Albert van 's Heerenberg, Eithel Frederik, prins van Hohenzollern, Frederik Maurits de la Tour d'Auvergne en diens zoon François Egon, eindelijk aan de hertogen van Sulzbach, totdat de omwenteling van 1795

[p. 352]

de markgrafelijke waardigheid vernietigde. Deze hooge Heeren, die in hun gebied alle heerlijke regten uitoefenden, bewoonden gedurende hun verblijf in de stad het ruime en aanzienlijke gebouw, waar thans de veldartillerie is gehuisvest en dat als ‘het markiezenhof’ bekend is. Heeft hier reeds in de 5de eeuw een slot gestaan, zóó oud is het hof geenszins. Evenmin is 't het kasteel, dat de eerste afzonderlijke Heer er moet gebouwd hebben. De stijl wijst op cen' lateren tijd. Verbrandden den 17en Mei 1397 alle huizen,

‘behalve olyfant en draecke’,

de neringrijke stad was spoedig herbouwd en steeg in de 15de eeuw tot een' hoogen trap van voorspoed. In den loop dier eeuw kan het hof zijn opgetimmerd. Omstreeks 1479 schijnt de ‘hooge’ of St. Christoffel-zaal te zijn gesticht, welligt onder toezigt van den wijdvermaarden Keldermans uit Mechelen, die in dat jaar te Bergen kwam ‘om raad te geven over stads wercken’. Natuurlijk heeft het ruime en statige paleis veel geleden. Van de zaal zijn alleen de naakte muren nog over. De slanke achtkantige toren op het binnenplein bij den hoofdingang verloor het eigenaardige bovenste gedeelte, dat er het sieraad van uitmaakte. De bogen aan het plein en aan den grooten, aan de achterzijde uitgebouwden vleugel, zijn digtgemetseld. Hier zijn gebouwen weggebroken; ginds zijn hokjes aangeplakt. Tal van vensters zijn veranderd, trapgevels gesloopt, balkons verwenen. Behalve eenige overblijfsels van verguldsel in een der vertrekken, is van de pracht, waarmede eenmaal de zalen en kamers prijkten geen spoor meer te vinden. Ook moest naar de nieuwe bestemming de inwendige inrigting belangrijke wijzigingen ondergaan. Toch is 't nog wel te zien, dat het eens een uitgestrekt en aanzienlijk hof is geweest. De voorgevel is nog vrij goed bewaard; het fraaije gesloten balkon aan den zijgevel in de enge straat bleef nog over; de kunstig gesmeede traliën voor de benedenramen en voor enkele vensters van de groote achterplaats wekken nog de regtmatige bewondering, en hier en daar zijn nog werkelijk indrukwekkende gedeelten te vinden. Is er dus reden te over, om het te betreuren,

[p. 353]

dat het edele huis in zoo menig opzigt bedorven werd, gansch onbevredigd laat het bezoek aan de woonstede der oude markgraven ons toch niet.

Van wat eenmaal tot zijn' luister bijdroeg, is ook niet alles verloren gegaan. Maar wij vinden het elders, op het kloeke, deftige stadhuis. Daar hangen de afbeeldingen der hooge Heeren, benevens enkele portretten van vorstelijke personen, hun vereerd, die vroeger de wanden der hofzalen tooiden. Daar is een eikenhouten schoorsteenmantel, op marmeren kolommen rustend, en de groote, rijk versierde grijssteenen schouw uit de St. Christoffelzaal, met het beeld van dien Heilige, wapenschilden en zinnebeeldige voorstellingen. Eigenaardig is er nog een ander St. Christoffelbeeld, waarschijnlijk mede van het hof afkomstig, dat in plaats van den traditionelen boomstam een geweer in de hand houdt. Ook de eikenhouten trap op de bovenverdieping wordt gezegd, van het hof herwaarts te zijn overgebragt. Een moderne schilderij van den heer van Genk stelt het sterfbed voor van den tweeden Heer uit het huis de Glimes, den grootvader van den eersten markgraaf, die onder den min dichterlijken bijnaam van Jan met de lippen bekend is. Behalve deze bijzonderheid weet de geschiedenis van hem te verhalen, dat hij benevens tien echte kinderen uit zijn huwelijk met ‘la belle blanche’ - Margaretha de St. Simon - nog veertig bastaarden naliet, zooals vermeld staat onder zijn portret:

 
‘Jan met de lippen alhier
 
Naar het leven geschilderd zeer fier
 
Had vijftig kinderen
 
't Was allen mans getier
 
Stierf duizend vierhonderd negentig en vier.’

Hij was waarschijnlijk de stichter der St. Christoffelzaal, die dan ook met zijn' schoorsteen op het schilderstuk is afgebeeld. Een schilderachtig gedeelte van het stadhuis is het pleintje aan den achtergevel, met den uitgebouwden gang, het traptorentje, dat het jaartal 1389 draagt, en de bogenrij van den met wilden wingert begroeiden zijvleugel.

[p. 354]

Een zeer groot, maar in zijn' tegenwoordigen vorm eenigszins zonderling gebouw is de hoofdkerk, het eigendom der Hervormde gemeente, die in het schip haar godsdienstoefeningen houdt. Het koor is verdwenen. Aan de zijde van de zoogenaamde ‘Parade’, een fraai aangelegd plantsoen, rijst een hooge, regte muur, waarin de nog zigtbare kolommen en bogen zoowel de plaats van het koor, als zijn' omvang aanwijzen. De lage zware toren draagt een koepeltje uit de 18de eeuw, den welbekenden ‘peperbos’, waaraan reeds op grooten afstand de ligging van Bergen is te onderscheiden. Overigens is de buitenmuur ten deele achter woonhuizen verborgen, ten deele door een tuintje van de openbare straat gescheiden. ‘Uit één stuk’ is de kerk in geenen deele. De oude St. Lambertuskerk, die blijkens hetgeen er nog van over is, in de 13de eeuw moet zijn gesticht, was voor de aanwassende bevolking te klein geworden. In den aanvang der 15de eeuw werd zij belangrijk vergroot, o.a. door den aanbouw van een hoog koor, en in 1432 werd gesproken van de pas voltooide, nieuwe kerk. Dit nieuwe gedeelte was gewijd aan de in Bergen zeer geliefde St. Geertruid en haar naam verdrong allengs dien van St. Lambertus, zoodat hij meermalen, ofschoon ten onregte, op het geheele, ook thans nog bestaande gebouw werd overgebragt. ‘Voltooid’ was het werk echter nog ganschelijk niet. Voortdurend werd er aan gearbeid. In 1444 verleende paus Eugenius IV aflaat aan allen, die tot den bouw bijdroegen en nog bijna honderd jaar later, in 1541, werd, evenals in 1525, door een loterij beproefd, er gelden voor bijeen te brengen. In den beeldenstorm schijnt zij gespaard te zijn gebleven, maar in 1580 werd zij door het graauw en eenige Fransche soldaten der bezetting deerlijk geplunderd. Toen werd de leege ruimte gedurende eenige jaren een kazerne. In 1584 brandde de St. Geertruidakerk af. Nagenoeg een eeuw lang lag zij in ruïne op de plaats, waar wij thans de bloembedden en heesterperken der ‘Parade’ vinden en onder haar puin verborg zij den grafkelder der Heeren en markiezen van Bergen, aan wier laatste rustplaats dan ook slechts een verdwaalde zerksteen in het tegenwoordige kerkgebouw

[p. 355]

herinnert. Sedert 1587 werd het gespaarde gedeelte door de Hervormden gebruikt. Een kogel, die tijdens het beleg in 1622 onder de preek in de kerk drong, deed wel niet veel schade, maar gaf toch aanleiding, dat veiligheidshalve de godsdienstoefeningen in de Christoffelzaal en op de binnenplaats van het hof gehouden werden. Verwoestend was het vuur der Franschen in 1747. Kerk en toren brandden uit en wat er van het muurwerk nog stond, stortte in Febr. van het volgende jaar ineen. Uit dezen bouwval werd in 1751 de tegenwoordige kerk hersteld en geen wonder is het dus, dat van het oude, op verschillende tijden gestichte, vergroote en geschonden gebouw slechts enkele brokstukken over zijn, die echter, met de nog voorhanden afbeeldingen, genoegzaam te zien geven, hoe ruim en statig het eens moet zijn geweest, toen het nog in zijn' vollen luister prijkte.

De graftombes, tegen den muur van de Parade geplaatst, zijn het opmerkelijkste wat thans in het inwendige der kerk wordt aangetroffen. Haar plaatsing zelve echter wijst er op, dat zij niet zeer oud kunnen zijn en de kerkbrand deed er zijn verwoestend werk, door den nieuweren beeldenstorm, die tegen titels en wapenschilden woedde, voortgezet. Al de tombes zijn dan ook aanmerkelijk beschadigd. Nagenoeg allen werden ter eere van hooggeplaatste officieren der bezetting opgerigt. Amarensia van Ravenswaaij stichtte er een fraai gedenkteeken voor haren in 1631 gestorven echtgenoot Lodewijk van de Ketulle, Heer van Rihove, wiens beeld onder een' door vier marmeren kolommen gedragen hemel ligt. Van hardsteen is het monument met de beelden van een' ridder en zijne gemalin, op het graf van Jeronimus van Tuijll van Serooskerken, in 1671 overleden. Onder eene tombe met geschonden beeldwerk en wapens uit 1625 rusten Willem van Reyden en Judith van Aeswijn van Berckel. Een schoon, maar zeer bedorven werk is het grafteeken van Carel Morgan, gestorven in 1642, dat, behalve tal van wapentrofeën en uitgehakte wapenschilden, den edelman vertoont op een praalbed uitgestrekt, door vrouw en dochter betreurd. Van wat jonger tijd en minder smaakvol is

[p. 356]

het gesteente, gewijd aan de nagedachtenis van Jacob Johan van Volbergen, die in 1778 stierf. Eenige zerken zijn nog uit de dagen vóór de plundering gespaard, waaronder die van een' priester, deken en kanunnik, uit het jaar 1577, terwijl een goed bewaarde zerk van Adrianus van Romerswaal † 1533 en Johanna de Glimes † 1532, waarschijnlijk uit het koor afkomstig, in later tijd in den muur gemetseld moet zijn. Een rouwwapen van Jan Carel Duco graaf van Aumale vertegenwoordigt den schat dier kleurrijke houten gedenkteekenen, die, aan de wanden en pilaren der kerken gehangen, minder duur, maar ook minder duurzaam, de herinnering aan de dooden en hun aanzienlijke afstamming levendig moesten houden en die de Protestantsche bedehuizen uit de 17de en 18de eeuw zoo eigenaardig versierden.

