|
|
|
| | | | | |
De strukturele positie van reflexieve en reciproke
pronomina
Saskia Daalder & Alied Blom
| |
Samenvatting
In dit artikel wordt de stelling verdedigd dat de distributie van
de Nederlandse reflexieve en reciproke pronomina bepaald wordt door de
beperking dat het antecedent van een reflexief of reciprook pronomen op het
niveau van de dieptestruktuur in een ‘superieure’ positie staat ten
opzichte van dat reflexieve of reciproke element. Deze voorwaarde is de enige
beperking van strukturele aard die specifiek is voor het leggen van
reflexivum-antecedent-relaties; gesteld wordt dat verdere strukturele
beperkingen hierbij alle teruggevoerd kunnen worden tot de algemene kondities
op de toepassing van regels zoals geformuleerd, in
Chomsky (1973). De analyse hangt samen met een
specifiek onderscheid tussen antecedentschapsrelaties en andersoortige
anaforische relaties. Uit de superioriteitsvoorwaarde kunnen voorts bepaalde
voorspellingen afgeleid worden ten aanzien van de dieptestrukturen van bepaalde
konstruktietypen.
*
| |
1.
Wij zullen ons in dit artikel bezighouden met het probleem van de
positiemogelijkheden van de Nederlandse reflexieve en reciproke pronomina, dat
wil zeggen van het element zich(zelf) en zijn paradigma-genoten
me(zelf), je(zelf) en ons(zelf), en het woord
elkaar. Algemeen zullen we deze elementen aanduiden als
‘reflexiva’. De reflexiva hebben als bijzonderheid dat ze niet
zonder meer in een zin kunnen optreden; er moet een ‘antecedent’
beschikbaar zijn om ze te ‘binden’. Dat antecedent moet bovendien
aan verschillende voorwaarden voldoen. Onder andere moet er getals- en
persoonsovereenkomst zijn tussen een reflexivum en zijn antecedent, aangezien
een element ik nooit als antecedent mag optreden van een reflexivum
zichzelf. Deze niet-strukturele voorwaarden komen verder niet meer aan
de orde. Ook wordt voorbijgegaan aan het onderscheid tussen ‘zware’
reflexiva als zichzelf en ‘lichte’ als zich. Evenmin
wordt de ‘inhoud’ van de relatie tussen een reflexivum en zijn
antecedent besproken, zodat ook het verschil tussen een zin met zichzelf
en diezelfde zin met het element elkaar buiten beschouwing blijft.
Er moeten echter ook strukturele beperkingen opgelegd
worden aan de relatie tussen een reflexivum en zijn antecedent, op gelijke
wijze voor reflexieve en voor reciproke pronomina, en deze vormen het onderwerp
van dit artikel. Een reflexivum moet beschouwd worden als een nominale
konstituent, aangezien alle posities waarin een reflexivum kan optreden
NP-posities zijn. De reflexiva kunnen echter niet zonder meer in alle
NP-posities verschijnen; er moet een zeker verband bestaan met de positie van
het antecedent. Vaak wordt gezegd dat het antecedent zich in dezelfde zin
(clause) moet bevinden als het reflexivum, en dat het daarin het subjekt moet
zijn (zie bijv. Evers (1975: 76-77)). Het is echter duidelijk dat dit niet het
geval hoeft te zijn: in de welgevormde zinnen (1) en (2) wordt een reflexivum
gebonden door een antecedent (aangegeven door kursivering van zowel reflexivum
als antecedent) dat niet het subjekt van de zin is. | | | |
(1) Ik neem hem tegen zichzelf in bescherming.
(2) Hij heeft ze aan elkaar voorgesteld.
Ook wordt wel gezegd dat het voldoende is om te eisen dat het
antecedent zich ter linkerzijde van het reflexivum bevindt (zie bijv. Fiengo
&
Lasnik (1972/73),
Fiengo (1974)11). Dat dit niet altijd de
juiste voorspellingen geeft laten de zinnen (3) en (4) zien, waar het
antecedent links staat en de zin toch niet welgevormd is.
(3) *Ik sprak met mijn ouders over zichzelf.
(4) *Een vriend van de mannen kende elkaar.
Voorts worden ook wel kombinaties voorgesteld van dergelijke
strukturele vereisten (bijv.
Jackendoff (1972: 136)).
Onze stelling nu is dat er slechts één enkele
strukturele eis hoeft te worden gesteld aan het antecedent van een reflexivum,
de eis namelijk dat het zich in een ‘superieure’ positie bevindt
ten opzichte van het reflexivum (zie verder 2.). Andere beperkingen blijken
voort te vloeien uit de algemene kondities op de toepassing van regels.
Bij onze uiteenzetting gaan we er zonder verdere argumentatie van
uit dat de relatie tussen een reflexivum en zijn antecedent tot stand komt door
de toepassing van een interpretatieregel, hetgeen betekent dat reflexieve
pronomina als zodanig, herkenbaar aan een kenmerk [+ refl], beschikbaar zijn in
de syntaktische dieptestrukturen, en niet ontstaan door een transformationeel
‘reflexivisatie’-proces. De eis van superioriteit van het
antecedent ten opzichte van een reflexivum zou echter evenzeer voor
‘transformationele’ benaderingen van kracht zijn.
| |
2.
Voordat we de toepasselijkheid van het begrip
‘superioriteit’ voorde relatie tussen een reflexivum en zijn
antecedent kunnen demonstreren, moeten we eerst in algemene termen uiteenzetten
wat dat begrip inhoudt. De notie ‘superioriteit’ is door
Chomsky als volgt gedefinieerd
1:
… the category A is ‘superior’ to the category
B in the phrase marker if every major category dominating A dominates B as well
but not conversely. (Chomsky (1973: 246))
In deze definitie komt het begrip ‘major category’
voor; hiertoe rekenen we
2de kategorieën
Nomen, Verbum, Adjektivum, Prepositie, en voorts de kategorieën die
één van de reeds genoemde elementen als kern hebben, dat wil
zeggen de kategorieën NP, VP, AP en PP en zo verder in de hiërarchie,
zodat ook S en eventuele tussenliggende kategorieën als Pred Phrase onder
de notie ‘major category’ vallen. We noemen ze nu verder
‘hoofdkategorieën’.
De definitie van superioriteit nu houdt in dat een kategorie A
‘superieur’ is aan een kategorie B in een bepaalde struktuur als B
bevat is in alle hoofdkategorieën die A bevatten, terwijl B bovendien nog
in minstens één andere hoofdkategorie bevat is. Anders gezegd, de
minimale hoofdkategorie die A domineert, in struktuur (5) de kategorie
M1, definieert de substruktuur waarin zich de kategorieën
bevinden waaraan A superieur is voorzover deze kategorieën bovendien door
minstens één hoofdkategorie (M2 in struktuur (5)) van
de definiërende kategorie M 1 gescheiden worden. | | | |
(5) [M1 .. A .. M2 ..
B .. ] .. ]
In intuïtieve bewoordingen betekent het dat de superieure
kategorie zich direkt onder de knoop M1 bevindt, en de
kategorieën ten opzichte waarvan de superioriteit geldt juist lager,
waarbij uitsluitend de hoofdkategorieën ‘meetellen’. De
superieure kategorie bevindt zich in dit essentiële opzicht
‘dichterbij’ de top van de substruktuur. Het valt nu gemakkelijk in
te zien dat de notie superioriteit een asymmetrische notie is: als A superieur
is aan B, dan kan niet tegelijk B superieur aan A zijn.
