terug  begin  verderprepost
[p. 11]

Deel I Reynaerts listige wegen



illustratie

[p. 13]

Van den vos Reynaerde

Het verhaal

‘Het was in eenen tsinxen daghe.’ Het is lente en er is groen alom. Koning Nobel de leeuw houdt hofdag en alle dieren zijn present ... op uitzondering van Reynaert, die zich al te schuldig voelt. Het regent klachten tegen de vos en vooral Isegrim de wolf uit zware beschuldigingen. De rosse schurk heeft zijn vrouw ‘verhoert’ en zijn kinderen stekeblind gepist. Ware al het laken van Gent bijeengegaard, zo schreeuwt de wolf, dan nog zou men alle misdrijven van Reynaert er niet kunnen opschrijven.

Na Isegrim springt het Franssprekende hondje Courtois in de ring. Tijdens een koude winter heeft de vos hem een worst ontstolen. Tibeert de kater komt tussen en verklaart de worst ontvreemd te hebben van een slapende molenaar. Pancer de bever maakt een eind aan dit pietluttig heen en weer gekibbel van kat en hond en komt met recente en veel ergere feiten aandraven. Gisteren nog belette hij Reynaert Cuwaert de hals af te bijten. Reynaert had de haas beloofd hem het credo te leren en hem kapelaan te maken, en daarom had hij zijn slachtoffer vast tussen zijn benen genomen. En meteen laat Paneer de nog verse wonden zien.

De koning is verontwaardigd en besluit al deze misdrijven te vergelden. Maar nu springt Grimbeert de das op, een neef van Reynaert, en hij tracht de beschuldigingen te ontkrachten. Isegrim is zelf een schurk en berokkende Reynaert heel wat leed. En wat Hersinde betreft, nu ja, zij bemint Reynaert al lang. Wat kan men daar nu nog over zeggen? Wat kat en hond klagen, is van generlei waarde: gestolen goed gedijt niet. En wie leraar is, kan de roede niet missen; flauwekul dus wat Pancer vertelt. Integendeel, zo beweert de das, Reynaert is tegenwoordig een eerlijk man. Kluizenaar is hij, vastend en biddend, bleek en mager.

Maar terwijl de das Reynaert vlijtig klaart van alle smet, komt in de verte een treurige stoet aan. De luid jammerende Cantecleer en zijn resterende kinderen stappen weekla-

[p. 14]

gend, met een baar waarop de dode kip Coppe ligt, tot voor de koning. De haan vertelt zijn tragisch verhaal. Hoe hij eertijds de fiere vader was van wel vijftien kinderen, hem geschonken door de welwillende Roede. En hoe zij rustig scharrelden in een ommuurde tuin, die bewaakt werd door honden, zodat de rondsluipende vos geen schijn van kans kreeg. Op een dag echter kwam de vos als heremiet gekleed voor de poort en hij bracht een vredesbrief van de koning. Die had een algemene vrede afgekondigd. Volgens de geestelijke moest er dus voortaan voor niets meer gevreesd worden; hij vulde zijn dagen met het lezen van de getijden en leefde alleen nog voor zijn zieleheil. Vreugdevol begaf Cantecleer zich met zijn kroost buiten de muren en meteen was het gebeurd: de eerste kip ging eraan. Vanaf dat moment stond er geen rem meer op de vraatzucht van de rosse schurk. Gisteren vermoordde hij Coppe, wier lichaam door de honden aan zijn gulzige muil werd onttrokken. Slechts vier kinderen zijn hem vandaag gebleven. Met groot misbaar vraagt Cantecleer om vergelding. Grimmig wijst Nobel de das terecht en belooft een staatsbegrafenis voor de dode kip. Na een plechtige lijkdienst wordt ze begraven onder een linde.