Ter afwisseling brengen wij een bezoek aan de nieuwe, smaakvolle sociëteit Thalia, met haar ruime, helder verlichte localen en haar nette tooneelzaal, in het plantsoen der paradeplaats achter de kerk gelegen. 't Ziet er thans gansch anders uit, dan in de dagen, toen hier het ommuurde, oude kerkhof met den ‘belfroed’ of klokketoren werd gevonden!

Tot de merkwaardige gebouwen van Bergen op Zoom wordt ook de gevangenpoort gerekend. 't Is een oude stadspoort, eigenlijk overbodig geworden toen de stad, die aanvankelijk een ronde gedaante had, na den grooten brand aan den kant der haven werd uitgelegd en haar' tegenwoordigen meer langwerpigen vorm verkreeg. Zij kwam toen in de bebouwde kom te staan en terwijl de vestingwerken aan de zijde der Schelde in ruimen kring daarbuiten werden aangelegd, had zij voor de verdediging geen waarde meer. Misschien dankte zij haar behoud aan haar hecht en stevig muurwerk, waardoor zij als gevangenis dienst kon doen. Zij doet dit nog. Daar is in de straat een buitengewone drukte. In de deuren verschijnen dienstmeisjesgestalten, achter de vensters worden aangezigten zigtbaar. Een optogt nadert, zamengesteld uit een' geboeiden man tusschen eenige veldwachters en een betamend aantal straatjongens en leden van het schoone geslacht. Daar opent

[p. 357]

zich een deur nevens den poortboog. De dief en de veldwachters gaan binnen, de straatjongens en de dames blijven er buiten en allengs verspreidt zich de volksmenigte, de huisdeuren worden gesloten, de vensters verlaten, de rust keert weder. Hoe 't daarbinnen uitziet, weet de man, die ‘opgebragt’ werd, beter dan wij. Vermoedelijk is hij minder ingenomen met het fraaije gebouw, dan wij, die onpartijdiger zijn en ons om de wille der goede stad verheugen, dat een gedenkstuk van oude bouwkunst als dit tot nog toe gelukkig aan de sloopingswoede ontkomen is. De inwoners van Bergen stellen er hoogen prijs op en zouden het zeer ongaarne zien verdwijnen. 't Schijnt dan ook nog geenszins zóó bouwvallig en het staat niet zóó zeer in den weg, dat het niet gespaard kan worden en met zijn beide hangtorens aan den naar de stad gekeerden gevel, zijn beide zware ronde torens aan den havenkant, is het merkwaardig genoeg, om de kosten van onderhoud ten volle waard te zijn, ook al moest aan de eerwaardige, ernstige matrone voortaan een eervolle rust worden gegund.

Ons bezoek aan de poort heeft ons buiten de oude stad aan de haven gebragt. Daar liggen de visschersvaartuigen en beurtschepen aan de breede kaden, met huizenreeksen bebouwd. Daar prijkt de H.B. school, een stichting van den jongeren tijd, nevens het oude ‘spuihuis’, en het voormalige arsenaal, thans tot kazerne gebruikt. Daar vinden wij de graauwe muren van zoutkeeten en de hooge, nieuwe gebouwen eener beetwortelsuikerfabriek, en het groote rad van een' ouderwetschen watermolen. Daar verrast ons ook de uitnoodiging tot een watertogtje op de Ooster-Schelde. De hoofdopziener der visscherijen op de Schelde en Zeeuwsche stroomen, de heer C.J. Bottemanne, staat gereed zich in te schepen ter inspectie van een gedeelte van het stroomgebied, dat aan zijn zorg is toevertrouwd. Wèl dreigen donkere regenwolken en het is dus mogelijk, dat het onderzoek door booze buijen verhinderd zal worden, wèl zullen wij nu onze plannen in zoover moeten wijzigen, dat een voorgenomen wandeling in de omstreken der stad achterwege blijft, maar de gelegenheid is te verlokkend, om onder zulk geleide ook iets van de belangrijke visscherij op

[p. 358]

de Schelde te zien en te hooren. Volgaarne nemen wij het welkom aanbod aan en vinden het ranke, sierlijke stoombootje een weinig verder reeds gereed liggen. Op onze wandeling derwaarts over het terrein van geslechte vestingwallen, kunnen wij het oude vermaarde St. Geertruiputje niet meer bezigtigen. Deze merkwaardige bron van zoet, waarschijnlijk geneeskrachtig water, dat prins Frederik Hendrik op aanraden zijner medici geregeld plagt te drinken, is bij den aanleg der verdedigingswerken door Coehoorn door het brakke Scheldewater bedorven en sedert geheel verdwenen. Daarentegen maken wij oppervlakkig kennis met een' oesterput, waaraan trouwens op zulk een' afstand niet veel te zien is. 't Zijn een paar langwerpig vierkante bassins, niet ongelijk aan de putten in het veen, waaruit de turf gestoken is, of aan de gaten in een weiland, waaruit de grond tot ophooging van een' dijk is gehaald. De getraliede bakken, waarin de jeugdige schaaldieren tot den strijd om 't bestaan bekwaam gemaakt worden, blijven voor het oog verborgen.

De boot stoomt de haven uit, het overblijfsel van het waterfort voorbij. Wij zijn ‘op zee’, zooals de visschers van IJerseke den grooten waterplas noemen. Flaauw teekent zich van verre de lage kustlijn af. Alleen Tholen met zijn kerk en geboomte is duidelijk te onderscheiden. Overigens is 't grijs en blinkend water, grijs en blinkend slib, en daarboven een grijze en blinkende lucht, waaraan van verre hoogst verdachte wolken opkomen. Uitgestrekt is de watermassa, maar er is geen denken aan, dat een vaartuig regelregt naar de plaats zijner bestemming koers zou kunnen zetten. Overal wijzen tonnen, bakens en merken ondiepten en zandplaten aan. Eng is het vaarwater en de stuurman moet er goed mede bekend zijn, om zijn' weg te kiezen. 't Is hier een merkwaardige streek. Geweldige omkeeringen zijn hier geschied. Bragt van ouds de magtige rivier aan Bergens kooplieden en visschers welvaart en voorspoed, elders bragt zij verwoesting. Onder de kiel onzer stoomboot ligt het verdronken land van Zuid-Beveland. Niet zeer ver van ons is de plek, waar Romerswaal na lange, wanhopige worsteling is ondergegaan. Deze boei ligt boven den

[p. 359]

toren van Broeke, een ambacht en parochie, allengs, het laatst in 1404, door bedijking van gorzen en slikken vergroot, voortdurend door de wateren bedreigd, herhaaldelijk door den vloed geteisterd, in November 1530 voor goed verzwolgen. Nog stuit de bootshaak des schippers op het oude metselwerk en men zegt, dat zij binnen het vierkante muurwerk diep kan worden ingestoken, eer zij den bodem raakt.

Welligt zouden zonder buitensporige kosten en moeite eenige duizende bunders land heroverd kunnen worden en de scheepvaart zou er weinig bij verliezen. Zelfs zouden de waterwegen, die gespaard moesten worden, in diepte winnen. Maar 't is de groote vraag, of de grond de bedijking waard zou zijn. Waar niets dan zand wordt gevonden, zou 't de kosten wel niet loonen. 't Is toch niet alleen om de eerste inpoldering te doen. De oude strijd met den waterwolf zou dan onmiddellijk weêr beginnen. Allengs, onmerkbaar eerst, ondermijnt de stroom den dijk, het zand waarop hij gebouwd is wegspoelend. Niet enkel bij storm en hoogen vloed toont de rivier haar reuzenkracht! 't Gevaarlijkst is zij, als zij verraderlijk haar werk der verwoesting volbrengt en als zij bij laag water zich terugtrekt, dan ontvalt den dijk zijn steun. Hulpeloos zakt hij ineen en door de bres dringt de vijand in zijn verloren gebied, om er straks weêr als meester te heerschen. Zou de aanwinst van land hier een onzeker voordeel zijn, voor de visscherij zou 't een doodsteek wezen. En de visscherij is in deze streken van groot belang. Die op bot en schar, harder en geep, paling en garnaal zijn in de Ooster-Schelde van niet veel beteekenis, al is natuurlijk het eene jaar gunstiger dan het andere. De vangst van haring en ansjovis daarentegen levert in gewone omstandigheden een ruime winst, die wat den haring betreft, volgens den hoofdopzigter, bij meer zamenwerking der Bergensche visschers nog veel grooter zou kunnen zijn. Met den vloed opkomende, worden de visschen bij de ebbe tegengehouden door de ‘weeren’, afschutsels van gevlochten teen, die zigzagsgewijze zijn geplaatst. Achter deze weeren worden zij met het net gevangen of in de fuik gedreven. Ook andere bezoekers, als zalm, elft en dergelijken,

[p. 360]

vinden zich soms den terugweg afgesloten en worden niet versmaad. De weeren worden door het rijk voor eenige achtereenvolgende jaren verpacht. Op uitgestrekte mosselbanken worden door tal van visschers vaak goede vangsten gedaan. Maar verreweg het merkwaardigste is er de oesterteelt. Naar het schijnt werken verschillende oorzaken mede, om hier dien belangrijken tak van bedrijf, beter dan elders, te doen bloeijen en verrassend zijn de verkregen uitkomsten.

