|
|
|
| |
| | | |
Huisslachtbenamingen in Nederlands Limburg
Bij de vraag op een invulformulier van bijvoorbeeld de burgerlijke stand naar het
geslacht van de invuller of invulster werd nog niet zo lang geleden nogal eens
ingevuld ‘,Ja, een varken’ of ‘in november
nog’. Dat dit inderdaad is voorgekomen, blijkt uit de verspreidheid
van deze anekdote. De term geslacht werd voor een jaar of
twintig terug door menige boer of burger slechts betrokken op het slachten van
een varken of rund. Geslacht werd vooral
geïnterpreteerd als voltooid deelwoord van het werkwoord slachten dat
betekent(1) ‘dooden met het oog op het te verkrijgen
vleesch, bepaaldelijk op een wijze die aan een zekere vakkennis gebonden is.
Vervolgens mede in toepassing op behandelingen die het gedoode dier
ondergaat’. Een aantal Limburgse benamingen rondom het slachten aan
huis of op de boerderij zoals dat vroeger veel gebeurde, wil ik hier naar voren
brengen.
Als bron voor deze gegevens heb ik gebruikt aflevering 1 van deel II van het
Woordenboek van de Limburgse Dialecten(2)
die behandelt de terminologieën van de huisslachter en bakker. De
belangrijkste basis voor die aflevering vormde vragenlijst nr. 28 van de
Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde(3). Deze werd verzonden in
1967. Toen was er nog respons te verwachten van slachters die nog aan huis
slachtten. Vanuit 83 plaatsen in Nederlands en Belgisch Limburg kwamen
antwoorden binnen. Wanneer men de vragenlijsten doorbladert krijgt men een goed
overzicht van wat er in de provincies Limburg op dit gebied gebeurd is en
gezegd. Omdat het niet mogelijk is in dit tijdsbestek alle handelingen met de
bijbehorende benamingen te bespreken, heb ik een keus gemaakt. Niet aan de orde
komen o.a. benamingen voor producten van het varken. Deze zijn in aflevering 1
van het WLD-II niet opgenomen, omdat ze geacht worden te horen bij de algemene
woordenschat en dus in deel III van het Limburgs woordenboek behandeld zullen
worden. Zo zal men in de aflevering het meest voor de hand liggende begrip ook
missen nl. ‘slachter’ of in het Limburgs dialect de šlɛxtər of slɛxtər. Dat die keuze bij een bepaald begrip om
het onder te brengen bij de algemene | | | | woordenschat of de
vakterminologie nogal willekeurig lijkt genomen voor een argeloze lezer, kan
deze opmaken uit het gegeven dat het begrip ‘slachten’ wel
is opgenomen(4). Nu wou ik
overgaan tot de beschrijving van een aantal begrippen met de dialectvarianten
rondom de huisslacht in Nederlands Limburg.
| |
Slachten(5)
De meest voorkomende verianten zijn šlaxtə en slaxtə.
Het verschil zit hierin dat in het eerste geval de s gemouilleerd d.w.z. met
een j erbij wordt uitgesproken. Het is de Panninger Linie(6) die Limburg verdeelt in twee
dialectgebieden. Boven deze lijn wordt de s niet gemouilleerd in sp, sl, sm,
sn aan het begin van het woord, onder deze lijn wel. Naast deze weinig
afwijkende varianten šlaxtə en slaxtə vallen op šlǭxtə (in Beringen, Panningen en Helden), šlājtə (in Mheer) en slāwtə (in
Nederweert).
Vermeldenswaard maar eigenlijk vallend buiten mijn te bestrijken gebied zijn
de opgaven duətun, duətdun, dōtdøn voor
‘dooddoen’ in Zuid-West-Belgisch Limburg (in Brustem, Buvingen, Wilderen, St.Truiden, Zepperen en nog andere(7). Verschillende
informanten merken op dat dit begrip verouderd is.
