begin  verder
[p. 7]

Goena-goena +

[p. 9]

Charles Prédier kwam met een vergenoegd gezicht het kantoor uit.

Nu was alles in orde; nu was zijn fortuin gemaakt! Terwijl hij het zweet van z'n voorhoofd veegde - het pleiten voor eigen zaak maakt zo warm! - drukte hij de zwartleren portefeuille, die hij onder de arm droeg, met liefde tegen zijn borst. Het had moeite gekost de notaris over te halen, geld te steken in de nieuwe koffieonderneming; doch nu het gelukt was, ging het overige vanzelf; nu zou het kapitaal gauw genoeg bijeenkomen; er zou gebouwd en geplant kunnen worden, en binnen een jaar of vier...

Het was alles netjes uitgerekend. Dáárom was notaris Bronkhorst er ook ín gegaan. Hij kende Prédier als een goed planter en flink administrateur; als een echte halfbloed Europeaan, die in de sociëteit blufte met champagne, homberde° tegen hoog tarief en mooier paarden hield, dan ieder ander, maar die in zaken angstvallig op de kleintjes paste, en wat men noemt op 'n cent doodbleef.

De erfpacht, aan het gouvernement gevraagd, was toegestaan; door de welwillende tussenkomst van een zwager te Batavia, en van een tante, die veel bij de resident aan huis kwam, was de canon° laag gesteld, de gronden waren prachtig; van bladziekte was in die streek geen sprake, - het was in één woord 'n goudmijn.

Bronkhorst dacht, toen Prédier weg was, nog na over de cijfers. Geheel optimist was hij niet meer. Al wat hij had ‘verdiend’ in Indië, stak in landelijke ondernemingen. De vooruitzichten, zeiden de administrateurs, waren prachtig, maar voor het ogenblik zag hij geen cent van zijn geld, en was het maar elke maand bijpassen. Toch was zijn vertrouwen niet geschokt, anders zou hij zich nu niet

[p. 10]

weer hebben laten ‘lijmen’ door Prédier. Als er maar één gelukte, dacht de notaris, dan was het reeds financieel in orde. En hij rekende op zijn goed gesternte. Hoe was hem de fortuin niet meegelopen, sedert hij twaalf jaren geleden benoemd werd tot notaris op de kleine hoofdplaats! Toen was het daar vrijwel: mager met mosterd. Zijn voorganger klaagde altijd steen en been, dat er zo weinig viel te verdienen. Nauwelijks was Bronkhorst gekomen of de vette jaren braken aan, alsof hij ze meebracht in zijn koffers. Waar vroeger slechts rijstvelden waren, wuifden nu de sierlijke pluimen van 't bloeiend suikerriet; waar vroeger lang uitgeschoten klapper bomen het ‘hoogste goed’ vormden, daar waren die nu vernederd door de hogere witte fabrieksschoorstenen, die in de maaltijd° nacht en dag altijd door rookwolken opzonden uit hun zwarte openingen. En dwars door de vroeger ongerepte velden lagen thans onafzienbare rails, hier roestig, ginds door de wrijving als gepolijst, en in eindeloze uitgestrektheid dof glimmerend in 't felle zonlicht. Er was geld gekomen onder de bevolking, en met 't blanke ‘slijk der aarde’ kwam nog ander ‘slijk’, dat zich aangetrokken voelde. Nabij het spoorwegstation woonden nu Chinezen en Arabieren, die handel dreven, warongs° hielden, opium smokkelden, dobbelhuizen hielden; 't was de legertros der westerse beschaving in het Oosten.

Maar het notariskantoor had er voordeel van. Bronkhorst had het lokaal gelaten zoals het was onder zijn voorganger. Dat stond goed, vond hij; hoe ouderwetser, vuiler en wormstekiger zo'n kantoor eruitzag, des te solider scheen het; alleen was het personeel uitgebreid; hij hield er een kandidaat op na en 'n paar klerken, terwijl zijn voorganger het niet verder had kunnen brengen dan tot één versuft kopiist achter 'n schutsel.

‘Hoe is het Jean, kom je eten?’

‘Is het al zó laat?’

‘Er is allang opgedaan: de kinderen schreeuwen van de honger.’

De notaris stond op en volgde zijn vrouw. Terwijl ze hem voorging van het bijgebouw, waarin kantoor werd gehouden, naar 't woonhuis, en de vergulde hakken harer slofjes klikklakten op de stenen der galerij, vertelde hij haar 't bezoek van Prédier, diens plannen en het aandeel, dat hij erin had genomen.

[p. 11]

Zij hoorde 't wel, maar het ging haar het ene oor in, het andere uit; ze begreep alleen, dat het pogingen betrof, om van koffie geld te maken, maar veel verder dan dit primitief begrip kwam zij niet; ze was nu reeds acht jaar in Indië - Bronkhorst had haar getrouwd, toen hij wegens ziekte 'n jaar met verlof naar Europa was geweest - maar zij was met hart en ziel een totok° gebleven, die slecht brabbelmaleis sprak, geen inlandse bedienden langer dan een maand kon houden, voor de details van het echt Indisch leven geen oog had, en er daarvoor ook nimmer een krijgen zou. Als Bronkhorst haar van zijn speculatiën in de cultures vertelde, dan zei ze maar ‘Ja en amen’; geloofde, dat het erg gelukkig zou wezen, als 't grote winsten opbracht, en... dacht er verder niet aan.

Hem kon zoiets dagenlang bezighouden, en dat deed het ook nu. Het maakte hem stil aan de rijsttafel; het hinderde hem 's middags op 't kantoor onder het andere werk, en toen hij 's avonds naar gewoonte in een wipstoel op het schabelletje° een havanna rookte na het diner, wilden hem die prachtige plannen van Prédier nog niet loslaten.

Naast hem stonden op een marmeren knaap° twee kopjes koffie; zijn vrouw zat tegenover hem; hij keek naar buiten en dacht hardop, voor de gezelligheid en menende dat Marie luisterde. De cijfers der mogelijke winsten maakten hem warm.

‘Jongens, als het die kerel toch eens lukte!’ riep hij. ‘Wat zou dat een heerlijk zaakje zijn!’

Marie was opgeschrikt door de luidere toon. Onder het exposé zijner geldelijke illusiën was ze rustig ingedommeld, maar nu greep ze naar haar kopje, en zei op 'n toon alsof ze zijn beschouwingen aandachtig had gevolgd: ‘Ja, heerlijk, hè?’

Hij snapte het wel.

‘Als je moe bent, Mies, dan moet je naar bed gaan; dat is veel beter.’

‘Wel neen; het gaat nogal!’

Bronkhorst lachte.

‘Kom, kom! Veins maar niet. Je valt bijna omver van de slaap. Ik kan het me best voorstellen. Die eeuwige drukte met de kinderen; 's morgens vroeg op en 's middags niet slapen... ga jij gerust naar bed, hoor.’

[p. 12]

‘Wil je niet nog iets drinken?’

't Kon haar eigenlijk weinig schelen, maar ze gevoelde, dat ze iets vriendelijks moest zeggen of enige zorg voor hem aan den dag moest leggen. Want het was wel 'n beetje onaangenaam voor hem, dat ze 's avonds na het eten altijd uitging als een nachtkaars. Maar ze kon er niets tegen doen; met de beste wil der wereld niet.

En hij vond het werkelijk zeer onaangenaam, - al drong hij er ook op aan, dat ze zou gaan slapen, - als hij zag, dat Morpheus haar te machtig werd.

Zeker, dacht hij, het was beroerd, erg vervelend; hij had zo weinig lust in uitgaan, en thuis hield na half negen alle conversatie op. Weer terugkerend tot zijn à propos,° de nieuwe koffieonderneming, zag hij, in gedachten verzonken, naar de schitterende lichtpuntjes op de zwartblauwe achtergrond hoog in de lucht, tot zijn aandacht werd afgeleid door de toon van een heftig krakeel. Hij keek eens in die richting over de pagger;° dat was weer bij de Bornes; die hadden ook altijd twist; en dan zo luidruchtig; ze moesten zich schamen!

Hij stond op, knoopte zijn kabaja° zorgvuldig dicht en wandelde het erf af, naar de grote weg; voortdurend klonk hem 't heftig geluid der twistende stemmen in de oren; wat ze elkaar toevoegden, kon hij niet verstaan, maar dat behoefde ook niet; de Bornes waren reeds twee jaren zijn buren, en hij wist er alles van. Nu en dan had hij zich ermee bemoeid; als 'n goed notaris, die zich altijd interesseert voor anderer zaken, kon hij dat niet laten, schoon zijn vrouw hem afried zich te mengen in geschillen tussen man en vrouw. Ook wist hij wel dat het zo'n vaart niet liep; grote woorden, anders niet. Juist passeerde hij hun huis, toen kapitein Borne, in uniform, naar buiten kwam.

Ze liepen samen op.

‘Die vrouw van me,’ zei de kapitein, die commandant was van het kleine garnizoen, ‘is in staat 'n mens razend te maken.’

‘Bah! Ze is zo kwaad niet.’

‘Neen, dat is ze ook niet. Ik geloof, dat ze 'n man moest hebben, zoals jij er een bent!’

‘Was het dan weer over de sociëteit?’

‘Natuurlijk. Dat gunt ze me nu niet. Ga ik 's middags in de

[p. 13]

kroeg 'n paitje° nemen, en 't wordt wat laat - dat kan toch gebeuren! - dan is sinjeur de duivel los. Wil ik 's avonds nog 'n partijtje maken, vlan! dan heb je de poppen aan het dansen.’

‘Maak je het niet werkelijk wat te druk?’

‘Och wat! Als ik in deze negorij altijd thuis moest zitten, dan stierf ik van chagrijn. Ik ben dat nooit gewoon geweest.’

‘Daarbij is het op den duur 'n kostbare aardigheid.’

‘Het is waarachtig,’ riep Borne, en in zijn verbazing bezigde hij een hoogst dubbelzinnige overdrachtelijke uitdrukking, ‘het is waarachtig of jullie onder één deken ligt.’

Zij lachten beiden, zó gek vonden ze het idee.

‘Neen, maar in ernst,’ vervolgde Bronkhorst stilstaande op de weg, wijl hij geen lust had verder mee te lopen, ‘is het niet een dure geschiedenis?’

‘Wel, dat is zo erg niet. Er gaan tien paitjes in één pop. 't Is waarachtig alsof ik de boel opmaak! De soos kost me niet half zoveel als haar familie.’

‘Ja, je hebt nogal dikwijls logés.’

‘Altijd, meneer! Jij bent 'n slimme vogel geweest, je hebt je vrouw uit Holland gehaald. Ik heb hier 'n vrouw getrouwd en op de koop toe 'n familie, die me de helft van het jaar op m'n dak zit. Nu is er weer 'n stelletje in aantocht.’

‘Het is aan de andere kant recht gezellig.’

‘Och dat wel, tenminste deze keer. Zij is 'n nichtje van m'n vrouw; Betsy heet ze, 'n verduiveld aardig diertje, en hij is 'n goeie vent; 'n lobbes.’

‘Is hij met verlof?’

‘Hm! Dat zou ik denken! Hij is 'n koffieboer, weet je, en ze hebben hem met groot verlof gezonden, omdat de boel niet marcheerde. Nu is hij à la recherche d'une position.° Overigens 'n goeie jongen, 'n vrolijke vent. Bonsoir!’

Kapitein Borne stapte voort naar de sociëteit, waar zijn partners hem reeds wachtten. Bronkhorst keerde langzaam en bij zichzelve glimlachend terug naar huis.

Wat was er nu toch voor aantrekkelijks in zo'n sociëteit? Zaterdagsavonds ging hij er 'n uurtje heen; hij was een notabele en moest

[p. 14]

zich dus ‘vertonen’. Maar zelfs dan zou hij bij voorkeur thuis zijn gebleven.

