terug  begin  verderprepost

Bedreigde polders

De naam Woestijnestraat verwijst nog naar een oude toestand. Deze weg was reeds zeer vroeg van groot economisch belang. Hij was gelegen op een dekzandrug en lag dus hoger dan het omgevende land, wat weinig problemen stelde voor de begaanbaarheid. Langs hier werden Hulst en Hulsterlo met elkaar verbonden. Deze streek was van groot belang voor de turfwinning, turf die gebruikt werd als brandstof en voor zoutwinning. Turf werd tijdens de zomer, wanneer het water was weggetrokken, gestoken in grote klompen, die dan gedroogd werden en als brandstof dienden. Rond de turfpercelen werden grachten aangelegd die voor de drainering zorgden en tevens als transportweg dienden: met platte bootjes werden de turfvoorraden naar de steden gebracht. Turf met een hoog zoutgehalte werd verbrand. De as werd dan vermengd met water, waarna het zout werd uitgekookt. Het landschap moet er hier uitgezien hebben als een grote vlakte met schorren, woestijnen en moeren. Woestijnen waren stukken onbebouwd land die overbleven na uitvening, moeren waren vruchtbare stukken voor de turfontginning. De schapenteelt was na het turfsteken de meest lonende vorm van economische bedrijvigheid. Ook hier overstroomde de streek geregeld en werden de polders opnieuw ingedijkt.

Na ongeveer anderhalve kilometer (aan het derde P-bord), nabij een bosrijke plek, is er een verplichte stop. Nabij de

[p. 55]



illustratie
Hollandse Kriekeput

bosrand vindt een goed vossejager het verminkte naambordje ‘Kriekeputdreef’. Een kleine wandeling langs dit pad (rechts van de dijk) en even verder rechts in het bos openbaart ons een prachtig en vreemd stukje bosschage aan de rand van de polders. Met een beetje verbeelding is het vast niet moeilijk om een Reynaertpassage in gedachten te roepen:

 
Koning, u heeft reden om tevreden te zijn
 
als u dit kan onthouden.
 
Daar niet ver vandaan, in het zuidwesten,
 
ligt een bochtige kreek die Kriekeputte heet.
 
Heer koning, u hoeft niet te denken,
 
dat ik iets van de waarheid afwijk.
 
Dat is een van de grootste woestenijen
 
die men in een rijk kan vinden.
 
Dit zeg ik u, echt waar,
 
dat er soms in een half jaar
 
tot bij die plaats
 
man noch vrouw komt,
 
noch enig levend schepsel,
 
behalve de uil en de nachtuil,
 
die er zich in het struikgewas verschuilen,
 
of een andere vogel,
 
die liever elders zou zijn,
 
of die er toevallig belandde.

Hier lag (in de vertaling van R. van Daele, 1989) de schat van koning Ermenrik, die Reynaert van zijn vader gestolen had om zo een staatsgreep te verijdelen. Het was pas tijdens de 20ste eeuw dat een aantal Clingenaren na de Reynaertstudie van Isidoor Teirlinck meende dat hier Kriekeputte zou liggen en daarom gaf het gemeentebestuur in de omgeving een dreef de naam Kriekeputte. Het gaat hier om een recent toponiem dat zijn ontstaan vindt in het middel-

[p. 56]

eeuwse dierenepos en getuigt van de naleving en de belangstelling voor het verhaal. De Clingenaren identificeerden zich met het verhaal van Willem. Het gaat hier echter niet om een restant uit de 13de eeuw en men mag er dus geen conclusies aan vastknopen wat de datering van het Reynaertverhaal aangaat. Het betreft een viertal welen dat pas veel later ontstond.

Wie nog even verder trekt, stuit op de gronden en de wallen van het oude Fort Bedmar (nu een camping), een fort dat deel uitmaakte van de Bedmarlinie (of De Linie), die tijdens de Spaanse Successieoorlog door de Fransen op bevel van de markies van Bedmar, Don Ysidero de la Cueba en Benavides (in 1702), werd aangelegd om de Spaanse Nederlanden tegen de Nederlandse republikeinen te verdedigen. Op deze linie werden forten, schansen (versterkingswerk in het veld in de vorm van een gebastioneerde vier-, vijf- of zeshoek, wal), redouten (kleine veldschans met uitspringende hoeken) en grachten aangelegd. Het toponiem ‘Spaans Kwartier’, dat hier in de buurt te vinden is, herinnert nog aan deze (bloedige) periode. Het Fort Bedmar was deel van een defensielinie die zich uitstrekte van Langerbrugge, en via Zaffelare naar Stekene (Trompe met fort Sint-Jan), De Klinge (Bedmar, het grootste Wase fort uit de Spaanse tijd), het fort Spinola en tenslotte via het fort Verboom en het fort de Perel (Kallo) naar Antwerpen liep.

We keren op onze stappen terug en vervolgen de tocht door deze oude polder tot in Nieuw-Namen. Stilaan sluipt de moderne wildernis met zijn angstaanjagende koeltorens en hoogspanningskabels ons tegemoet. In deze uithoek van Vlaanderen en Nederland, waar de beste poldergrond van Vlaanderen ligt, wint de industrie langzaam veld en zo wordt het oude Reynaertverhaal terug actueel:

 
Dats een de meeste wildernesse
 
Diemen hevet in eenich rike. (A 2582-83)

De naam Statenboomweg verwijst naar het grensgebied. De (Konings-)dijk aan onze rechterzijde vormt de landsgrens. Rechts beneden op de rijweg, nu bijna onzichtbaar op een decimeter van de witte wegmarkering, ziet een geoefend speurder nog de oude sporen van een bijna uitgewiste verfstreep, een oude Reynaertlist van de Hulstenaren die in 1984 doorheen het Hulsterse en het Waasland een groene streep trokken langs Reynaerts pad om zo reclame te maken voor hun Reynaert-Ommeganck. Veel meer opvallende merktekens in het landschap zijn de grote (veelal elze-)hagen, die in deze immense vlakte de wind zoveel mogelijk moeten neutraliseren op de domeinen van

[p. 57]

de fruitkwekers. We naderen Nieuw-Namen, een vrij gesloten gemeenschap in een uithoek van Nederland en ongetwijfeld de meest merkwaardige plaats (vooral op geologisch gebied) van onze Reynaerttocht. Het dorp heeft echter zijn geheimen nog niet prijsgegeven.

prepostterug  begin  verder