In het rijtje ‘slachten’, ‘doden’,
‘dooddoen’, ‘kapotmaken’ springt het
woordtype ‘koezen’ er ineens uit. De opgave kuzə geldt voor Mheer en Banholt (Q 196, 196a). Pas later kwam ik erachter dat ik niet het
woordtype ‘koezen’ maar ‘kuizen’ had
moeten geven. Onder het woord ‘kuizen’ geeft
Woordenboek der Nederlandsche Taal
(8) de
betekenis ‘door een slag op den kop vellen, dollen’ op
dieren van toepassing, in het bijzonder van runderen. Het woord moet
waarschijnlijk afgeleid zijn(9) van ‘kuis’ dat ‘knuppel,
knots’ betekent. Omdat het verdoven van een varken of rund zo niet
meer gebeurt, moet men kuzə
‘kuizen’ als verouderd beschouwen.
| |
Merken(10)
Wanneer de eigenaar een te slachten rund bij de belastingdienst heeft
aangegeven, krijgt hij een bewijs dat hij dit | | | | inderdaad gedaan
heeft. Dit bewijs kan een officieel document zijn, maar uit de opgaven op de
vraag ‘hoe noemt u het merken?’ blijkt dat er
verschillende methodes waren om duidelijk te maken dat het dier aangegeven
was. U heeft gemerkt dat het hier gaat om het slachten van een rund. Ook
hiervan is de terminologie vastgelegd in aflevering 1 van het WLD. Het thuis
slachten van runderen kwam niet zo vaak voor als het thuis slachten van
varkens, maar het gebeurde wel(11). De afslacht van
een rund of een varken verschilt niet veel van elkaar maar helemaal
hetzelfde is ze niet.
Neutrale benamingen voor de handeling van het merken zijn:
‘merken’, ‘zien’,
‘keuren’, ‘verifiëren’ en
‘vereficeren’. Bijzondere manieren van merken blijken
uit: 1) ūwrmɛrkə (Horn) ‘oormerken’ 2) stɛmpələ (Ell), štɛmpələ (Tegelen, Hoensbroek, Gulpen), ‘stempelen’, štampə (Mechelen) ‘stampen’ 3)
‘loden’ of in het dialect luətə (Heythuysen),
ly̅tə (Blerick), lōjən (Leunen), ludə (Maastricht), lǫdə (Buchten);
‘loodje in de staart doen’ lyətjə- en də
štɛrt dōn (Helden), luø̨tsə
ānhaŋə (Rothem) ‘loodje aanhangen’ en
‘plomberen’. In Kerkrade wordt het rund gəblombērt. Deze woordtypen en varianten
slaan op het feit dat het te slachten dier een loodje aan het oor of de
staart bevestigd kreeg 4) ‘branden’ (Venlo) duidt op het geven van een brandmerk.
| |
Op de borrel gaan(12)
Voordat het varken geslacht werd, kwamen de buren het prijzen in de hoop op
een borrel te worden getracteerd. Ook kwam dit prijzen voor, als het varken
reeds dood was.
In het WLD aflevering 1 is dit lemma ondergebracht bij de paragraaf Folklore. De vraag was volkskundig van aard. Dit blijkt
uit de antwoorden. Wat immers een semantische eenheid had kunnen zijn rondom
‘op de borrel gaan’, valt uiteen in begrippen en
handelingen met verschillende betekenis.