Een aanrollende reiswagen met zes paarden bespannen en bovenop, voor en achter met koffers bepakt, trok zijn aandacht. Met zijn twee flauw lichtende lantaarns gierde het rammelend monster in snelle vaart over de weg, en hield daarna stil voor het huis van Borne. Daar waren de ‘familieleden’, die de kapitein óók getrouwd had! Bronkhorst vond werkelijk, dat men de heer des huizes niet bijzonder vroeg gewaarschuwd, maar tamelijk wel voor een voldongen feit had gesteld. Hij ging een weinig ter zijde van de weg, en zag hoe een jonge vrouw met 'n slanke figuur vlug uit de wagen sprong en mevrouw Borne in de voorgalerij omhelsde; een lange man met 'n blonde baard volgde; een ogenblik hoorde men het onbestemd geluid van elkaar luidruchtig begroetende personen, - toen ging het drietal 't huis binnen en liet de zorg voor de barang° aan de bedienden over.

‘De buren hebben logés gekregen,’ vertelde Bronkhorst de volgende ochtend zijn vrouw, als een nieuwtje bij het ontbijt.

‘Ja, dat wist ik. Mevrouw Borne heeft me al 'n dag of acht geleden verteld, dat ze haar nicht Betsy te logeren kreeg met haar man, voor onbepaalde tijd.’

‘Zó-ó! Borne zelf vernam het eerst gisteravond.’

‘Zij wilde 't hem niet eer zeggen; hij moppert altijd zo lang, als hij het tevoren weet; wanneer de lui er eenmaal zijn, dan heeft hij er vrede mee.’

Bronkhorst moest erom lachen: 't was, vond hij, een eigenaardige speculatie.

‘Dat vind ik ook; 't kost toch beider geld.’

Het denkbeeld trof hem; niet omdat het nieuw was, maar hijzelf deed uit gewoonte altijd met zijn geld, wat hij wilde, zonder ooit zijn vrouw te raadplegen.

‘Je vindt het toch wel goed, Marie,’ vroeg hij, ‘dat ik me in die zaak van Prédier heb gestoken?’

Zij keek hem met haar grote ogen verwonderd aan.

‘Waarom zou ik het niet goedvinden?’

‘Wel, men kan niet weten; het is toch ook evengoed jouw geld.’

[p. 15]

‘Van die zaken heb ik geen verstand, Jean; dat weet je, en dan, ventlief, zoals jij doet zal 't wel goed wezen.’

Daar had je weer het vertrouwen! Zó genoot hij dat nu als notaris algemeen, en dáárvan was hij overtuigd: als zodanig was hij het waard ook. Hij had er uitstekend slag van de zaken voor anderen te behandelen; hij deed het gewetensvol en nauwgezet. Rijke Chinezen kwamen van heinde en ver hem in lastige, belangrijke zaken raadplegen, en ze wisten toch, dat de notaris hen geducht liet betalen. Maar hij bezat het welverdiende vertrouwen van iedereen voor ieders zaken; alleen miste hij dat van zichzelve voor zijn eigen zaken. Voor een ander zou hij niet half zo gauw en zonder ernstig onderzoek tot de plannen van Prédier zijn toegetreden; waar het zijn eigen geld betrof, was hij losser.

‘Je moet me niet zo onbeperkt vertrouwen.’

‘Verbeeld je! Als men 'n man heeft, die notaris is, en men vertrouwt hem niet...’

‘Nu?’

‘Nu,’ zei ze lachend, ‘dan moet hij toch 'n geduchte rover wezen.’

Meelachend kuste hij haar; zei, dat ze er zonderlinge theorieën op na hield, en ging als gewoonlijk in opgeruimde stemming naar 't kantoor, een ogenblik met ongeduld door zijn vrouw verbeid; want dan ving haar opperheerschappij aan over de huiselijke zaken; dan begon de dagelijkse grote drijfjacht op vlekken en stof, op niet fraai gepoetste vorken en lepels en niet volkomen glinsterende messen; op scheurtjes en rafels in kinder- en huishoudgoed; dan ving het moment aan, waarop de toorn der huisvrouw zich doorlopend lucht gaf over het gebrek aan westelijke zindelijkheidsbegrippen bij de Javaan.

De overdreven zin voor het huishoudelijke bij mevrouw Bronkhorst had onder de dames van 't plaatsje aanvankelijk grote verbazing gewekt. Toen ze pas uit Holland kwam, ontving men haar met meer nieuwsgierigheid dan vriendelijkheid; de Indische dames beschouwden haar zo'n beetje als 'n indringster. Als toch de notaris een vrouw had willen hebben, dan had hij, vonden ze, er immers een uit de Indische omgeving kunnen kiezen; er waren knappe jonge meisjes genoeg, die hem gaarne wilden hebben; hij had vol-

[p. 16]

strekt niet naar Holland behoeven te gaan om een vrouw te halen met askleurig haar, en die de hele dag koeliewerk deed in huis.

Men kende het huis van de notaris algemeen onder de naam van het ‘paleis’. Toen Bronkhorst met zijn vrouwtje naar Indië kwam, had hij 'n keurige Europese inrichting meegebracht. Fraaie ameublementen, hoogst onpraktisch en lastig om te behouden en te onderhouden, maar keurig mooi om te zien; stoelen met heerlijke overtrekken, die uitstekend aan hun bestemming beantwoordden, daar nooit iemand het waagde erop te gaan zitten; prachtige spiegels, mahoniehouten kasten, kostbare schilderijen en smaakvolle portières.° Met de hartstocht van een huishoudelijke, welopgevoede dochter uit een nette burgerfamilie in Holland, had de jonge mevrouw Bronkhorst zich dadelijk geconstitueerd als slavin van al dat moois, behoudens de servituten° haar door het moederschap opgelegd.

Zo was het haar gelukt al die schatten jaren te conserveren en ‘zo goed als nieuw’ te houden, in volle strijd steeds tegen de inlandse mensen- en insectenwereld.

Maar mooi was het, dát erkende iedereen; veel mooier zelfs dan bij de resident, en zo was het met alles, tot in de keuken, waar tot stomme verbazing van alle Indische mensen een glimmende batterie de cuisine° aan de helderwitte muur prijkte, en tot in de stal, waar de twee spannen fraaie koetspaarden en het rijpaard van Bronkhorst hun omgezette gras en gabah° op raadselachtige wijze schenen te verbergen.

Wel honderdmalen werd mevrouw Bronkhorst over de uitkomsten harer slavernij gecomplimenteerd; vooral door de heren, die verklaarden, dat het iemand ‘goed’ deed, weer eens zo'n keurig nette Europese inrichting te zien, maar die voor geen geld hadden gewild, dat hun vrouwen zoveel werk maakten van de inboedel.

Het ‘paleis’ had zijn vaste receptieavond; men zat dan in de voorgalerij aan de ene zijde; iedereen, voorzover hij door zijn maatschappelijke positie in aanmerking kwam, woonde die avondjes bij, en de resident, wie het au fond° weinig kon schelen, zei wel eens quasi spijtig, dat het bij de notaris drukker toeging, dan bij hem, resident. Het was niet pour les beaux yeux° van Bronkhorst en diens

[p. 17]

vrouw, schoon de laatste werkelijk mooie ogen had, dat de meesten kwamen; maar men zat er op zijn gemak bij de notaris, wat men niet deed bij de resident, en men kreeg buitengewoon fijne dranken en lekkere havanna's, wat men ook al niet kreeg bij de resident, die zelf niet rookte en niet dronk, en dus vond, dat een en ander eigenlijk ook niet voegde aan de gemeente.

De Bornes waren ook gekomen en hadden hun neef, meneer Den Ekster, meegebracht, de koffieplanter à la suite

‘Is je nicht niet meegekomen?’ vroeg mevrouw Bronkhorst, die familiaar was met haar buurvrouw.

‘Zij laat zich excuseren; ze had zo'n vreselijke hoofdpijn. Zeker van het zitten in de reiswagen, gisteren de hele dag; ze had het al toen ze aankwam; ze is niet zo heel sterk, weet je, en dan: ze trekt het zich nogal aan...’

‘U is niet meer op het land, meneer Den Ekster,’ zei vragend de resident op de meesterachtige toon van iemand, die zich overal ‘aan het hoofd’ gevoelt.

‘Neen, resident; de lui dachten dat ik de bladziekte kon weren, maar zó knap ben ik niet.’

‘Ja,’ was 't antwoord met een zucht vol staatszorg, ‘dat is 'n lelijk ding.’

‘Zie je,’ vervolgde mevrouw Borne tegen de gastvrouw, ‘zij is niet heel gelukkig met hem.’

‘'t Is erg jammer.’

‘Ja, er komt ook zóveel bij. Geen kinderen, zie je, nooit... geen ideetje.’

Mevrouw Bronkhorst keek haar even aan. Zij kon met het eigenaardig Indisch idioom maar niet terecht, en over zulke ideetjes van kinderen te spreken in gezelschap, hinderde haar.

‘Wil je 'n glas malaga?’

Ja, dat was het enige, waarmee de Indische kapiteinsvrouw te vangen was, omdat het, vond ze, iets had van stroop,° het enige dat ze dronk behalve koffie en koud water.

‘Ik wou,’ zei de kapitein met zijn luide commandostem, ‘dat ik geld genoeg had, dan liet ik twaalf ankers malaga aanrukken.’

‘Hou je daar zo van, kapitein?’ vroeg de algemene ontvanger.

[p. 18]

‘Wel neen, maar daar kon ik mijn vrouw mee paaien.’

Soedah!’° riep deze reeds half boos, ‘laat mij er asjeblieft maar buiten.’

Maar iedereen had er genoegen in en lachte.

‘Zo! Moet mevrouw zoet worden gehouden?’ vroeg de resident.

‘Terdege, hoor! Het is nu al zo ver, resident, dat ik geen bittertje mag drinken of ik krijg ervan langs als een rekruut van een vicekorporaal.’

‘Soedah, toch!’ herhaalde zijn vrouw met verwijtende blikken uit haar fluweelachtige zwarte ogen. Meer dorst ze niet zeggen, uit vrees voor de resident. Van alle kanten werden vrolijke opmerkingen gemaakt, volstrekt niet kwetsend voor haar. Integendeel, men mocht de Bornes zeer gaarne. Hij was 'n flink militair en zij een goede, hartelijke vrouw, en ofschoon ze altijd ruzie hadden, hielden ze wezenlijk veel van elkaar. Zij was trots op hem, al beknorde ze hem aanhoudend, en in haar hart vond ze dat geen enkel man de vergelijking met hem kon doorstaan. En Borne zelf dacht altijd met liefde aan zijn knappe, kloekgebouwde vrouw; men kon, als ze ziek was, hem ‘onder een hoed vangen’; hij was dan niet uit het huis te slaan. Maar als ze beiden gezond en wel waren, hadden ze het altijd met elkaar aan de stok, en in hun pogingen om elkaar te overschreeuwen was dat gauw genoeg algemeen bekend geweest op de plaats.

Toch waren ze gelukkig samen... op hun manier.

 

Toen ze van de receptie thuiskwamen, ging Den Ekster naar de logeerkamer om de zwarte jas, waarin de bergbewoner het op de vlakte ontzettend warm had, tegen 'n kabaja te verruilen.

Zijn vrouw zat bij het flauwe licht van een oud-model hanglamp naast de tafel op een wipstoel; ze was in sarong° en kabaai.° Toen ze hem hoorde aankomen, verborg ze haastig iets in haar koetang

Het was maar 'n brief van haar enige zuster, 'n jong ding nog, van achttien jaren, maar die er reeds twee getrouwd was met een ambtenaar; als meisje vertelden zij elkaar alles, en nu ze gescheiden waren, bleef Lidia tegenover haar zuster even openhartig op het papier; zij had altijd een erge hekel gehad aan haar zwager Den

[p. 19]

Ekster, doch zolang deze als administrateur ener onderneming Betsy een goed leven bezorgde, ging het nog; nu hij buiten betrekking was geraakt en niet eens 'n spaarpot bleek te hebben, was de verachting van Lidia voor zijn persoon grenzeloos, en drukte zij zich in haar brief zo onomwonden over hem uit, dat Betsy ermee verlegen zou geweest zijn, als hij 't had gelezen. Er stond te veel in die brief. Lidia bekeek daarin van alle kanten de vraag: hoe haar zuster van die ellendige kerel zou verlost raken; ze schreef over echtscheiding, ja, gaf niet onduidelijk te kennen, dat zij, had ze zulk een man, in staat zou zijn hem uit de weg te ruimen.