In alle substrukturen die gedomineerd worden door een
hoofdkategorie zijn superioriteitsrelaties gedefinieerd. Passen we de definitie
toe met de kategorie S voor M1, dan kunnen we bijvoorbeeld afleiden
dat het subjekt van een S, dat zich zonder tussenkomst van een andere
hoofdkategorie direkt onder de S bevindt, superieur is aan alle
kategorieën die bevat zijn in de VP en dus door een hoofdkategorie
gescheiden worden van die S, zoals (6) aangeeft voor een NP in de VP.
(6) [S NP[VP .. NP .. ]]
Bezien we vervolgens de relaties intern in een NP. Onder de
analyse van NP's van
Chomsky (1970) is ook hier het subjekt van de
konstruktie ‘dichterbij’ de top-NP dan de elementen die bovendien
bevat zijn in enige andere hoofdkategorie, bijvoorbeeld in een PP. Struktuur
(7) geeft deze konfiguratie weer.
(7) [NP[Det NP] .. [PP .. NP .. ]
.. ]
Weliswaar wordt in (7) ook de subjekts-NP niet direkt gedomineerd
door de definiërende top-NP, maar de tussenliggende kategorie Det is geen
hoofdkategorie en telt dus niet mee voor de bepaling van de
superioriteitsrelaties. Het in de Determinator bevatte subjekt van een nominale
konstituent is derhalve ook in zijn superioriteitsrelaties vergelijkbaar met
het subjekt van een zin.
Als laatste voorbeeld van de betekenis van de notie superioriteit
nemen we als definiërende kategorie de VP. Hierin is bijvoorbeeld de
direkt objekts-NP, die zich zonder tussenkomst
3van een andere hoofdkategorie onder de VP
bevindt, superieur aan de NP's van prepositie-konstituenten, aangezien die
bovendien bevat zijn in een andere hoofdkategorie, namelijk de PP (vgl.
struktuur (8)).
(8) [VP .. NP .. [PP .. NP .. ] .. ]
Een NP die direkt gedomineerd wordt door de VP is voorts superieur
aan elementen intern in enigerlei andere hoofdkategorie binnen de VP, zoals
elementen in NP's, AP's, VP's of S'en.
Uiteraard zijn de gepostuleerde basisregels en de gepostuleerde
operaties hierop beslissend voor de uitwerking die de notie superioriteit heeft
in termen van mogelijkheden tot differentiatie in hiërarchisch opzicht. Zo
is bijvoorbeeld het aannemen van een konstituent VP zeer belangrijk, zoals uit
de gegeven illustraties al bleek.
Op te merken valt dat de notie superioriteit de lineaire ordening
van elementen niet in beschouwing neemt. Dat de superieure kategorie in de hier
gegeven voorbeelden steeds links staat van de kategorie ten opzichte waarvan de
superioriteit geldt, wordt veroorzaakt door de wijze waarop de NP's in zinnen
en intern in an- | | | | dere NP's door de basisregels geplaatst worden.
Veelal zijn de gegeven strukturen namelijk rechtsvertakkend, waarbij een NP op
de linkertak superieur is aan alles wat gedomineerd wordt door het element op
de rechtertak. Dit geldt voor subjekts-NP's ten opzichte van andere NP's, en
voor objekts-NP's ten opzichte van NP's in een prepositie-konstituent.
De notie superioriteit is te beschouwen als ontwikkeld uit de
notie ‘kommanderen’ uit
Langacker (1969), waarbij het verruimde kommanderen
van
Jackendoff (1972: 140) een tussenstap vormt.
Langackers notie kommanderen neemt per definitie uitsluitend S'en in
beschouwing als strukturen waarbinnen de relatie gedefinieerd is en als
kategorieën die ‘meetellen’; bij Jackendoff tellen ook de
andere cyklische kategorieën mee. De beide noties kommanderen zijn niet
asymmetrisch: als A B kommandeert, dan is het tegelijk ook mogelijk dat B A
kommandeert (A en B kommanderen dan elkaar en worden in dat geval ‘clause
mates’ genoemd).
Chomsky (1973) betrekt zoals we gezien hebben in de
definitie van superioriteit ook de andere hoofdkategorieën, en voorts
maakt hij de notie tot een essentieel asymmetrische. Dit laatste is in het
bijzonder belangrijk, omdat daardoor verdergaande differentiaties aangebracht
worden op basis van de dominantierelaties in de strukturen.
| |
3.
Onze stelling is dat de kategorie die als antecedent van een
reflexief of reciprook pronomen geïnterpreteerd wordt, altijd in een
superioriteitsrelatie staat tot het reflexieve of reciproke pronomen, althans
in de dieptestruktuur. Dit kan allereerst gedemonstreerd worden met zinnen
waarin het subjekt als het antecedent geïnterpreteerd wordt van een
reflexivum dat zich in de VP bevindt. De zinnen (9) tot (11) zijn dus gevallen
van de in (6) aangegeven strukturele relatie.
(9) Jan ziet zichzelf in de spiegel.
(10) Die mensen hebben het altijd over zichzelf.
(11) Zij haten elkaars ouders.
Soortgelijke verhoudingen zien we in de zinnen (12) tot (14)
intern in NP's. Het zgn. possessieve subjekt (in de zin van Chomsky (1970))
blijkt hier het antecedent te kunnen vormen van een reflexivum in het
komplement van het nomen.
(12) [NP Jans verhaal [PP over
zichzelf]] was roerend
(13) [NP Hun ergernis [PP over
elkaar]] nam grote vormen aan.
(14) [NP Onze haat [PP jegens
[NP elkaars ouders]]] was extreem.
Aan de betreffende nominale konstituenten kunnen we, Chomsky
(1970) volgend, globaal een struktuur als (15) toekennen
4; het possessieve
element Jans daarin wordt beschouwd als het subjekt van de konstruktie,
vergelijkbaar met het subjekt van een zin. Overeenkomstig schema (7) geldt de
subjekts-NP in (15) als superieur ten opzichte van het reflexivum, waarmee de
antecedentschapsrelatie verantwoord kan heten. (In struktuur (15) komt de
kategorie N̿ overeen met de kategorie NP.) | | | |
(15)

Voorts kunnen, overeenkomstig de superioriteitsrelaties zoals in
(8) geschetst, antecedent en reflexivum zich beide in de VP bevinden, mits het
reflexivum daarbij gedomineerd wordt door bijvoorbeeld NP of PP, en het
antecedent niet, zoals het geval is in de zinnen (16) tot (18).
(16) Ik gaf die mensen [NP elkaars
adres]
(17) Deze maatregel beschermt de voetgangers [PP
tegen zichzelf]
(18) Jij hebt hun jeugdwerken [PP met
elkaar] vergeleken.
Merk op dat (18) niet geïnterpreteerd kan worden met de
subjekts-NP hun van hun jeugdwerken als antecedent van
elkaar; inderdaad, is hun ook niet superieur aan elkaar,
aangezien het zich in een NP bevindt die niet ook het reflexivum bevat (vgl.
(19)).
(19) *Jij hebt [NP hun jeugdwerken]
[PP met elkaar] vergeleken.
Op vergelijkbare wijze kan ook de onwelgevormdheid van (3), hier
herhaald als (20), verantwoord worden: aangezien het potentiële antecedent
bevat is in een PP is het niet superieur aan het reflexivum en kan het dit niet
binden.
(20) *Ik heb [PP met mijn ouders] [PP
over elkaar] gesproken.
Met de strukturele konditie dat een reflexivum gebonden moet
worden door een antecedents-NP die er superieur aan is wordt het ook duidelijk
wat de oorzaak is van het feit dat een nominale konstituent als elkaars
verhalen of de verhalen van elkaar niet kan optreden als subjekt van
een zin (21), maar wel als objekt (22). In het eerste geval is er immers geen
superieure NP beschikbaar als antecedent, en in het tweede geval wel, namelijk
de subjekts-NP zij
5.
