Een voorrede is een raar ding.
't Is een allervriendelijkst knipoogje tot het corps recensenten.
Een nederige buiging voor het lezend publiek.
Een soepjurk voor 't vuil worden der met zorg bewerkte kleêrtjes.
Een borstlap voor het drukken der spitse floret.
Een beroep doen op dringende raadgevingen tot de uitgave, van ontelbare vrienden, die er zoo onschuldig aan zijn als pasgeboren kinderen.
Eene reticule, waarin men voor de afreize nog haastig alles bergt, 't geen in den grooten koffer vergeten werd.
Stopverw om onopgemerkte noestgaten, in reeds vastgespijkerde planken, behendig digt te stoppen.
Een fiere kuif onder een pluimmuts met bandjes.
Een zoet schoteltje vooraf, dat natuurlijk den eetlust moet benemen, maar ook, gelukkig, door een hongerig publiek, veelal wordt ter zijde geschoven.
Maar, een nawoord.....?
Al tamelijk gelijk aan de voorrede, doch minder leugenachtig van aard.
Waarom?
Omdat een nawoord niemand in den waan zoekt te brengen, dat men vooraf schreef, 't geen men het laatst stelde.
Ook hier een nawoord, maar - kort!
Geen knipoogjes aan heeren recensenten.
Alleen de vraag aan hen, die het vroeger wèl met mijn letterarbeid meenden: Heb ik u begrepen?
Geen nederige buiging voor den lezer, maar aan hem mijn heilwenschende groete, met de vraag: Woudt ge somwijlen glimlagchen, mogt ik u een enkele maal treffen?..... Die dekselsche kuif!
Dank aan den broeder, die mij, met de meeste bereidwilligheid, mijne vragen betreffende de Nieuwe Wereld beantwoorden wilde, en, ten slotte, de verzekering aan den lezer, dat laura's beeldtenis op het vignet is mislukt, terwijl het mij spijt daardoor terstond een mingunstigen indruk van het schoone meisje te hebben gegeven, zonder meer in de gelegenheid te zijn onze fout te herstellen.
En nu, vaarwel lezer! Ik hoop tot later.
Loenen a.d. Vecht,
Julij 1856.
J.j. cremer.