terug  begin  verderprepost

Reynaert: een literairhistorische verkenning

We zullen deze literairhistorische verkenning doen aan de hand van een korte geschiedenis van het verhaal met als geheugensteun de jaren zeventig van elke eeuw tijdens de late middeleeuwen. Het zal al vlug duidelijk worden dat er meer dan één Reynaertverhaal bestaat en dat het beroemdste vosseverhaal van ‘Willam die Madocke makede’ in verschillende handschriften is bewaard. Willems verhaal is nu nog steeds zo populair dat als men over ‘de Reynaert’ spreekt, men het over zijn werk heeft. Wie over het ontstaan en de verdere evolutie van de Reynaert meer wil weten en daarenboven een commentaar ervan zoekt, kan hiervoor terecht in Van den vos Reynaerde. Het Comburgse handschrift van J.D. Janssens e.a. (Davidsfonds, 1991).

In de jaren na 1170 ontstond in Noord-Frankrijk de Roman de Renart. ‘Roman’ betekent eigenlijk ‘romaans’, ‘in de volkstaal gesteld’. Deze Roman de Renart was geen roman in de huidige zin van het woord. Het betrof een verzameling van losse verhaaltjes (‘branches’) over Renart, die pas rond 1200 gebundeld werden. De diverse auteurs gebruikten als bron onder andere de Ysengrimus, een verhaal in het Latijn dat rond 1150 te Gent ontstond en waarin Isegrim de wolf nog de hoofdrol speelde. De eerste Franse branche werd rond 1174 geschreven door Pierre de Saint-Cloud (Perrot). In 1179 schrijft een anoniem dichter Li plaid (Het rechtsgeding), de onmiddellijke bron van het Middelnederlandse Van den vos Reynaerde. Het valt moeilijk vol te houden dat de middeleeuwse Reynaertverhalen oer-Vlaamse creaties waren, zoals nogal eens wordt be-

[p. 21]

weerd. De Reynaertstof was een internationale vertelstof. Ook in Duitsland ontstond een Reinhart Fuchs. Dat de figuur van de vos voor het eerst de naam kreeg van Reynaert in de Gentse Ysengrimus en dat het Vlaamse Reynaertverhaal van Willem door alle critici wordt beschouwd als het beste middeleeuwse dierenepos, staat echter buiten kijf.

Tussen de jaren 1179 en 1270 (meer dan waarschijnlijk in de 13de eeuw) werd het Middelnederlandse dierenepos Van den vos Reynaerde geschreven. Rond 1270 vinden we een aantal sporen van de grote populariteit van het Reynaertverhaal in Vlaanderen. Uit die tijd dateren de oudste fragmenten. Rond die periode ook werd het verhaal door een zekere Boudewijn de Jonge in het Latijn vertaald, een zeldzaam voorrecht voor een werk uit de Middelnederlandse literatuur. Ook in andere literaire bronnen duikt rond 1270 Reynaert voor het eerst op.

Het Reynaertverhaal is ons niet in het oorspronkelijke handschrift overgeleverd. We zijn er met andere woorden niet meer precies zeker van wat Willem in al zijn details geschreven heeft. Wel zijn ons twee 13de-eeuwse fragmenten, twee latere volledige handschriften en nog een derde fragment overgeleverd. Het oudst-bewaarde van de twee volledige Reynaerthandschriften, het zogenaamde handschrift F (handschriften worden met een letter aangeduid), dateert van de jaren 1340-75. Het werd in 1907 in het Duitse slot Dyck gevonden en het handschrift kreeg de naam van deze vindplaats: het Dyckse handschrift. Het wordt sinds eind 1991 bewaard in de universiteitsbibliotheek van Münster. Van iets latere datum (na 1400) is handschrift A, ook wel het Comburgse handschrift genoemd (nu bewaard in Stuttgart). Het werd tijdens de 15de eeuw door de Duitse humanist Erasmus Neustetter meegebracht naar het ridderslot Comburg in het Schwabenland. In het begin van de 19de eeuw werd het handschrift daar opnieuw ontdekt en sindsdien werd vooral dit handschrift druk bestudeerd en uitgegeven. Na 1375 schreef een onbekend Zuidoostvlaams auteur een nieuw Reynaertverhaal dat dubbel zo lang was als het eerste (we noemen deze tekst de Reynaert II of Reynaerts historie). Reynaert werd het symbool van het kwaad. In het 13de-eeuwse verhaal was de vos reeds een schijnheilige, maar in Reynaert II wordt hij een verpersoonlijking van de duivel zelf. Het is deze Reynaertversie, en niet het verhaal dat wij nu zo goed kennen, die aan een Europese carrière begon: Reynaert werd populair in Engeland, Duitsland (later tot bij Goethe) en Scandinavië.

