De Middendam op. Waar de Durmedijk de straat bedreigt, zit Nobel op de bank. Het vossegezelschap dat in 1955 de eerste Reynaertroute ontwierp, was unaniem. Hier was het gebeurd. Hier had Nobel zijn hofdag gehouden. Gezeten op de Reynaertbank heb je een duidelijk uitzicht op een laagliggende meers. Daar stond ooit de woning die toebehoorde aan de graven van Vlaanderen. In dit huis werd door Boudewijn van Vlaanderen in 1199 aan de abdij van Ninove tolvrijheid verleend en op deze plaats schonk gravin Johanna in 1219 aan de kerken van Sint-Niklaas en Sinaai elk zes bunder grond. M. Gysseling mag wel beweren dat hier geen woning stond, de Nobelbank bewijst het tegenovergestelde:
De bank is mooi onderhouden. Het beste bewijs dat die van Daknam heilig overtuigd zijn van hun gelijk. Al mag men zich afvragen wat de graven in dit kleine gat verloren hadden. In 1600 woonden hier 140 mensen. Toch werd het in de 12de eeuw courant vermeld in documenten en vond men hier talloze Romeinse munten. Het kerkje vertoont duidelijke 12de-eeuwse trekken in de torenstoel en in 1140 lag hier reeds een brug over de Durme. En alhoewel de naam Daknam zeer vroeg vermeld werd, is men toch niet 100 procent zeker van de betekenis. Baseren we ons op ‘Dackenham’ (1156), dan hebben we te maken met de landtong uitspringend in de meersen (ham) die toebehoorde aan Dakko. Vertrekken we van het 12de-eeuwse ‘Dakingahem’ dan zouden we te maken hebben met het huis (heem) van de lieden van Dakko. In dat doolhofje voelt Reynaert zich zeker thuis.
Men wordt als het ware aangezogen door het linderijke driesje in de schaduw van de toren. Vlij je neer op de tweede Reynaertbank met je rug naar de vroegere herberg Reynaert die Vos. Onder deze linde ligt ze:
Voor onze neus stapt een snotterende haan met zijn kakelende kroost. De droeve stoet trekt kerkwaarts. De toren kan dit nog getuigen, want zijn romaanse basis dateert van toen (12de eeuw). Uit die tijd stammen de noordelijke en
westelijke muur, een deel van de vieringtoren en de noordelijke transeptarm.
De gotische verbouwing is 15de-eeuws. De sympatieke vieringtoren met heksenhoed
respecteert de verhouding en geeft aan de oorspronkelijk eenbeukige kruiskerk
een aspect van bescherming en van rust. Ook hier zit de waarde van de kerk in
haar vorm en in de harmonie met de omgeving. Die gave vorm werd in 1891 door
architect H. Geirnaert hersteld en beklemtoond. Terwijl hij hier bezig was,
tekende hij ook nog de pastorie (Daknam-Dorp 20). Het witgekalkte kerkhofmuurtje
accentueert nog de geborgenheid en geeft het geheel een edel uitzicht. In 1943
werd het romaanse kerkje be-

Kerkhofmuur en romaans kerkje van Daknam
schermd. De roepsteen, hier in de vorm van een overdekte kansel die in de kerkhofmuur is ingewerkt, legt dan weer de nadruk op de volksgebondenheid. Van in dit roephuisje werden na de hoogmis de gemeentelijke mededelingen den volke kond gedaan.
Wie kans ziet om deze oudste kerk van het Waasland van binnen te bekijken, zal er heel wat merkwaardig houtsnijwerk ontdekken. De kerk is toegewijd aan O.-L.-Vrouw. Als je het kerkhof betreedt, kun je niet naast het mooie toegangshek kijken. En hoor je dan de stemmen klagen, dan komen die gewis uit het vagevuur aan het kooreinde van de kerk.
Op Pinkstermaandag wordt hier een kunstmarkt gehouden en de plaatselijke Reynaertkring zorgt ervoor dat Reynaert niet wordt vergeten. Tijdens de maand mei loopt de stemmige dries vol en viert Reynaert ‘meye’. De trappist vloeit er overvloedig uit 't vat. Naast de traditionele verkiezing van een meigraaf en een meigravin, klinkt er koor- en beiaardspel en zijn de Reynaertruiters en de drie Reynaert-reuzen van Lochristi steeds op post. Op dit Vlaams feest wordt vooral veel gezongen:
Het kloosterbier smaakt het best na een kloeke wandeling. Speciaal voor de Reynaertfreak werd in Daknam een ‘Koning Nobelpad’ uitgestippeld, dat hem of haar twee uur zoet houdt, 10 km door een variërend landschap van de ene verrassing in de andere, zoals dat een vossepiste past (VVV-Lokeren).
Vanaf hier is een uitbreiding naar Destelbergen en Hijfte mogelijk, waarna men terug op deze plek belandt (zie p. 145-157).