Terwijl het voorwerp dezer schoonzusterliefde zich puffend en blazend ontdeed van zijn lakens pak en zijn nauwe verlakte schoenen, wipte Betsy langzaam met haar stoel op en neer, en keek naar hem, in gedachten verzonken. Zij sprak niet en hij evenmin; ze hadden elkaar niets te zeggen; ze betreurden beiden, dat ze met elkaar getrouwd waren; voor de wereld hielden zij zich goed en waren vriendelijk tegen elkaar; niemand, dan haar zuster, haar tante en de oude meid, wist, dat het inderdaad een treurig huwelijk was. Toch was Den Ekster een knap man en zij een mooie appétissante° vrouw, met een zeer ontwikkelde buste, wat niet belette, dat ze 'n fraaie taille had. En terwijl haar lichaamsvormen in hoge mate de gewone aantrekkelijkheden tekenden, gaf het ter weerszijden over het voorhoofd tot dichtbij de wenkbrauwen neergekamd golvend haar iets rafaëlachtigs aan 't fijn profiel; iets, dat op de vulgaire bewondering van 't sterkere geslacht kalmerend werkte. Die coiffure° was geen mode meer, maar Betsy wist hoe goed ze haar stond en deed alsof de mode in dit opzicht uit de wereld was.

Toen Den Ekster, niet aan het warme kustklimaat gewoon, uitgeblazen en uitgepuft was, ging hij in nachtbroek en kabaja de kamer uit; vanonder haar half gesloten ogen gleed een donkere blik hem na; 'n blik vol minachting en haat, door een plooi om de mond krachtig versterkt.

In een duistere hoek van het vertrek zat een oude inlandse vrouw op een matje; het was de meid, die Betsy gedragen had in de slendang° en voor wie zij nonna° bleef zo goed als haar zuster, al trouwden zij ook honderdmalen. Betsy vond dat goed; 't herinnerde haar

[p. 20]

de tijd, toen ze nog vrij was en bij haar ouders thuis 'n vrolijk leventje leidde, totdat... het verwenste ogenblik kwam, en zij zich liet bepraten door haar ouders, die haast hadden om van de meisjes ‘af’ te komen en niets zozeer vreesden dan met haar te ‘blijven zitten’.

Van Den Ekster had zij een afkeer, en omdat ze hem nooit lief had gehad, vergaf ze hem nooit de geringste kleinigheid. Reeds van de eerste dag waren ze elkaar tegengevallen; haar stugheid had hem doen aarzelen; zijn aarzeling had haar nog stugger gemaakt; hij zocht zijn troost elders; zij had aan troost geen behoefte. Maar alles ging stil en fatsoenlijk, zonder één onvertogen woord, zonder één luidruchtige uitbarsting; met wederzijdse stille wrok, tegenover ‘de mensen’ verborgen achter een vriendelijk masker.

De oude meid, die dat alles van meet af had gezien, haatte de toean° uit instinctmatig plichtsbesef; dat hij haar nonna ongelukkig maakte, was voldoende om hem in haar ogen misdadig te doen zijn. In het begin, toen ze nog dacht, dat de nonna erom gaf, had ze voorgesteld geheimzinnige tovermiddelen op Den Ekster toe te passen om hem aan zijn vrouw te binden; maar Betsy had erom gelachen; ‘tjies!’° had ze geroepen met een gebaar van walging; en in het Maleis had ze haar hart uitgestort voor de oude baboe, met een zenuwachtige woede, die men in gezelschap achter het kalme, fraaie uiterlijk niet zou gezocht hebben.

Nu vertelde ze aan de? nènèh,° dat er een brief was van nonna Lidia, en de oude vrouw in 't lange blauwe baadje° en met de grijze achterovergekamde haren, kwam dichter bij de tafel, terwijl haar gerimpeld gezichtvol belangstelling naar de briefwas gewend, alsof haar daaruit rechtstreeks de woorden bereikten, die Betsy tot haar sprak.

‘Zij is gelukkig,’ zei de oude met een zucht. ‘Zij heeft altijd oentoeng° gehad, van kleins af. Het ongeluk was voor u.’

‘Ja,’ antwoordde Betsy, ook zuchtend, ‘het is zo. Ik kan er niets tegen doen.’

‘Neen... als het zo wezen moet.’

Mevrouw en de meid zwegen een ogenblik, onder de indruk van het onafwendbaar noodlot.

‘Hoe maakt het 't kind?’ vroeg de meid, doelend op Lidia's jongske.

[p. 21]

‘Heel goed, en zij is weer...’

Allah!’ riep de oude, de handen boven het hoofd heffend. ‘Zij heeft ook altijd, altijd geluk.’

‘Haar man is hoger in rang geworden.’

Ija,’° stiet de meid uit met een langgerekte i in een hoge toon, en op een wijze alsof het haar niet zou verwonderen, wanneer nonna Lidia in haar achtergalerij een goudmijn had ontdekt.

‘Had u die meneer Deier maar genomen; wie weet!’

Masa!’° viel Betsy verontwaardigd in. ‘Maar honderd gulden!’

‘Hij had geluk in zijn gezicht,’ meende de oude, ‘en dat heeft deze niet; zijn gezicht verveelde me al, toen hij de eerste dag kwam.’

Kuchend en steunend, louter uit gewoonte, en mompelend binnensmonds ging de oude weer naar haar matje. Betsy sloeg de armen achterover om de leuning van de stoel en wipte weer langzaam op en neer.

Neen, geen echtscheiding; dat was altijd compromitterend, vond ze; als ze dát gewild had, dan zou ze reeds lang zo ver geweest zijn; maar zij had ertegen om haarzelve, en Den Ekster ook om zijn familie in Holland. En toch had het vooruitzicht om met hem te blijven voortleven veel van een aanhoudende wederzijdse kwelling. ‘Als ik dan niet scheiden wilde,’ had Lidia in haar verschrikkelijke openhartigheid geschreven, ‘als ik dan niet scheiden wilde van zo'n ellendeling, dan zou ik wel voor iets anders zorgen.’

Betsy las de woorden nog eens over. Verschrikkelijk! Die Lidia was toch een boosaardig nest. Zij, Betsy, had aan zoiets nog nooit gedacht. Nu wilden die woorden haar niet uit de gedachten; ze brachten haar fantasie aan het werk, en ze zag, ze zag in haar verbeelding...

‘Hoe is het Bets, heb je kamerarrest?’

Zij schrikte van oom Bornes harde stem.

‘Kom,’ zei hij vriendelijk, ‘blijf daar niet zo alleen zitten. Kom in de voorgalerij. Wij zitten er gezellig.’

Wat oom Borne verstond onder ‘gezellig’, strookte niet geheel met een damesopvatting; hij begreep eronder, dat hij samen met Den Ekster vóór het diner nog een bittertje dronk, in het aange-

[p. 22]

naam vooruitzicht, dat in de na-avond een paar heel familiare kennissen kwamen om 'n partijtje te maken; meneer in een wit jasje en mevrouw in negligé.

 

En toen het zo laat was, betrok het mannelijk deel van het gezelschap 'n speeltafeltje aan de ene kant der galerij en homberde zwijgend en ernstig, als hingen hun grootste stoffelijke en zedelijke belangen af van de wisseling der kaarten. De dames whistten° met de blinde en met ‘de klets’; al voortspelende hadden ze het druk over de mensen, die niet aanwezig waren, maakten ze atjar° of gaven elkaar recepten voor pudding en kwee-kwee,° het een en ander afgebroken door geschillen over ‘wat’ nu eigenlijk troef was, en door de verbaasde vraag van degene, die aan de voorhand zat, wie nu eigenlijk moest uitkomen, afgewisseld door kwestiën over het wassen van de ene voor de andere, en het daarna aan de verkeerde kant neerleggen van de kaarten.

Van tijd tot tijd keek kapitein Borne eens op en maakte zijn medespelers met een glimlach en een hoofdbeweging attent op het praten aan de andere zijde.

‘Ze maken weer groot slem met haar monden,’ zei hij.

‘Hoor maar eens: rrrt!’ ratelde de gast, het geluid van de whistende dames nabootsend.

‘Och, ze hebben gelijk,’ meende Den Ekster, die altijd een goedaardige opinie had over de vrouwen, al hield hij niet van zijne eigene.

Betsy was stil, en niettemin speelde zij afschuwelijk slecht.

‘Bets,’ zei tante Borne ontevreden, ‘je bent vreselijk distrait° vanavond.’

‘Ja, ik weet niet hoe het komt.’

‘Als je 'n jong meisje was,’ zei de ‘visite’, ‘zou ik denken dat je verliefd waart.’

Met een volmaakt gebaar van minachting, schokschouderde Betsy even. Zij verliefd! Het was die brief, die nare brief van Lidia.

Toen tegen half twee in de nacht de kaarten der drie dames reeds lang naar de huisjes waren teruggekeerd en de afrekening met een paar kwartjes was gesloten, annonceerden de heren ‘de laatste’,

[p. 23]

rekenden af en stonden op. Oom Borne wilde nu, dat zij op hun gemak 'n brandy soda zouden drinken, maar de visite ging naar huis, en mevrouw Borne en Betsy gingen slapen, wat de kapitein niet belette alleen met Den Ekster zijn spiritualiënplan ten uitvoer te brengen.

Het was voor Betsy een hoogst onaangenaam leven. Op het land hadden zij elk hun eigen kamer en kwamen niet meer dan strikt noodzakelijk was met elkaar in aanraking. Hier kon dat niet. Tante Borne had slechts één beschikbaar vertrek met één bed; en nu was ze volstrekt niet bevreesd voor familiariteiten, - noch hij, noch zij zouden daartoe aanleiding geven of vinden, - maar toch hinderde het haar, dat hij naast haar sliep, en deze afkeer was zo wederkerig, dat in het grote tweepersoonsledikant elk hunner gestrekt tegen de klamboe lag met een brede plaats tussen hen open, die altijd ongerept bleef.

Zij kon niet slapen; ze had nu werkelijk hoofdpijn van het denken over de inhoud van die brief; in huis was het stil; tante Borne sliep en haar kinderen ook; slechts nu en dan hoorde men een onvast stemgeluid uit de aangrenzende kinderkamer, als een der kleinen zijn onschuldige dromen hardop droomde; van 't gesprek der twee mannen in de voorgalerij hoorde men in het achterhuis niets; de oude meid sliep rustig op haar matje; flauw verlichtte 't brandend pitje in het glas met klapperolie de eenvoudige kamer, trok op de bruine tafel een grote schaduwcirkel, en tekende op de witte muren de halve omtrek der kasten. Als een vlindertje in 't vlammetje vloog, het op en neer deed dansen en daarmee al de schaduwen op de muren in beweging scheen te brengen, dan schrikte Betsy en voer haar een rilling langs de rug. Ze vond het dwaas en kinderachtig; ze had zeker binnenkoorts, dacht ze, en met haar ogen wijdopen, staarde ze naar het licht. Maar het hielp niet. Haar anders zo kalm hoofdje werkte onregelmatig, en ze zag in haar verbeelding akelige dingen: het nare gezicht van Den Ekster met zijn blonde baard, blauwbleek, strak en met gesloten ogen; zij deed zelfs de ogen dicht, maar 't hielp evenmin, want ze zag het toch, dat gezicht, op en neer dansend zonder romp; en daarachter kwam dat van de oude meid met afzichtelijke grijnzende trekken.