(21)
a *Elkaars verhalen bevielen hun uitstekend.
b *De verhalen van elkaar bevielen hun uitstekend.
(22)
a Zij vonden elkaars verhalen uitstekend.
b Zij vonden de verhalen van elkaar uitstekend.
We kunnen tenslotte demonstreren dat de superioriteitseis ook
geldt in verband met de possessieve pronomina in bepaalde uitdrukkingen die
geïnterpreteerd moeten worden als waren het reflexiva. Het possessieve
pronomen in zijn zelfbeheersing is niet in het algemeen een reflexief
element; het gedraagt zich echter wel zo in uitdrukkingen als zijn
zelfbeheersing verliezen. In deze gevallen van
‘pseudo-reflexiva’ (vgl. Helke( 1973)) moet er een antecedent
aangewezen worden voor het possessieve pronomen, en wel in superieure positie
ten opzichte daarvan. In de zinnen (23) tot (25) is aan deze eis
voldaan. | | | |
(23) De agent verloor [NP zijn
zelfbeheersing]
(24) Ik kreeg [NP mijn congé]
(25) Ik gaf hem [Np zijn
congé]
In de tot nu toe gegeven voorbeelden was de superioriteitsrelatie
steeds ook in de oppervlaktestructuren aanwezig. Dat dit niet het geval hoeft
te zijn laten de zinnen (26) en (27) zien.
(26) Over zichzelf vertel ik [VP ze
niets]
(27) Elkaar dacht ik niet [S dat ze iets
te verwijten hadden]
In de oppervlaktestruktuur van deze zinnen is de
superioriteitsrelatie tussen het antecedent en het reflexivum niet meer
aanwezig. Als we er van uitgaan dat de superioriteitsvoorwaarde enige
verklarende kracht heeft, dan zal de antecedent-schapsrelatie derhalve gelegd
moeten worden vóór de toepassing van het proces van
topikalisatie, waarmee de reflexieve elementen in (26) en (27) naar links en
naar een hogere positie zijn verplaatst.
Men zou zich kunnen afvragen of zinnen als (28) toch niet
problemen opleveren voor de superioriteitsvoorwaarde.
(28) Elkaars tegenpolen zijn Jan en Marie.
Als elkaars tegenpolen het subjekt van de dieptestruktuur
van (28) zou zijn, en Jan en Marie het predikaatsnomen, dan zou deze zin
een tegenvoorbeeld zijn tegen onze stelling dat een reflexivum altijd een
antecedent krijgt toegekend dat daar superieur aan is; een element van de VP is
immers nooit superieur aan een element in het subjekt van een zin. Het is
echter te beargumenteren dat de konstellatie in de dieptestruktuur hier anders
is; Jan en Marie moet beschouwd worden als het subjekt, en elkaars
tegenpolen als predikaatsnomen, waarbij de verklaring van het reflexivum
geen probleem meer is. Voor (28) moet namelijk de toepassing aangenomen worden
van topikalisatie op het predikaatsnomen elkaars tegenpolen, aangezien
met de volgorde van de nominale konstituenten zoals die in (28) verschijnt geen
bijzin gekonstrueerd blijkt te kunnen worden, en evenmin een vraagzin (vgl.
(29)). We kunnen derhalve konkluderen dat een zin met elkaars tegenpolen
als subjekt inderdaad onmogelijk is. (vgl. Blom & Daalder (1975: 5.4.).
(29)
a *… omdat elkaars tegenpolen Jan en Marie zijn.
b *Zijn elkaars tegenpolen Jan en Marie?
Op dezelfde wijze kan (30) verklaard worden als tot stand gekomen
door middel van topikalisatie op basis van een dieptestruktuur waaruit zonder
topikalisatie (31) afgeleid zou worden
6.
(30) Zichzelf is Jan.
(31) Jan is zichzelf.
Behalve topikalisatie maakt ook een proces als klitisering van
‘zwakke’ pronomina het noodzakelijk om het binden van een
reflexivum door een antecedent niet te laten geschieden op basis van de
strukturele verhoudingen van de oppervlaktestruktuur. Zo kan een zwak
reflexivum als zich door klitisering uit de VP gelicht worden en terecht
komen in een positie waar het geen superieur antecedent | | | | zou kunnen
vinden, terwijl zin (32), waar we een dergelijk proces kunnen aannemen, wel
degelijk geïnterpreteerd kan worden met een specifieke
antecedent-schapsrelatie.
(32) … omdat zich voor het voorzitterschap
[VP nog niemand heeft aangemeld]
Het probleem wordt opgelost als we de antecedent-toekenning laten
plaatsvinden op een tijdstip voorafgaande aan de klitisering, waarop de
subjekts-NP niemand superieur is aan het reflexivum zich in de
VP.
Een andere aanwijzing voor het niveau waarop de bind-relatie
gelegd moet worden wordt gevormd door zinnen als (33), waar het antecedent niet
superieur lijkt te zijn aan het reflexivum, aangezien het bevat is in een PP
die niet tevens het reflexivum bevat.
(33) [NP Het verhaal[PP van Jan]
[PP over zichzelf]] was roerend.
De grammatikaliteit van deze zin kontrasteert met die van de
oppervlakkig gelijke zin *(20). Ter verklaring van het optreden van het
reflexivum in (33) is het noodzakelijk om aan te nemen dat het element
Jan in enig stadium het subjekt van de NP vormde, superieur aan het
reflexivum zichzelf (vgl. de synonieme zin (12) waar de
dieptestrukturele opstelling in stand gebleven is). Het element Jan moet
derhalve vanuit de positie van subjekt van de NP verplaatst zijn door middel
van de regel NP-postposing. Uiteraard moet dan de antecedentschapsrelatie
voorafgaande aan de toepassing van NP-postposing vastgesteld worden
7.
Passieve zinnen vormen eventueel een probleem voor een analyse
waarbij de antecedent-toekenning plaatsvindt op het niveau van de
dieptestruktuur. Onder een transformationele afleiding van passieve zinnen
wordt dan voorspeld dat een zin als (34) onwelgevormd is.
(34) ?Zij werden altijd door elkaar verdedigd.
Het reflexivum, dat op dieptestruktuurniveau de subjektspositie
inneemt, vindt immers geen antecedent, op grond waarvan de zin als onwelgevormd
wordt aangemerkt. Door de twijfelachtige status van (34) zijn hieruit geen
konklusies te trekken omtrent de juistheid van de toekenning van antecedenten
op het niveau van de dieptestruktuur. Een duidelijker aanwijzing lijkt een
volstrekt onwelgevormde zin als (35) te leveren. Een dergelijke zin wordt bij
een vaststelling van de bind-relaties in de dieptestruktuur namelijk als
welgevormd aangemerkt voor zover het het optreden van het reflexivum betreft,
aangezien het pronomen zij zich als subjekt in de dieptestruktuur in een
superieure positie bevindt ten opzichte van het reflexivum.
(35) *Elkaar werden altijd verdedigd door hen.
Het is echter niet onredelijk om te veronderstellen dat de
onwelgevormdheid van deze zin in verband gebracht moet worden met een ander
aspekt van de semantische interpretatie van zinnen. Men zou namelijk kunnen
zeggen dat er een algemeen geldende semantische regel is die het
oppervlaktestruktuur-subjekt van een zin interpreteert als
‘geïdentificeerd’
8. Vervolgens kan men veronderstellen dat een reflexivum in
verband met de noodzaak tot associatie met een antecedent in
| | | |
zijn geïsoleerdheid niet geïnterpreteerd kan worden
als iets dat reeds geïdentificeerd is. Op deze wijze zou de
onwelgevormdheid van (35) een verklaring kunnen krijgen die niet in strijd is
met het vaststellen van antecedentschapsrelaties op basis van de strukturele
verhoudingen in de dieptestruktuur.