| 1) | In het lemma komen woordtypen voor die alleen aanduiden dat men bij
gelegenheid van het slachten bij de eigenaar van het varken een borrel
gaat halen: op ət
blōtdrø̨pkə
komə (Tegelen) ‘op het bloeddrupje
komen’. |
| | | |
| 2) | Een groep van woordtypen en varianten die aanduidt dat men zich
positief over de kwaliteit van het varken uitlaat alvorens een borrel te
krijgen: ət vɛrkə
prēžə (Meijel) ‘het varken prijzen’, šty̅tə
‘stuiten’ (Helden), bəstū.tə
‘bestuiten’ (Weert). |
| 3) | Een groep van woordtypen die verbloemend aanduidt dat men eigenlijk
wel iets wil: komə ryxə
‘komen ruiken’ (Terwinselen), vɛsə
‘vissen’ (Heugem), nǭ ət vɛrkə
kōmə kīkə
‘naar het varken komen kijken’ (Heythuysen), mažələ
‘mazzelen’ (Herten), aksejnsə hǭlə
‘accijnzen halen’ (Terwinselen). |
| 4) | Tenslotte een groep van woordtypen en varianten die een uitroep of
lofprijzing inhoudt. Deze groep is op één lijn te
stellen met groep 2 ‘zich positief uitlaten over de kwaliteit
van het varken’. Alleen gaat het hier om een uitroep en niet
om een werkwoord of een werkwoordelijke uitdrukking. Als men maar flink
prijzend uitroept, hoopt men iets, een borrel of een stuk vlees, te
krijgen: ət is gōt
vɛt (Maastricht) ‘Het is goed vet’,
ət es ən gujə
(Ottersum) ‘het is een
goede’, ət es
ęjnə rīpə (Buchten) ‘het is ene rijpe’,
praxtəx dēr gɛt
apārts (Hoensbroek)
‘prachtig dier get aparts’, ǭ, wat ənə
kānəs (Nuth)
‘oh, wat ene kanis’. In het Nederlands vertaald
verliezen deze uitdrukkingen heel wat van hun zeggingskracht. |
| |
Pastoorsstuk(13)
Het pastoorsstuk is het stuk vlees dat de pastoor krijgt. Dat is geen bepaald
stuk maar in de regel wel het beste van de slacht. Naast de benamingen die
de slachter aan het stuk geeft zoals karbonade, komen er
voor die erop duiden dat het stuk vlees aan de pastoor werd gegeven: pəštursštøk
(Eisden). Het algemene woord is
‘proef’ met als dialectvarianten prōf, pruf, prūf. Merkwaardig is de opgave
dōmenēsstøk uit Geulle onder Elsloo. De
variant is getypeerd als ‘domineesstuk’. De meest voor
de hand liggende verklaring lijkt te zijn ‘het stuk bestemd voor
de dominee’. In dit geval moet men ervan uitgaan dat er in Geulle
een dominee heeft gezeten die ook van mensen in het dorp het beste stuk van
het varken kreeg. Uit navraag bij dhr. Thijssen, voorzitter van de
heemkundever- | | | | eniging in Geulle, bleek dat er inderdaad een
dominee is geweest in Geulle maar daar vanaf 1825 niet meer is voorgekomen.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat een woord dat in de jaren zestig van deze
eeuw is geattesteerd, vanaf 1825 is blijven voortleven in het dagelijkse
spraakgebruik zonder dat er aanleiding toe was om het bewuste woord te
gebruiken. Volgens mij hebben wij hier te maken met volksetymologie. Een
stukje van de dikke lende wordt ook wel dominostuk
genoemd(14). In de kontekst van ‘pastoorsstuk’
associeerde men domino met dominee!
| |
Doodsteken(15)
Nadat het dier is verdoofd, wordt het ogenblikkelijk de keel doorgesneden.
Dit moet zo snel gebeuren, opdat het nog pompende hart het bloed uit het
lichaam kan stuwen. Het lemma levert terminologisch weinig verrassingen op
‘doodsteken’, ‘afsteken’,
‘hals doorsnijden’, ‘kelen’; deze
woordtypen zijn te verwachten. Eén opgave springt eruit: kǫwsər slaxtə (Meijel)
‘koosjer slachten’. De opgave lijkt verdwaald. In
vragenlijst 28 van de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde is een
aparte bladzijde gereserveerd voor vragen naar de Joodse termen in verband
met het slachten van het rund. De antwoorden leveren eigenlijk niet datgene
op wat verlangd werd nl. de echte Joodse termen. Dat men van het
‘koosjer slachten’ op de hoogte was, blijkt toch wel uit
de beantwoording van vooral Midden- en Zuidlimburgse informanten. De
Belgische informanten kennen het verschijnsel nauwelijks. Het
‘koosjer’, ‘koser’,
‘kosjer’ slachten of ‘kouster
slachten’ (Leuken, Ell, Panningen,
Heythuysen) is slachten volgens de Joodse ritus. G.
Engels uit Helden geeft over dit kǫwsər
šlǭxtə de volgende informatie. Voor
het invullen van dit onderdeel van de vragenlijst heeft hij Jac Hermans uit
Koningslust (geb. in 1899) als informatiebron(16). Deze Jac
Hermans heeft als hulpslager in het slachthuis te Venlo wel de eerste
aanstalten van Joods slachten meegemaakt doch, zoals hij zelf zegt, er
altijd een gruwel aan gehad. Hoe ging dit slachten in zijn werk?