[p. 24]

Zij streek de haren van haar klam voorhoofd weg en stond op; het was in dat bed niet uit te houden; zenuwachtig opende zij de kast, nam er een doosje quininepillen uit, en slikte haastig een vijftal naar binnen. Door het kraken van de kastdeuren was de baboe ontwaakt en had ze zich opgericht.

Betsy nam een kussen uit het bed en wierp het op de mat, naast dat van de meid.

‘Er zijn veel muskieten,’ zei deze.

‘Soedah.’

‘De grond is hard.’

‘Houd de mond, nèh,° en ga slapen.’

Maar de oude deed dat niet; zij stond op, steunend en mompelend, ging naar de binnengalerij, haalde een bultzak° van een divan en sjouwde die naar de plaats waar haar nonna lag. De stenen vloer voelde werkelijk hard door de dunne mat heen. Betsy glimlachte, ging op de bultzak liggen en zei in 't Hollands:

‘Je bent 'n goeie ouwe ziel, ja!’

De oude gaf door niets te kennen, dat ze dit verstond of begreep. Ze nam een waaier van de toilettafel en hield, al waaierend, de gonzende muskieten, die haar meesteres bedreigden, op een afstand; rustig sliep Betsy in; honderden malen was ze zó ingeslapen, toen ze nog vrij was.

Zó vond haar Den Ekster tot zijn grote vreugde. Behaaglijk strekte hij zich uit in het ruime bed. Hij was al bang geweest, dat ze erin zou liggen en was het met zichzelve niet eens kunnen worden of hij de nacht dan maar niet verder zou doorbrengen in een luierstoel in de achtergalerij. En attendant° had hij oom Borne aan de praat en aan de brandy gehouden tot half vier.

‘Jij bent ook een plakker, jij,’ had de kapitein lachend gezegd. ‘Ajo,° mars, naar je kooi!’

En nu vond hij de baan vrij!

De haat, die de oude Sarinah haar heer en meester toedroeg, werd volkomen gedeeld. Hij beschouwde haar als een sta-in-de-weg; toen ze pas getrouwd waren, en het nog zo ver niet was gekomen tussen hen, had hij Betsy wel eens verzocht de baboe weg te zenden, desnoods met levenslang behoud van traktement. Er was

[p. 25]

geen sprake van. Hij had het in die tijd op allerlei wijzen beproefd: met goede raad, met zachtzinnigheid, met toorn, - 't was alles vruchteloos; toen had hij getracht de meid zelve te noodzaken heen te gaan: hij schold haar, behandelde haar hard, beschuldigde haar van diefstal, - 't hielp even weinig: 't mens zweeg. Maar wie daarbij niet zweeg was Betsy; zij was woedend, en Den Ekster moest haar stille, maar venijnige hatelijkheden verduren, tot hij het opgaf.

Na die tijd beproefde hij het nooit weer, en daar de kloof tussen hem en zijn vrouw voortdurend groter werd, was er ook minder aanleiding toe dan vroeger.

Toen hij opstond was het reeds laat. Van Betsy was geen spoor te ontdekken; die zat reeds lang bij haar tante in de achtergalerij, en de kapitein was al vroeg vertrokken, voor de dienst.

‘We zullen straks eens naar “hiernaast” gaan,’ zei tante Borne. ‘Zij is een echte totok, maar 'n lief, goed mens.’

‘We moesten liever eens naar de pasar gaan,’ meende Betsy.

‘Neen, Bets. Ik heb het haar beloofd, en je moet voor de aardigheid zien wat een mooie poppenkast het is.’

‘Zijn ze rijk?’

‘Nu, dat zou ik denken. De resident zei laatst, dat Bronkhorst wel voor dertigduizend gulden aan inboedel had. Kijk,’ ging ze voort over de pagger wijzend naar het erf van de notaris, ‘kijk, ze gaat rijden met de kinderen: dat doet ze elke ochtend; soms komt ze vragen of ik meega.’

‘En gaat u?’

‘Wel, waarom niet? 't Is lekker.’

‘Ik zou niet willen. Als ik 't zelf niet kon betalen, dan zou ik niet willen gaan toeren in de wagen van een ander.’

‘Je bent 'n pretentieus nest,’ zei tante Borne dreigend ‘Ik ben blij, dat ik zo gek niet ben. Oom is kapitein; dat is een mooie, eervolle positie, zo goed als die van tien pennenlikkers, hoor! Maar geld overhouden kunnen we niet; daar zorgt 't gouvernement wel voor. Iedereen mag gerust weten, wie mevrouw Borne is, en als wij geen wagens en paarden kunnen houden, dan zijn we er toch niets minder om; en als...’

‘Herejé, tante, maak u niet boos. Het is de moeite immers niet

[p. 26]

waard. Er steekt zeker niets in, alleen: ik zou het niet doen.’

Maar tante was er niet tevreden over, dat kon men haar ogen wel aanzien; toch ging ze er niet op door, want ze wilde geen twist hebben met Betsy, dáárvoor had ze aan haar man genoeg.

 

Omstreeks half twaalf wandelden de dames in sarong en kabaai en met grote parasols boven het hoofd het erf van mevrouw Bronkhorst op; men kon niet vroeger bij haar komen, had tante Borne gezegd, want het mens had het altijd zo vreselijk druk met het huishouden, en was nooit vroeger dan half twaalf te spreken. Zelfs nu nog troffen zij haar aan in een slaapsarong en een vuile kabaja.

‘Och, mevrouw Borne, ga even zitten als je wilt; ik ben in twee minuten klaar, maar ik heb het ook vanochtend zo vreselijk druk gehad, dat ik nog geen tijd kon vinden om me wat op te knappen.’

Terwijl de vrouw des huizes bezig was zich ‘op te knappen’ en tante Borne in een Palembangse wipstoel zat te schommelen, liep Betsy de binnengalerij rond over de gladde marmeren stenen, gepolijst als 'n dansvloer. Wat was dat alles keurig net! Zij kon haar ogen niet verzadigen. Zulk een verzameling van fraaie kleinigheden, en zulke kostbare grote meubelen had ze nog nooit gezien. En welk een zilverkast!

‘Ziezo,’ zei mevrouw Bronkhorst, die inderdaad heel gauw klaar was. ‘Ziezo, nu ben ik 'n beetje presentabeler. Wel mevrouw Den Ekster, is het nogal naar uw smaak?’

‘O, mevrouw, 't is goddelijk!’

‘Noem haar maar Betsy,’ zei mevrouw Borne, ‘ze is nog zo jong.’

‘Welzeker; ik vind het wel zo prettig als u mij bij de naam noemt.’

Mevrouw Bronkhorst keek haar eens aan.

Ja, jong was ze en mooi ook, dat was waar, daarop viel niets af te dingen; het enige wat de notarisvrouw overwoog, was of het verjeugdigen dier getrouwde vrouw haarzelve niet te oud deed schijnen. Doch ze stapte eroverheen.

‘Nu, Betsy dan. Hoe is het met de hoofdpijn?’

‘Dank u, die is gelukkig verdwenen.’

‘Erg lastig, nietwaar? Kijk, daar komt mijn man. Ik heb hem

[p. 27]

laten roepen; het is dezer dagen zo druk niet op 't kantoor; hij kan ons best 'n uurtje gezelschap komen houden!’

Nieuwsgierig keek Betsy naar de notaris; welk een man moest het zijn, die zoveel pinterder° was dan al die anderen, dat hij geld genoeg verdiende en rijk genoeg was om allen te overbluffen.

Zo men al niet kon zeggen, dat de notaris door zijn uiterlijk dat van Den Ekster in de schaduw stelde, - voor deze onderdoen behoefde hij niet. Daarentegen was hij beschaafder en bewoog hij zich gemakkelijker tegenover dames; er lag bovendien een innemende vriendelijkheid op zijn gelaat, die weerklank vond in de toon zijner stem. Hij beviel Betsy uitstekend. Welk een onmogelijk individu was zo'n Den Ekster, vond ze, vergeleken bij een man als deze! Zelfs oom Borne, hoe goedhartig en braaf, kon met zijn talrijke bittertjes en luidruchtige manieren niet in een vergelijking komen. Bronkhorst vond haar ook een lief, sympathiek vrouwtje, en sprak nogal druk met haar.

‘Was het vóór uw trouwen hier ook zo mooi?’ vroeg ze hem, toen hij haar enige inlichtingen had gegeven over 'n paar schilderstukken, die binnen aan de wand hingen.

‘Neen. Ik woonde niet eens hier, maar had mijn kamers in het logement.’

‘Dus bracht mevrouw het mee?’

‘Dat nu juist niet. We hebben het samen gekocht in Europa.’

‘Gelukkige mensen! Ik ben dol op mooi goed.’

Tante Borne keek haar even aan; zij begreep niet waarom haar nichtje zo ongevraagd zat te jokken, want ze wist heel goed, dat ze niets gaf om meubelen, en, wat fraaiigheden aanging, slechts voor mooie toiletten en mooie paarden hart had.

‘Och,’ antwoordde Bronkhorst enigszins aarzelend, ‘als men het eenmaal heeft...’

‘Nu ja, u kunt er gemakkelijk over praten... wat men ontbeert leert men appreciëren...’

De notaris bleef het antwoord schuldig. 't Was, vond hij, pijnlijk. Diezelfde ochtend nog had hij, sprekend met Prédier, aan de betrekkingloze Den Ekster gedacht, en gevraagd of zij hem niet op hun nieuwe onderneming zouden kunnen gebruiken. Doch Prédier

[p. 28]

had er geen oren naar. Den Ekster was, zei hij, lui, dom en verwaand, en van zulke mensen moest hij op het land niets hebben. Wel was hij eerlijk, maar, zei Prédier, ‘ik heb nog oneindig liever een knappe, werkzame vent, die me tracht te bestelen; tegen dat laatste zal ik dan wel waken!’ Daartegen viel weinig te zeggen, en hoe gaarne Bronkhorst uit aangeboren hulpvaardigheid ook ‘iets’ voor de neef van zijn buurman zou gedaan hebben, - op deze onderneming, waarvan hij veel verwachtte en die aardig wat geld kostte, mocht hij niemand pousseren,° die bekend stond als lui en dom.

‘Heeft uw man al pogingen gedaan?’

‘Och, notaris!’ viel mevrouw Borne in, ‘als u iets voor hem hoorde, ja? Het is in de tegenwoordige tijd zo moeilijk.’

‘'t Is aan de ene kant wel gelukkig dat u geen kinderen hebt,’ meende mevrouw Bronkhorst, met de beste bedoeling iets in het midden brengend, dat door 'n Indische vrouw altijd wordt beschouwd als een hatelijkheid. Het lichtte eventjes onder de neergeslagen oogleden en de donkere wimpers van Betsy; ze zuchtte en glimlachte droevig.

‘Het is alles heel treurig voor ons. Daar zitten wij nu op tantes dak, en indien zij ons niet wilde logeren, dan zou ik niet weten waar we heen moesten, als Den Ekster niet spoedig iets anders kreeg. En ik vrees... want ik weet niet of hij er wel zoveel moeite voor doet als nodig is.’

Bronkhorst had het niet willen zeggen, maar inderdaad, dát vond hij ook. Die jonge vrouw had meer verstand dan haar man. Of had die Den Ekster, toen hij op de receptie was, zich niet met 'n enkel woord kunnen aanbevelen bij de resident en bij hem? Dat zou toch eenvoudig en verstandig zijn geweest. In plaats daarvan poseerde hij als de vermoorde onnozelheid en hing de zondebok uit, door onoordeelkundige eigenaren in de woestijn gezonden, beladen met al de ongerechtigheden der bladziekte.

‘Het is,’ zei hij met een ernstig gezicht, ‘tegenwoordig geen gekheid buiten emplooi te zijn. U moet hem maar aan het verstand brengen, dat hij 't niet lichtvaardig opneemt, maar in ernst moeite doet.’

[p. 29]

Zij schudde het hoofd.

