terug  begin  verderprepost

Inghelosenberghe

Het Steen van Sint-Jan lag in de oude heerlijkheid van Inghelosenberghe. Wellicht was het een stenen huis met een toren of zelfs een klein kasteel. In 1226 kregen de inwoners en omwonenden van hun heer, Zeger II, burggraaf van Gent, een keur waarin hun vrijheden werden vastgelegd en waarin ze een zekere vorm van zelfbestuur kregen (instelling van een schepenraad met een meier). In 1256 is Sint-Jan ter Steene een parochie met een eigen kerk en pastoor, afhankelijk van het kapittel van Doornik. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog leed de plaats veel onder de belegering van Hulst. De heerlijkheid bleef tot in 1696 eigendom van de familie van Zeger. Toen kwam Magdalena Vilain in conflict met de Staten-Generaal, die na de Vrede van Munster (1648) en het grenstractaat van 1664 eigenaars van de Heerlijkheid waren geworden.

Tot in 1970 was Sint-Jansteen een zelfstandige gemeente, die gevormd werd door de woonkernen Absdale, Heikant, Drie-Hoefijzers, 't Hoekje, Kapellebrug en Sint-Jansteen zelf.

Sint-Jansteen wordt door enkele Reynaertonderzoekers of vossejagers beschouwd als een belangrijke plaats in het Reynaertverhaal. Voor Gysseling moeten we hier Reynaerts burcht Malpertuus zoeken. Pastoor De Wilde meent dat dit de ‘woestine’ is, de plaats van belofte, waar Reynaerts familie zich terugtrekt na de koningslist en het ver-

[p. 53]

raad aan koning Nobel. De Wilde leest het Reynaertverhaal als een sleutelroman waarin achter elk dierenpersonage een historische figuur schuilgaat. Zo zou Cuwaert de heer van Inghelosenberghe zijn. Dit Inghelosenberghe was volgens De Wilde een klein domein nabij de grote domeinen van de Gentse burggraven. Wanneer Cuwaert door Reynaert (burggraaf van Gent) wordt opgepeuzeld, is dit volgens De Wilde geen letterlijk te nemen moord, maar een verwijzing naar het overgaan van de feodale rechten van Inghelosenberghe naar de Gentse burggraven.

Aan de kerk (vroeger een versterkt kasteel of een versterkte kerk) draaien we rechts richting Sint-Niklaas. Ongeveer 300 m verder links slaan we de Roskamstraat in. In het tweede deel van deze straat zien we links op huis nr. 17 een verre afstammeling van Canteclaer de haan. We steken de drukke weg Hulst-Sint-Niklaas over en draaien onmiddellijk links de parallelweg op, de Gentse Vaart, die we een honderdtal meter volgen tot aan de Molenstraat, waar we rechts inrijden, richting Clinge-Nieuw-Namen. We kruisen bijna ongemerkt de oude spoorwegbedding (-‘zate’) Sint-Niklaas-Terneuzen. Deze spoorweg werd aangelegd in 1871. Sedert 1952 werd het personenvervoer gestopt en de laatste goederenvracht dateert van 1968. Fietsers en wandelaars kunnen langs dit traject (rechts) een schitterende tocht beginnen, die hen door de Stropersbossen richting Sint-Niklaas voert. Vooraleer de Stropers te bereiken doorkruisen zij het meer dan mooie wandel- en waterwingebied van de WMZ-bossen (in de volksmond Den Hogen Geest). Je kan er twee uitgestippelde routes volgen (rode palen 3,2 km, gele palen 5,5 km) die je beschreven vindt in de brochure Wandelen in de WMZ-bossen te Clinge (VVV Hulst). Je kan van daar uit ook naar de kapel van O.-L.-Vrouw ter Eecken te Kapellebrug gaan. De middeleeuwse kapel die er ooit stond, werd bediend door monniken van Boudelo, maar ze werd op het eind van de 16de eeuw verwoest. De herbouwde kapel diende in 1645 tot hoofdkwartier van de Staatse troepen van Frederik Hendrik.

Wij vervolgen de route en zien links voor ons de toren van Clinge verschijnen. Op het einde draaien we de 's-Gravenstraat in, richting Nieuw-Namen-Kieldrecht.

prepostterug  begin  verder