terug  begin  verder
[p. 72]

[Acrostichon-gedicht]

 
+Compt, helpt mij, Heere, oft herte berst
 
Overmidts de benautheit, die ick gedooghe.2
 
Recht ligh ick, als tusschen twee steenen geperst,3
 
Niet wetende werwaerts dat ick mij pooghe.4
[5]
En keerdy tot mij niet u goddelick ooghe,5
 
Lasen, ick moet in der hellen beneden.6
 
Ick sie mijn vianden geclommen hooghe,
 
Sij sullen mij onder huer voeten treden;
 
Catijvelick quellen zij alle mijn leden.9
[10]
Rasch, Heere, helpt mij, tis meer dan tijt.
 
Vecht teghen mijn strijders ten daghe van heden;
 
Laet mij niet langher in dit verwijt.12
 
Salveert mij, want ghij de verlosser sijt.13
emendaties
Opschrift ontbreekt. Het Register van het handschrift, fol. 141, vermeldt ten onrechte: Retrograde per crul. Het gedicht kan echter alleen op de normale manier, van voor naar achter gelezen worden.

paleografische / codicologische opmerkingen
De beginletter van elk vers is een rode Romeinse kapitaal.
+Fol. 140
2Overmidts de benautheit: Van wege de benarde omstandigheden.
3Recht ligh ick: Ik lig waarlijk.
4mij pooghe: mij begeef.
5En keerdy ... niet: Indien gij ... niet keert.
6Lasen, ick moet: Dan moet ik, helaas.
9Catijvelick: Boosaardig.
12In dit verwijt: in deze smaad.
13Salveert: Red.
terug  begin  verder