Wat zal men nu doen om Reynaert te bestraffen? Na beraad besluiten Nobel en zijn baronnen om de vos onverwijld te dagen. Wie is beter geschikt voor een dergelijke opdracht dan Bruun de beer! Zeker van zijn stuk trekt deze koene ridder door bos en veld naar Malpertuus, waar hij tegen de middag aankomt. Onmiddellijk begint hij de vos uitdagend te manen en vraagt hem om op staande voet mee naar het hof te gaan. Reynaert ligt in zijn poortgebouw te zonnen, trekt zijn hol binnen en bedenkt hoe hij Bruun naar de andere wereld kan helpen. Eindelijk begroet hij de beer, maar deelt hem mede dat hij te ziek is om naar het hof te gaan. Hij is misselijk van de vele honing die hij gelikt heeft bij gebrek aan ander voedsel. Het woord ‘honing’ mist zijn effect niet en Bruun laat zijn onblusbare lust naar deze zoetigheid duidelijk blijken. Goed, Reynaert zal er hem ooit wel eens wat bezorgen. De beer echter wil onmiddellijk genot en belooft Reynaert aan het hof te zullen verdedigen in ruil voor een honingfestijn. Reynaert gaat Bruun voor op weg naar het erf van Lamfreit de timmerman. Daar ligt een gespleten eik en hierin moet de beer zijn kop steken om met volle teugen te kunnen slurpen van de honing. Maar pas heeft Bruun zijn poten en zijn kop in de eik gestoken of Reynaert trekt de wiggen weg en meteen zit de domme beer klemvast, hoe hij ook rukt en wringt. Bruun trekt de aandacht van de timmerman, die meteen het hele dorp optrommelt. Jong en oud komt aan-

[p. 15]

gesneld, de pastoor met zijn ‘wijf’ Julocke op kop. De beer wordt ongenadig afgeranseld. In een laatste krachtsinspanning werpt de beer een hoop vrouwen in de nabij stromende rivier. Julocke, de pastoorsvrouw, is één van hen en de pastoor krijt zich een ongeluk. Hij belooft aflaten aan wie zijn vrouw kan redden. De aandacht is daardoor afgeleid en Bruun laat zich, zwart van de pijn, met de stroming meedrijven. Krachteloos en ellendig kruipt hij aan wal en valt zieltogend neer in het zand. Intussen heeft Reynaert Lamfreit een kip armer gemaakt. Het warme weer lokt hem naar de rivier waar hij de halfdode beer ziet liggen. Na grove verwensingen aan Lamfreit, die verzuimd heeft de beer af te maken, begint Reynaert Bruun te bespotten. In welke orde dient hij? Men heeft zijn kruin al te nauw afgeschoren. Radeloos laat de beer zich weer in het water glijden om even verder zijn pijnlijke tocht over land op zijn achterste verder te zetten.

Tibeert wordt de tweede koningsbode. Zeer tegen zijn zin vertrekt hij. Na een kwaad voorteken bereikt hij bij avond Malpertuus. Volgens Reynaert is het veel te laat en te gevaarlijk om nog naar het hof te trekken. Maar wat zullen ze eten? Honing lust de kater niet. Heeft Reynaert geen vette muis bij de hand? Die weet Reynaert te vinden in de schuur van de pastoor. De vos weet echter dat de pastoorszoon Martinet een strop gespannen heeft om kippendief Reynaert te vangen. Tibeert aarzelt eerst omdat pastoors vele listen kennen. Opgejut door de vos springt hij toch en meteen snijdt de strop rond zijn keel. Hij maakt zoveel lawaai dat Martinet opspringt, zijn huisgenoten wekt en naar de strop stormt. Poedelnaakt en met een spinrokken in de hand komt de pastoor aandraven. Er wordt geschopt en geslagen en Tibeert ziet Pietje de dood voor ogen. In een doodssprong springt hij de pastoor tussen de benen en bijt uit de ‘beurs zonder naad’ een testikel. Bewusteloos zijgt de dienaar neer onder luid gejammer van Julocke, die vreest voortaan het zoete spel te moeten missen. Reynaert troost spottend dat het met één klepel ook nog wel zal gaan en voor overspel hoeft zij voortaan niet meer te vrezen. Tibeert profiteert van de verwarring en bijt het touw door. Zeer gehavend keert hij naar het hof terug.

Verslagenheid aan het hof. Van rechtswege heeft de aangeklaagde echter nog recht op een derde daging. Niemand durft nog. Grimbeert meldt zich aan om zijn oom te dagen. Zijn wijze aanmaningen overtuigen de vos om mee te gaan. Het afscheid van vrouw Hermeline en kinderen is ontroerend. In zijn kop broedt echter al een plan om zijn vege lijf te redden. Pas vertrokken, veinst Reynaert in zak en as te zitten; hij wil biechten. Het wordt een waslijst van

