terug  begin  verderprepost

De schone maagd Amelberga

Stekene is nu een residentiële gemeente geworden en een gezocht oord voor een tweede verblijf. Dat Stekene aanspraak maakt op een deel van de Reynaertomloop, wordt onmiddellijk op het marktplein bewezen door het standbeeld van een pelgrimerende Reynaert, waar men niet naast kan kijken. Het is een beeld van Albert de Smedt. Achter de kerk roddelt Tiecelijn vanop zijn galg, in het gezelschap van Bruun en Cuwaert, uitbundig over Reynaerts avonturen. In de raadszaal van het neogotische gemeentehuis zit nog een Reynaert, pelgrim, ingetogen te mediteren. Deze keer in hout. Hij is van de hand van Albert Poels. In de traphal hangt een wandtapijt met Reynaerttaferelen van A. de Kerf recht tegenover een glasraam met een vos van G. Staes. Dit veelvuldig voorkomen van de vos heeft zeker te maken met een hypothese die zegt dat Van den vos Reynaerde geschreven is door een ‘conversus’ (lekebroeder) van de abdij van Boudelo te Klein-Sinaai (Stekene). Deze hypothese werd naar voren gebracht door professor Leopold Peeters van de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam en door Maurice Nonneman, Stekens vossejager. Een aantal andere Stekense vossejagers is deze hypothese toegedaan. Maar hierover later meer.

In datzelfde gemeentehuis, dat dateert van 1883 en ontworpen werd door de Gentenaar De Perre, hangt een schilderij van Baerwald. Een jong meisje ligt op de knieën voor

[p. 78]



illustratie
Albert de Smedt en Arnoud Heyse bij de inwijding Stekense vos eind 1988

een nors-uitziende Franse officier. Met smekende ogen staart ze de man aan. Op de achtergrond herkenner we de kerk van Stekene terwijl soldaten aan en af lopen met bundels stro om de kerk in brand te steken. Het is de romantische voorstelling van de anekdote die ook in herinnering wordt gebracht in een gedenksteen in de zijgevel van het gemeentehuis aan de Stadionstraat.

De blonde maagd is Amelberga Truyman, de dochter van meier (?) Joost, die generaal Osten smeekt Stekene te sparen. Op 20 oktober 1798 waren de Fransen begonnen huizen in brand te steken, en was er al een schietpartij geweest omdat de Stekenaars weigerden hen te voorzien van

[p. 79]

proviand. Door de smeekbede van Amelberga ontroerd, gaf Osten bevel de vernieling en de plundering te staken. Amelberga kreeg van de Stekense bevolking de eretitel ‘redster van Stekene’, weliswaar pas 100 jaar na de feiten. Dit mooie verhaal lijkt wonderwel op het verhaal van de redster van Sinaai, Maria Duerinckx (zie p. 95). Daarbij komt nog dat Amelberga huwde met de zoon van Osten, zoals Maria huwde met kapitein Claudius Pers, de bedreiger van Sinaai. Verhalen die ruiken naar collaboratie.

prepostterug  begin  verder