‘Dat helpt niet.’

Zie je wel, dacht Bronkhorst; dan had Prédier toch gelijk en was die Den Ekster verwaand ook. Hij voelde dat hij een hekel kreeg aan die man, terwijl hij het in zichzelve zonde en schande noemde, dat zo'n lief vrouwtje zich aan zo'n nonsensvent had verslingerd. Nu kon hij niets voor hem doen, en hij wilde dat ook niet; maar toch om harentwille zou hij zich gaarne moeite hebben gegeven.

‘'t Is jammer,’ zei hij toen de dames afscheid hadden genomen, ‘dat dit jonge vrouwtje zo'n nare man heeft.’

‘Ja,’ antwoordde Marie, ‘het is geen gelukkig huwelijk, heeft mevrouw Borne me verteld. Ze kunnen niet best met elkaar overweg.’

‘Dat wil ik waarlijk wel geloven; zo'n kerel, die lui, dom en pedant is...’

‘Hoe weetje dat?’

‘Prédier zei het, en ik geloof het nu ook.’

Het viel de notarisvrouw tegen. Zij had er juist aan gedacht de hulp van haar man in te roepen ten behoeve van Den Ekster, met het oog op die koffieonderneming, waarin hij en Prédier betrokken waren.

 

‘Hoe vind je hen?’ vroeg mevrouw Borne onder 't huiswaarts keren.

‘Háár... zó... Hem vind ik een aangenaam mens; men moet zo'n vlegel tot man hebben als de mijne om een ander op prijs te stellen.’

Het hinderde tante Borne. Zij, Betsy, mocht dan tegen haar man hebben wat zij wilde, maar het paste haar niet hem achter z'n rug uit te schelden.

Toen ze thuiskwamen, was tante bijzonder vriendelijk tegen neef, die zich dat kalm liet welgevallen. Den Ekster was een eigenaardig man met een karakter, dat 'n grote mate van onverschilligheid tot brede grondslag had. Hij hield van alles wat goed was, maar kon het ook ontberen zonder morren. Daar hij in Nederland op de landbouwschool geweest was, verbeeldde hij zich ver boven Indische planters te staan, en gevoelde hij voor deze practici een soevereine minachting. Overigens bedaard, weinig sprekend bij

[p. 30]

volkomen ontstentenis van wat men 'n flux de bouche° noemt, was hij onder de veelpraters zeer gezien, omdat hij hen geduldig aanhoorde en nooit in de rede viel. Oom Borne, een gezellig praatvaâr, mocht hem graag en noemde hem een lobbes, en tante Borne, die het mee niet aan radheid van tong ontbrak, hield ook veel van de aangetrouwde neef, tot wiens grote gaven nog behoorde, dat hij haar spijzen roemde en de kwee-kwee lekker vond, waaraan de goede kapiteinsvrouw in het zweet haars aanschijns alle zorgen had besteed. Het was waar, Betsy was van haar eigen familie, en daar had ze 'n groot zwak voor, maar in haar hart hield ze veel van de ‘arme jongen’, die nu weer zonder z'n schuld buiten betrekking was geraakt.

‘Als we morgenavond eens 'n paar mensen vroegen?’ opperde zij, toen ze na de rijsttafel met de kapitein in hun kamer was. Dat deed ze zo altijd; na de rijsttafel was Borne het best in zijn humeur.

‘Wel, dat is uitstekend. Als je maar zorgt, dat ik een partijtje heb.’

‘Natuurlijk, vent. Ik zal...’

Er volgde een opsomming van de uit te nodigen gasten, waaronder ook de notaris Bronkhorst en diens vrouw.

‘Jammer, dat hij niet hombert,’ meende de kapitein met glinsterende ogen.

‘Och waarom? Er zijn immers heren genoeg.’

‘Ja maar zie je, met die gaat het maar om een gewoon tariefje. Als ik die notaris eens te pakken kon krijgen...’

‘Dan verloor je misschien op de koop toe.’

Maar de kapitein glimlachte slim. Hij was sterk in het spel, dat wist hij, en als een ‘kleintje’ er maar even was door te halen, dan kon men zeker zijn dat het hem niet ontging.

Het denkbeeld lachte hem zo toe, en in zijn verbeelding zag hij reeds ‘'n potje’ vol ‘kapitalen’ van de notaris, dat hij, Borne, ‘in de wacht sleepte’.

Maar zo'n man homberde niet! Dat whistte met de dames! Net 'n wijf, dacht de kapitein; met 'n boos gezicht keerde hij zich met 'n ruk om in bed van de ene brede schouder op de andere, en verontwaardigd sliep hij in.

[p. 31]

Het was nu toch 'n heel ander gezicht bij de Bornes, dan wanneer ze en petit comité° waren! Bronkhorst was ‘ingedeeld’ met Betsy en nog 'n paar dames; hij was zeer galant voor haar en verstond de kunst met gratie te verliezen. Zij koketteerde 'n beetje; zij was verreweg de mooiste van het drietal aan de speeltafel, en onwillekeurig keek de notaris nogal dikwijls naar haar; het was alsof zij 't voelde, en als zij met 'n fijn glimlachje dan de oogleden opsloeg en met haar flonkerende zwarte ogen hem recht in de zijne keek, dan was het als spoorde hem dat aan zich in haar ogen behaaglijk te maken. Maar hij dacht daarbij aan niets. Hij hield veel van zijn vrouw; geen ogenblik ging hij in gedachten verder dan de omstandigheden van het ogenblik, en die waren, dat hij met een mooie jonge vrouw 'n partijtje maakte en vriendelijk tegen haar was.

Toen de gasten heengingen, keek Betsy hen na, voorzover de halve duisternis het veroorloofde; eigenlijk zag ze alleen het prachtig toilet van mevrouw Bronkhorst, en daarna viel haar oog op haar eigen eenvoudig bruin kleedje met lichter bruin gegarneerd. Wat waren die mensen gelukkig boven allen! Zou zoiets ooit voor haar zijn weggelegd, gebonden als ze was aan die ‘kale jakhals’ buiten emplooi, die ze bovendien nog haatte ook! Wat leek het duister in de voorgalerij, nu!

‘Ik ga me gauw uitkleden,’ zei tante Borne.

‘Wij moesten ons ook lekker maken,’ meende de kapitein doelende op zichzelve en op Den Ekster.

‘Dat is 'n goed idee,’ zei deze.

Ze gingen 't huis binnen. Betsy bleef; ze wilde wachten tot ‘die vent’ terug was, dan behoefde zij niet tegelijk met hem in de kamer te zijn. Terwijl de bediende de speeltafeltjes binnenhaalde en de kaarten en fiches opborg, liep Betsy de galerij op en neer. God, god, welk een leven! Te zien, hoe onbeduidend andere vrouwen van uiterlijk zijn; te weten, dat men zelf haar in schoonheid overtreft; te ervaren, dat zij in weelde zwemmen, en zelf gedoemd te zijn tot misère, - ze kneep haar waaier haast stuk van woede, maar ze betoomde zich, want 't was haar enige goede.

En al dat jammer omdat ze als 'n slavin was gebonden aan ‘die vent’! O, maar het was schandelijk en belachelijk tevens, en Lidia...

[p. 32]

Ze durfde 'n ogenblik haar gedachten niet te laten voortgaan. 't Was om er koud van te worden! Bovendien: zou God zo'n misdaad niet verschrikkelijk straffen? Het denkbeeld hield haar 'n ogenblik bezig. Zij was gedoopt en aangenomen, maar ze had niettemin altijd erg weinig ‘gedaan’ aan godsdienst; ze wist er zo goed als niets meer van, en ze ‘deed’ er sedert haar aanneming in 't geheel niet meer aan.

Toch hield de vrees een ogenblik haar hart benepen, maar met haar gewoon onverschillig schokschouderen, liet zij het denkbeeld los. Als er een God was, die zich met iets bemoeide, dan had hij maar moeten zorgen, dat zij niet zo'n man had gekregen.

Toen Den Ekster uit de kamer kwam en zij er binnenging liep hij haar bijna omver. Het kwam niet bij hem op zich met een enkel woord te verontschuldigen; in zijn ogen was zij weinig meer dan een knappe baboe met tinka's.° Vol minachting keek hij op haar neer en ging zijns weegs.

In de kamer ontkleedde haar de meid, alsof zij een kind was; haar rol was daarbij volkomen passief; toen ze uitgekleed op de stoel zat en de oude voor haar neerhurkte om haar kousen uit te trekken, stak ze niet eens het fraaigevormde been uit, maar liet het de meid opnemen, die het met de hiel op haar eigen knie plaatste, om te beletten, dat het in slappe indolentie weer terugviel.

Doch in haar hoofd was het zo kalm niet; zij was bleek en staarde op een onverschillig punt, in gedachten verdiept.

‘Soedah!’ zei de meid met een zucht, na de tweede kous.

‘Weet je wat mijn zuster schreef?’

‘Misschien.’

‘Wat! Misschien? Hoe kan jij 't weten?’

De oude schudde het hoofd.

‘Ik denk zomaar.’

‘Je kunt het niet denken,’ zei Betsy; ze sprak zacht, maar snel en zenuwachtig; ‘je kunt het niet denken, nèh! Hoe kan jij weten, wat nonna Lidia schrijft in een brief?’

‘Ik weet het niet; ik ken nonna Li, zoals ik nonna Betsy ken. Allah! ze waren nog slechts zó klein.’

Mevrouw Den Ekster werd een beetje bang; ofschoon ze het

[p. 33]

mens bejegende met de afwisselende wreedheid en aanhaligheid, die Indische kinderen voor hun bedienden aan den dag leggen, koesterde zij toch enige vrees voor de toverachtige geheimzinnigheid, die de oude soms deed blijken; dat was haar bijgebleven uit de tijd toen Sarinah voor haar kinderbedje zat te vertellen van de gendhroewo,° die buiten in de duisternis achter de bomen gluurde.

Zij vermande zich en trachtte te glimlachen.

‘Je bent erg pinter, nèh, dat je raden kunt, wat anderen schrijven.’

‘Misschien! Men kan niet weten!’

‘Nu zeg het dan, als je het weet,’ zei Betsy boos. ‘Sta dan zo dwaas niet te praten.’

Steunend als naar gewoonte, kwam de oude naar haar toe, liep tot naast haar stoel, en met de hand op de leuning zich vooroverbuigend, fluisterde zij haar meesteres iets in, en ging daarna zuchtend en mompelend naar haar matje terug om uit te rusten.

Betsy bleef onbeweeglijk zitten en zag verschrikt naar de gebogen figuur in het lange blauwe baadje, die in de half duistere hoek der kamer neerhurkte.

Het duurde wel een minuut vóór zij iets zei, en in dit tijdsverloop snelden haar gedachten voort. Ze voelde nog wel een grote angst voor het idee, als voor iets dat onberekenbare gevolgen kan hebben, maar toch begon ze er meer aan gewoon te raken, en eigenlijk verheugde het haar, dat ze er nu voortaan met de meid over kon praten, zonder dat ze haar iets had behoeven te vertellen.

‘Je bent toch zeer slim,’ zei ze tot Sarinah, en toen deze zich niet geneigd betoonde om op dit compliment te antwoorden, ging ze voort:

‘Het is erg slecht.’

‘Als men een slang ontmoet, slaat men haar dood.’

‘Een slang is wat anders.’

‘Somtijds veel minder erg... ah!... hu!... oh!...’ zuchtte en steunde Sarinah.

Betsy deed een kabaja aan en ging oom en tante goedenacht zeggen; de laatste, in haar kamer, sliep reeds bijna; oom zat met

[p. 34]

Den Ekster 'n grogje na te drinken, en daar hij niet zien mocht hoe de eigenlijke verhouding was tussen het jonge echtpaar, riep zij uit de binnengalerij naar voren: ‘Welterusten!’

‘Dag beste meid, vergeet niet je mooie ogen dicht te doen,’ antwoordde de kapitein op vrolijke toon. Den Ekster bromde iets in z'n baard.