Aangezien derhalve de antecedent-toekenning vooraf blijkt te
moeten gaan aan een aantal transformationele processen, en het niet gebleken is
dat de toekenning moet plaatsvinden ná de werking van enige andere
regel, gaan wij er van uit dat de toekenning van antecedenten aan reflexieve
pronomina geschiedt op basis van de dieptestrukturen.
De stelling dat er in de dieptestruktuur altijd een
superioriteitsrelatie bestaat tussen een reflexivum en zijn antecedent biedt de
mogelijkheid om tot bepaalde konklusies te komen ten aanzien van de analyse van
sommige konstruktietypen. Zo is er een interessante konsekwentie voor de
posities van de verschillende objekten in de dieptestruktuur
9. Laten we ons allereerst bezighouden met zinnen die zowel een
niet-omschreven indirekt objekt als een direkt objekt bevatten, in die
volgorde, aangezien dat de meest gebruikelijke is. We zien dan dat in het
direkt objekt een reflexivum kan optreden dat als antecedent het indirekt
objekt heeft (vgl. (36)).
(36) Ik heb die mensen [NP elkaars adres]
gegeven.
Hieruit kunnen we al direkt de konklusie trekken dat een
niet-omschreven indirekt objekt op het niveau van de dieptestruktuur niet bevat
is in een PP; een dergelijke PP zou immers de superioriteit van die
mensen ten opzichte van elkaar onmogelijk maken in (36).
Interessanter is dat het reflexivum ook het gehele direkt objekt
kan uitmaken, waarbij het indirekt objekt weer fungeert als antecedent, zoals
(37) tot (39) laten zien.
(37) Ik heb die mensen elkaar aanbevolen.
(38) Ik gun die mensen elkaar.
(39) Ik heb de toekomstige echtgenoten elkaar op het perron
aangewezen.
Uit de mogelijkheid van deze antecedentschapsrelaties moet
gekonkludeerd worden dat het niet-omschreven indirekt objekt superieur is aan
het direkt objekt. Dit nu impliceert dat deze konstituenten geen
zusterkonstituenten kunnen zijn, en dat het niet-omschreven indirekt objekt
zich in een ‘hoger’ gedeelte van de verbale konstituent moet
bevinden dan het direkt objekt, bijvoorbeeld op de wijze zoals door (40)
aangegeven in de termen van de basisregel-systematiek van Chomsky (1970).
(40)

Deze struktuur voorspelt dat het niet mogelijk is om een
reflexivum als (deel van | | | | een) niet-omschreven indirekt objekt te
hebben met als antecedent het direkt objekt, hetgeen bevestigd wordt door de
zinnen (41) en (42).
(41) *Ik heb elkaar die mensen aanbevolen.
(42) *Hij vertrouwt elkaars ouders die kinderen niet
toe.
Anders is het gesteld als we zinnen kiezen met een direkt objekt
en een omschreven indirekt objekt, in die (gebruikelijke) volgorde. Nu
kan een reflexivum als (deel van het) indirekt objekt wel degelijk het direkt
objekt als antecedent hebben, zoals (43) en (44) laten zien.
(43) Ik heb de echtgenoten [PP aan
elkaar] terug gegeven.
(44) Hij vertrouwt de kinderen [PP aan
elkaars ouders] toe.
Het indirekt objekt met prepositie gedraagt zich dus niet anders
dan prepositieobjekten in het algemeen (vgl. (17), (18), waarbij de PP het
reflexivum ‘laag genoeg’ doet zijn ten opzichte van de superieure
direkt objekts-NP. Vanzelfsprekend kan een reflexivum in het direkt objekt nu
geen antecedent hebben in het indirekt objekt, hetgeen (45) bevestigt
10.
(45) *Ik heb [NP elkaars adres] [PP
aan die mensen] gegeven.
We kunnen hieruit konkluderen dat ten aanzien van de mogelijkheden
voor antecedentschapsrelaties de volgende struktuur van de verbale konstituent
juiste voorspellingen zou doen.
(46)

Opmerkelijk van struktuur (46) is, dat het daarin geheel en al
onmogelijk is dat een bepaalde NP superieur is aan een andere en er zich
tegelijk rechts van bevindt; dit geldt ook als we hierbij de
inbeddingsmogelijkheden van NP's in de hier aangegeven NP's betrekken. Als we
zouden aannemen dat NP's ook zusterkonstituenten kunnen zijn in de
dieptestruktuur, dan zou het wel degelijk mogelijk zijn dat een NP tegelijk
superieur was aan een andere en daar rechts van stond. Deze mogelijkheid zou
ook worden geschapen door een konfiguratie waarin een NP een zusterkonstituent
van een PP was met de NP rechts van de PP; we zien dat ook dit niet voorkomt in
(46). Voor het feit dat een antecedent-NP zich althans in de dieptestruktuur
nooit rechts van zijn reflexivum bevindt, kunnen we nu derhalve, gegeven dat er
bij een dergelijke relatie superioriteit geëist moet worden van antecedent
ten opzichte van reflexivum, een principiële verklaring geven met een
struktuur als (46), waarin geen zuster NP's optreden en PP's alleen als
rechtse zusters van NP voorkomen.
Het valt nu ook in te zien dat een konditie op antecedentschap van
reflexiva waarbij alleen de lineaire eis ‘antecedent links van
reflexivum’ gesteld wordt
11, wezen- | | | | lijk zwakker
is dan de door ons gepostuleerde superioriteitseis. Weliswaar immers staan alle
superieure NP's links van de NP's ten opzichte waarvan de superioriteit geldt,
een NP links van een andere is zeker niet altijd superieur aan deze. Als
voorbeeld kunnen gelden de NP's in (47) en (48): het ‘antecedent’
is daar wel links van het reflexivum, maar niet superieur eraan.
(47) *Ik sprak [PP met mijn ouders]
[PP over elkaar]
(48) *Ik vergeleek [NP hun jeugdwerken]
[PP met elkaar]
Deze zinnen zijn dan ook niet verklaarbaar voor een analyse
waarbij alleen de lineaire eis gesteld wordt
12. De
superioriteitseis is wel sterk genoeg om deze reflexivum-antecedent-relaties
uit te sluiten.
| |
4.
Om de antecedenttoekennings-regel nu korrekt te laten werken
moeten uiteraard wel de algemene kondities op de toepassing van regels in acht
genomen worden. Dit betekent dat niet alle NP's die superieur zijn aan een
reflexivum ook werkelijk in aanmerking komen voor het antecedentschap. Van
Chomsky's kondities op de toepassing van regels zijn relevant de ‘tensed
S-konditie’ en de ‘gespecificeerd subjekt-konditie’ (Chomsky
(1973: 253)). Zo is in zin (49) het element hij superieur aan
zichzelf, en in zin (50) het element zij aan het reciproke
element elkaar; doordat de reflexiva zich bevinden in een ‘tensed
S’ wordt de relatie van antecedentschap echter toch niet gelegd, hetgeen
in overeenstemming met de interpretatie van deze zin is.
(49) *Hij meende [S dat zichzelf ziek was]
(50) *Zij beweerden [ dat elkaars humeur slecht was]
Merk op dat, als de interpretatieregel waarover in verband met
(35) is gesproken geldigheid heeft, er bij de zinnen (49) en (50) een dubbele
schending in het geding is, aangezien ook hier dan ten onrechte een reflexivum
in het oppervlaktestruktuur-subjekt van een zin zou optreden.
