Vroeger stond hier nabij de kerk een kanjer van een boom die eeuwen oud was, maar die enkele jaren geleden werd aangetast door de gevreesde olmenziekte. Gelukkig staat er nu opnieuw een boom, hoewel hij nog flink zal mogen groeien om het verlies van zijn voorganger te doen vergeten. Ook de bank zelf verloor wel wat van haar vroegere stoerheid: het betonnen onderstel verdween, alles hout nu. Op de rugleuning de bekende verzen (overigens verkeerd genummerd):

Daarboven een tafereeltje dat de voornoemde ontmoeting van vos en wolf illustreert. Wij herinneren aan het verhaal. Reynaert is ter dood veroordeeld; Bruun, Isegrim en Ti-beert - zijn voornaamste belagers en vroegere slachtoffers - maken de galg klaar. Van hun afwezigheid weet de sluwe Reynaert handig gebruik te maken. Hij mag, vóór hij sterft, zijn openbare biecht spreken. Het ware immers al te gortig indien anderen zouden worden gestraft voor misdaden die hij bedreven heeft. Na een bijna ontroerende schets van zijn jeugdjaren waarin hij als het ware onwetend in het roof- en moordcircuit terechtkwam, weet hij op onopgemerkte wijze Isegrim in zijn misdadige loopbaan te betrekken. Reynaert gewaagt van een verbond dat hij met Isegrim sloot ‘Bi Belsele onder enen boem.’ Voortaan zouden vos en wolf samen op rooftocht trekken, Reynaert zou het ‘cleene’ stelen, zijn oom Isegrim ‘tgroete.’ Karel Jonckheere hertaalde deze passage zo:
Om dat woord ‘Belsele’ werd heel wat gebakkeleid. In handschrift A staat ‘besele’, wat Jan Frans Willems interpreteerde als ‘Basele’, waarmee hij Bazel nabij Rupelmonde bedoelde. Handschrift F of het Dyckse bracht in 1907 meer klaarheid omtrent de lokalisatie. Sedertdien houden de meeste vossejagers het bij Belsele. Dat er ook een Belzele-Evergem bij Gent bestaat, verontrust niemand meer. Waarom de auteur het over Belsele heeft, blijft weliswaar een raadsel. In archiefstukken van 1141 en 1154 wordt Belsele enkele malen vernoemd samen met Hulst, Hulsterlo en Saleghem. (betekenisvolle namen waar het ons dierenepos betreft) in verband met bezittingen van de abdij van Drongen; deze abdij wordt ook wel eens vernoemd als men het over de auteur Willem heeft. In zijn inleiding op de hertaling van Jonckheere publiceerde M. Gysseling een kaartje van het Reynaertland waarop ook Belsele wordt vermeld.
Nabij Belsele lagen heel wat heidevelden: hiernaar verwijzen nu nog toponiemen als Wijnveld (1260 Winevelde) en Puivelde (1295 Punvelde ten noorden van Belsele), Lijkveld (1117 Likevelda) onder Kemzeke. In dit heidegebied kronkelden volgens Gysseling de talrijke kromme paden uit de Reynaert. Puivelde kennen we al, Wijnveld is vandaag een van de belangrijke verbindingsstraten tussen Sinaai en Belsele, terwijl de Lijkveldstraat het gehucht De Kwakkel (grensgebied Sint-Pauwels-Stekene-Kemzeke) met de dorpskom van Sint-Pauwels verbindt; dit even om de huidige situatie te schetsen. In zijn boek Van den vos Reynaerde ontsluierd stelt Jozef de Wilde dat het in Belsele om een werkelijk treffen gaat tussen Reynaert, alias Zeger III, burggraaf van Gent (die model staat voor de vos), en Isegrim, zegge Diederik II, heer van Beveren. Onder de goederen die de heer van Beveren opeiste, was er te Belsele een onbewerkt stuk land gelegen naast de Pumbeke, van-
daag bekend als de Paddeschootbeek en behorend tot het grondgebied van Sint-Niklaas. En dan is er nog de Stekense vossejager Nonneman die een lijst presenteert waarop de namen van de eerste monniken van de abdij van Boudelo. Prijkt daar zowaar niet de naam van ene Willem van Belsele? Tenslotte nog even vermelden dat professor Peeters, ook een eminent Reynaertspecialist, het toch liever bij Bazel houdt. Maar dat zal Stijn Streuvels en Jozef de Wilde kleine zorg geweest zijn wanneer zij, fier als hanen, op Pinkstermaandag van 1955 als eerste gegadigden op de bank gingen neerzitten.