‘Een koe kreeg aan iedere poot een ketting met een ring. Deze vier
ringen werden bij elkaar getrokken waardoor de koe op de grond stortte. Dan
| | | | had men een grote ijzeren beugel met steel die op kop en
horens paste. Daar trok een slager de kop mee in de nek, waardoor de strot
strak gespannen werd. Ondertussen stond de rabbi in deftig zwart pak een
vlijmscherp mes van een halve meter lengte op een lange oliesteen te slijpen
als een vioolspeler. Na een dikwijls lang ceremonieel kwam de rabbi naar de
koe en streek met een flitsende streek het mes over de gespannen keel,
waardoor de strot en slagaderen werden doorgesneden. Snel trok hij zich
terug zonder een spatje bloed op zijn kleren te krijgen. Gewone slagers
maakten het werk verder af’. Zo ver de zegsman. Het gaat hier niet
om huisslacht maar om een bepaalde manier van ritueel slachten zoals die
blijkbaar in Limburg verspreid voorgekomen is. In elk geval is de term
‘koosjer slachten’ in het dialect en in de algemene taal
doorgedrongen. De uitspraak met diftong kausjer is
afkomstig van kauscher(17) zoals de Hoogduitse Joden het Hebreeuwse kôscher uitspraken. In het Hebreeuws is kosheir de voorzanger.
| |
Broeien(18)
Als het varken gedood was, werd het met heet water begoten om de haren en de
opperhuid te weken. Hierdoor konden de haren er gemakkelijk afgekrabd
worden. In Midden- en Zuidlimburg is vrij algemeen de benaming brø̄jə of ook wel met korte
vocaal uitgesproken brøj en brø̨jə. Naast dit
‘broeien’ komt ook voor nāt
šǫwə (Meijel). Varianten van
‘schouwen’ komen overigens verder alleen in Belgisch
Limburg voor. Dit ‘schouwen’ komt reeds in het
Middelnederlands(19) in dezelfde betekenis voor ‘met kokend water
wassen of begieten; geslachte dieren, zeugen, broeien’. In
Nederlands Limburg kent men nog als synoniem voor
‘broeien’ het woord ‘schroeien’ met
als dialectvarianten šryjə (Heythuysen, Ell), sxrø̨jə (Weert), šrø̄jə (Tegelen), verder ‘schudden’ šø̨də (in
Tungelroy), ‘gieten’ gētə (Tungelroy) en
‘koken’ (Waubach).
| |
Krabber(20)
De krabber is een meestal kegelvormig metalen werktuig met | | | |
scherpe onderrand waarmee men de geweekte varkenshaar verwijdert. Aan de
bovenkant van de krabber bevindt zich een haak waarmee men de na het krabben
achtergebleven lange haren uittrekt of de nagels afrukt. Nogal algemeen zijn
de benamingen voor dit voorwerp krabər of krɛbər
‘krabber’, šrabər of šrɛbər
‘schrabber’, kratsər of krɛtsər
‘kratser’. Naast ‘schrabber’ kent
men ook de verkorte vorm ‘schrap’ met de varianten šrap (Oirsbeek, Bleierheide, Heugem) en šrab (Kerkrade). De
woordtypen ‘toot’, ‘schraptoot’,
‘hoorntje’, ‘schraphoorntje’,
‘klok’, ‘bel’,
‘schel’ zijn langs metaforische weg in dit lemma
terechtgekomen.
Omdat men een krabber vaak zelf maakt of laat maken van bijvoorbeeld niet
meer bruikbaar gereedschap en omdat men ook wel eens niet meteen een krabber
bij de hand had, werd er ook gebruik gemaakt van een metalen borstel (Opglabbeek), een scheermes (Beek), een bezem (Vliermaal), een deksel
van een moer (Helchteren).
| |
Slachthout en spanhout(21)
Het slachthout is het stuk hout waaraan het geslachte dier ter verdere
verwerking wordt opgehangen.
Het spanhout is het stuk hout dat meer specifiek gebruikt wordt om het
dichtklappen van het dier te voorkomen.
Omdat beide houten de functie kunnen hebben om het dichtklappen van het
varken te voorkomen, komen in beide lemmata een aantal dezelfde woordtypen
terug. De betekenissen van beide voorwerpen vloeien in elkaar over.
