terug  begin  verder
[p. 73]

[Den 13den psalm in dicht]

[Prologhe]

 
+O Heere, hoe bin ic te hans bedruct;1
 
Mij dunct dat die berghen teghens mij welven.2
 
Ic sitte ghelijc in een hol gheduct,3
 
Als eene die men in deerde sal delven.4
[5]
Mijn natuere verdwijnt, ic gae van mij selven,5
 
Therte dunct mij bersten midts grooten rouwe;6
 
Compt, helpt mij, o Heere, want ic u betrouwe.
 
 
 
Die wateren des drucx zijn op mij ghegoten,
 
Ic sie de zee brieschende voer mij staen;
[10]
Heur baren hebben mij rontsomme besloten,10
 
Ic en weet waer loopen, rijden, noch gaen.
 
Mijn aensicht is ghelijck een doot ghedaen,12
 
Mijn ghebeenten verdorren als tgras der eerden;
 
Vreucht meyndic vinden, druc moet ic aenveerden.
 
 
[p. 74]
[15]
+Ic meynde eens te wesene verlost
 
Van den druc, daer ic in was ghebonden;
 
Ic haecte als die hongryghe naer den cost17
 
En hebbe een scamel bancquet ghevonden;18
 
Ic meynde ghenesen, en vervulde mijn wonden,
[20]
Ic socht den vrede, ende quam int dangier,20
 
Ic liep naer vercoelinghe ende viel int vier.
 
 
 
Mij docht twas al claer weer voer ooghen,
 
Maer een duyster wolcke hevet saen bedect;23
 
Ic meynde tgeluc soude eens verthooghen,24
[25]
En dongheval is uuten slape ghewect;25
 
Ic sach naer hoocheyt inde worde beghect,26
 
Ic meynde te vinden goy aventuere,27
 
Ic sochte het soete, en vinde nu tzuere.
 
 
 
+Ic meynde te vliene uut smenschen handen,29
[30]
En bin in der wolven tanden gheraect;
 
Ic socht die eere, ende come in scanden;31
 
In stede van heunich hebbic galle ghesmaect.
 
Ic was half ghecleet, en worde heel naect;33
 
Ic meynde die victorie was ghewonnen,
[35]
Maer, aylasen, den strijt is eerst begonnen.
 
 
[p. 75]
 
Waer sal ic dan loopen om eenich secuers?36
 
In mij selven en can ic gheenen raedt versinnen;
 
Ic sie die werelt is vol ramuers,38
 
Dwelc mij dees vreese brengt ter herten binnen.
[40]
Aldus wil ic den psalm beghinnen
 
Die David badt, wesende int lijden;
 
God maect van drucke wel een verblijden.

Psalmista

 
+Hoe langhe sult ghij mij, Heere, zoe heel vergeten?
 
Hoe langhe keert ghij van mij u aenschijn claer?
[45]
Ic ben in sulcke benautheit gheseten;45
 
Eenen dach dunct mij wel duysent jaer.46
 
Keert u om, Heere, thoont u openbaer,
 
Ghedenct mij ende trect mij uuter sorghen;
 
Voer u ooghen en is gheen saecke verborghen.
 
 
[50]
Hoe langhe sal ic raedt soecken in mijnder zielen50
 
En leedt draghen in mijnder herten gront?
 
Die hem selven betrouwen, zij altijt vielen;52
 
Des menschen voernemen is eenen valschen vont.53
 
O Heere, ic ben met zulcken drucke deurwont;
[55]
Gheeft mij uwen raedt oft ic blijve gheschent;55
 
Die hem selven betrouwen staen op een cranc fondament.56
 
 
[p. 76]
 
+Hoe lanc sal hem die viant verheffen,57
 
Over mij doende fortse en ghewelt?58
 
Siet hoe hertelijcken dat zijn slaghen treffen;59
[60]
Hij heeft mij heel onder sijn voeten ghevelt.
 
