terug  begin  verderprepost

De Bezekoek bij de Boskapel

Terug nu naar het kruispunt met de Bosstraat. Wie het zijstapje maakte, slaat links in, de anderen steken het kruispunt over en we rijden een oase van rust binnen (Kouterstraat). Snelheid aanpassen. Na enkele honderden meter zien we rechts de vrij brede en rechte Sinaaiwegel, waar we heel even inrijden (nog beter: inwandelen) en we komen bij een rustig oord dat in de streek als veelbezochte bedevaartplaats geldt. ‘Het kapelleke van de Bezekoek’ of Boskapel, zo het in de volksmond heet, ligt er bijzonder verzorgd bij, bovendien passend ingeplant in het boscomplex. De stevige bruinrode banken noden tot ingetogen verpozing. Weer een andere O.-L.Vrouw wordt er met wekelijkse missen vereerd: O.-L.-Vrouw van Troost. De kapel werd in 1920 gebouwd, maar reeds in de 18de eeuw stond hier een klein bedehuis. Recht tegenover de kapel het eigenlijke bedevaartoord. Een rechte dreef leidt doorheen het kleine bosje naar een sober altaar waarachter een groot kruisbeeld prijkt. Aan weerszijden, in een halve cirkel, kan even gemediteerd worden bij kapelletjes, waarin op eenvoudige wijze de droeve mysteries worden uitgebeeld. Hier kan je nog dartele eekhoorntjes (Rosseel in het Reynaertverhaal) zien wegflitsen.

Naast de kapel valt een rijk landhuis op, aan wiens gevel waarachtig een mooi Reynaertbeeld verrast (beeldhouwer Albert de Smedt): een ingetogen maar schijnheilige vos, ogenschijnlijk in kluizenaarsdoen, maar in werkelijkheid loerend op zijn volgende prooi. Dit zou enkele jaren geleden wel lonender zijn geweest, want toen stond hier het befaamde landelijke café De Bezekoek (krentekoek of be-

[p. 102]

zemhoek?), waaromheen een goed bevolkt neerhof de vos zeker had doen watertanden. Allemaal verdwenen en vervangen door moderne luxe. Maar zet je toch maar op een van die solide banken en herbeleef in je verbeelding een stukje van de Reynaert in de hertaling van Jan Frans Willems.

 
't Was bij 't ingaan van april;
 
't Koude jaartij had gedaan;
 
Plant en bloemen zag men staan
 
Overheerlijk in het veld;
 
'k Had tot wandlen mij gesteld,
 
Fier op mijn gepluimd geslacht,
 
Op mijn zonen ('k had er acht!),
 
Op mijn dochters alle zeven,
 
Die 't wel lustte lang te leven,
 
Mij geschonken t' ener broed,
 
Door een wijf, zo schoon als vroed.

Je raadde het al: Canteclaer is aan het woord...

 
Allen waren vet en sterk;
 
Nimmer kwamen ze uit hun perk,
 
Dat omringd was van een muur;
 
En daar binnen stond een schuur,
 
Goed bewaakt door vele honden,
 
Die een dief verscheuren konden;
 
En dit maakte ons onvervaard.

Terug naar de Kouterstraat, die we vervolgen, en even verder links de Koutermolenstraat in. Na een lommerrijke bosweg de spoorweg kruisen en rechtdoor de Eindestraat inrijden (verkeersdrempels!) tot aan de verlokkelijke herberg De drie linden. Rechtdoor kerkwaarts met rechts het ‘kasteel’ van Belsele en links enkele opvallende voorname, neoclassicistische huizen (in nr. 125 woonde minister van Staat A. de Schryver). We parkeren de auto in de buurt van het fraai gerestaureerde gemeentehuis voor een bezoek aan dit belangrijke Reynaertdorp. In het gemeentehuis (mooi voorbeeld van neogotische baksteenarchitectuur uit 1899) zien we o.a. het verbond tussen vos en wolf in een prachtig glasraam - zondoorglansd blauw en oranjerood - van Staf Pijl. Dit markante raam met de tekst ‘Bi Belsele onder eenen boom,’ werd in 1968 geschonken door de VTB naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de monumentale Reynaertbank in het De Vidtspark van Sint-Niklaas. Een compositie die als het ware pendelt tussen figuratief en non-figuratief. Rechts de grimmige ijzervreter Isegrim,

[p. 103]

links de slimme hypocriet Reynaert, schijnbaar onderworpen maar druipend van ingehouden listigheid. Vooral als het zonlicht in het blauw en het rood speelt, vlamt het raam als een briljante ster boven de trap. Die trap leidt naar de trouwzaal (raadzaal) waar enkele schilderijen van Alfons van Meirvenne (dieren voorstellend) opvallen (gesloten buiten de kantooruren).

We verlaten het gemeentehuis en wandelen naar de kerk toe. We passeren een fraaie classicistische pomp uit 1858. Eenzelfde pomp ontmoetten wij ook in Sinaai. Tijdens het begin van de industriële revolutie lieten de gemeentebesturen deze waterpompen oprichten in de arbeiderswijken waar de hygiëne veel te wensen overliet.

We blijven even stilstaan bij een stukje geschiedenis. Belsele was zeer vroeg bewoond. Archeologische vondsten wijzen erop dat er reeds in de late ijzertijd en de Gallo-Romeinse periode bloeiende nederzettingen in de Belseelse contreien bestonden. En dan hebben wij het niet alleen over de ‘schat van Belsele’ (p. 100). Naast munten werden ook pannen, ringen, spijkers, beenderen en wat nog meer uit voornoemde tijden gevonden. Tijdens de middeleeuwen hadden de abdijen van Boudelo, Sint-Baafs (Gent), Rozenberg (Waasmunster) en Drongen eigendommen in Belsele en vooral de abdij van Boudelo had hier een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van de landbouw. Wij weten al dat in het Ancien Régime Belsele een bestuurlijke eenheid vormde met Sinaai. De meiers van de familie Zaman oefenden ook hier hun functie uit (je treft de naam Zaman aan op een grafsteen tegen de kerkmuur). Na de Tweede Wereldoorlog liep de landbouw systematisch achteruit. Als compensatie kwam hier toen een van de grootste boom- en bloemenkwekerijen van België tot ontwikkeling (zie verder). Voor we aan de kerk komen gaan we voorbij de Reynaertbank.

prepostterug  begin  verder