Tot voor eenige jaren was de oestervisscherij vrij; maar niet lang zou 't meer hebben geduurd, of de eenmaal rijke banken zouden geheel zijn leeggevischt. De oester is ongeloofelijk vruchtbaar. In een enkel jaar brengt het moederdier een millioen jongen ter wereld en na drie jaar is het dier volwassen, in staat om op zijn beurt een dergelijk aantal voorttebrengen en dat eenige jaren voltehouden. De vermenigvuldiging zou dus bijna onrustbarend zijn, wanneer er van het broed niet zooveel verloren ging. Als het, een digte wolk gelijk, de moederlijke schaal heeft verlaten, zwerft het een' tijd lang op de oppervlakte der zee, om weldra weêr naar den bodem te dalen. Alleen de larven hebben een zwemtoestel, maar als zij dat verloren hebben is het vermogen om zich te verplaatsen hun ontzegd. Waar zij neervallen blijven zij, aan een of ander hard voorwerp vastgehecht, om er te groeijen of te vergaan. Vergaan is het lot van de meesten. Diepte, temperatuur en zoutgehalte van de zee zijn voor veler ontwikkeling ongunstig en wie op voor hun' verderen wasdom geschikte plaatsen vallen, worden door allerlei gevaren bedreigd. Talrijk zijn de vijanden, die op hen azen; winterkoude kan hen dooden; storm en vloed overstelpt hen met zand en slib. Niettemin waren er, ook aan onze vaderlandsche kusten, prachtige oesterbanken. Maar het schelpdier is hoog in prijs en de vrije visscherij werd niet zelden moordvisscherij, die met ontvolking der gansche bank eindigen moest. Rekening houdende met deze omstandigheden is het zaak voor drieërlei te zorgen. Vooreerst, dat van het broed zoo weinig mogelijk verloren ga; vervolgens, dat de oester bij zijn ontwikkeling zoo veel mogelijk tegen nadeelige invloeden bevei-

[p. 361]

ligd worde; eindelijk, dat de visscherij op de banken aan behoorlijk toezigt onderworpen zij. Om het broed te verzamelen worden in Julij en Augustus, wanneer het drijft, op daartoe geschikte plaatsen voorwerpen neergelegd, waaraan het zich hechten kan. Tegenwoordig gebruikt men voor zulke ‘collecteurs’ voornamelijk dakpannen, met kalk bestreken, om de jonge dieren gemakkelijker te kunnen los maken. Worden deze pannen opgenomen, dan vindt men hen met een grooter of kleiner getal - gemiddeld 20 tot 30 - reeds als oestertjes kenbare diertjes bezet. Meer dan elf millioen pannen werden in 1881 in de Ooster-Schelde uitgelegd. De jonge dieren, nog te teêr om onbeschermd den harden strijd voor het bestaan te kunnen doorstaan, worden met de pannen naar de ‘putten’ gebragt. In het volgende jaar worden zij met stompe mesjes voorzigtig afgestoken en in de ‘hospitalen’, aan de putten verbonden, overgebragt. Dit zijn bakken, met ijzergaas overspannen, waar het water rij kan doorstroomen, maar geen vijandelijk dier noch slijk kan doordringen, en die naar gelang der temperatuur verplaatst kunnen worden. Daar worden de oesters verzorgd, totdat zij geschikt zijn, om op de banken te worden uitgezaaid. Zijn zij daar rijp, dan worden zij gevischt, en of terstond in den handel gebragt, òf tot wintervoorraad in de putten bewaard. Deze banken zijn sedert 1870 door de regering verpacht. Slechts een paar natuurlijke banken, waar de visscherij vrij is, worden in de Ooster-Schelde nog gevonden, maar de vangst aldaar is onbeduidend. Niet enkel voor de schatkist is dit een niet te versmaden voordeel. De IJerseker bank werd in 1882 voor ruim drie tonnen gouds jaarlijks voor 30 jaar verpacht, terwijl de pachtsom in 1870 slechts 12000 gulden was. Maar ook en vooral de teelt en de vangst der kostbare schelpdieren heeft door deze matregelen aanmerkelijk gewonnen. Is het eene jaar gunstiger voor het aanslaan van het broed dan het andere, kunnen stormen en hooge watervloeden nog veel schade toebrengen, blijven krabben en zeehonden nog steeds een niet gering deel van den buit zich toeëigenen, is bij alle waakzaamheid der policie diefstal bij nacht en ontijd niet geheel te voor-

[p. 362]

komen, en blijft er nog steeds veel te leeren over, hoogst belangrijk mogen de uitkomsten worden genoemd. Van de stations Bergen op Zoom en Kruiningen werden in 1881 niet minder dan 1 547 231 Kg. oesters verzonden. Bij het snelle vervoer kunnen in het buitenland hooge prijzen worden bedongen en belangrijke kosten zijn aan de oesterteelt verbonden. Goedkoop zullen zij nooit worden en er is geen denken aan, dat zij ooit tot voeding van ‘het volk’ zullen bijdragen. Maar tal van handen vinden er werk en tal van monden brood door, zoodat ook hier de welverdiende winst der vermogende ondernemers aan velen ten goede komt.

Bij onzen watertogt zien wij van deze dingen niets, dan de boven de zee uitstekende takken, die de grenzen der verpachte perceelen aanwijzen. De collecteurs liggen onder water en gevischt wordt er heden niet. De bui is losgebroken. De regen drijft ons naar de kajuit. De inspectie moet worden opgegeven en de steven huiswaarts gewend. Maar groote, uitvoerige kaarten, waarop alle platen en ondiepten, alle weeren, alle mossel- en oesterbanken staan aangewezen, komen onze voorstelling te hulp en de belangrijke mededeelingen omtrent de visscherij op deze stroomen doen ons het uitstapje op de Ooster-Schelde geenszins als mislukt beschouwen, al werd het doel ook niet ten volle bereikt.

In den middag zien wij toch nog iets van de behandeling der jonge oesters. Het stadje Tholen is met de stoomtram zoo gemakkelijk te bereiken, dat wij het niet onbezocht willen laten, nu wij zoo digt in de nabijheid zijn. De bui is overgedreven, de lucht is opgeklaard en vriendelijk schijnt weêr de zon. 't Is ook een aangename landstreek, die wij doorjagen. Aan deze zijde van Bergen zijn de oude wallen nog gedeeltelijk over, en als wij hen achter ons hebben, komen wij in een vruchtbaar, houtrijk oord, deels polderland, deels vrij hooge zandgrond. Beetwortel wordt er veel verbouwd, om in de fabrieken tot suiker verwerkt te worden. Overigens vinden wij er korenakkers en akkermaalsboschjes, terwijl de straatweg doorgaans met hoog geboomte beplant is. Op een' wat golvenden bodem ligt het dorp Halsteren met

[p. 363]

boomgaarden en tuinen, boerderijen en heerenhuizen en zijn kerk in het groen. Wij laten het regts van ons liggen, daar de groote weg er niet doorheen loopt; maar wij kunnen er toch genoeg van zien, om te begrijpen, dat het een geliefd uitspanningsoord voor de Bergenaars is, en dat het uitzigt er fraai en ruim moet zijn, voor zoover het niet door het houtgewas wordt belemmerd. Rondom toch zijn het vruchtbare vlakten, en op korten afstand blinkt de groote waterspiegel der magtige Schelde. De lage polders, waarvan sommigen nog de namen van Bergens oude Heeren in herinnering houden, werden bij oorlogsgevaar onder water gezet. Dan was van deze zijde de toegang tot de veste voor den vijand gesloten en Halsteren rees er als een eiland uit zee, met zijn schansen den wijden omtrek beheerschend. Het Lange Water, een oude riviertak, thans een smalle waterloop, eertijds de grensscheiding tusschen Brabant en Zeeland, deed voor de inundatiën goede diensten. Bij de herberg het Palinghuis zien wij den kleinen stroom. Ook Tholen, de sleutel van Zeeland, werd er door gedekt en in het treurige jaar 1747 hield de watervlakte in deze polders de overwinnaars van Bergen buiten de Zeeuwsche grenzen.

Een rit van een half uur brengt ons in de nabijheid van Tholen. Maar wij zijn er nog niet in. De rivier de Eendragt, ook een der Scheldearmen, scheidt ons nog van de stad. Wij moeten met de veerpont over. Zou 't zoo bezwarend zijn een brug te maken? Tholen wil er niet van hooren. De verpachting van het veer brengt te veel voordeel aan voor de stedelijke kas. Volgens octrooi van herlog Filips van 1462 werden der stad alle veeren, die er destijds waren en nog zouden komen, in erfpacht geschonken. Dit veer is alleen nog over. Dat op Romerswaal verviel, toen die stad verzwolgen werd, even als een ander op het eveneens verzonken Broodelooze. Van den dijk hebben wij gelegenheid het stadje met zijn nog ten deele gespaarde en met iepen beplante wallen te bezien, terwijl wij de veerpont wachten. 't Ligt er vriendelijk aan den zoom der smalle rivier en levendig is 't op den Brabantschen oever, waar groote wagens het kostbare vlas, met schepen

[p. 364]

uit Zeeland aangevoerd, opladen. En als wij overgevaren zijn, dan worden wij wêer herinnerd aan de dingen, waarvan wij op dezen morgen meer gehoord dan gezien hadden. Op den veerdam, bij een houten huisje, zijn eenige mannen, vrouwen en jongens aan den arbeid. Daar staan lange rijen van dakpannen en 't is ons niet meer een raadsel, wat dat beteekent. Wij zien er de oestertjes opzitten, ten deele vrij groot reeds, ten deele nog zeer klein. Men wijst ons, hoe zij er worden afgestoken. Groote voorzigtigheid is er noodig en niettemin worden er nog velen gekwetst. 't Is dan ook wel beproefd, andere collecteurs te gebruiken, waarbij het afsteken overbodig is, maar de pannen zijn toch nog verreweg het meest in gebruik.