Zij sliep nu elke nacht op de bultzak op de grond; tante Borne wist het wel, maar deed alsof ze niets merkte, en de kapitein was van die dingen volstrekt niet op de hoogte.

Haar slaapplaats was reeds door de oude gereedgemaakt; het mens zat te wachten met de waaier. Betsy ging eerst op haar harde matras zitten; ze moest iets zeggen, het kostte wat het mocht, maar de woorden wilden haar niet over de lippen; haar hart stond bijna stil en haar hoofd klopte, als onderging zij met schuldgevoel een scherp onderzoek; zij voelde haar handen en voeten koud worden als steen, en haar mond werd droog van binnen. Sarinah zat erbij als een stomme; ze vroeg niets, stond zachtjes steunend op, schonk water in een glas uit de gendi° en reikte het haar toe. Ruw stiet zij de bruine gerimpelde hand weg, zodat het water over de vloer spatte, en zag hevig verschrikt de oude aan.

‘Masa!’ riep deze afkeurend.

‘Nèh, ik ben bang van je! Ga weg, ga weg!’ fluisterde Betsy in grote opgewondenheid.

Oeah! Waarom is de nonna bang voor haar oude baboe?’

‘'t Is slechts gekheid, nèh; ik ben kinderachtig, ja! Geef me het water maar; het is heel goed van je.’

Zij dronk en 't bedaarde haar een weinig, maar toen Sarinah haar gewone plaats op het matje had ingenomen, kwamen dezelfde fysiologische verschijnselen weer terug, en het was de oude meid alsof haar verdroogde vingers een ijsbad namen, toen Betsy ze greep met beide handen en bijna onhoorbaar vroeg:

‘Zou je het durven?’

Het antwoord bleef 'n ogenblik uit; de baboe zag met haar doffe onverstoorbare ogen in 't ontstelde, verwrongen gezicht van het mooie vrouwtje; en ze glimlachte vredig en streek zacht over de rijkdom van glanzend zwart haar, zoals ze het 't kleine kind had

[p. 35]

gedaan en het opgroeiend meisje, waarover ze gewaakt had dag en nacht, en dat nu zo ongelukkig was.

‘Boleh tjobah,’° antwoordde ze zacht.

Toen volgde een fluisterend gesprek tussen beiden, tot Betsy opstond, met bevende handen de kast opende en uit haar beursje een paar gouden tientjes nam; het was een klein deel van wat ze op het land had bespaard, maar dat in de dagen van tegenspoed reeds aanmerkelijk was geslonken. Sarinah stak het geld in een vuil katoenen zakje, dat ze oprolde en tussen haar sarongband verborg.

 

De oude hand met de waaier erin was reeds lang gedaald en het grijze hoofd lag op het onzindelijk kussentje, waarop het gewoonlijk rustte; Den Ekster sliep reeds en snorkte zo hard dat de glasruiten ervan rinkelden; maar Betsy was, hoewel zij stil lag en met gesloten ogen, nog klaarwakker midden in de nacht. Zij kon niet slapen. Wel beving haar nu en dan een loodzwaar gevoel van verdoving, zodat het was alsof ze haar arm niet kon oplichten of haar hoofd niet kon bewegen, maar haar geest bleef waken, denkend over dat éne onderwerp, het beziende van alle kanten, het wikkend in alle voor en tegen, in alle zelfs zijn meest veraf liggende fantastische gevolgen. Nu en dan liep haar een rilling over het lijf alsof ze koorts had en een dreunend pijnlijk gevoel trok haar door het hoofd van de ene kant naar de andere. Toen de natuur overwon en zij in slaap viel, liet het boosaardige plan haar geen rust; zij droomde van gruwelijke moord; zij sneed eigenhandig iemand het hoofd af en verborg dat onder haar kabaja; toen kwam de assistent-resident en wilde haar geboeid tussen zijn oppassers meenemen; maar zij wilde niet om dat hoofd; en zij voelde hoe het bewoog met de trekken, hoe die beweging zichtbaar was aan haar kabaja, en terwijl ze trachtte dat te verbergen voor de politie, die haar wilde gevangennemen, opende het hoofd de mond en beet haar in de borst. ‘Neem het weg,’ riep ze of wilde ze roepen, en in werkelijkheid stiet ze een paar benauwde toonloze kreten uit, die haar zelf deden ontwaken en ook aan het snorken van Den Ekster voor 'n ogenblik een einde maakten. Het koude zweet gutste haar van het voor-

[p. 36]

hoofd; haar gelaat was doodsbleek en haar handen sidderden, terwijl zij snel en diep ademhaalde.

Bagimana!’° zei zachtjes en op afkeurende toon de oude meid, terwijl ze met een machinale beweging de waaier op en neer deed gaan en met haar slendang langs het voorhoofd harer meesteres wreef.

De volgende morgen aan het ontbijt beschouwden tante en oom het nichtje met belangstelling en bezorgdheid.

‘Kind, wat ben je bleek!’

‘Mijn hemel, je bent ziek. Wat scheelt eraan?’

‘Ik ben niet erg lekker.’

Sakit peroet,’° hoestte de oude Sarinah, die bij de naaister op de mat was gaan zitten.

‘Nu,’ zei mevrouw Borne, met al de zekerheid, die zij uit haar boekoe obat° putte, ‘daar zullen we je wel wat voor geven.’

‘Het is de moeite niet waard, tante.’

‘Je ziet er toch heel slecht van uit.’

‘'t Zal morgen wel beter zijn.’

Er werd niet verder over gesproken. Na het ontbijt kreeg Betsy, die niet had meegegeten, 'n smeersel uitwendig en 'n bitter drankje inwendig, waarop ze 'n half uur later tot grote vreugde der kapiteinsvrouw verklaarde, dat het haar uitstekend had geholpen.

‘Er gaat niets boven inlandse medicijn,’ verklaarde tante plechtig. ‘Je ziet er wezenlijk al veel beter uit.’

Nu dat laatste was waar, maar Betsy moest bij haarzelve toch lachen om de heilzame werking van geneesmiddelen voor kwalen, die men niet heeft. Met een onrustig oog volgde zij die dag Sarinah, in al haar doen en laten.

Het manah nèh?° lag haar telkens, als de oude niet in haar nabijheid was, op de lippen.

‘Wees toch niet zo vervelend!’ had tante gezegd. ‘Het is net of je 'n klein kind bent.’

De dag ging voorbij en de volgende zonder dat er iets gebeurde; de zenuwachtige toestand van Betsy verdween, en ze zag alles kalmer aan; zij liep immers persoonlijk volstrekt geen gevaar! Sarinah zou haar niet verraden, dat wist zij. Bovendien, zijzelve deed im-

[p. 37]

mers niets hoegenaamd en nimmer kon men haar iets bewijzen.

Maar de derde dag liep het haar koud langs de rug en verschoot zij van kleur, toen ze aan de rijsttafel gewaarwerd dat Den Ekster er slecht uitzag. Zij had hem in de laatste dagen meer in het oog gehouden, dan vroeger in maanden; zij zag het dadelijk en begreep. Toch kon het nog niet erg wezen, dacht ze, want de Bornes schenen er nog niets van te bespeuren. Alleen toen Den Ekster, die in gewone omstandigheden begaafd was met een verbazende eetlust, slechts een enkele lepel rijst nam, vroegen oom en tante in volle verbazing en als uit één mond:

‘Wat mankeert jou?’

‘Ik heb 'n onaangenaam gevoel in de buik; ik ben helemaal zo loom en soezerig.’

‘Wacht, ik zal je straks wel helpen. Zij,’ antwoordde tante, doelende op Betsy, ‘had voor een paar dagen precies hetzelfde; ik heb er haar in een paar uren afgeholpen. Is het niet waar, Bets?’

‘Ja.’

Onwillekeurig keek Den Ekster naar zijn vrouw, die net had gehad, wat hij nu gevoelde te hebben. Het gebeurde niet dikwijls, dat hij haar aanzag, maar het trof hem nu, dat zij werkelijk bleek en vermagerd was.

‘Ben je helemaal beter?’ vroeg hij op zijn gewone afgemeten toon.

De oude vijandschap verdrong elk gevoel van medelijden.

‘Natuurlijk,’ zei ze, en uit de klank van haar stem kon men duidelijk horen, dat ze er had willen bijvoegen: ‘ik ben niet zo'n sukkel als jij.’

Hij gaf er geen weerwerk op, maar glimlachte spottend, zoals men doet over de dwaasheid van een kind; daarna keek hij droevig naar zijn ledig bord en schonk zich een groot glas water.

‘Je moet niet zoveel water drinken,’ zei de kapitein; ‘dat is niet goed. Neem een glas cognac...’

‘Wel, Borne,’ riep zijn vrouw. ‘Je lijkt wel mal met je sterke drank bij buikziekte.’

‘Dat ben je zelf met je hele inlandse medicijnrommel,’ riep hij met de hand op tafel slaande. ‘Een glas cognac is altijd goed.’

[p. 38]

‘Het is niet waar; het is vergif, en mijn inlandse medicijnrommel is heel wat heilzamer dan al dat... zuipen.’

't Hoge woord was er alweer uit en een woordentwist, die op niets hoegenaamd uitliep, maar zoals zij er wel vijftig in het jaar hadden, luid en heftig, brak los. Den Ekster noch Betsy spraken er een woord tussen; hij was er te onlekker voor, en zij had zulk een gevoel van bevangenheid, dat het gekijf haar niet eens erg duidelijk was. Eindelijk kwam er een eind aan. Bij tante Borne kwamen tranen aanrukken, en toen stond de kapitein rood als vuur van tafel op, zette zijn stoel neer als moest die door de grond en rukte uit naar zijn kamer.

Den Ekster stond ook op, zuchtend en naar het scheen erg vermoeid, want toen hij uit de achtergalerij naar binnen ging, knikten zijn knieën.

Zij durfde niet in de kamer komen.

‘Ga jij niet slapen, Bets?’ vroeg tante.

‘Neen, ik blijf hier.’

‘Nu, dat is goed; dan kun je me gezelschap houden.’

Betsy wist daar alles van. Geen kwartier was verlopen of de kapitein riep met vervaarlijk basgeluid:

‘Hoe is het nu? Blijf je daarachter overnachten?’

En toen stond tante op. Zij zei met een triomfantelijke uitdrukking op het gezicht: ‘Daar heb je hem al,’ en ging gauw haar aandeel nemen in de echtelijke siësta.

Het was zo stil als het is, midden op de dag bij het brandende zonnetje. Mens en dier zochten schaduw en verademing; de grote huishond strekte zijn lichaam uit op de koude treden van de stenen trap om de oppervlakte van zijn huid zoveel mogelijk ermee in aanraking te brengen; de kippen woelden zich onder bomen en planten kuilen in de grond en lagen daarin met opgestoken veren, als zetten zij de vensters hunner pluimage van de warmte open, gelijk men het die van een huis doet; de bedienden lagen in hun kleine vertrekken op het achtererf voor negen tienden naakt op hun balé-balé's;° geen haan dacht aan kraaien, geen vogel aan zingen, geen hond aan blaffen, - alles onderging de invloed van de tropische middaggloed, die de lucht deed trillen, en verzengend en

[p. 39]

afmattend in altijd terugkerende golvingen heen en weer ging.

Betsy zat op een bank in een hoekje, quasi bezig met het borduren van pantoffels, ongeveer het enige wat zij kon; zij deed het bij uitstek fraai, maar ditmaal knoeide zij geweldig.

Nauwelijks was tante weg of Den Ekster kwam driftig naar buiten en ging naar achter. Met een verholen blik zag ze, dat hij nog bleker was dan tevoren. Wat zou het worden? Haar hart klopte zo snel, dat het haar vrees aanjoeg.

