terug  begin  verderprepost

Sculpturen als bomen

Vroeger stond hier naast het kerkje van Meerdonk een tweede beeldhouwwerk van de Zeeuwse kunstenaar Gielliet. De meeuw die opwiekte uit een getormenteerde boomwortelstructuur is, zoals het meeuwen past, heengevlogen. Ze gaf de geest. Op dezelfde plaats herrijst ze echter als een feniks in de indrukwekkende levensrune. De milieuactivist die pastoor Gielliet is, typeert dit werk als het levensteken in het land der dwazen. De stikkende Christus overstijgt in een voorchristelijk Tausymbool de dreiging van de voortschrijdende milieuverloedering. Meerdonk heeft meer van dergelijke bewogen mensen. Pastoor Leo Vercruyssen zingt het uit in duidelijke volkse verzen, zoals ook zijn voorganger Maurits van Vossole dat reeds deed. Meerdonk inspireert tot poëzie.



illustratie

[p. 65]
 
Wie haalde de heilige vogel
 
uit een hemel met blauw bevlagd
 
in het veld van mijn donkere ogen
 
in het oeverriet van mijn nacht. (M.v.V.)

Het bescheiden kerkje, waarvan de spotters de toren binnen halen bij ontij, is gewijd aan de heilige Kornelius. Een ommegang doe je onder de lindebomen. Meteen ben je gevrijwaard van stuipen, ‘seskens’ en epilepsie. Het kerkje werd ingewijd in 1841, maar pas volledig afgewerkt in 1844 toen de toren er werd opgezet.

Meerdonk werd een autonome parochie in 1807, maar had al vanaf 1683 een kapel waarin de kerkelijke diensten werden verzorgd door de zielzorg uit Vrasene. Tot in 1845 zou Meerdonk trouwens deel uitmaken van de gemeente Vrasene. Toen werd het een zelfstandige gemeente die in 1977 weer werd opgeslokt door Sint-Gillis. De oudste vermelding van Meerdonk dateert van 1270. Er wordt dan ‘Merdonck’ geschreven, wat wil zeggen: zandige verhoging (donk) die opduikt uit laagliggend, onder-water-schietend, panvormig land (mar, mer, meir). Duidelijk, en vanzelfsprekend zoals we zullen zien.

Het was lange tijd onvruchtbaar moergebied, dat door het klooster van Saleghem (in Sint-Gillis aan de Kemphoek) werd uitgeveend. Talloze overstromingen maakten er een polder van. Het is een prachtige streek om per fiets te doorkruisen.

 
En zingen mijn wielen Meerdonk voorbij,
 
dan duikt uit de polder een eiland omhoog,
 
als de bult van een walvis uit golven van klei.


illustratie

[p. 66]
 
Sculpturen als bomen, gedichten in toog.
 
Je smaakt er de lucht, je ademt de aarde
 
en Brueghel snijdt kleurrijk een moot uit de tijd
 
met Korneel die bij boeren de stuipen bedaarde.
 
En langs de dijken, een fuga van eeuwigheid, (H.H.)

We rukken ons los van de kerktoren en slaan voorbij de kerk rechtsaf. Op de rechterkant de verzorgde kapel van Sint-Cornelius, die hier duidelijk in de gratie staat. De Dijkstraat leidt ons langs de gebeeldhouwde boom van Gielliet. Een twee eeuwen oude tronk die een stukje Meerdonkse geschiedenis vertelt, een wriemelende puzzel van figuurtjes en symboliek. Alles in functie van en refererend aan ‘Sekere partije hoogh landt, Meerdonk genaemt.’ Het geheel vormt een kapelletje (één van de zevenentwintig op Meerdonks grondgebied) gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Eventjes de dijk op om daarna in de bocht links naar beneden te duiken, de Turfbankenstraat in. Het hele gebied was moergebied. Hier werd tot in de 17de eeuw turf gestoken. Daar sommige turf veel zout bevatte, ontstond hier ook een bescheiden, maar toch zeer renderende zoutwinning. Een aantal toponiemen (plaatsnamen) in de buurt verwijzen nog naar deze industrie: ‘de pannekeet, panneweel, zoutkeet’.

prepostterug  begin  verder