Tholen is een stil stadje, met enge straten, en vrij wat ruimte binnen zijn wallen wordt door tuin- en moesgrond ingenomen. De meeste huizen zien er ouderwetsch uit en zijn klein en laag. Trapgevels zijn er niet zeldzaam, maar een' belangrijken gevel merken wij niet op. Enkele woningen hebben eenig aanzien en de stad, wier inwoners van visscherij en landbouw leven, is ook niet in verval. Een fraai nieuw schoolgebouw toont zelfs, dat er welvaart heerschen moet. Aan de Hoogstraat staat het stadhuis, dat zich met zijn' slanken achtkanten toren uit het dak en zijn' antieken voorgevel deftig genoeg vertoont, en zeker zou winnen, wanneer het niet als door de huizen, waartusschen 't geklemd is, wat ineengeperst scheen, zoodat het voor zijn hoogte veel te smal is. En door de zijmuren, die onmiddellijk als halve trapgevels nederwaarts loopen, geeft het min of meer den indruk van een' gevel zonder huis. 't Is dan ook maar een gedeelte van een oud en zeer uitgestrekt gesticht; van het ‘steenen huis’, waar de tolgaarder woonde, sedert Tholen in 1220 aan graaf Willem I gekomen was. Reeds van ouds was hier een belangrijke tol gevestigd, waaraan de stad haar' opkomst en zelfs haar' naam moet te danken hebben.

Verreweg het belangrijkste gebouw is de groote kerk, uit het begin der 15de eeuw, die haar hooge, zware muren, door open contreforts gesteund, op een door iepen beschaduwd plein ver-

[p. 365]

heft. Geheel voltooid schijnt zij niet te zijn geweest, of de koortrans, wiens pilaren in den buitenmuur zigtbaar zijn, moet later zijn weggebroken. Zij is versierd met een bezienswaardige portiek. Van binnen is zij door het kunstig gemetselde steenen gewelf merkwaardig en op het koor is een fraaije zerk van een' Heer en dame uit het geslacht van Blois, dat tot in het begin der 15de eeuw de heerlijkheid in leen had. Van de tombe van Guy, den laatsten Heer, gestorven in 1421, is nog slechts de steen over, waarop zij stond. Forsch en kloek is ook de vierkante toren met zijn stompe kap, en opnieuw hebben wij de aanleiding, ons te verbazen over de menigte van schoone en statige kerken, door het voorgeslacht gesticht. En wat wisten onze vaderen hun huizen aardig te versieren, ook in een' tijd die nog niet zóó ver achter ons ligt! Wij kunnen er niet ver van 't stadhuis een proeve van zien.

Niet meer uit den besten tijd, maar toch geenszins onverdienstelijk, is het schoorsteenstuk van tegels in de woning van den smid J. van Houten. Toen 't er in 1770 geplaatst werd, was in dit huis blijkbaar reeds een smederij gevestigd. Het vertoont den meester met zijn gezellen aan het werk, en dat de toenmalige werkluî een hartversterking niet versmaadden, blijkt uit het kunstelooze maar zeker welgemeende onderschrift:

 
Vrouw tap de kan maar pas op de vonk(en)
 
Als het ijzer is heet moet het zijn
 
Gesmeed. En dan ook eens gedronken.

Sieraden van dien aard zijn er welligt meer in Tholen, maar ter onzer kennis kwamen zij niet, bij het korte oponthoud dat ons er vergund was.

Moeten wij, op den Brabantschen wal teruggekeerd, een oogenblik op de stoomtram wachten, wij kunnen dien tijd niet besteden aan de bezigtiging van het hoornwerk Slikkenburg, dat eertijds aan deze zijde Tholen hielp verdedigen. Het is verdwenen, evenals het oude dorp met kerk en molen, dat er nog vroeger was te vinden en op een kaart van 1555 voorkomt.

Dank zij der tram, die ons tijdig in Bergen terugbrengt, en

[p. 366]

den heerlijken, helderen avond, kunnen wij nog iets van Bergens omstreken zien, om ons te overtuigen, dat zij den inwoners aangename wandeltogtjes vergunnen. Er is vrij wat bosch en van eenige heuveltoppen is het uitzigt ruim en rijk. Er zijn liefelijke paadjes door bouwland en hakhout, wilde zandsporen tusschen rijzige dennen, geheimzinnige plekjes in het welige struikgewas, groene, digt begroeide dalkommen- en belommerde beukenlanen. En soms, als wij een hoogte hebben beklommen, blinkt achter het donkere hout en de stad op den achtergrond, de prachtige Schelde in den gloed der dalende zon.

 

Tot ons bezoek aan Zeeuwsch-Vlaanderen wilden wij ons te Middelburg eenigszins voorbereiden. Niet alleen, dat wij van den heer F. Nagtglas, die herhaaldelijk deze streken bereisde en in Eigen Haard een prettige bijdrage over het 5de District had geleverd, gaarne nog eenige inlichtingen wenschten te ontvangen behalve die, welke wij reeds van eenige andere vrienden van dat goede land hadden verkregen, maar wij achtten het ook noodig, ons vooraf wat vertrouwd te maken met den voormaligen toestand der landstreek. Want, zoo ergens in ons vaderland, dan hebben hier wel belangrijke veranderingen plaats gehad en de talrijke kaarten, aan het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen toebehoorende, stellen ons in de gelegenheid, er ons eenige voorstelling van te vormen.

Van oudsher moet hier reeds een gemengde bevolking hebben gewoond. In de ruwe bosschen tusschen de zee en de Schelde huisden ten tijde van Caesar vermoedelijk uit Germanië verdrongen Menapiërs en uit Gallië afkomstige Moriniërs, en in het laatst der 4de eeuw schijnen er zich ook talrijke volkplantingen van Saxers gevestigd te hebben. De breede zeearm het Zwin - de Sincfal - gold tevens als de zuidergrens van het land der Friezen. Van het grondgebied, dat voor het eerst omstreeks 678 onder den naam van Vlaanderen voorkomt, was deze

[p. 367]

landstreek een deel. Als de eerste Evangelieverkondigers onder de woeste, nooit overwonnen heidenen, worden Eligius en Willebrord genoemd. Onder de regering van Karel den Groote moet de bevolking versterkt zijn geworden door een groot aantal Saxers, herwaarts overgevoerd, en sedert de opkomst van het graafschap Vlaanderen op het einde der 9de eeuw bleef het gewest, waarin wij gaan rondzwerven, aan de heerschappij der magtige Vlaamsche vorsten onderworpen, totdat het in den Spaanschen oorlog gescheiden werd van het land, waaronder het altijd had behoord. Voortdurende oorlogsrampen en overstroomingen hadden het in dien tijd nagenoeg ontvolkt en na den Munsterschen vrede waren het Vlamingen, Franschen en Zeeuwen, die er zich kwamen nederzetten, nevens de oorspronkelijke inwoners, er gebleven of teruggekeerd. Ook ambtenaren en soldaten vermengden zich met de bevolking, terwijl nog voortdurend Belgen in niet geringen getale er hun woonplaats vestigen.

Onder de regering der oude graven en hunne opvolgers uit het Bourgondische en Oostenrijksche Huis, was het tegenwoordige 4de District nagenoeg in zijn geheel een deel van het Vrije van Brugge, en droeg het, als een der drie kwartieren, den naam van het Oost Vrije of het Vrije van Sluis, terwijl het 5de het grootste deel bevat van de oude Vier Ambachten, de landstreek ten N. van het land van Waes en in Hulster-, Axeler-, Asseneder- en Bouchouter-ambacht verdeeld. Het eene deel, aan den burgt te Brugge onderhoorig, werd tot Fransch-Vlaanderen gerekend; het andere, onder den burgt te Gent, tot Keizerlijk Vlaanderen. Gedurende den 80jarigen oorlog steden belegerd, gewonnen, verloren, nu eens Spaansch, dan weêr Staatsch, schanzen opgeworpen, polders onder water gezet. Toen deze gewesten in het bezit der Republiek gekomen waren, werden zij als generaliteitslanden door de Algemeene Staten bestuurd, behoudens het beheer over Axel, Ter Neuzen, Biervliet en de forten Lillo en Liefkenshoek, dat onder den naam van ‘Committimus’ aan gecommitteerde Raden van Zeeland was opgedragen. Was er dus een zeer gemengde bevolking, ook de eenheid in bestuur ont-

[p. 368]

brak er en velerlei verwarring en strijd bleef niet uit. Maar niet de regeeringsvorm alleen of bovenal onderging belangrijke wijzigingen. De bodem zelf was het tooneel van menig verandering. Water tot land gemaakt; land in water verkeerd; dat is de doorgaande geschiedenis. Zeeboezems opgeslijkt, rivierarmen verland, koopsteden met diepe waterwegen en ruime havens tot landstadjes vernederd, nietige stroompjes tot geweldige rivieren aangewassen, vruchtbare velden met bloeijende dorpen, kasteelen en kloosters verzwolgen, straks weêr polders ingedijkt, en weêr overstroomd en weêr gewonnen. De kaarten zijn natuurlijk verschillend van waarde. Er zijn er van de grootste naauwkeurigheid; er zijn er, die de middeleeuwsche toestanden meer naar historische gegevens, dan naar plaatselijke opnemingen voorstellen. Maar ook deze laatsten zijn voor ons doel niet zonder beteekenis, al mogen zij in bijzonderheden niet te vertrouwen zijn. De loop der oude dijken, de rigting van waterpoelen en meertjes verspreidt nog vrij wat licht over de gesteldheid der landstreek in een' tijd, waaromtrent geen gelijktijdige kaarten zijn te raadplegen.