Hoe zou het wezen, als hij terugkwam? Zou het een crisis worden met verschrikkelijke doodsstrijd? Zou hij het zelf bemerken en het zeggen, misschien? Zou hij het stervend haar verwijten in het bijzijn van oom en tante? Zij kon niet blijven zitten, wierp de pantoffels weg, ging naar binnen en bevochtigde haar slapen en polsen met koud water. Het was niet uit te houden! En toen ze gereed was, scheen het haar toe, dat hij al wel een uur weg was, naar achteren. Als hij daar eens dood was gebleven! Zij liep erheen, ofschoon ze zo beefde, dat ze waggelde op de hoge hakken harer slofjes.

‘Ben je nog dáár?’ vroeg ze zacht buiten de deur.

‘Ja,’ antwoordde met een zucht 'n klagende stem, welke niet de stem scheen van Den Ekster.

‘Als je ziek bent, kan ik je dan ook helpen?’

‘Jij niet,’ was het antwoord, dat klonk als van iemand, die doodmoe en afgemat is. ‘Stuur me die oude meid maar.’

Zij vloog naar binnen.

‘Nèh, ga gauw naar achter en help mijnheer.’

‘Oeah!’ zei Sarinah langgerekt en zangerig. ‘Moet ik op mijn oude dag de baboe zijn van zulke grote kinderen?’

‘Kom, ga nu maar.’

‘Ik ga al,’ steunde de oude niet zonder spotternij. ‘Het is zo erg niet. Lekas baik!’°

Betsy ging weer in de achtergalerij zitten met het borduurwerk in de hand, maar de blik onafgewend naar de kant, vanwaar Den Ekster komen moest. Weer duurde het lang. Eindelijk kwam hij, steunend op de arm van de zelf gebogen oude meid. Wat zag hij eruit! Snel sloeg zij de ogen op haar borduurwerk en trachtte 'n

[p. 40]

paar steken te doen, die scheef en schots op het stramien kwamen.

Toen hij voor haar stond, keek zij op en zag in de diepliggende, door kringen omgeven ogen, waarvan het blauw tegen de vale kleur der wangen afstak.

‘Wil je zo goed zijn,’ vroeg hij weer met de stem, die zij niet kende, en die de zijne niet was, ‘de dokter te laten roepen? Ik ben erg ziek’

‘Ik zal het dadelijk doen,’ zei ze. Haar stem trilde en had ook een geheel veranderde klank, maar hij lette daar niet op; hij had al zijn aandacht nodig voor de krampen in zijn ingewanden en het brandend gevoel, dat zijn lichaam als verschroeide.

Tante Borne was wakker geworden en wilde Den Ekster obat° geven, maar de kapitein was daartegen en de patiënt zelf ook. Bovendien had Betsy reeds om de dokter gezonden, en toen die kwam durfde tante niets meer te zeggen, maar terwijl hij Den Ekster in de kamer onderzocht en Betsy met haar in de achtergalerij wachtte, zei ze op zeer stellige toon: ‘Ik zou begonnen zijn met hem een lepel castorolie° te geven.’ Sarinah, die het hoorde, knikte met het hoofd en zei, dat de njonja besar° pinter sekali° was.

De jonge, pas uit Europa aangekomen officier van gezondheid klopte, luisterde, informeerde, keek bedenkelijk, schreef een recept en vertrok. Des namiddags kwam een hevige koorts opzetten. Weer werd de dokter gehaald, die zijn voorschriften gaf, naar zijn beste weten. De kapitein en diens vrouw maakten zich ongerust. Betsy zat in de kamer, waar Den Ekster ziek lag, roerloos als een stenen beeld, terwijl Sarinah als ziekenoppasseres fungeerde en trouw op tijd, want ze kon op een horloge zien, de medicamenten uit de Europese apotheek toediende.

De goede familie Borne zag in de diepe verslagenheid van Betsy een bewijs van medelijden en verborgen genegenheid.

‘Kom,’ fluisterde tante haar toe, ‘kom Bets, ga mee naar achter 'n kop thee drinken. De oude zal hem wel goed verzorgen, en je kunt hier toch niets doen.’

De zieke lag in een doffe sluimering; de koorts scheen te wijken; de temperatuur was aanmerkelijk gedaald; maar niettemin kreunde hij in zijn slaap, als gevoelde hij pijn.

[p. 41]

Het was de volgende dag iets beter. De dokter kwam trouw 's morgens, 's middags en 's avonds, de medicijnen werden geregeld gebruikt, en oom Borne verklaarde met een zucht van verlichting dat, al had dan Den Ekster door die korte aanval een geducht ‘rokje uitgetrokken’, hij er toch wel gauw weer ‘bovenop’ zou zijn.

Betsy wist niet, hoe zij het had. Wel was haar door die beterschap een pak van het hart genomen, maar nu de vrees en de agitatie voorbij waren, en haar zenuwen bedaarden, vond zij het een vreemd en dwaas geval. Toen de derde dag na de ziekteaanval Den Ekster, schoon bleek en erg zwak, weer aan de rijsttafel verscheen en niet zonder appetijt de flauwe kostjes nuttigde, door tante met zorg voor hem gereedgemaakt, verklaarde oom, zeer stellig, dat de vijand overwonnen was en Den Ekster nog niet naar ‘kapitein Jas’ ging, onder ‘de groene deken’, maar dwaalde de vragende blik der jonge vrouw onwillekeurig naar de kant, waar Sarinah op de mat bij de naaister zat.

Maar de oude keek niet op. Zij deed voor tijdpassering enig grof werk en mompelde nu en dan enige woorden, die door de jonge naaister met zekere eerbied werden aangehoord.

Dat alles hinderde haar en maakte haar boos, wat nog verergerde door de toespelingen van de kapitein, die meende heel goed te doen, toen hij zei:

‘Nu, Bets heeft zich wát ongerust over je gemaakt toen je ziek waart. Men kon haar “onder een hoedje vangen”.’

Het deed Den Ekster toch goed, al had hij haar niet lief, en enigszins vriendelijk vroeg hij:

‘Was je bang, dat ik dood zou gaan?’

De alle opgewektheid dodende sluier van onverschilligheid trok weer over haar gelaat, en sprak als 't ware uit haar gehele houding.

‘Volstrekt niet. Ik heb 'n hekel aan ziekte, dat is alles.’

‘Zo! Had je misschien gedacht, dat ik je 'n jong weeuwtje zou maken?’

‘Ja,’ zei ze bruuskweg.

‘Hm! Nu, dan is dat een vergissing geweest.’

Zij zweeg, doodsbang, dat zij te veel zou zeggen. Oom en tante

[p. 42]

Borne vonden het verschrikkelijk en de kapitein nam zich ernstig voor deze kwestie later, als Den Ekster geheel was hersteld, op afdoende wijze tot een geschikte oplossing te brengen. Dat moest anders worden, vond hij. Zulke jonge mensen!

En mevrouw vond het ook.

‘Ze houden betoel° van elkaar,’ meende zij, alle harten rekenend naar haar eigen, ‘maar het is of Joost ermee speelt, - ze vatten alles verkeerd op, en de een doet de mond niet open of de andere is klaar om zich te verdedigen, ook als er niets te verdedigen valt.’

‘Het is maar gelukkig, oudje,’ zei de kapitein, zorgvuldig zijn uniformjas uit de kreuken trekkend, ‘dat wij zo niet zijn. We mogen dan al eens 'n los woord hebben, maar als het erop aankomt, dan weten we toch wel waar Abram de mosterd haalt, hè?’ en hij sloeg de arm om haar heen en kuste haar, terwijl zij hem lachend een oude gek noemde, maar geen de minste poging deed om zich los te maken; integendeel!

Zelfs Betsy sliep rustig, thans meer dan ooit op de bultzak. Borne, die tijdens de ongesteldheid van Den Ekster 's avonds zijn troost weer in de sociëteit had gezocht, was reeds lang tehuis. Het Zwitserse klokje, dat in de achtergalerij aan de wand hing, sloeg helder en met lange tussenpozen drie slagen. Den Ekster werd wakker; zijn mond was droog, en met schrik voelde hij weer het brandende gevoel, door zijn gehele lichaam, en de pijn en de zwaarte in zijn ingewanden; het gonsde in zijn hoofd en de lamp scheen zo duister; hij voelde zijn huid branden en lette op de snelle overgangen zijner gedachten van het ene onbeduidende onderwerp op het andere. Hij had het weer terug, dat voelde hij! Het kwam weer op met dezelfde woede, waarmee het de vorige week was gekomen; wat zou het nu worden, nu hij zoveel weerstandsvermogen niet meer had?

‘Nèh!’ riep hij.

De oude meid was dadelijk bij de hand. Als ze op zijn roepen gewacht had, kon ze niet vlugger geantwoord hebben.

Hij vroeg een glas water; haastig dronk hij het leeg, en nog een, en nog een. Dat hielp een ogenblik! Maar toen kwamen weer de stekende pijnen en de aandrang. De meid hielp hem flinker, dan

[p. 43]

men van haar ouderdom zou verwacht hebben. Betsy schrikte wakker. Zij sprong op van haar slaapplaats.

‘Wat is het?’

‘Stuur om de dokter,’ kermde hij, van pijn weer krimpend.

Zij vloog zelf de deur uit; ze was blij, dat ze weg kon komen uit het huis; eerst had ze oom en tante gewekt, en nu ijlde ze zenuwachtig voort op haar blote voeten naar het huis van de dokter, dat wel een halve paal° van 't hare verwijderd was.

Voor de jonge dokter was het een grote teleurstelling. Het had hem reeds zó verheugd, dat hij deze patiënt had genezen van wat hij meende dat een klimaatziekte was. Hij had in Indië met veel wederwaardigheden te kampen; de enige taal, waarin hij zich bij Europese bewoners kon verstaanbaar maken, was het Duits. Maleis en Hollands kon hij nog niet spreken, en daar zijn meeste patiënten slechts in die talen tehuis waren, kostte het ontzaglijke moeite behoorlijk inlichtingen te ontvangen. Nu deed zich dat naar het scheen ernstig geval voor; hij meende goed geraden en overwonnen te hebben, maar verheugde zich te vroeg; de zieke scheen weer ingestort.

Toen hij ten huize der Bornes kwam, zag hij dadelijk dat het ergste te vrezen stond. De temperatuur van de zieke was vreselijk hoog; ook de overige verschijnselen waren hevig, en wat het ergste was, de patiënt lag geheel uitgeput terneer, onverschillig voor alles wat gebeurde, half bewusteloos soms en nu en dan enigszins opgewonden, maar wat lichaamskracht aangaat, altijd zwak en hulpbehoevend.

Tante Borne hielp de oude Sarinah; wat de dokter gelastte, deden zij, en na een uur of wat scheen de aanval enigszins te bedaren.

In het Duits zei nu de jongeman tegen kapitein Borne, dat hij naar huis ging; hij zou omstreeks tien uren terugkomen; men moest trouw zijn voorschriften volgen, en als het erger mocht worden, wist men, waar men hem vinden kon.

‘A propos!’ zei de kapitein, toen ze samen in de voorgalerij kwamen, waar de frisse ochtendlucht hen verkwikkend tegenstroomde. ‘Wat zou je denken dat hem eigenlijk scheelde?’

De jongeman trok enigszins zenuwachtig aan zijn kneveltje,

[p. 44]

dacht een ogenblik na en zei toen met grote snelheid: ‘Bösartige tropische Sumpffieber mit Lokalisation auf dem Plexus solaris. Guten Morgen, Herr Kapitän.’°

En weg was hij!

Het martiaal gezicht van kapitein Borne nam al luisterend een kluchtige uitdrukking aan van verbazing, en zonder terug te groeten keek hij verbluft de jonge vreemdeling na, die met vlugge tred heenging. Maar een ogenblik later fronste hij de wenkbrauwen en mompelde een krachtig woord. Was die vent gek, met zijn koeterwaals en zijn potjeslatijn? Het was 'n rare boel, meende de kapitein, het leger op te schepen met onverstaanbare dokters.