Gheringhe, Heere, maect dat ghijt hem verghelt;61
 
Doet hem met uwen machtighen erm cesseren;62
 
Voer u moeten alle gheesten verneren.63
 
 
 
Aenschoudt doch ende verhoort mij, Heere,
[65]
Mijn God, die alleen den troost cont gheven;
 
Ic en vinde gheen hulpe, waer ic mij keere,
 
Ic ben heel sonder confoort ghebleven.67
 
Aenmerct mijn broosheit, die mij doet sneven,68
 
Aenhoort mij, om uws swoorts wille, vol van ghenaden;
[70]
Al dat belast is conde ghij ontladen.70
 
 
 
+Verlicht mijn ooghen, dat ic niet en slape
 
In de doot, daer men u en looft noch en danct,
 
Maer gheeft doch claerheit uwen cnape,73
 
De kennisse uws swoorts, daer mij naer verlanct.74
[75]
Al ist dat de werelt de duysternis ontfanct,75
 
Verlicht mij ende ic sal u goetheit aenmercken.
 
U licht, dat straft alle duystere wercken.77
 
 
[p. 77]
 
Opdat hem mijnen viant niet en beroeme78
 
Dat hij mijnder is gheworden machtich.79
[80]
Hij seet, tis dwaesheit dat ic u noeme,80
 
Ghij en sult mij niet meer wesen ghedachtich.81
 
Maer, Heer, op u betrouwe ic waerachtich,
 
Ghij sult mijn vianden maken tot spot,
 
Die segghen: Daer en is gheen hulpe bij God.
 
 
[85]
+In mijn wedersegghers hem niet en verhueghen85
 
Dat ic omghestooten bin van u gheweken.86
 
Hoe soudy mij, Heere, verlaten meughen,87
 
Die noyt u vrienden en hebt versteken?88
 
Al ben ic een vat, vol van ghebreken,
[90]
Weerdich ter scanden deur mijn bedrijven,90
 
Ghij en laet mijn ziele in der hellen niet blijven.
 
 
 
Maer op u goetheit wil ic hopen,
 
Daer altoos troost plach te gheschiene;
 
Al gheeft mij tvlees en de werelt veel nopen,94
[95]
Sij en hebben gheen macht u hulpe te verbiene.95
 
Ic gheloove die goetheit des Heeren te ziene
 
In dlant der levendigher, vol goeder vruchten;97
 
Godts goetheit doet alle mijn vianden vluchten.
 
 
[p. 78]
 
+Mijn herte is in u salicheit verblijdt,
[100]
Waerdeur ic verlost bin van druc en pijne.
 
Wat achte ic hoe dat mijnen viant strijdt,
 
Ic hebbe verwonnen, die victorye es mijne;
 
Mijn siele beghint verhoocht te zijne103
 
In God, mijn salicheit, vol van gracien,
[105]
Die een licht ghestelt is voer alle nacien.
 
 
 
Ic wil den Heere loven, dancken en singhen,
 
Omdat hij mij wedere heeft opgherecht;
 
Hij sal mij voorts doen veel goede dinghen,
 
Soe hij ghelooft heeft Abraham, zijnen knecht.109
[110]
Hij heeft zijne bermherticheit aen mij ghehecht;
 
Dies sing ic hem een nieu liet in mijnder herten.
 
God heeft mij verheucht, daer ic lach in smerten.112
emendaties
Geen opschrift. Het Register van het handschrift, fol. 141v., vermeldt alleen: hier na volgen psalmen per crul. Wij vormden het opschrift met de aanduidingen uit het handschrift betreffende de bewerking van psalm 77.