[p. 16]



illustratie
Glasraam F. van Immerseel, restaurant Reinaert, Sint-Niklaas

met nagenot beleden zonden. Isegrim blijkt Reynaerts grootste slachtoffer. Reynaert belijdt hoe bij Isegrim monnik wilde maken te Elmare, er hem aan het klokketouw liet hangen en afranselen, hoe hij de wolf een pijnlijke kruinschering liet geven, hoe hij hem in een keldergat zich vol liet vreten zodat hij er niet meer uitgeraakte en afgeranseld werd, en vooral: wat hij met Hersinde, de vrouw van de wolf had uitgericht. De nieuwsgierige biechtvader wil hier enkele details weten, maar de vos acht dit onfatsoenlijk. Na absolutie en penitentie zetten zij opgelucht hun weg voort. Reynaert weet het zo aan boord te leggen dat ze langs een tuin van een nonnenklooster lopen, waar menig kapoentje scharrelt. Voor de das het zich realiseert, schiet

[p. 17]

Reynaert naar een lekker brokje. Grimbeert is verontwaardigd, Reynaert zegt dat bij zijn zojuist uitgesproken biecht met absolutie vergeten was.

Langs de rechte straat gaan ze nu naar het hof, ook al is de vos er niet gerust in. Alle dieren staan bloeddorstig te wachten en trappelen van ongeduld om de vos aan de galg te praten. Woord en weerwoord verdringen elkaar. Niets baat: de rosse schurk zal hangen. Grimbeert en zijn familie verlaten het hof terwijl Isegrim, Bruun en Tibeert naar de galg hollen om de executie voor te bereiden. Hoe eerder, hoe beter. De veroordeelde vos heeft zijn galgehumor niet verloren: hij raadt Tibeert aan de strop die nog rond zijn hals hangt opnieuw te gebruiken en Isegrim, die aan zijn vrouw had opgedragen de vos te bewaken, maakt hij erop attent dat Hersinde maar een verdachte cipier is. Een oud lief, men kan nooit weten!

Reynaerts rivalen zijn weg. In zijn vossekop broeit een onweerstaanbaar leugenverhaal, waarbij hij niet zal aarzelen om de eer van zijn neef en van zijn bloedeigen vader te besmeuren. Het ware al te erg als anderen zouden boeten voor zijn misdaden. In een openbare biecht vertelt Reynaert over zijn prille jeugd. Hoe hij met de lammetjes speelde en er bij toeval eentje net iets te hard beet. Eenmaal bloed geproefd, stilde hij zijn vraatzucht met alle kleine dieren. Toen, helaas, ontmoette hij de wolf en sloot met hem een bondgenootschap onder een boom te Belsele op een ijzige winterdag. Isegrim zou het grote stelen, Reynaert het kleine. Maar de wolf liet hem amper de beentjes. Geen nood echter: de vos was toen reeds schatrijk. Het koninklijk paar, tuk op geldgewin, wil onmiddellijk weten waar de vos de schat vandaan had. Reynaert vertelt op pathetische wijze dat hij die gestolen had, maar zo ook het leven van de vorst had gered. Tevens verhaalt hij hoe zijn eigen vader de schat van de legendarische koning Ermenrik had gevonden. Dit maakte hem zo vermetel dat hij tot een samenzwering tegen Nobel besloot. Bruun de beer werd uit de woeste Ardennen ontboden door Tibeert. Hij zou de troon overnemen. Ook Grimbeert en Isegrim behoorden tot de bende. De beer betrad Vlaanderen langs het zoete Waas, en even verder, op een woest heideveld russen Hijfte en Gent, kwamen de duivelse samenzweerders op een donkere nacht samen om hun plan te beramen en de ondergang van koning Nobel te zweren. Reynaerts vader had in vele verre streken huurlingen geronseld. Toen Grimbeert eens teveel gedronken had, was hij al te loslippig tegen Hermeline en de vos kwam zo dit geheime plan te weten. Reynaert wilde dit kost wat kost verhinderen. Een vraat als Bruun zou nooit over het rijk mogen regeren.

[p. 18]

Daarom sloop Reynaert zijn vader steeds weer achterna tot hij eindelijk de plaats ontdekte waar de schat begraven lag. Dag en nacht werkten Reynaert en Hermeline om de schat op een andere plaats te verbergen. Toen zijn vader ontdekte wat er gebeurd was, hing hij zich op en meteen was het stoute plan verijdeld. Na dat verhaal neemt het vorstenpaar de vos ter zijde. Ze willen weten waar de schat nu begraven ligt. Voor wat, hoort wat. De koningin pleit zo overtuigend in Reynaerts voordeel dat de vos in ruil voor de vindplaats van de schat wordt vrijgesproken.