De ‘gespecificeerd subjekt-konditie’ treedt in werking
bij het leggen van de antecedentschapsrelaties in (51).
(51) *Jan kocht [NP mijn boek over zichzelf]
Het element Jan is superieur ten opzichte van de reflexieve
NP, maar kan toch niet als antecedent daarvan aangemerkt worden doordat het
reflexivum deel uit maakt van een reeks die een zgn. ‘gespecificeerd
subjekt’ heeft: mijn is het gespecificeerde, want lexikaal
aanwezige, subjekt van de reeks boek over zichzelf. En inderdaad kan
deze zin niet geïnterpreteerd worden met een antecedentschapsrelatie
tussen Jan en zichzelf. Het element mijn, dat zelf ook
superieur is ten opzichte van het reflexivum, komt wel in aanmerking om als
antecedent aangewezen te worden; door de inkongruentie van de grammatische
persoon kan het deze functie echter ook niet vervullen, op grond waarvan de zin
als onwelgevormd moet worden aangemerkt.
Ook bij het kiezen van het antecedent van het reflexivum in (52)
moet de gespecificeerd subjekt-konditie een bepaalde antecedentschapsrelatie
voorkomen: hier | | | | mag nl. het reflexivum niet gebonden worden door de
konstituent wij, gezien de interpretatie van deze zin.
(52) Wij zagen de kinderen elkaar nadoen.
Het feit dat (52) wel geïnterpreteerd kan worden met de
kinderen als antecedent van elkaar impliceert onder onze analyse dat
de kinderen superieur is aan elkaar, en dus dat elkaar in
de dieptestruktuur van (52) bevat is in minstens één
hoofdkategorie die niet ook de NP de kinderen bevat. Dit is in
overeenstemming met een analyse van (52) waarin de kinderen in de
dieptestruktuur aangemerkt kan worden als subjekt van de reeks elkaar
nadoen (vgl. bijv. Evers (1975: 4)). Precies door dit aspekt van de analyse
nu wordt het mogelijk te voorkomen dat er een antecedentschapsrelatie wordt
gelegd tussen het reflexivum en het subjekt van de matrix-zin, wij,
hoewel dit zich in een superieure positie bevindt ten opzichte van het
reflexivum. Het reflexivum maakt immers deel uit van de reeks elkaar
nadoen die een gespecificeerd subjekt heef, de kinderen, waardoor de
gespecificeerd subjekt-konditie de relatie tussen elkaar en het meer
‘externe’ element wij kan voorkomen. Voor de interpretatie
van (52) is dit juist wat noodzakelijk is.
In deze gevallen was er meer dan één element
superieur aan het reflexivum, en bewerkten algemene kondities op
regeltoepassing een reduktie tot één of zelfs geen enkel mogelijk
antecedent. Het komt echter ook voor dat er ambiguïteit blijft bestaan ten
aanzien van het te kiezen antecedent, in gevallen namelijk waar de kondities
geen betrekking hebben op de aanwezige strukturele verhoudingen. Zo zou een
reflexivum intern in een NP of een PP die zich in de VP bevindt, zowel het
direkt objekt als het subjekt van die konstruktie als antecedent kunnen hebben,
daar deze posities beide superieur zijn aan een dergelijk reflexivum en er geen
beperkende algemene kondities van toepassing zijn. Dat een dergelijke
ambiguïteit er ook inderdaad moet zijn, blijkt uit de zinnen (53) tot
(55), waar twee verschillende konstituenten, beide gekursiveerd, als
antecendent van het reflexivum geinterpreteerd kunnen worden.
(53) Jan en Marie stelden de gasten [PP
aan elkaar] voor.
(54) Opvoeders beschermen kinderen [PP
tegen elkaar]
(55) De onderwijzers gaven de leerlingen
[NP elkaars adres]
Vanzelfsprekend echter heeft ieder reflexivum slechts
één antecedent tegelijk; in (53) tot (55) zijn er twee
mogelijke antecedenten. Dit betekent dat we voor het kiezen van een
antecedent bij een reflexivum inderdaad geen specifiekere aanwijzingen kunnen
geven dan de superioriteitsvoorwaarde al inhoudt, gekombinieerd met algemene
beperkingen op de toepassing van regels: het is kennelijk niet zo dat de
‘dichtstbijzijnde’ superieure NP gekozen moet worden.
Het moet overigens wel kunnen gebeuren dat een NP fungeert als
antecedent voor meer dan één reflexivum tegelijk; dat is
bijvoorbeeld heel duidelijk het geval in de zinnen (56) en (57).
(56) en (57)

De interpretatieregel die de antecedenttoekenning verzorgt moet
kennelijk voor | | | | iedere als [+refl] gekenmerkte NP afzonderlijk
werken. We zouden de regel als volgt in woorden kunnen formuleren.
(58)

Er is voorts een welgevormdheidskonditie nodig die, voor het geval
een als [+refl] gekenmerkte NP geen enkele NP als antecedent toegewezen kan
krijgen, inhoudt dat zo'n NP een zin onwelgevormd maakt.
Als de antecedentschaprelaties zijn vastgesteld, kunnen andere
interpretatieregels werken, zoals regels die de reflexieve en reciproke
relaties inhoudelijk beschrijven, en dus reflexieve elementen onderscheiden van
reciproke elementen.
| |
5.
De superioriteitskonditie op de relatie tussen een reflexivum en
zijn antecedent leidt tot een specifieke interpretatie van zinnen in termen van
de theoretische notie antecedentschap die onze analyse doet verschillen van
andere voorstellen. Wij kunnen dit duidelijk maken aan de hand van zinnen
waarin het reflexivum geen superieur antecedent lijkt te hebben, zoals (59) en
(60).
(59) [NP Het vertrouwen in elkaar] maakte het
leven gemakkelijk.
(60) [NP Die uitspraken over zichzelf] hebben
hem een slechte naam bezorgd.
Fiengo wijst in deze zinnen (Fiengo (1974)) als antecedent van de
reflexiva de elementen hun respektievelijk hem aan. Als
stfukturele konditie op de relatie tussen reflexieve elementen en hun
antecedent stelt hij om deze zinnen te verantwoorden dan het volgende voor:
ofwel het antecedent gaat vooraf aan het reflexivum, ofwel het antecedent
kommandeert het reflexivum asymmetrisch (in Jackendoffs uitgebreide zin van
kommanderen). In de zinnen (59) en (60) kommandeert de als antecedent
aangewezen konstituent het reflexivum inderdaad asymmetrisch: hem
kommandeert zichzelf in (60), terwijl het omgekeerde niet het geval is,
immers zichzelf is bevat in een NP die niet het antecedent bevat.
De onjuistheid van Fiengo's benadering komt aan het licht, als we
deze zinnen zodanig modificeren dat het vermeende antecedent het reflexivum
niet meer kommandeert, waarvoor de zinnen (61) en (62) dienst kunnen doen.
(61) [NP Het vertrouwen in elkaar] maakte
[S dat zij de toekomst niet somber zagen.]
(62) [NP Die uitspraken over zichzelf] hadden
tot gevolg [S dat er een artikel verscheen [S waarin
hij belachelijk werd gemaakt.]]
Het opmerkelijke is dat de grammatikaliteit van de zinnen in stand
blijft, hoewel er onder Fiengo's analyse geen antecedent aanwezig zou zijn dat
aan de strukturele voorwaarden voldoet. In (62) lijkt het zo te zijn dat het
antecedent onbeperkt ‘laag’ kan staan, geheel in strijd met alle
voorgestelde kondities op antecedentschapsrelaties in verband met reflexieve
pronomina.