Em. 13. Hs. de eerden.

paleografische / codicologische opmerkingen
De O van vs. 1 is een met blauw, geel en rood versierde Gothische letter. De initiaal van elk ander vers van het gedicht is zwart met gele en rode likjes.
+Fol. 32v.
1te hans: thans, nu.
2teghens mij welven: zich over mij buigen, mij bedreigen.
3gheduct: gedoken, part. perf. van ducken. Gheduct kan ook het part. perf. zijn van ducken, bijvorm van drucken: drukken.
4delven: begraven.
5natuere: geestes- en lichaamskracht.
6midts groten rouwe: van wege grote droefheid.
10rontsomme besloten: omringd.
12ghelijck een doot ghedaen: als dood, als van een dode; doot ghedaen: dood.
emendaties
Em. 33. Hs. vas.
+Fol. 33
17naer den cost: naar voedsel.
18scamel bancquet: schamele maaltijd; vervulde mijn wonden: vulde mijn wonden aan, kreeg meer wonden, of: vervuulde, vervuilde mijn wonden, deed er nog meer etter in komen, maakte mijn toestand nog erger.
20dangier: gevaar.
23hevet saen bedect: heeft het (alles, cfr. vs. 22) spoedig bedekt.
24vertooghen: zich vertonen.
25dongheval: de tegenspoed.
26Ik rekende op verheffing en werd bespot.
27goy aventuere: voorspoed, geluk.
+Fol. 33v.
29vliene: vlieden, vluchten.
31come: kom.
33worde: word.
36secuers: hulp, bijstand.
38ramuers: rumoer, strijdrumoer, twist.

paleografische / codicologische opmerkingen
Het woord Psalmista en de H van vs. 43 zijn rood.
+Fol. 34
45benautheit: angst, kommer.
46Dit vers kan ook als een consecutieve zin gelezen worden (Dat een dag mij wel duizend jaar lijkt), waarbij dan na gheseten in vs. 45 een komma moet geplaatst worden.
50raedt: raad; raedt soecken: naar een oplossing zoeken.
52hem selven: zichzelf.
53eenen valschen vont: een ijdel bedenksel.
55gheschent: rampzalig.
56cranc: zwak.
emendaties
Em. 69. Hs. uvs.
+Fol. 34v.
57hem verheffen: zich verheffen.
58Mij met geweld verdrukkend.
59hertelijcken: hevig.
61Gheringhe: Haastig.
62cesseren: ophouden.
63verneren: te gronde gaan.
67confoort: troost, sterkte.
68broosheit: zwakheid; sneven: struikelen, vallen.
70conde ghij: kunt Gij.
+Fol. 35
73cnape: dienaar.
74daer mij naer verlanct: waar ik naar verlang.
75aenmercken: opmerken, waarnemen.
77dat: aanwijz. vnw., als herhaling van het onderwerp U licht; straft: verdrijft (straffen = weerleggen).
paleografische / codicologische opmerkingen
79. Tussen is en geworden is in het Hs. een woord (van 61 etters) doorgehaald en onleesbaar gemaakt.
78hem: zich.
79Dat hij mij overmeesterd heeft.
80Hij seet: Hij zegt.
81Dit vers hangt ook af van Hij seet. Versta: Hij zegt dat het dwaasheid is U te aanroepen en dat Gij mij niet indachtig zult zijn.
+Fol. 35v.
85In: En; vgl. vs. 26: inde voor ende en vs. 86: bin voor ben. In moet hier begrepen worden als: En dat, als inleiding van een wens-zin; wedersegghers = tegenstrevers, vijanden.
86Dat ik aan het wankelen gebracht ben en U afvallig ben geworden.
87soudy: zoudt Gij; meughen: kunnen.
88versteken: verstoten.
90deur mijn bedrijven: door mijn wijze van handelen.
94nopen: aanvallen, stoten.
95te verbiene: te beletten.
97dlant der levendigher: het land der levenden, Vgl. ps. 116:9.
+Fol. 36
103verhoocht: verheugd.
109ghelooft: beloofd.
112daer: terwijl, toen.
terug  begin  verder