In de jaren 1470 werden de nu overgeleverde Reynaert II-

[p. 22]

handschriften (B en C) op perkament geschreven en tevens ontstaan de eerste Reynaertdrukken. Een gevolg van de boekdrukkunst was dat men elk exemplaar niet meer hoefde te kopiëren zodat het handschrijfwerk in onbruik geraakte. Het Reynaertverhaal werd zeer vlug na het ontstaan van de boekdrukkunst gedrukt: zo onder andere de Latijnse vertaling van de Reynaert, een Reynaertrijmdrukje en -prozadrukjes. De verandering van rijm naar proza was een typisch gevolg van de boekdrukkunst omdat het rijm niet meer nodig was voor de voordracht en door prozadruk werd de volledige oppervlakte van een bladzijde optimaal gebruikt. De verspreiding van het werkje werd nu groter.

In de 16de eeuw werd het verhaal gedrukt door de wereldberoemde Antwerpenaar Christoffel Plantijn. Het Reynaertverhaal was toen al flink ingekort en gecensureerd. Nadien ontwikkelden zich in Noord- en Zuid-Nederland twee afzonderlijke tradities. In Vlaanderen was vooral Antwerpen het centrum van de Reynaertboekdrukkunst, terwijl de vos er ook verscheen op siermeubels als decoratie (zie p. 123). De Reynaertverhalen werden tientallen malen gedrukt, zij het dan met een continu kwaliteitsverlies, doordat veelal dezelfde illustraties werden gebruikt. We noemen die boekjes volksboekjes, hoewel deze term enigszins misleidend is. De Reynaertjes werden vooral in het onderwijs gebruikt als didactisch-moraliserend materiaal. Hun functie leunde aan bij die van de fabelbundels.

In het begin van de 19de eeuw werd onder invloed van de romantiek het nationale verleden weer opgepoetst en bestudeerd. Men ging op zoek naar middeleeuwse handschriften. In deze periode moet het begin van de Reynaertstudie gesitueerd worden. Tegenwoordig ligt de aandacht vooral op de receptie van het werk in de middeleeuwen (voor wie is het werk geschreven) maar ook op de latere naleving van het werk. Een voorbeeld hiervan is Jan Goossens' De gecastreerde neus (Leuven, 1988), een gespecialiseerd, maar zeer amusant en pikant boekje over taboes en censuur in de Reynaertgeschiedenis, vooral naar aanleiding van de castratie van de pastoor. Ook in deze gids komen we op diverse plaatsen in contact met de moderne naleving van het Reynaertverhaal.

Zoals gezegd, begon Reynaert in de romantiek zijn tweede leven. De Middelnederlandse tekst werd volledig uitgegeven naar het Comburgse handschrift door de Duitser Jacob Grimm, één van de twee beroemde broers-sprookjesverzamelaars. Tijdens de romantiek wilde men teruggaan naar de eigen wortels, naar de eigen volksaard en de eigen oude taal en cultuur. In Vlaanderen streden velen voor de erken-

[p. 23]



illustratie
Reynaertspel Sint-Niklaas 1985

ning van het Nederlands als eigen taal ten opzichte van het overheersende Frans. Reeds in de middeleeuwen bloeide de Vlaamse literatuur in het (Middel-)Nederlands. Een van de voormannen van de Vlaamse Beweging, Jan Frans Willems, hertaalde de Reynaert en gaf een wat hybride Reynaerttekst uit (een combinatie van Reynaert I en II). Willems' voorbeeld kreeg veel navolging. Langzamerhand werd de vos een Vlaams symbool. Ook zijn karakter veranderde. De middeleeuwse vos was ongemeen ‘fel’. De rode was een doortrapte schurk, een leugenaar en een hypocriet. Tegenwoordig is de moderne ‘felle’, een schelm en een rebel, een Tijl Uilenspiegel, een Robin Hood, een Casanova. Reynaert werd voor diverse doeleinden gebruikt, soms misbruikt en hij kaderde in diverse ideologieën.

In de 20ste eeuw ging deze evolutie door. Het verhaal werd tientallen malen herschreven en voor toneel bewerkt, door onder meer Stijn Streuvels en Paul de Mont. Een mooi voorbeeld van de omkering van het vossekarakter zagen de Wazenaars in een Reynaertmassaspel dat in 1973 te Sint-Niklaas werd opgevoerd en waarin de vos (na mei 1968) als een vrijheidsheld en een anarchist verscheen. Sindsdien werd het vosseverhaal nog vele malen herverteld, in bewerkingen voor volwassenen van Ernst van Altena, Bert Decorte, Karel Jonckheere, Arjaan van Nimwegen en Clement Vermaere - om er maar enkele te noemen -, maar ook in kindervertellingen en strips. De tekst werd bewerkt voor poppenspel en marionettentheater, voor toneelspelen en ommegangen. Een opvallende bewerking van de Reynaertverhalen maakten D. Stuer en D. Ditmar in hun musicalbewerking Dear Fox (1990). De figuur van de vos blijft voor creativiteit zorgen en getuigt van aanpassingsvermogen. Momenteel is hij een vrouwenversierder in Dear Fox, een listige grappenmaker voor sommige vosse-

[p. 24]

jagers, een groene jongen in de strijd tegen de potpolder in Kruibeke.

prepostterug  begin  verder