De oplossing kan gevonden worden door in deze zinnen het
antecedent elders te | | | | zoeken en het gekursiveerde element niet als
zodanig te beschouwen. Wij stellen voor dat in deze gevallen als antecedent
wordt aangemerkt een subjekts-NP die deel uitmaakt van de determinator van de
nominale konstituent die het reflexivum bevat, op dezelfde wijze als wordt
aangenomen voor een NP als Wims uitspraken over zichzelf. Het is
duidelijk dat deze subjekts-NP in (59) - (62) geen lexikaal materiaal
domineert: we duiden hem aan als Δ, het dummy-element. Bij deze analyse
van (59) - (62) is voorondersteld dat er in de determinator van een NP plaats
is voor een lidwoord, ook als deze een fonologisch ongespecificeerd subjekt
bevat
13.
Een mogelijkheid hiertoe biedt een voorstel in Chomsky (1970) in verband met de
regel NP-postposing, dat inhoudt dat de determinator geëxpandeerd wordt
tot een komplex symbool waarin de kenmerken van NP geassocieerd zijn met het
kenmerk [±def] van het lidwoord. Als de NP geëxtraheerd wordt door
de transformatie NP-postposing treedt er een mechanisme in werking dat het
kenmerk [±def] ‘uitspelt’. Met een kleine uitbreiding is dit
voorstel bruikbaar voor de analyse van (59)-(62): het uitspel-mechanisme dient
niet alleen in werking te treden als er een NP geëxtraheerd is, maar ook
als er een NP aanwezig is die fonologisch ongespecificeerd is
14.
Het Δ-element in (59) en (60) kan nu als antecedent gaan
optreden van de reflexiva in deze zinnen, op de wijze zoals aangegeven in (63)
en (64).
(63) [NP[DET[t+def], [NPΔ]]
vertrouwen in elkaar] maakte hun het leven gemakkelijk.
(64) [NP[DET[+def], [NPΔ]]
uitspraken over zichzelf] hebben een hem een slechte naam bezorgd.
Inderdaad moet in een NP als het vertrouwen in elkaar het
reflexivum altijd geassocieerd worden met de persoon in wie het vertrouwen
leeft, van wie het vertrouwen uitgaat, dat wil zeggen, met het
‘subjekt’ van deze konstituent.
Nu wij het Δ-element, en niet hun
respektievelijk hem als antecedent van het reflexivum beschouwen, blijkt
aan de strukturele konditie op de normale wijze voldaan te zijn, aangezien dit
element als subjekt superieur is aan het reflexivum, zoals al opgemerkt in
verband met struktuur (15)
15.
Ten aanzien van de relatie tussen het reflexivum en hun
respektievelijk hem in (59) en (60) kunnen wij nu het volgende zeggen.
De status van de Δ-subjekten in (63) en (64) is dezelfde als
die van de Δ-subjekten die in een interpretatieve analyse
van tense-loze S' en (vgl. Jackendoff (l972: 178-228)) gepostuleerd worden. Wij
stellen ons op het standpunt dat de interpretatie van dergelijke subjekten in
principe ‘vrij’ is, zoals bijvoorbeeld het geval is in (65) en
(66), waar een anaforische relatie tussen het Δ-subjekt en
het element hij respektievelijk hem mogelijk maar in het geheel
niet noodzakelijk is.
(65) Hij keurt [NP die Δ uitspraken
over z'n moeder] nu af.
(66) [S Δ Praten] vermoeit hem.
Op analoge wijze kan er een anaforische relatie gelegd worden
tussen de gekursiveerde elementen hun en hem in (59) en (60) en
de Δ-subjekten. Aangezien een dergelijke relatie zoals gezegd niet
verplicht is, krijgen we nu de indruk dat de vermeende antecedenten hun
en hem in feite in het geheel niet aanwezig behoeven te zijn (of, wat op
hetzelfde neerkomt, geen anaforische relatie behoeven te onderhouden met de
Δ-subjekten). Dat dit inderdaad het geval is blijkt uit (67)
en (68). | | | |
(67) [NP Het Δ vertrouwen in
elkaar] was zeer groot.
(68) [NP Die Δ uitspraken over
zichzelf] hebben de artsenstand veel schade toegebracht.
Onze konklusie is derhalve dat de relatie zoals aangegeven in (59)
en (60) niet alleen geen antecedentschapsrelatie, maar bovendien in het geheel
geen verplichte relatie is; grammatisch gezien is deze relatie een
toevallige.
Nu is soms door de invloed van een bepaalde omgeving de
interpretatie van een Δ-subjekt toch beslist niet vrij,
zoals bijvoorbeeld het geval is in de zinnen (69) en (70), waar het Δ-element door het gekursiveerde element ‘gekontroleerd’
wordt.
(69) Hij deed [NP een Δ
kernachtige uitspraak over z'n moeder.]
(70) Ik raadde hem aan [S Δ
te verdwijnen.]
Als wij nu in een zin als (70) met een gekontroleerd Δ-subjekt, in de ingebedde zin een reflexivum plaatsen, vgl. (71),
dan zijn er derhalve twee verplichte relaties te onderscheiden: een
antecedentschapsrelatie en een kontrolerelatie.
(71)

Indirekt moet nu inderdaad het reflexivum zichzelf
geassocieerd worden met hem, in tegenstelling tot een zin als (60). Toch
kan niet gezegd worden dat hem het antecedent is van zichzelf.
Weliswaar lijkt hier hem zonder moeilijkheden ook als antecedent
aangewezen te kunnen worden, maar dit gaat niet meer op in een geval als (72),
waar hem niet superieur is aan zich, terwijl er toch evenzeer een
verplichte anaforische relatie bestaat tussen deze elementen.
(72) [S Δ zich te beschermen]
was ons advies aan hem.
De konklusie moet hier zijn dat de verplichte relatie tussen
hem en zich optreedt ten gevolge van de kombinatie van een
bepaalde antecedentrelatie en een bepaalde kontrolerelatie, in overeenstemming
met het algemeen gangbare idee dat anaforische relaties
‘doorgerekend’ kunnen worden, dat wil zeggen, transitief zijn in de
logische zin van het woord.
De verschillende voorgestelde kondities op
antecedentschapsrelaties blijken derhalve samen te hangen met specifieke
interpretaties van zekere anaforische verschijnselen in zinnen in termen van
theoretische noties als antecedentschap, kontrole en vrije anafora. Zo brengt
de superioriteitsvoorwaarde met zich mee dat een verplichte relatie als tussen
zich en hem in (72) geen antecedentschapsrelatie is.
Aan de hand van het logische begrip transitiviteit kan nog een
interessante konklusie getrokken worden ten aanzien van de specifieke aard van
antecedentschapsrelaties ten opzichte van andersoortige anaforische relaties.
Ten aanzien van (72) stelden wij dat er een verplichte anaforische relatie
bestond tussen zich en hem, door de kombinatie van twee
onafhankelijke relaties. Nu kan men zich afvragen of antecedentschapsrelaties
wellicht ook op een dergelijke wijze ‘doorgerekend’ kunnen worden
en dus transitief zijn.
Bekijken wij hiertoe zinnen met twee antecedentschapsrelaties, die
eventueel tot een derde aanleiding zouden kunnen geven als de
antecedentschapsrelatie transitief was. Als voorbeeld kan (73) dienen. | | | |
(73)
Jan en Marie hoorden zichzelf elkaars fouten opnoemen.