Wanneer wij den Atlas met al die kaarten, platen, portretten, plattegronden en wat dies meer zij sluiten, is de indruk niet weinig versterkt, dat wij een gewest met een zeer rijke en zeer belangwekkende geschiedenis gaan bezoeken. Maar hoe gevoelt zich uw gids in Zeeuwsch-Vlaanderen ook overstelpt door het besef van de moeijelijkheid zijner taak! Welwillende vrienden van dat goede land, ingenomen met zijn voornemen om het wat beter aan zijn landgenooten te leeren kennen, hebben hem een menigte bouwstoffen verschaft en aangewezen. Welligt zou hij er door in staat zijn gesteld, een tamelijk volledige en in bijzonderheden afdalende geschiedenis van Zeeuwsch-Vlaanderen er uit-optestellen. Maar dat ligt geheel buiten het bestek eener ‘wandeling’. Uit de overrijke stof moet hij trachten te kiezen, wat van algemeen, wat alleen van plaatselijk belang is. Den een' zal hij te weinig geven, den ander te veel. En wat nu het land zelf aangaat, afgezien van zijn geschiedenis? Steden die belangrijk zijn - geweest, dorpen, welvarend maar zonder veel beteekenis, dijken, polders, hof-

[p. 369]

steden; zal het hem gelukken, daarvan een schets te leveren, die de wandelaar in de huiskamer met genoegen en belangstelling lezen kan?

 

De stoomboot naar Breskens verlaat de haven van Vlissingen. Welk een waterplas! Regts ligt de open zee en op korten afstand van ons krullen zich haar schuimende golven. Ter linkerzij, landwaarts in, strekt de breede rivier zich uit zoover wij kunnen zien. Driemasters draagt zij en reusachtige stoomers. Op de sterke deining rijst en daalt ons vaartuig en wij kunnen ons voorstellen, dat er op den overtogt naar Breskens wel eens tol aan Neptunus betaald wordt. Ook laat het zich denken, met hoeveel moeite en gevaar de reiziger derwaarts kon hebben te worstelen in te dagen, toen slechts roeiboot of zeilschuit hem overbragt. Maar minder gemakkelijk maken wij ons vertrouwd met de gedachte, dat in Willebrords tijd nog maar een nietig riviertje Zeeland en Vlaanderen scheidde en zelfs nog in 1058 de monniken uit de abdij van St. Wynoxbergen bijna droogvoets over de Honte - thans deze Wester-Schelde! - kwamen. Reeds terstond ligt hier een bladzijde opengeslagen van die geschiedenis, die 't verhaalt, hoe magtige stroomen vloeijen, waar eens land is geweest.

Maar ook, hoe zee en rivier, na eerst de landen te hebben overstroomd, weêr hun eigen werk verwoesten en onophoudelijk voortgaan land te vormen, kunnen wij reeds aanstonds zien, wanneer wij voet aan wal zetten. Het dorp Breskens met zijn verlaten fort ligt nog een heel eind ver. Er is een haven, maar daarin is bij ebbe meer slib dan water en de schuitjes liggen er op het drooge. De boot komt niet verder dan tot het einde van het zeer lange hoofd en als wij over dien breeden dam dorpwaarts wandelen, dan overzien wij een groote, grijze vlakte van slijk en zand, aan den zeekant zich aansluitend bij den zwaren dijk. Bij vloed loopt zij onder en dan stuiven de golven op tegen de palen en steenglooijingen van het hoofd, maar iedere vloed

[p. 370]

verhoogt den grond en dan komt eindelijk de tijd, waarin de droogte bedijkt wordt. Breskens is vroeger een eiland geweest, of liever geworden. In de 2de eeuw onzer jaartelling schijnt het met den vasten wal verbonden te zijn geweest. Later werd het er van afgescheurd en het oude dorp ging verloren; sedert het einde der 15de eeuw was 't er door inpoldering weêr aangehecht, en nog menigmaal braken de golven weêr in en nog eens werd het dorp verzwolgen. De gemeente bestaat thans uit een drietal polders, maar vrij wat land bleef bedolven in zee. De heerlijkheid behoorde van 1480 tot 1609 aan de Heeren van Ravestein, tot den tijd der omwenteling aan hunne erfgenamen uit het huis Neuburg en werd aan verschillende geslachten in achterleen uitgegeven.

Bij de haven 's eenig leven, want hier moet alles voorbij, wat het 4de Distrikt aan den Scheldekant inkomt of uitgaat. Er staan groote hoopen vlas, gereed om verscheept te worden, en ook andere koopwaar wacht er op vaartuig of wagen. In dit gedeelte van het dorp zien de huizen er ‘Hollandsch’ uit, maar in het eigenlijke dorp - hoofdzakelijk een lange, breede, doodsche straat - hebben niet weinigen de Vlaamsche of Brabantsche type. Zoo is het ook met het hotel du Canon d'or, ondanks zijn' weidschen naam een onaanzienlijk gebouw, en ondanks zijn onaanzienlijk voorkomen, degelijk en goed. Trouwens, geen minder personaadje dan keizer Napoleon I heeft er wel vertoefd. In verband met de geduchte vestingwerken, die hij voor Vlissingen beraamde, werd ook Breskens belangrijk versterkt, en de keizer liet gaarne het oog des meesters over de dingen gaan. Nog in 1835 werd er een gekazematteerd fort gebouwd, waar tot dus ver een groote hofstede lag. Maar toen Vlissingen in 1870 ophield een vesting te zijn, werd alles geslecht, behalve het havenfort, dat als bergplaats voor vlas wordt gebruikt en zoo althans nog van eenig nut is.

't Hotel du Canon d'or nu heeft een koetspoort, die zoowel toegang geeft tot een binnenpleintje, waar onder een afdak eenige karretjes staan, als tot de algemeene koffijkamer en de

[p. t.o. 370]



illustratie
P.A.Schipperus, del.lith
S.Lankhout & Co Haag


[p. 371]

zaal voor de logé's daar tegenover. Bij onze intrede in Zeeuwsch-Vlaanderen zien wij reeds terstond, wat wij te wachten hebben. 't Is een eenvoudig land. Weelde zullen wij er in de ‘hotels’ niet vinden. Bovendien, de huizen hebben door bouwstijl en kleur iets zwaarmoedigs, iets, dat aan verwaarloozing en verval zou doen denken, en de kamers zijn donker en laag. Met eenige aarzeling zou men er binnen gaan. Vrolijke en gezellige, ruime en lichte logementen, zooals de N. gewesten ook in kleine steden en niet veel beduidende dorpen er hebben, vinden wij hier nergens. Maar de menschen zijn hupsch, 't is alles zindelijk en wie zijn eischen niet te hoog stelt, zal tevreden zijn. Aan het hoofd vinden wij ‘Piet’, sedert jaren koetsier en huisknecht, commissionair en kruijer van het hotel, die de passagiers van de stoomboot opwacht en opvangt. ‘Een rijtuig noodig?’ Wij beslissen nog niet. Eerst moeten wij omtrent wegen en afstanden wat op de hoogte komen. 't Is reeds vier uur in den middag en wij wenschen onzen tijd zoo goed mogelijk te gebruiken. De slotsom onzer overlegging met de kasteleines is, dat wij een karretje nemen en dat ter onzer beschikking houden tot een' togt door het 4de Distrikt, waarbij Piet, die met het land ten volle bekend is, ons naar de belangrijkste plaatsen zal brengen, ons de noodige inlichtingen zal verstrekken en ons in alle opzigten als een trouwe lijfknecht ten dienste zal staan. Wakker heeft hij zich van die taak gekweten.

Het karretje is hier het gewone rijtuig. Behalve een paar groote marktwagens zien wij er geen ander rijtuig in den stal en geen ander ook komt op weg ons tegen. In een eigen karretje rijdt de boer, de dokter, de notaris, in een gehuurd de vreemdeling en de landzaat op reis. Zij hebben een' kap van wasdoek of leder, met een verschuifbaar raampje, of een linnen huif, en zijn voor vier personen ingerigt.

Het duurt niet lang, of wij zijn op weg. Eerst gaat het naar Groede. Breskens komen wij in zijn gansche lengte door, en als wij het dorp, dat niets bijzonders heeft, uit zijn, hebben wij het open veld rondom ons. 't Is polderland en dus vlak. Maar 't is rijk bebouwd. Tarwe, paardeboonen, garst, aardappels, kanarie-

[p. 372]

zaad, boonen en erwten wassen er welig. Hier en daar staan groote vlashoopen, die of voor Holland, of voor België bestemd zijn. Langs den weg staat niet veel geboomte, vooral niet langs de grintwegen door de polders. Voor zoover er wat geplant is, zijn 't meest wilgen en populieren. Toch is het land geenszins boomloos. Overal rijzen uit de bouwlanden hooge boomgroepen op, soms van vrij grooten omvang. Waar zulk een bosch is, als een eiland in zee, daar ligt een hofsteê. Elke hofstede heeft nabij het huis een bosch van op rijen geschaarde iepen, niet zelden ook een laan naar den weg. En overal zien wij de vlakten doorsneden van lange boomenreeksen. Dat zijn oude dijken, thans in ruste, maar die eens de daarachter gelegen velden beschermden en telkens weêr spreken van strijd met de golven en van behaalde overwinningen. Ook het land van Groede was eertijds een eiland. Was 't waarschijnlijk in het begin der 12de eeuw als nieuw land uit de zee ontstaan, in 1377 werd het losgescheurd en verbrokkeld. Er was toen reeds een kerk, die in 1271 ‘de nieuwe kerk’ wordt genoemd. Nog in 1506 voer Filips de Schoone van Sluis naar Groede en van daar naar Walcheren. In 1570 werd nagenoeg alles overstroomd en naauwelijks was de schade hersteld, of weêr bedekten de golven het land. Maar ditmaal had de landzaat zelf de dijken doorgestoken. 't Was in 1587. Sluis was door de Spanjaarden genomen. Toen hebben de inwoners van Groede, liever dan zich aan den vijand te onderwerpen, hun huizen en akkers aan de golven prijs gegeven en in Zeeland een andere woonplaats gezocht. In 1612 begon de herdijking, waaraan ‘Vader Cats’ het grootste aandeel had. Eenige minuten ten N.W. van het dorp aan den Catsweg vindt men de hofstede, waar hij vertoefde als hij Groede bezocht, en men verhaalt dat de groote palmstruiken, die er prijken, door zijn hand zijn geplant.