Een viertal benoemingsmotieven spelen een rol bij het geven van namen voor
het slachthout.
| 1) | Algemene benamingen voor een stuk hout: bijvoorbeeld stɛk (Heugem) ‘stek’, sxi.pər (Weert), šiəpər (Meijel), šīpər (Tungelroy)
‘scheper’, een ‘balk’
(Hoensbroek) en hōət
‘hout’ (Nuth). |
| 2) | Samenstellingen waarvan het eerste deel iets zegt waarvoor het hout
dient: ‘slachthout’ met varianten als slaxhǫwt (Meijel), šlǭxhǫwt (Panningen), šlǭxthǫwt (Helden),
šlaxhowt (Mechelen), slaxhǫlt (Blerick en Boekend) en šlaxhōt (Eisden), verder
‘vleeshout’ met als variant vlęjshǫwt (Panningen, Egchel, |
| | | |
|
Ekkelrade), ‘vleesbalk’ met
als variant vlęjsbalk (Gronsveld) en ‘varkenshout’ met als
variant vɛrkəshǫwt
(Sevenum). |
| 3) | Van een derde groep samenstellingen wordt het eerste lid bepaald door
de hang- draag- of spreidfunctie van het hout of door de wijze waarop
het dier opgehangen wordt. Op de hangfunctie duiden woorden als haŋkløbəl
‘hangkluppel’ (Holtum), haŋstɛk
‘hangstek’ (Jabeek), haŋsprōət
‘hangsproot’ (Neerpelt) en
het verspreid voorkomende ‘hanghout’ met varianten
als haŋkhǫwt, haŋkhǫlt, haŋkhǭlt, aŋkhalt. Het simplex ‘galg’
wijst ook op de draagfunctie van het hout. Op de spreidfunctie duiden
woorden als ‘dwarshout’ dwęjshǫwt (Hoensbroek), dwarshǫlt (Venlo), ‘Warshout’ wajshǫwt (Maasbracht), ‘warselen’ wę̄šələ
(Eis) en ‘spreits’ špręjts (Heerlen). Op hijsen en lichten duiden nog
‘hijsboom’, hīsbǫwm (Weert)
en hīəsəbǫwm (Neeritter), en ‘lichthout’
lēxthǫwt (Helden). |
| 4) | Een aantal benamingen zegt iets over een bepaalde vorm van het hout
b.v. ‘kromhout’ dat in verschillende varianten als
kromphǫwt, krōmpǫwt, krōmhōt vrij algemeen is, en verder
‘rolhout’ (Susteren) en
‘kromschei’ kromšęj (Montfoort). ‘Koning’ kø̄neŋ (Oirsbeek) is een
metaforische benaming. Een koning kan
‘dwarsbalk’ betekenen(22). |
Bij het begrip SPANHOUT komt, omdat naar spanhout gevraagd
was, het element span in veel woordtypen terug:
‘spanhout’, ‘spanthout’,
‘spanstek’, ‘spankluppel’,
‘spanner’, spanscheer’,
‘spangriet’. Voor het overige komen de benamingen nogal
overeen met die van het lemma SLACHTHOUT. Opvallend in dit lemma is de
opgave kyl uit (Heerlen), waaraan het Nederlandse
woordtype ‘kuil’ is gegeven. Dit woord moet hetzelfde
zijn als het Duitse keule. In de Aachener
Sprachschatz(23) komt het
voor onder de variant küll en het betekent daar
‘Stock mit krummen Ende’.
| |
Te snel verwerkt(24)
Als het slachtvee gedood is en uitgeslacht, moet het een poos, een dag
bijvoorbeeld, besterven. Wanneer het vlees door en door koud is geworden,
kan het verder verwerkt worden. Daarom was november ook uitermate geschikt
om dan te slachten. Laat men het vlees niet voldoende koud worden, dan is de
smaak ervan | | | | minder en bederft het veel sneller. Bovendien kan
men het vlees koud veel beter snijden. Ook hier zijn de antwoorden niet
eenduidig. Het gevolg hiervan is dat er verschillende grammaticale
categorieën in het lemma voorkomen en dat er ook semantisch
gezien verschillende groepen van antwoorden zijn.
