De Brugse Heirweg brengt ons ter hoogte van de Kapelledreef op het grondgebied van Klein-Sinaai dat tot 1977 deel uitmaakte van Sinaai. Deze Kapelledreef, die men laat liggen, kreeg haar naam omdat ze liep naar de kapel van O.-L.-Vrouw van de Elsbos, een kapel van Boudelo die nu helemaal verdwenen is, maar in de toponymie nog overleeft als de kapel van de ‘leste stuiver’. Aan de ‘Roden Hoek’ gaat het in een scherpe hoek naar links, de Koebrugstraat in richting Sinaai. Naar rechts zou men terechtkomen in het centrum van Klein-Sinaai en verder in het wandelgebied van de Baggaert. Klein-Sinaai hing als een uitsprong vast aan Sinaai. Het was een bos- en moergebied dat hoorde bij de abdij van Boudelo. Zeer snel ontwikkelde zich een woonkern in de buurt van de abdij, die reeds in de 15de eeuw Klein-Sinaai wordt genoemd. Vaak spreken de archieven ook over de ‘Snaeyschen houck’. Tot de vernietiging van de abdij (8 augustus 1578) gingen de bewoners ter kerke in de abdij. Nadien was het de pastoor van Sinaai die af en toe de mis kwam opdragen in de vaak herbouwde kapel van de Elsbos. Meestal moesten de parochianen de mis bijwonen in Sinaaicentrum, wat bij winterweer geen lachertje moet geweest zijn. Toen in de 18de eeuw de parochiale banden losser werden, trok men naar Moerbeke
en Stekene. Omdat midden in de 19de eeuw de bevolking van Klein-Sinaai sterk was toegenomen, werd Klein-Sinaai een onafhankelijke parochie met een eigen kerk, toegewijd aan O.-L.-Vrouw (1853).
Terug in de Koebrugstraat duikt rechts een nieuwe woonwijk op met bij de ingang van de wijk, links van de Kloosterstraat, een apart en eigenzinnig monument. Het herinnert aan de roemrijke abdij die hier eertijds stond en aan de periode van bijna twintig jaar dat hier opgravingen zijn gedaan om de plattegrond en de geschiedenis van de abdij boven te spitten. Deze opgravingen gebeurden meestal in vakantiekampen door amateurs, begeleid door archeologen onder leiding van Alfons de Belie, toen voorzitter van VOBOV (Verbond voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in Oost-Vlaanderen). Oorspronkelijk was het monument bedoeld als doorkijkmonument aan de rand van de Moervaart, met zicht op de vroegere landerijen van Boudelo. Het monument vertelt als het ware de geschiedenis van de abdij en van de opgravingen. Hierbij wordt duidelijk gemaakt dat de plaats van de abdij reeds bewoond was duizenden jaren vooraleer de monniken hier neerstreken. Ook de straatbenamingen herinneren aan de abdij. Het ‘besluyt’, d.i. de omsloten ruimte van de abdij, strekte zich uit tot aan de huidige Moervaart (Durme en Moere) in het zuiden en tot Koudenborm (de grens met Moerbeke) in het westen.