Het dorp is vrij groot en ziet er welvarend uit. 't Middelpunt vormt het plein, waarop, in een plantsoen van kastanjes, platanen, accacia's, treurwilgen en bloeijende heesters, de nette kerk met haar' sierlijken toren ligt. Al bleef de kerk bij watervloed en overstrooming staan, zij had toch zooveel geleden, dat

[p. 373]

zij in 1623 nagenoeg geheel vernieuwd moest worden. Cats schonk er 1600 gulden voor en bedacht de gemeente in zijn testament. Ook later nog werd aan het gebouw veel hersteld, zoodat van het oude weinig of niets meer over is. 't Zou toch moeijelijk te herkennen zijn onder de portland, die de muren bedekt. De zoogenaamde ‘Catsbank’ is van den raadpensionaris niet afkomstig. Met preekstoel en doophek werd zij in 1794 door de erven Cats geschonken. Misschien vinden wij nog een overblijfsel uit de oude kerk in het brok steen, dat bij den ingang van 't plantsoen ligt; het schijnt het voetstuk van een doopvont te zijn. Het onderste gedeelte van den toren is vierkant opgetrokken, met zware steunbeeren en daarboven verheft zich de ranke achtkantige bouw, met rondbogen beneden den trans en een fraaije door een koepeltorentje gekroonde spits. Tusschen het rijk geschakeerde groen komt het bedehuis deftig en toch vriendelijk uit.

Staats-Vlaanderen was tijdens den vrijheidsoorlog het natuurlijk toevlugtsoord voor Vlamingen en Walen, wien in hun vaderland de vrijheid des gewetens was ontzegd. Vlaamsche Doopsgezinden en Waalsche Hervormden kwamen er zich vestigen en ook te Groede vond men er in niet onbeduidenden getale. De eersten, sedert 1647 er gekomen, werden echter te Groede niet geduld; zij hadden dan ook niet hier hun vermaanhuis, maar een weinig verder, nabij Nieuwvliet. De laatsten vormden er tot 1818 een afzonderlijke gemeente, die van 1619 tot 1794 een' eigen predikant had en in het Zuidelijkst deel der kerk haar godsdienstige zamenkomsten hield. En toen in 1732 de Luthersche Salzburgers uit hunne woonplaats verdreven werden, kwamen op uitnoodiging van Burgemeesters en Schepenen van het Vrije een 800-tal dier ballingen hier een nieuw vaderland zoeken. Van dien tijd dagteekent het bestaan der Ev. Luth. gemeente te Groede. Haar kerk met pastorie en school ligt aan het einde van het dorp, in de straat waardoor wij naar Nieuwvliet rijden. Niet geheel beantwoordde de colonisatie aan de wederzijdsche verwachtingen. De kinderen van 't gebergte konden in de polders niet aarden; de mijnwerkers waren voor het boerenwerk weinig geschikt. Velen

[p. 374]

hunner vertrokken, maar de gemeente bleef tot dezen dag in stand. Overigens treffen wij te Groede kerkjes voor R. Catholieken en Chr. Gereformeerden.

Wederom polders. - Tusschen Groede en Cadzand stroomde een vaarwater, het Zwarte gat, dat ook het Oostburger- van het Aardenburger ambacht scheidde. De aanwassen en schorren werden tusschen de jaren 1458 en 1511 bedijkt en er ontstonden de heerlijkheden Nieuwvliet, St. Pieter en Mettenye, die in ééne hand waren en doorgaans alleen naar de eerste genoemd werden. 't Was een vrije heerlijkheid, met hoog, middelbaar en laag regtsgebied, waarin alleen van civiele zaken beroep gedaan kon worden op het college van het Vrije te Sluis. Uit den zeer verschillenden regtstoestand laat het zich verklaren, dat de Doopsgezinden, uit Groede verdreven, hier een gemeente en een kerk konden hebben, totdat zij in 1777 te niet ging. In het kleine gehucht St. Pieter stond hun vermaanhuis. En daar moet ook het oude dorp Nieuwvliet worden gezocht, in het laatst der 16de eeuw bij een' doorbraak weggespoeld. Het tegenwoordige dorp werd omstreeks 1658 gesticht en wel nog meermalen door overstrooming geteisterd, maar toch behouden. Uit dien tijd is ook de kerk, al is er ouder steen aan te vinden, van de St. Barbarakapel afkomstig. Er is noch aan het eenvoudige gebouw met zijn koepeltorentje, noch aan het dorpje met zijn roode daken, dat grootendeels uit ééne straat bestaat, iets te zien. Vroeger stond in de nabijheid een deftig huis, soms door de Heeren van Nieuwvliet bewoond, maar dit is in 1792 gesloopt.

Ons karretje gaat - niet op een' zandweg, maar op een' grintweg. Die verving in 1864 het voetpad naar Sluis, en een grintweg is altijd nog beter dan een zandweg. Maar er was een tijd, ook in deze streken, toen het een groot voorregt was, als het karretje een' zandweg vond. Daar kon men voortkomen, al ging 't niet snel misschien. Maar hoe ging 't in het kleispoor, bij nattigheid een taaije brei, waar alles bleef steken, bij droogte vol kuilen en bulten! En hoe ging 't in den modder, waar alles wegzonk en de voetganger alleen met hehulp van ‘stapsteenen’

[p. 375]

door 't moeras kon waden! Voor ons behooren karretjes en zandwegen tot de horreurs van den ouden tijd, maar zulk een oude spreekwijs kan er ons wel eens aan doen denken, wat onze vaderen ontbeerden, als dat reeds weelde voor hen was.

Van Nieuwvliet naar Sluis is 't een lange rit, en al wisselen natuurlijk de bijzonderheden in het landschap telkens af, in de hoofdzaak blijft het hetzelfde karakter behouden. Nu eens rijden wij door den polder, dan weêr beklimmen wij een' ouden dijk, om straks weêr af te dalen. Soms is de weg open, soms met wilgen en peppels omzoomd, soms door hooge iepen beschaduwd. Te midden van korenlanden en weiden liggen de hofsteden met hun bosschen. Maar over 't algemeen schijnt de streek hier wat woester. Nu en dan schemeren duinen aan den zeekant. Huizen en boerderijen zijn zeldzamer, dan in het gedeelte, dat wij tot dusver hebben gezien. Kwam ons niet nu en dan een dier lage, lange boerenwagens, met het zware, wijd uiteenloopende tweespan tegen, dan zouden wij ons haast in een uitgestorven oord verplaatst meenen.

Bij een buurt van een paar huizen loopt een zijweg regts den polder in. Dit is ‘de Merrieweg’, of eigenlijk ‘de Mariaweg’; de weg naar Cadzand. Zullen wij dien inslaan? Zal 't den niet onbelangrijken omweg loonen? Cadzand heeft een merkwaardig verleden, maar geeft het heden ons er nog iets te zien, wat daaraan herinnert? Wij zouden er niets vinden, dan een vrij groot dorp, met een kerk, ten deele tot pastorie verbouwd, die blijkbaar grooter geweest is, maar in haar' tegenwoordigen vorm niet oud. Wij laten dus het stille plaatsje maar liggen, al zou zijn geschiedenis ons wel derwaarts trekken. Het land van Cadzand moet tot in de 12de eeuw aan het vaste land verbonden zijn geweest en toen zich nog wel een paar uur verder in zee hebben uitgestrekt. Maar ook hier braken de golven in en ‘de Paardenmarkt’ met de Wulpen bleven overstroomd, terwijl Cadzand een eiland werd. Van den strijd der Vlamingen te Cadzand en Brugge tegen de zee had zelfs Dante in zijn zonnig Italië gehoord, en met eerbied spreekt hij van een worsteling, die hij zich wel

[p. 376]

naauwelijks in al haren ernst zal hebben kunnen voorstellen. Aan de zijde, waar thans de Noordzee de duinen bespoelt, ging vrij wat land verloren: Wulpen, met twee dorpen, gasthuis en klooster, Wielingen, met een kerkdorp, Schoonevelde met kerk en heerenhuis, en werd van tijd tot tijd een gedeelte van den verdronken grond weêr herdijkt, het meeste kon niet behouden worden. Van de Noormannen had Cadzand veel te lijden, en later, toen het reeds een eiland was, werd er menig strijd gevoerd. Jan van Renesse, Dirk van Brederode, Willem van Oosteruant bezochten 't met hun stroopende benden. Vlamingen en Engelschen streden er in 1337 en ter vergoeding van de toen geleden schade stichtte Koning Eduard III te Cadzand een klooster en een gasthuis. In 1338 en 1406 kwamen de Engelschen, in 1340 de Franschen er plunderen. In 1484 bezochten de troepen van Maximiliaan van Oostenrijk het rampzalig eiland en in 1492 teekende hij er den vrede met de Vlamingen. Ook in den Spaanschen oorlog leed het herhaaldelijk aanstoot en in 1747 werd het door de Franschen gebrandschat. Men vond eertijds op het eiland den sterken burgt Grevestein, en een edel geslacht van Cadsant, vermoedelijk uit Borselen gesproten, bloeide in de 14de eeuw. Er waren overigens aanzienlijke leenen, van den leenhof te Brugge afhankelijk, waaronder die van Crabeke en Montigny, in 1523 ten behoeve van Jan van Baenst tot een' leenhof, het Hof van Cadzant, vereenigd. De Hervorming vond er talrijke aanhangers en met gejuich werden in 1567 de watergeuzen er begroet. Sedert bleef hun godsdienstoefening onverstoord, al was de omtrek in de magt der Spanjaarden. Maar de oude, reeds in 1270 genoemde Mariakerk, wier hooge toren een baken in zee was, moest in 1606 nagenoeg geheel worden vernieuwd, terwijl de Fransche kerk, voor de uitgewekenen tengevolge van de herroeping van het Edict van Nantes hier gesticht, in 1817 is gesloopt. In de 17de en 18de eeuw werd door verschillende inpolderingen het eiland aan den vasten wal gehecht.