In deze zin bestaat een antecedentschapsrelatie tussen Jan en
Marie en zichzelf en tussen zichzelf en elkaar; een
antecedentschapsrelatie tussen Jan en Marie en elkaar wordt,
zoals in 4. uiteengezet, verhinderd door de gespecificeerd subjekt-konditie.
Als de antecedentschapsrelatie hu transitief zou zijn, zou deze relatie echter
wel op een indirekte wijze tot stand kunnen komen, en wel door doorrekening van
de twee andere antecedentschapsrelaties. Het feit dat naast zichzelf nu
ook Jan en Marie het antecedent is van elkaar lijkt, voor wat
betreft de betekenis van (73) althans, geen moeilijkheden op te leveren, in die
zin dat volgens beide antecedentrelaties Jan de fouten van Marie
opnoemt en Marie die van Jan. Aan de hand van een zin als (74)
kan echter aangetoond worden dat een dergelijke toekenning van afgeleide
antecedentschapsrelaties niet toegestaan mag worden.
(74) Jan en Marie hoorden elkaar elkaars fouten
opnoemen.
Volgens de op de normale wijze toegekende antecedentschapsrelaties
tussen het subjekt Jan en Marie en het reflexivum elkaar en
tussen dat reflexivum en de possessieve NP elkaar worden de fouten van
de een door de ander opgesomd, net zoals het geval was in (73). Een volledige
parafrase van (74) is namelijk (75).
(75)
Jan hoort Marie Jans fouten opnoemen;
en: Marie hoort Jan Maries fouten opnoemen.
Als nu uit deze twee antecedentschapsrelaties in (74) een derde
afgeleid zou worden tussen het subjekt Jan en Marie en het possessieve
elkaar, moet in de semantische interpretatie van deze zin opgenomen
worden dat Jan Maries fouten hoort opnoemen en Marie Jans fouten hoort
opnoemen, hetgeen gegeven de antecedentschapsrelatie tussen Jan en Marie
en elkaar zou impliceren dat Jan en Marie hun eigen fouten
opsommen; (76) zou dan ook een parafrase van (74) moeten zijn.
(76)
Jan hoort Marie Maries fouten opnoemen;
en: Marie hoort Jan Jans fouten opnoemen.
Het is duidelijk dat de twee parafrases en (75) en (76)
onverenigbaar zijn, en dat bovendien van deze twee alleen (75) de betekenis van
(74) juist weergeeft. Hieruit konkluderen wij dat er wel enigerlei anaforische
relatie aanwezig geacht kan worden tussen het subjekt Jan en Marie en
het possessieve elkaar op grond van de twee antecedentschapsrelaties in
(74), maar dat dit geen antecedentschapsrelatie kan zijn.
Antecedentschapsrelaties moeten kennelijk niet afgeleid worden uit twee andere,
‘aansluitende’ antecedentschapsrelaties; met andere woorden, wij
hebben hier kennelijk niet te doen met een transitieve relatie. De relatie
tussen een reflexivum en zijn antecedent verschilt hierin van andersoortige
anaforische relaties, hetgeen er op wijst dat voor de verklaring van de
distributie van reflexieve reciproke pronomina niet volstaan kan worden met het
specificeren van een anaforische relatie tussen het reflexivum en enigerlei
andere NP, zoals gebeurt in
Jackendoff (1972) en
Wasow (1972), waar de notie antecedentschapsrelatie in
essentie teruggevoerd wordt op de notie anaforische relatie. Weliswaar zou men
kunnen stellen dat een antecedentschapsrelatie in het algemeen vergezeld gaat
van een anaforische relatie, maar de regels door middel waarvan deze relaties
toegekend | | | | worden moeten als essentieel verschillend van aard
beschouwd worden. Het verschil dat er bestaat tussen antecedentschapsrelaties
en andere anaforische relaties ten aanzien van een verschijnsel als
transitiviteit kan dan verklaard worden, terwijl bovendien als strukturele
konditie op de relatie tussen een reflexief of reciprook pronomen en zijn
antecedent de konditie gehandhaafd kan blijven dat het antecedent in de
dieptestruktuur superieur is aan het reflexivum.
| | | | | |
Bibliografie.
| Blom, A. & S. Daalder (1975), ‘Een analyse van de
pseudocleft-konstruktie’. Ongep. |
| Bresnan, J.W. (1975), ‘On the form and functioning of
transformations’, te verschijnen in Linguistic Inquiry. |
| Chomsky, N. (1970), ‘Remarks on
nominalization’, in: Readings in English transformational grammar,
R.A. Jacobs & P.S. Rosenbaum (eds), Waltham, Mass. 184-221. |
| Chomsky, N. (1973), ‘Conditions on
transformations’, in: A Festschrift for Morris Halle, S.R.
Anderson & P. Kiparsky (eds), New York etc. 232-286. |
| Evers, A. (1975), The transformational cycle in Dutch
and German, z.pl., z. j. Diss. Utrecht (1975). |
| Fiengo, R.W. (1974), ‘Semantic conditions on surface
structure’. Ph. D. Diss. MIT. |
| Fiengo, R. & H. Lasnik (1972/73), ‘The logical
structure of reciprocal sentences in English’, in: Foundations of
Language 9, 447-468. |
| Helke, M. (1973), ‘On reflexives in English’,
in: Linguistics 106, 5-23. |
| Jackendoff, R.S. (1972), Semantic interpretation in
generative grammar. Cambridge, Mass. |
| Jackendoff, R.S. (1973), ‘The base rules for
prepositional phrases’, in: A Festschrift for Morris Halle, S.R.
Anderson & P. Kiparsky (eds), New York etc. 345-356. |
| Langacker, R. (1969), ‘Pronominalization and the
chain of command’, in: Modern studies in English, D. Reibel &
S. Schane (eds), Englewood Cliffs. 160-186. |
| Riemsdijk, H. van (1975), ‘Extraction from PP and the
cycle’. Ongep. |
| Wasow, T. (1972), ‘Anaphoric relations in
English’. Ph. D. Diss. MIT. |
|
*Dit artikel is de omwerking van een
lezing, gehouden 25 januari 1975 in Amsterdam op de Taaldag van de Algemene
Vereniging voor Taalwetenschap; het onderzoek ervoor werd verricht in het kader
van ZWO-projekt 30-15, ‘Deelgrammatika van het
Nederlands’.
1De uitbreiding die door
Chomsky aan dit begrip gegeven wordt (1963: 246,
noot 27), heeft alleen betrekking op het transformationele proces van
each-movement, en is voor ons dus niet relevant.
2Bij Chomsky vallen onder het begrip
‘major category’ de lexikale kategorieën (dat zijn bij hem N,
V en A) alsmede de kategorieën ‘that dominate them’ (1973:246,
noot 27). Dit laatste moeten we als volgt interpreteren in het licht van het
systeem van basisregels dat de uitwerking vormt van de lexi-kalistische
hypothese van Chomsky (1970): hoofdkategorieën zijn die kategorieën
in deexpansieregel waarvan een hoofdkategorie het kern-element is. Zo is N̄ een hoofdkategorie doordat het kernelement in de expansie
ervan, N, als lexikale kategorie een hoofdkategorie is; op dezelfde wijze V̄ en Ā. Vervolgens zijn dan ook N̿, V̿, en A̿
hoofdkategorieën; en zo verder. De hoofdkategorieën worden
derhalve gedefinieerd op grond van de gepostuleerde basisregels. In afwijking
van Chomsky's definitie beschouwen wij ook de kategorieën P, P̄ en P̿ als hoofdkategorieën, aangezien er
redenen zijn om hier een soortgelijke opbouw van de basisregels aan te nemen
(vgl.