Reynaert heeft nu vrij spel om zijn komedie tot een goed einde te brengen. De schat ligt begraven op een plaats niet ver ten zuidwesten van Hulsterlo, namelijk te Kriekeputte, een woest en verlaten oord waar nooit een kat komt. Nobel twijfelt. Cuwaert wordt er als getuige bijgehaald om te bewijzen dat dit geen verzonnen plaats is. De haas bevestigt Reynaerts verhaal. Het is een duistere plaats waar valsemunters huizen. Wanneer Nobel de vos als gids wil, weet Reynaert een verhaal op te dissen van een banvloek en een noodzakelijke reis naar Rome en dan verder over zee. Een vorst kan het zich niet veroorloven om met een veroordeelde op pad te gaan.

Reynaert wordt vrijgesproken. Tiecelijn de raaf haast zich naar het ‘galgepersoneel’ om hen op de hoogte te brengen van de nieuwe evolutie in het proces. Woedend snellen beer en wolf naar het hof. Ze worden echter onmiddellijk in de boeien geklonken. Tibeert mag van geluk spreken dat hij gelaten op de galg was blijven zitten.

's Anderendaags wordt alles in gereedheid gebracht voor Reynaerts pelgrimstocht over zee. Belijn de ram, de hofkapelaan, weigert aanvankelijk Reynaerts pelgrimsattributen te zegenen en een gebed uit te spreken. Hij vergeet zijn beginselvastheid al gauw wanneer Nobel dreigt hem op te knopen. De cynische vos weet het zover te krijgen dat hij het wolvepaar laat ontschoeien en de beer een stuk vel uit zijn rug laat snijden voor pelgrimsschoenen en een -tas. Met veel eerbetoon wordt de vos uitgeleide gedaan, zelfs de koning en de koningin vergezellen hem een eind. Voor Reynaert duurt alles veel te lang en het wordt hem heet onder de voeten. Tranen veinzend vraagt hij Nobel om Belijn en Cuwaert met hem mee te laten gaan naar Malpertuus om het afscheid voor zijn vrouw enigszins te verzachten. Nobel stemt toe om zijn hofkapelaan en zijn gids te laten vertrekken. Voor de poort van Malpertuus vraagt de vos aan Belijn - die niet in zijn hol binnen kan - even voor het hol te wachten totdat Cuwaert Hermeline en de kleine vossejongen heeft getroost. De bedrukte vossefamilie juicht van vreugde als zij haar heer terugziet. Reynaert be-

[p. 19]



illustratie
Reynaert-pelgrim A. de Smedt. Marktplein Stekene

driegt zijn kroost door te zeggen dat hij Cuwaert van de koning als zoenoffer heeft meegekregen. De haas wordt vermoord nog voor hij bij de poort geraakt en opgevreten. Buiten roept de ongeduldige en ongeruste Belijn waar Cuwaert blijft. Hij heeft de haas horen gillen. Reynaert stelt hem echter gerust. Toen Hermeline hoorde dat haar echtgenoot zo ver van huis ging, was ze in zwijm gevallen en dan heeft de haas inderdaad gegild. Cuwaert heeft trouwens te kennen gegeven dat hij nog een tijdje wil blijven. Daarom mag Belijn gerust al een eindje voorop gaan. Belijn wil niets liever. Toch laat hij zich door de vos overhalen om nog een brief van Reynaert voor de koning mee te dragen. Reynaert stelt (de ongeletterde) Belijn een promotie in

[p. 20]

het vooruitzicht. Belijn springt een gat in de lucht en aanvaardt de brieventas, die uit het vel van Bruun gesneden is.

Reynaert gebiedt de zijnen te vertrekken naar een wildernis vol patrijzen en ander gevogelte. Zij vluchten naar een ver oord waar niemand hen nog kan vinden. Intussen is de hofkapelaan aan het hof gearriveerd. Hijgend overhandigt hij de tas aan de verbaasde koning. Verbazing wordt doffe ellende wanneer de hofklerk Botsaert uit de pelgrimstas de kop van de vermoorde Cuwaert haalt. Ontredderd en diep beschaamd brult de koning, zoals nog nooit van enig dier gehoord werd. De vos heeft het laatste woord gehad. Firapeel de luipaard, een verre verwant van de leeuw, weet nog enigszins de situatie recht te zetten door Belijn en Reynaert en heel hun geslacht vogelvrij te verklaren. De voorgestelde vrede is echter een doekje voor het bloeden.

prepostterug  begin  verder