In den breeden zeearm het Zwin lag een eilandje of zandplaat, het Zuidzand genaamd. Reeds in de 13de eeuw was het

[p. 377]

bedijkt en vond men er een dorpje met een kapel, aan St. Christoffel gewijd. Sedert overstroomd en in 1617 herdijkt, verrees een nieuw dorp, met een wat grooter kerk, in 1659 ongeveer ter plaatse van de oude kapel gesticht. In dit Zuidzande behoeven wij ons niet op te houden. Het heeft evenmin iets belangrijks aan te wijzen, als het op eenigen afstand gelegen dorpje Retranchement, onstaan uit de versterkingen, door prins Maurits ter bescherming van het Zwin in 1604 aangelegd. Het dorpje ligt nu in het korenland en alleen de dijken herinneren er nog aan de wateren, die het fort bestrijken moest. Van het groote bosch, dat zich op het einde der 12de eeuw tusschen Cadzand en het Zwin uitstrekte, is sedert lang niets meer te vinden.

Reeds in den omtrek van Zuidzande reden wij over den grond, waar het Zwin heeft gestroomd, maar als wij Sluis naderen, dan komen wij op 't gebied van den grooten, overwonnen waterwolf. Ruim is 't gezigt van den dijk. Ginds rijst een logge, zware steenklomp boven de velden op. 't Is het overschot van den toren van St. Anna ter Muiden, van een gehucht op de schor Greveningen in de 13de eeuw opgewassen tot een stad, die de voorhaven van het magtige en bloeijende Brugge werd, thans weêr tot een nietig dorpje afgedaald. Ver van ons, aan onze linkerzijde, over de vruchtbare akkers, laat zich Aardenburg onderscheiden, en voor ons ligt Sluis met zijn' stadhuistoren, even uitkomend boven het houtgewas. Maar wij verlaten den dijk weêr voor den polder. Hier, waar dit korenveld golft, had onze Piet nog niet vele jaren geleden de laatste schuit zien zitten in den modder, waarin zij was blijven steken! 't Is land, alles wat men ziet; bouwland, weiland, lanen, hofsteden, en van den geweldigen zeearm, die diep in het land indrong, - op het laatst der 12de eeuw zelfs tot Brugge toe, - die handelsvloten droeg en waarop zeeslagen geleverd werden, is niets meer te bespeuren. Ons Nederlanders is die geschiedenis van overstroomingen en inpolderingen niet vreemd. Toch blijft zij ons boeijen met haar verhalen van woeste kracht, die in weinig uren verdelgt, van geduldige volharding, die 't bedreigde zorgvuldig behoedt, het verlorene met

[p. 378]

onbezweken moed herwint. Toch blijven zij belangrijk, die getuigen van de voortdurende veranderingen, door onzen bodem ondergaan. En een landstreek als deze, sedert eeuwen het tooneel van de worsteling van den mensch tegen de wateren, òf om de diepte niet te verliezen, die zijn schepen noodig hebben, òf om de landen te beschermen, waar zijn woning staat, òf om den aangespoelden grond te vormen tot akkers voor zijn graan en weiden voor zijn vee, - een landstreek als deze, verkrijgt door al die herinneringen een hooge mate van aantrekkelijkheid.

 

Sedert de mond van het Zwin in 1864 voor goed gesloten werd, verving de groote Zwinpolder het breede vaarwater, dat Sluis gedurende eenige eeuwen tot een hoogst belangrijke plaats had gemaakt en daardoor tot het tooneel van talrijke, vaak merkwaardige krijǵsbedrijven. Wat thans van de stad nog over is, is niet meer dan een schaduw van wat zij vroeger is geweest. Maar wat herinneringen verdringen zich bij de wandeling door haar stille straten, langs de tuinen en grasvelden, waar eertijds statige gebouwen oprezen, terwijl het oog weidt over de velden, vroeger met sterke en uitgestrekte vestingwerken bedekt, of koopvaarders en oorlogschepen dragend, toen er nog breede en diepe wateren stroomden! Een geschiedenis van Sluis zou een boekdeel vullen en de toelichting eischen van tal van kaarten en plattegronden, waar in den loop der eeuwen door natuur en menschenhand zooveel van gedaante veranderde. Terwijl uw gids er ronddwaalt onder 't geleide van den burgemeester Mr. Hennequin, zelf Sluizenaar van geboorte en wiens geslacht er sinds lang was gevestigd, terwijl hij op de plaats zelve zich vertegenwoordigt, wat hem reeds in ruwe trekken omtrent het verledene der stad voor den geest stond, drukt hem met dubbele zwaarte de overweldigende rijkdom der stof. En als hij zich neerzet, om de indrukken van zijn uitstapje in Zeeuwsch-Vlaanderen op het papier te brengen, omringd van de menigte geschriften en bescheiden,

[p. 379]

over Sluis in het licht verschenen, dan zou hij de pen wel moedeloos willen neerleggen, in 't besef der onmogelijkheid, om in zóó kort bestek als hem vergund is, zóóveel zamen te dringen.

De geschiedenis van Sluis is verbonden aan die van de opkomst van het graafschap Vlaanderen, aan die van de steden Brugge en Damme, aan die van het om zijn staatkundige regten zoo hoogst merkwaardige Vrije van Brugge. Zij is verbonden aan die van de telkens wisselende natuurlijke gesteldheid van den bodem, aan die van staatkundige verwikkelingen, aan die van handel en nijverheid. Zij brengt ons met allerlei belangen en allerlei historische vraagstukken in onmiddellijke aanraking. Zij eischt op allerlei gebied een veel omvattende studie. Wat kunnen wij meer doen, dan eenige zwakke en flaauwe trekken schetsen van het beeld, dat bij zulk een geschiedenis voor het oog onzer verbeelding oprijst!

In den Pagus Flandrensis lag de burgt van Brugge, aan wiens kastelein het gezag over eene uitgestrekte landstreek was opgedragen, terwijl de magtige en bloeijende koopstad, allengs onder de muren van den burgt opgewassen, in den loop der 12de eeuw dit gebied onder haar bestuur had verkregen. De zeer uiteenloopende belangen van een handelsstad en eene plattelandsbevolking gaven tot velerlei botsingen aanleiding en gretig grepen de bewoners van het Vrije in 1191 de gelegenheid aan, om zich ter vergelding van aan de door oorlog en hongersnood benarde stad bewezen diensten, van haar overheersching vrij te maken. Alleen aan den burgt - dat was sedert 1224 aan den landsvorst - onderworpen, genoten zij belangrijke voorregten en hadden zij een eigen bestuur, zoodat zelfs hun regering sedert het begin der 15de eeuw nevens de steden Brugge, Gent en IJperen als het vierde lid der Staten van Vlaanderen werd erkend. De naam van Vrijlaat, door de inwoners des lands gedragen, werd in hooge eere gehouden en hun schepenen behoorden in den regel tot de aanzienlijkste geslachten van Vlaanderen.

Wakker en woelig, vrijheidlievend en ondernemend, namen de Vrijlaten ijverig deel in al de onlusten en oorlogen, die het

[p. 380]

land beroerden. In 1580 sloot zich het Vrije van Brugge bij de Unie van Utrecht aan, maar in 1584 werden twee der drie kwartieren, waaruit het sedert lang bestond, onder de gehoorzaamheid aan den koning teruggebragt, terwijl het derde, - het Oost vrije, of het Vrije van Sluis, nagenoeg het tegenwoordige 4de Distrikt - voorloopig voor de Unie behouden bleef. Toen was dus het land, dat tot dusver een geheel had uitgemaakt, verdeeld. Sedert de verovering van Sluis door de Spanjaarden in 1587 scheen ook het Oost vrije verloren, maar toen prins Maurits in 1604 Sluis, benevens Aardenburg, Oostburg en IJzendijke hernomen had, bleef het voor goed aan de Staten, onder het bestuur van een College, dat te Sluis zitting had. De stad zelve behield haar eigen regeering, evenals de andere steden van het Vrije.

