Hier beghint die derde Cluchte van Heynken+ de Luyere, hoe dat hi tot Peeter pots ghinc, daer hy zijn ghesellen besorchde van Stochvisch, seer genoechelijck om lesen.+
[houtsnede]
Heynken die was op een tijt versaemt
Met vijf oft ses sanghers van een Compaignie,
Die altijt vrolijck waren soot betaemt,
Want die conste set gheerne de sorge aen deen sije.
+Opschrift: tot Peeter pots naar het huis van Peter Pot. Pieter Pot was een rijke burger van Antwerpen († 1459) die aan de stad een godshuis onder leiding van drie priesters schonk (zie Biogr. Nat. 18, 78; N. Ned. Biogr. Wdb. 5, 533-4) Stochvisch sic; in dit stuk herhaaldelijk aldus gespeld.
174de tekst heeft op tafereel voor tresoor, de bedoeling is blijkbaar dat H. het voorschoot hing voor het schilderij (met een gewijde voorstelling ongetwijfeld) dat boven het buffet hing; vgl. vs. 206 tresoor buffet
176twee wassen keerssen gheheel twee waskaarsen die nog heel waren; waskaarsen waren toen iets zeer kostbaars