| 1) | Er zijn woordtypen die erop duiden dat het vlees niet genoeg bestorven
is. Het vlees is hier het onderwerp. Men krijgt dan opgaven als het
vlees is tə šlap ‘te
slap’ (Tegelen, Herten, Swalmen), ‘te vers’ tə vērs (Heugem) of tə vors (Tungelroy), tə
kwɛbš ‘te kwaps’
(Heugem), frīə
‘vree’ (Nuth), krutɛxtex kruidachtig’ (Heythuysen), nēt dūt ‘niet
dood’ (Tungelroy). In deze categorie vallen ook de woordtypen
in de trant van ‘niet verstorven’. |
| 2) | Dan is er een groep van woordtypen waarbij men de slachter als het
subject moet denken: tə wɛrm
ūtgəsnējə
‘te warm uitgesneden’ (Hoensbroek) en tə vrø̨x ‘te
vroeg’ (Weert). |
| 3) | Een derde groep bestaat uit werkwoorden of werkwoordelijke
uitdrukkingen waarbij het vlees weer als subject geldt: het vlees gēt šanə
‘gaat schannen’ (Noorbeek),
rømpələn
‘rimpelen’ (Hoensbroek), helt zex
nēt ‘houdt zich niet’ (Noorbeek), snit zex nēt
mē.j ‘snijdt zich niet mee’
(Horst), trękt
aləs šęjf ‘trekt
alles scheef’ (Herten), mut
āfstɛrvə ‘moet
afsterven (Schinveld), zag ut
‘zakt uit’ (Blerick). Wat
ironisch bedoeld is de uitspraak ə
bitjə lōtə
spartələn ‘een beetje laten
spartelen’ (in Kerkrade). |
Een aantal begrippen uit de huisslacht in Nederlands Limburg met bijbehorende
dialectvarianten heb ik dialectgeografisch belicht. Ik heb het niet gehad
over ‘slachtrijp’, ‘verslachten’,
‘het mes’, ‘het schietmasker’,
‘blauw slachten’, ‘oren
verwijderen’, ‘ingewanden’, ‘worst
maken’ en nog veel meer. Zij hebben alle weer woorden in het
dialect. In een ander verband kan ik daar nog wel eens op terugkomen.
| | | | |
(1)Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) XIV
blz. 1478.
(2)Z.H. Crompvoets, Het Woordenboek van de Limburgse Dialecten
(WLD), deel II Aflevering 1 (huisslachter/bakker), Maastricht 1986.
(3)Vragenlijst nr. 28 van de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde, in
1967 verzonden naar Limburgse informanten.
(4)z. WLD II Afl. 1 blz. 1.
(5)z. WLD II Afl. 1 blz. 1 en
2.
(6)z. J. Schrijnen, De Isoglossen van Ramisch in Nederland,
Bussum 1920, blz. 62 en 63.
(7)z. de
kaart SLACHTEN in WLD II Afl. 1 blz. 1.
(8)z. het WNT VIII blz. 534.
(9)z. het WNT VIII blz.
534.
(10)z. het WLD II Afl. 1 blz.
4.
(11)z. W.A.M.M. Janssen
Steenberg, De vakterminologie van de huisslachter in het gebied van het
WBD, doctoraalscriptie, Nijmegen 1973, blz. 24.
(12)z. het WLD II Afl. 1
blz. 10.
(13)z. het WLD II Afl. 1 blz.
11.
(14)z. H. Henderson, H. Toors, H.
Callenbach, Het nieuwe kookboek, 8ste druk, Wageningen 1972, blz.
149.
(15)z. WLD II Afl. 1 blz.
15.
(16)z.
de Nijmeegse vragenlijst nr. 28 uit L 291 (Helden).
(17)z. WNT
VIII blz. 1884.
(18)z. WLD II Afl. 1 blz.
20.
(19)z. J. Verdam,
Middelnederlandsch Handwoordenboek, 's Gravenhage 1932, blz. 526 s.v.
schouden.
(20)z. het WLD II Afl. 1 blz.
28.
(21)z. het WLD II
Afl. 1 blz. 36.
(22)z.
het WNT VII blz. 5270 s.v. koning.
(23)W. Hermans, Aachener
Sprachschatz, Aken 1970, blz. 337 s.v. küll.
(24)z. Het WLD II Afl. 1
blz. 46.
|
|