Jackendoff (1973),
Bresnan (1975) en
Van Riemsdijk (1975)).
3Vgl. de detaillering die struktuur (46)
hierna op dit punt aanbrengt.
4Struktuur (15) is uiteraard een hybride.
Het door elkaar gebruiken van N̿ en NP dient om de
bekende terminologie zoveel mogelijk te handhaven.
5Het probleem dat Paardekooper in TABU 4
(1973/74), 31, signaleerde ten aanzien van de zinnen (ii) en (iii), kan in ons
kader dus zonder meer worden opgelost. (ii) *Het plan van zichzelf leek
hem het beste. (iii) Het plan van zichzelf vond hij het beste. Bij
(iii) dient bedacht te worden dat hij als subjekt in de dieptestruktuur
superieur is aan het reflexivum. (De verklaring voor de grammatikaliteit
van (i) (i) Die afkeer van zichzelf speelt hem al weken parten geven wij
in 5. hierna.)
6Onverklaard blijft in dit verband de
onwelgevormdheid van de aan (31) parallelle zin * Deze mensen zijn
elkaar. Hiervoor is eerder een verklaring te vinden op basis van de
‘inhoud’ van reciproke relaties (vgl. Fiengo & Lasnik
(1972/73)).
7Merk op dat onder deze analyse de
verklaring voor de zinnen (21)b en (22)b wordt teruggebracht tot die voor resp.
(21)a en (22)a. Voor de mogelijkheden van superioriteitsrelaties maakt dit
echter geen verschil. Hetzelfde geldt voor de zinnen (ii) en (iii) uit noot 5:
deze worden verklaard vanuit de respektieve dieptestrukturen
[ S[ NP[ Det[ NPzichze lf]]plan] hem
het beste leek], en [ Shij
[ VP[ NP[ Det[ NPzichzelf]]plan] het
beste vond]]. Ook hier maakt dit geen verschil voor de
superioriteitsrelaties.
8Ter verduidelijking van deze regel van
semantische interpretatie kan de volgende toepassing ervan dienen. Alle
definiete NP's moeten beschouwd worden als ‘geïdentificeerd’.
Indefiniete NP's hebben eveneens de mogelijkheid om zo geïnterpreteerd te
worden, maar lenen zich in principe ook voor een andere interpretatie. Deze
dubbele interpretatiemogelijkheid van NP's blijkt in de volgende zinnen.
(i) Hij heeft een titel weggelaten. (ii) Er ontbreekt een titel. Er
is steeds een lezing waarin sprake is van een reeds geïdentificeerde
titel, en een lezing waarin de titel niet wordt gepresenteerd als reeds
geïdentificeerd, maar waarin deze juist geïntroduceerd wordt.
Opvallend is nu, dat zin (iii) uitsluitend geïnterpreteerd kan worden met
een reeds geïdentificeerde titel. (iii) Een titel ontbreekt De
inperking van de interpretatiemogelijkheden van de indefiniete NP in deze zin
nu kan toegeschreven worden aan de betreffende interpretatieregel, die aan
subjekten van zinnen de lezing ‘geidentificeerd’ toekent. Merk op
dat deze regel van toepassing geacht moet worden op oppervlakte-strukturen;
indien een indefiniete NP door er-insertie niet meer in de
subjektspositie staat (vgl. (ii)), dan is de ambiguïteit wel
aanwezig.
9In de nu volgende argumentatie wordt geen
aandacht geschonken aan de mogelijkheid van dative-movement. Indien deze regel
beargumenteerd zou kunnen worden, zou antecedenttoekenning steeds plaats moeten
vinden ná dative-movement, en voor dat stadium zou struktuur (46) dan
beargumenteerd zijn. Er zijn echter vooralsnog geen redenen om hiertoe over te
gaan.
10In alle gevallen van een omschreven
indirekt objekt kan men - enigszins geforceerd - de prepositie laten vallen
(waarbij uiteraard de volgorde d.o. - i.o. dient te blijven, om geen verwarring
te krijgen met het niet-omschreven indirekt objekt), zonder dat de
superioriteitsrelaties zich schijnen te wijzigen, want de grammatikaliteit
verandert niet. Dit houdt in dat ook in die gevallen de prepositie in de
dieptestruktuur aanwezig moeten worden geacht (vgl. (i)). (i)*Ik heb
elkaars adres [ PP Δ die mensen]
gegeven.
11Fiengo (1974) en Fiengo
&
Lasnik (1972/73) stellen deze eis dat het antecedent
zich links van het reflexivum bevindt (overigens voor oppervlaktestrukturen;
dit zou eventueel samen kunnen hangen met een verschil tussen het Engels en het
Nederlands voor wat betreft topikalisatiemogelijkheden). De gevallen waarin
Fiengo een antecedent ter rechterzijde aanneemt, kunnen geherinterpreteerd
worden, zoals in 5. wordt gedemonstreerd.
12Fiengo vult deze eis dan ook aan met het
A-boven-A-principe. Er is echter bezwaar tegen om dit principe toe te passen
voor interpretatieregels (vgl. Bresnan (1975)). De superioriteitseis maakt het
overbodig om het A-boven-A-principe te hulp te roepen.
13Behalve lidwoorden kunnen in deze positie
ook woorden optreden als die, deze, alle, welke, beide, sommige.
14Een andere mogelijkheid is dat lidwoord
en subjekts-NP als afzonderlijke kategorieën onder DET gegenereerd worden.
Het is dan noodzakelijk een oppervlakte-filter te formuleren door middel
waarvan zinnen die een DET bevatten waarin een lidwoord en een fonologisch
gespecificeerd subjekt gekombineerd voorkomen, als onwelgevormd worden
aangemerkt.
15Met dit voorstel is de verklaring gegeven
van het optreden van het reflexivum in zin (i) van noot 5. Ook hier kan het
reflexivum immers gebonden worden door een in de determinator gegeneerd
Δ-subjekt. Het voorstel lijkt tevens een
verklaringsmogelijkheid te bieden voor het optreden van het reflexivum in (33),
en wel een andere dan in 3. is voorgesteld. Men kan namelijk stellen dat ook in
deze zin een Δ-subjekt als antecedent fungeert van het
reflexivum, zoals in (i) is aangegeven, en niet de NP Jan zoals in 3. is
betoogd. (i) [ NPHet Δ verhaal van Jan over
zichzelf] was roerend. Weliswaar is dan aan de strukturele konditie
op de relatie tussen een reflexivum en zijn antecedent voldaan, maar nu wordt
de verplichte a naforische relatie tussen de NP Jan en het reflexivum
een onverklaarbaar feit. Het is namelijk niet mogelijk deze relatie als een
afgeleide te zien van de antecedentschapsrelatie tussen het Δ-subjekt en het reflexivum en enigerlei verplichte anaforische
relatie tussen dat Δ-subjekt en de NP Jan, aangezien
de interpretatie van Δ-subjekten in het algemeen vrij is, en
slechts in bijzondere gevallen beïnvloed wordt door een bepaalde NP. Dat
er in NP's met het nomen verhaal als hoofd in het algemeen geen
verplichte relatie bestaat tussen het Δ-subjekt en een NP in
de prepositiekonstituent kan aangetoond worden aan de hand van (ii), waarin
Jan niet noodzakelijkerwijs als ‘subjekt’ van verhaal
aangemerkt hoeft te worden. (ii) [ NPHet verhaal van Jan] wil ik
niet nog eens vertellen. De argumentatie in 3. voor een afleiding door
middel van NP-postposing van zinnen als (33) wordt derhalve door het
introduceren van Δ-subjekten niet aangetast.
|
|