Toen hij weer in de ziekenkamer kwam, trof hem de uitdrukking van angst en schrik, die uit 't gehele wezen van Betsy sprak, al zat ze stil op een stoel, plukkende aan haar zakdoek, en zonder dat ze deelnam aan de bedrijvige ziekenverzorging harer tante. Hij nam zijn vrouw terzijde.

‘Ik zou haar naar buiten zenden met de meid; kijk ze er eens uitzien.’

‘Ja, daar heb ik niet op gelet. Kasian,° ze is helemaal afgevallen! Bets, ga jij zolang naar achter, ja, en laat de nèh je wat opknappen. Wij kunnen het nu hier wel af; als je nodig mocht zijn, zal ik je roepen.’

Sarinah hielp haar en steunende op de meid ging zij de kamer uit. Op de bank in de achtergalerij viel zij als het ware neer.

‘Bagimana!’ zei de oude met van verbazing hoog opgetrokken wenkbrauwen; ‘wat scheelt de nonna toch?’

En toen ze geen antwoord kreeg, maar de grote ogen zich vol angst en schrik op haar vestigden, voegde zij er hoofdschuddend bij:

‘Het is alles vanzelf gekomen; ik was nog niet eens begonnen.’

‘Nèh,’ riep Betsy opgewonden en halfluid: ‘je liegt!’

Doch Sarinah hield vol. Soenggoeh mati° het was waar. Zij had nog niets gedaan, hoegenaamd, en ze had de gouden tientjes nog ongewisseld in 't zakje tussen haar sarongband. Betsy geloofde het nu; het was zo heerlijk het te kunnen geloven! Ze haalde diep adem en streek heur hoofdhaar naar achteren. Dat was een bevrijding,

[p. 45]

even heerlijk als onverwacht! Zij stond op met haar gewone veerkracht en rekte haar fraaigevormde leden uit; er kwam meer kleur op haar gezicht en glans in haar ogen; zij had het kunnen uitschreeuwen van pret; ze nam het grijze hoofd van Sarinah tussen de handen en kuste haar op de wang.

‘Geef me gauw 'n handdoek, nèh; ik ga baden!’

Steunend en mompelend ging de oude een kamer binnen om de doek te halen; toen ze die bracht, zei ze:

‘Moet de nonna niet eens in de kamer om te kijken, hoe het de toean gaat?’

Betsy rukte haar ruw de doek uit de hand, en de oude haat tegen haar man misvormde weer haar trekken.

‘Tjies,’ antwoordde zij, ‘laat hem voor mijn part...’

Vlug sprong ze de trapjes af naar beneden en liep als een jong meisje hard naar de badkamer, als had ze haast om al de onaangename gewaarwordingen, die haar nutteloos en nodeloos gekweld hadden, weg te spoelen.

Sarinah ging in het ziekenvertrek, waar de kapitein en diens vrouw druk bezig waren met Den Ekster. Het hoofd rustte op Bornes brede, sterke arm; het bleke gezicht, diep ingevallen, zodat de sterke, witte tanden als door de huid heen schenen, was omhoog gericht; de grote blauwe ogen dwaalden langzaam heen en weer.

‘Ik voel, dat het uit is. Dag oom, God zegen je.’

‘Dag arme kerel,’ antwoordde de kapitein met tranen in de ogen, een prop in de keel en een verzwegen krachtig woord op de lippen.

‘Dag, beste tante.’

Zij kon niet antwoorden, zó overmeesterde haar de aandoening.

Een ogenblik, met moeite, benauwd en pijnlijk ademend, zag hij rond.

‘Dag nèh! Slamat tinggal,’° zei hij tegen Sarinah, die bij het bed stond en hem had opgepast.

Tabé toean,’° klonk het doodbedaard terug. ‘Slamat djalan.’°

Hij hoorde het niet meer. Een ogenblik van hevige pijn scheen in te treden; een kort moment slechts; toen was het uit, het lichaam rekte zich, en een zacht gorgelend keelgeluid...

Tournez, tournez!’° neuriede Betsy, terwijl zij zich siramde° in de badkamer.

[p. 46]

‘Nonna, nonna!’ riep de oude meid aan de deur.

‘Nu, wat is er?’

‘Al dood!’

Zij danste op haar tonen° over de stenen vloer en zwaaide, in stilte juichend, de blikken gajong° boven haar hoofd. Goddank, dat het uit was en dat zij er geen schuld aan had!

De kapitein en zijn vrouw hadden in het gewichtig ogenblik zelfs niet aan Betsy gedacht; zij was ook zo weinig de vrouw geweest van haar man! Nu Den Ekster gestorven was, schoot het tante Borne als een bliksemstraal door het hoofd; in haar zenuwachtige toestand, het gelaat van tranen glimmend, vloog ze naar achteren; Sarinah was haar vóór geweest, en toen zij luid snikkend bij de badkamer kwam, waarheen ze liep toen zij de jonge weduwe niet zag in de achtergalerij, ging de deur open en trad Betsy naar buiten, kalm glimlachend, schoon en ongevoelig.

‘Bets, lach niet! Och God, hij is dood!’

Zij wilde geen onaangenaamheden hebben met haar tante, nu minder dan ooit, en daarom zette ze dadelijk een gelegenheidsgezicht.

‘Ik lach niet; het is verschrikkelijk.’

‘Ja. Och, hij heeft een ogenblik nog zó geleden!’

Tante Borne veegde haar behuild gezicht af met de punt van haar kabaja; zij lette er niet op, dat ze haar zakdoek in de hand hield.

‘Het is vreselijk, zo jong. Oom is er ook kapot van.’

Dat was waar, want de kapitein hemde en kuchte, en klopte met de vuist op de borst, en liep met vaste tred en een verschrikkelijk kwaad gezicht de kamer op en neer, nu en dan een blik slaande op het lijk, en met een krachtig woord zichzelve afvragend hoe het mogelijk was. De dames kwamen binnen; bij het zien van de dode kwamen tantes zenuwen weer geweldig in werking. Betsy zag kalm op het pijnlijk vertrokken gelaat; zij kon het niet verder brengen dan tot het gelegenheidsgezicht, al hadden er schatten mee verdiend kunnen worden; gelukkig voor haar kwam haastig en verschrikt de dokter binnen om het enige te doen, wat hem restte: de dood te constateren. En terwijl hij voor het bed stond, keek Betsy

[p. 47]

naar het pijnlijk vertrokken vaalbleek gezicht. Het was haar bekend! Zó had zij het meer gezien! Zó had het die avond, toen ze koortsig was en voor de eerste maal op de grond ging slapen op de bultzak, haar voor de ogen gedanst zonder romp. 't Was precies hetzelfde; de overeenkomst hield haar aandacht onwederstaanbaar geboeid. Maar zij gevoelde niets; geen zweem van medelijden zelfs. In haar binnenste leefde slechts het bewustzijn, dat ze nu vrij was, 't scheen alsof een stem in haar hart dit voortdurend juichend en triomferend herhaalde. Vrij en toch niet misdadig! Zij had niets op haar geweten; niemand kon haar iets ten laste leggen, want hij was vanzelf gestorven en Sarinah had het geld nog in het zakje. Nu, dát mocht het oudje houden!

 

Op het notariskantoor was alles stil. De vensters, door het weelderig geboomte op het erf beschaduwd, waren ten overvloede door groene stores° tegen de doorvallende zonnestralen beveiligd. Kriskras gingen de pennen der klerken over het papier; zóveel woorden op een regel, zóveel regels op een bladzijde met eentonige regelmaat in de lange op- en neerhalen. Een Chinees zat dichtbij Bronkhorst en sprak met hem op zachte toon, nu en dan met een luid ‘saja toean’,° als hij bemerkte dat de notaris hem precies had begrepen.

Driftig werd de achterdeur opengestoten, en ofschoon ze zag, dat haar man ‘zaken’ had, liep ze tot vlakbij zijn schrijftafel.

‘Er is een vreselijk ongeluk gebeurd, Jean,’ zei ze zenuwachtig.

Hij rees verschrikt op.

‘Een ongeluk? Wat dan?’

‘Den Ekster is zoëven overleden.’

‘O zo! ja, dat is erg ongelukkig. Zo'n jonge man!’

Maar het had hem werkelijk opgelucht, toen hij hoorde, dat het niets anders was, want hij had aan de kinderen gedacht.

‘Willen we er niet heen gaan?’

‘Zeker. Ga jij maar vast vooruit. Ik kom dadelijk, zodra ik met deze zaak gereed ben.’

Zij ging ijlings heen, om zich 'n beetje ‘op te knappen’, want ze was nog volstrekt niet klaar met het ‘huishouden’, en ten slotte

[p. 48]

hield haar dat juist zó lang bezig, tot ze gelijk met haar man naar het sterfhuis kon gaan. Reeds meer vrienden en kennissen van de familie Borne waren daar bijeen; het gerucht van het sterfgeval had als een lopend vuur de ronde gedaan op de plaats, die zich met zo weinig afwisseling en zo weinig nieuws behelpen moest. Velen hadden met de logés kennisgemaakt, zonder dat ze verder iets van de onderlinge verhouding wisten, en Betsy werd hartgrondig beklaagd. Dames, zelfs die Den Ekster nooit anders hadden gezien dan op z'n rug, als ze achter hem langs de weg wandelden, vergoten tranen met tuiten. In de ogen der weduwe echter wilden die niet opwellen, al deed ze ook nog zo haar best; het gaf ergernis, dat zag ze wel, maar ze kon het niet veranderen, en ze dankte de hemel, toen tante Borne, die bij de hardnekkigheid der weduwlijke traanklieren, verschrikkelijk zat te huilen, tegenover de gevoeligsten harer vriendinnen op een lumineus idee kwam. ‘Ik wou in 's hemelsnaam maar,’ fluisterde ze, enigszins luider dan in gewone omstandigheden nodig was, een harer vriendinnen in het oor, ‘dat ze huilen kon.’

De list gelukte, en, met dieper medegevoel dan ooit, zag men neer op dat toonbeeld van een smart zó hevig, dat het er zelfs droge ogen bij hield.

Bij het binnentreden van het huis, maakte ook op mevrouw Bronkhorst het feit, dat de dood hier een voor kort nog krachtig mensenleven had vernietigd, zijn gewone indruk; aangedaan condoleerde zij Betsy, wier koele hand de hartelijke druk van die der totok onbeantwoord liet. Toen de notaris haar zonder iets te zeggen de hand reikte, keek Betsy op, en het trof haar, dat zijn gezicht zo weinig uitdrukking van leedwezen of medelijden toonde, en meer dan enig ander in sympathie was met de grote onverschilligheid, die haarzelf zo koud liet.

‘Heb je hem nog gezien?’ vroeg Marie toen zij met haar man naar huis terugkeerde.

‘Ja; hij was niet veel veranderd.’

‘Hè,’ zei ze huiverend. ‘Ik zou niet graag zijn meegegaan naar binnen.’

‘Ben je zó bang voor 'n dode?’

[p. 49]

‘Bang is het woord niet, maar ik heb er een afkeer van: als ik een lijk heb gezien, dan staat me het gezicht nog weken daarna voor de ogen.’

‘Gekheid. Het komt omdat men ons opvoedt in een domme vrees.’

‘Het is toch verschrikkelijk voor haar, hè?’ - Mevrouw Bronkhorst zei dit eigenlijk omdat ze over de kwestie, die haar man opwierp, niet gaarne in bespreking trad.

‘Och, waarom? De liefde zat er, meen ik, niet diep; kinderen hebben zij niet, en hij had zelfs geen positie.’

‘Goed, maar hij was toch haar man.’

Bij Bronkhorst was dit geen argument, doch de intellectuele waarheid viel niet te ontkennen, dat was zeker, en daarom zweeg hij een ogenblik.

‘Weet je wat ik denk, Marie?’

‘Nu?’

‘Dat hier de dood eigenlijk voor twee mensen een verlossing is geweest. Ik geloof, dat de banden hen beiden geweldig kwelden.’

<