Na deze ‘bankoverwegingen’ (je ging toch ook even zitten?) gaan we naar de kerk. Belsele (‘bella cella’ of ‘mooie ruimte’ luidt een weinig waarschijnlijke verklaring; M. Gysseling poneert het Germaanse ‘balwa’ + sali = uit slechts één ruimte bestaand huis, m.a.w. ‘slechte woning’) mag zich beroemen op een zeer mooie gotische kerk, opgetrokken in Balegemse steen (14de tot 16de eeuw) en met karakteristieke westtoren (13de eeuw). Ze is toegewijd aan Sint-Andries en Sint-Ghislenus en alhoewel de kerk destijds door de geuzen geplunderd werd, bewaarde dit heiligdom in Scheldegotiek een bijzonder mooi interieur. Wij schrijven voortdurend ‘gotisch’, maar wie enigszins thuis is in stijlen zal ook wel romaanse sporen ontdekt hebben (torenbasis en benedenkerk). Binnenin treft de eenheid. Prachtig houtsnijwerk (koorgestoelte, de biechtstoelen en de eikehouten muurbekleding uit de 17de eeuw). Een bijzonder knap Van Peteghem-orgel uit 1784, een merkwaardige houten deur (14de eeuw) een oude koffer waarin weleer de Belseelse bevolking haar keuren en andere bescheiden opborg, en de 15de-eeuwse gotische doopvont zijn de andere blikvangers. Achteraan in de kerk hing vroeger een eigenaardige kevie: een offerkooi. De gelovigen konden hier levende dieren offeren voor de H. Ghislenus tegen ‘stuipen en seskes’. Of er ooit een vos of een Cuwaert werd geofferd, laten we aan de fantasie van de lezer over. Wandel ook even rond de kerk. Tegen de kerkmuur ontwaar je grafstenen en achteraan een verbeeldingrijk hels tafereel dat weleer de gelovigen deed huiveren en haastig de biechtstoel opzoeken. Daarboven een eikehouten ‘sprekendelieveheer’, die dringend aan restauratie toe is. Vóór deze meditatieplek werden grafstenen als zitbanken aangewend. Voor je de kerk verlaat om even de Kasteeldreef in te wandelen nog deze anekdote. Misschien vind je omtrent de ingangspoort nog sporen van gaten. Toen de toren gebouwd werd in de 13de eeuw had deze ook een burgerlijke bestemming. Wanneer plunderende legers het dorp bedreigden, vluchtte iedereen met have en
goed (vee incluis) naar de kerk waar immers asielrecht gold. In voornoemde gaten konden zware eiken balken geschoven worden om te poort te versperren. Ooit verbleven de vroede Belselenaren hier drie lange weken terwijl hun vee op het kerkhof bleef.
De Kasteeldreef inwandelen tot aan de voormalige heerlijkheid Hof van Belsele (wellicht woonde hier in de 13de eeuw ridder Willem van Belsele). Vandaag de dag zien we een kasteel, dat opgetrokken werd in 1903 en dat fungeert als een rustoord voor priesters van het bisdom Gent, dat dit ‘Hof’ aankocht in 1754. Ooit verbleef hier bisschop Maximiliaan van der Noot (18de eeuw). De geestelijkheid die hier tegenwoordig uitrust, mag dus op twee oren slapen wat het onbesproken verleden van haar ‘kasteel’ betreft.