Over den oorsprong der stad Sluis loopen de gevoelens uiteen. Naar het schijnt had een magtig en onrustig edelman, Lambert van Rodenburg, zoon van een' der Brugsche burggraven, een' vliet of waterloop gegraven ter afwatering van de landen en moerassen bij Rodenburg, het latere Aardenburg. In dezen vliet was een sluis gemaakt en daarbij kwam allengs een buurt op, die Lomminsvliet genoemd werd. Heer Lambert, in den moord op graaf Karel den Goede in 1127 gepleegd, betrokken, stierf in het volgende jaar en zijn goederen werden verbeurd verklaard. Geweldige overstroomingen teisterden in den loop der 12de eeuw de landstreek en dijkers uit Holland en Zeeland werden tehulp geroepen, om de schade te herstellen. Velen hunner bleven er. Aan de zoomen van het Zwin, op die voor handel en scheepvaart tusschen de havens van Brugge en Aardenburg zoo gunstig gelegen plek, bereidde de buurt bij de sluis zich uit, en ook buitensdijks werden woningen gebouwd op grondgebied, aan Aardenburg behoorende. Het latere Sluis schijnt ontstaan uit de vereeniging van twee buurten, die ieder haar' eigen schepenbank hadden en haar eigen parochiekerk verkregen en in 1290 was de plaats belangrijk genoeg, om tot een vrije stad verheven te worden. Zij was destijds een heerlijkheid van de Heeren van Namen. In 1293 verbrandde Jan van Renesse er vrij wat huizen, maar in 1323 was zij weêr

[p. 381]

magtig genoeg, om het waterregt over het Zwin aan zich te trekken. Dat berokkende haar echter een' hevigen aanval van de naijverige Bruggenaren, die er hun regten door gekrenkt en hun belangen benadeeld achten. Heer Jan van Namen zelf werd gevangen genomen en groote schade werd er aangerigt. Zoo ging het onder voor- en tegenspoed vooruit. Haar ligging aan het Zwin, zoo breed en diep, dat er zeeslagen geleverd en oorlogsvloten uitgerust werden, deed haar klimmen in bloei. Talrijke ‘Oosterlingen’, - schippers en kooplieden van de Oostzee - bezochten haar, en Guicciardini noemt Sluis nog als een van de schoonste en veiligste havens van Europa. Meer dan 500 schepen konden te gelijkertijd in haar haven liggen. Filips de Goede en Karel de Stoute kwamen er hun bruiden begroeten, en het tweede huwelijk van den laatste werd er gesloten. Maar als de voornaamste haven van Vlaanderen was de monding van het Zwin ook het tooneel van menig strijd en Sluis ondervond er gedurig de nadeelen van. De belangrijkheid der stad, de sleutel van Vlaanderen, eischte haar versterking. Filips van Bourgondië, destijds graaf van Vlaanderen, ruilde haar met Willem van Namen tegen de heerlijkheid Bethune. Hij bouwde er in 1385 het groote kasteel en bevestigde de stad met zware muren. Zijn zoon Jan stichtte eenige jaren later daar tegenover het kleine kasteel, den ‘toren van Bourgondië’. Filips van Cleve tartte er in 1488 de Oostenrijksche overmagt en als het laatste bolwerk der Hoekschen speelde Sluis op het einde der 15de eeuw, onder Frans van Brederode en Jan van Naaldwijk, in den wanhopigen strijd tegen Maximiliaan een groote rol. Maar het langdurige beleg der stad bragt haar een schade toe, die niet weêr hersteld werd. Een groot gedeelte der huizen werd nooit herbouwd; de Oosterlingen, herhaaldelijk door het volk mishandeld, lieten zich er niet meer zien; het Zwin begon hoe langer hoe meer te verlanden; met den voorspoed van Sluis, dat in de 15de eeuw meer dan 10 000 inwoners telde, was het gedaan en in 1566 werd de stad aan Brugge verkocht. Maar als vesting bleef zij nog van groote beteekenis. Merkwaardig was de belegering door den hertog van Parma in 1587, die wederom

[p. 382]

het aantal van haar huizen voor goed verminderde. Een geducht garnizoen en een bende van 1200 Turksche galeislaven maakte er na de overgave het voornaamste deel der bevolking uit en in de haven, door de koopvaarders verlaten, lag nutteloos de Spaansche oorlogsvloot. Door prins Maurits herwonnen, werd zij belangrijk door hem versterkt en te vergeefs werden herhaaldelijk pogingen beproefd, om haar aan de Staten te ontweldigen. Door Coehoorn meesterlijk bevestigd en vooral door haar inundatiën onneembaar geacht, ging zij echter in 1747 zonder slag of stoot aan de Franschen over. Groote eer verwierf zij door de heldhaftige verdediging in 1794, die haar nagenoeg tot een' puinhoop maakte en haar een groot deel van haar openbare gebouwen kostte. In 1830 was het toen weerlooze Sluis gedurende een' dag door de Belgen bezet, maar de opstand vond daar, evenmin als in het gansche oude gebied der Vlamingen, eenige sympathie.

Wandelen wij nu de stad eens door. Wij kwamen haar binnen aan den kant, waar vroeger de Ketenpoort lag. De ketting, tusschen de beide kasteelen over de haven gespannen, als oorlogsgevaar dreigde, is er niet meer. De haven zelve is sedert lang verland. Verdwenen zijn de wallen, die aan deze zijde de stad beschermden. Wij vinden er huizen, tuinen en velden. Verdwenen is de geduchte rij der buitenwerken, aan de overzijde der haven door Coehoorn aangelegd. De ‘toren van Bourgondië’, die daar heeft gestaan, was reeds in keizer Karels tijd gesloopt, toen hij door het verlanden van de haven zijn belang verloren had. En wat rest er nog van het ‘groot kasteel’, dat naar 't model der Bastille gebouwd, eens met een twaalftal hooge torens prijkte? Even voor dat wij de stad inkwamen, zagen wij een kleine hoogte. Dat is alles. In 1794 hebben de Franschen het ten deele laten springen. Sedert lag 't in ruïne. In 1818 werd het voor afbraak verkocht. 't Bleek haast onmogelijk, de hechte muren te sloopen. Ware althans maar die eene toren gespaard, die destijds nog zijn volle hoogte behouden had, als een herinnering aan dezen burgt, om zoo menig wakker krijgsman, die er het bevel voerde, vermaard, en merkwaardig ook als de gevangenis van den hertog van Bouillon, den

[p. 383]

admiraal de Coligny en Egmonds zoon! Verdwenen is het aanzienlijke huis, de stichting van het adellijk geslacht van Baenst, waar Margaretha van York, hertog Karels koninklijke bruid, in 1468 haar' intrek had genomen en waar in den tijd der republiek het college van het Vrije zijn zittingen hield. Verdwenen is de O.L.V. kerk, die reeds in 't begin der 17de eeuw in puin lag. De plaats, waar zij stond, is thans een moestuin en het laatste muurbrok van haar' hoogen toren werd in 1820 weggeruimd. Verdwenen is haar St. Janskerk, eenmaal de grootste van Zeeuwsch Vlaanderen, met haar talrijke graftombes, zerken en rouwwapens. Enkele grafsteenen vinden wij nog op het weiland, waar zij zich verhief, totdat zij, in 1811 verbrand, in 1823 werd afgebroken.

Het eenige, wat nog aan den voormaligen luister van Sluis herinnert, is het stadhuis, in 1396 gebouwd, het oudste en een der merkwaardigsten van ons land. Ook daarvan is een gedeelte, dat aan de markt uitkwam en in 1794 door het bombardement onherstelbaar beschadigd werd, gesloopt. Aan die zijde heeft de gevel daardoor zeer geleden. Maar de statige toren, met haar' traptoren en haar hangtorentjes, een fraai gedenkstuk van Vlaamschen stijl, is nog gespaard. Hij huisvest het vermaarde ‘Jantje,’ een bijna levensgroot beeldje, in 1424 vervaardigd, ‘de oudste klokkenist van Vlaanderen’. Nog steeds treedt hij naar buiten, als 't zijn tijd is om het uur te slaan, zooals hij reeds ruim vier en een halve eeuw trouw heeft gedaan, in dagen van grootheid en in dagen van ellende, behalve in 1876, toen hij bij gelegenheid van een tentoonstelling van oudheden eenige weken te Middelburg logeerde. De volksoverlevering maakt hem tot den tamboer, die den aanslag der Spanjaarden in 1606 verijdelde, door allerlei marschen door elkander te slaan. En als iemand in Sluis de koorts krijgt, dan ‘heeft Jantje hem bij den neus.’ Maar wie niet bij het slaan van het uur op de markt is, krijgt Jantje niet te zien.

In het stadhuis is een groote zaal, waarin de bindbalken van fijn gebeeldhouwde sleutel- en kraagstukken voorzien zijn. Ook wordt er een verzameling oudheden bewaard. Het beste is tijdens

[p. 384]

ons bezoek naar Amsterdam. Bij den ingang vinden wij een groote zerk van een' Heer uit het geslacht van Ghistelles en eenige oude schilderijen; in een kamer daarnevens een aantal oude strafwerktuigen, wapens, zegels, perkamenten charters, waaronder het stapelrecht van Brugge van 1323, overblijfsels van beeldwerk uit de verbrande kerk en merkwaardige stukken druipsteen, uit een gewelf der voormalige vestingwerken afkomstig.

Omtrent de oorspronkelijke bestemming van een paar antieke, zeer geschonden, maar toch nog bezienswaardige geveltjes, die wij bij onze rondwandeling opmerken, schijnt niets meer bekend. Vermoedelijk behoorden zij tot één groot gebouw, even als het brok toren in een zijstraat daarnevens.

De kerken van de Hervormden en R. Catholieken zijn nieuwe, nette gebouwen en met genoegen zien wij, om de wille der stad, die zulk een verleden had, dat niet alle vermogenden en aanzienlijken haar hebben verlaten. Er staan nog vrij wat deftige heerenhuizen en wij scheiden van Sluis met een' diepen indruk van vervlogen grootheid, maar toch niet zonder hoop, dat de bangste dagen voor haar voorbij zijn en voor de landstad te midden van haar vruchtbare velden een tijd van bescheiden voorspoed gekomen zal zijn. Jammer is het, dat de kantwerkschool, in 1854 opgerigt, in 1872 weêr te niet ging.

 

't Is reeds donker, als wij Sluis verlaten, om naar Aardenburg te rijden. Wij kunnen dus van het landschap weinig anders zien, dan dat wij eerst wat houtgewas voorbijkomen en dan open velden nevens ons hebben, totdat wij voorbij den tol, waar de grintweg van Oostburg zich afbuigt, weêr de donkere omtrekken van hoog geboomte en de flaauwe lijnen van uitgestrekte rietbosschen ontwaren. Moesten wij morgen niet tot aan den tol dezen zelfden weg volgen, dan zouden wij het niet kunnen verantwoorden, in de duisternis een zoo merkwaardige streek door te rijden. Wij zijn toch in de haven van Aardenburg. Die

[p. t.o. 384]



illustratie
P.A.Schipperus, del.lith
S Lankhout & Co's Hage