terug  begin  verderprepost
[p. 154]

Toch ben ik dol op jou

 
Als ik jou zie,
 
Wat sapristie,
 
Met al die sproeten op je wangen,
 
Dan denk ik, och
 
Hoe kon ik toch
 
Aan zoo'n mal type blijven hangen.
 
Want als ik wou,
 
Gerust ik zou
 
De mooiste meisjes kunnen krijgen,
 
Ik kan om jou zitten huilen,
 
Ik zou je voor de mooiste vrouw niet willen ruilen.
 
 
 
Jij hebt een wipneus, je haar is niet zacht,
 
Jij hebt geen kuiltje in je kin, als je lacht.
 
Iedereen vindt je een leelijke vrouw,
 
Toch ben ik dol op jou.
 
 
 
Je bent niet chique,
 
Niet excentriek,
 
Je draagt geen Liberty japonnen,
 
Bent niet geleerd,
 
Niet geblaseerd,
 
En toch ben ik met jou begonnen.
 
Je spreekt geen fransch,
 
Schrijft geen romans,
 
Je kunt geen noot piano spelen,
 
Jij bent beslist geen gewiekste,
 
Maar in je eenvoud ben je mij de sympathiekste.
 
 
 
Jij hebt een wipneus, je haar is niet zacht,
 
Jij hebt geen kuil in je kin, als je lacht.
 
Iedereen vindt je een leelijke vrouw,
 
Toch ben ik dol op jou.
[p. 155]
 
Je schrijft ‘Ik zei’
 
met 'n lange ij,
 
Maar je bakt fijne pannekoeken,
 
Je zit geen uur
 
Aan je coiffiuur,
 
Maar je zet knoopen aan mijn broeken.
 
Je bent tevree,
 
Je doet niet mee
 
Aan wetenschappelijke vragen,
 
Jij weet niets van pneumocokken,
 
Maar je stopt 's avonds alle gaatjes in mijn sokken.
 
 
 
Jij hebt een wipneus, je haar is niet zacht,
 
Jij hebt geen kuil in je kin, als je lacht.
 
Iedereen vindt je een leelijke vrouw,
 
Toch ben ik dol op jou.
prepostterug  begin  verder