Verzameld werk 5. Over literatuur (ed. J.J. Oversteegen)


auteur: Cola Debrot


editeur: J.J. Oversteegen


bron: Cola Debrot, Verzameld werk 5. Over literatuur (ed. J.J. Oversteegen). Meulenhoff, Amsterdam 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 2]



illustratie

[p. 9]

I Kunst en leven

[p. 11]

Tegenstellingen

Het leven in de letterkunde, ook in de zin van leven in de brouwerij, speelt zich af in min of meer krasse tegenstellingen. De academicus zou deze tegenstellingen kunnen vervolgen van de eerste Nederlandse versregel af - volgens Victor E. van Vriesland: ‘alle vogels bouwen hun nest, behalve jij en ik’ - tot aan de laatste toe, die in de benarde omstandigheden, waarin wij thans verkeren, zou kunnen luiden: ‘alle vogels breken hun nek, behalve jij en ik’. De kunstenaar echter beoogt allerminst encyclopedische volledigheid; hij grijpt terug tot dat ogenblik, waarvan de tegenstellingen voor hem nog steeds een brandpunt van levende waarden vertegenwoordigen. Wanneer hij op dit gegeven ogenblik over tegenstellingen spreekt zal hij volstaan met een reverentie voor Verwey's strijd voor de verbeelding, hij zal zelfs stilzwijgend voorbijgaan aan de esthetische moderniteit van Het Getij, en als uitgangspunt kiezen het merkwaardige jaar 1932, het jaar van de oprichting van het tijdschrift Forum.

Men heeft Forum willen bedelven onder de goedmoedige reducering van de tegenstelling ‘persoonlijkheid - vorm’, door de oprichters naar voren gebracht, tot een onnozele kibbelarij tussen ‘vent en vorm’. Maar zelfs van een fijne ironie mag men niet het onmogelijke verwachten; ook zij is niet in staat levende waarden te vernietigen. De oprichters van Forum waren, de eenvoudige eerlijkheid gebiedt dit volmondig te erkennen, behalve voortvarende ventisten ook belangrijke adventisten, in die zin dat hun optreden een advent betekende, die een nieuwe periode in de literatuur inluidde. Hun aanval richtte zich tegen de on-rationalistische geest van een esthetische metafysica, die het kunstwerk wilde zien los van zijn maker.

[p. 12]

In wezen stelden zij, wanneer wij afzien van enige meer of minder geslaagde blagues, tegelijk met de tegenstelling persoonlijkheid - vorm ook de tegenstelling rationalisme en irrationalisme op de voorgrond. Wie, zoals ik, in de strijd dezer tegenstellingen dubbelhartige gevoelens erop na houdt, zal zich nog het gemakkelijkst verstaanbaar maken, wanneer hij de rationalist parafraseert in goede, dat wil zeggen voor hem aanneembare vorm en in slechte, dat wil zeggen voor hem onaanneembare vorm. De rationalist in volkomen aanvaardbare vorm beweert slechts, dat de romantiek (te verstaan in uitgebreidste vorm van culturele bovenbouw, met name esthetica en religie) haar wortels vindt in de benedenbouw van het sociale leven en in de individuele psychologie (de persoonlijkheid); hij zegt niet anders dan dat er relatie bestaat tussen de twee gebieden.

In het zuiver houden dezer relatie bezitten wij het enige middel om de romantiek te behoeden voor de vloed van frasen, voor de vloed van krankzinnige mythologieën. Niettemin is er in de benaming ‘rationalist’ een kant, waarvan de moderne rationalist zich vrij waant, juist omdat hij in zijn aanvaardbare vorm tenslotte niet anders doet dan de relatie aantonen, daarmede zelfs de romantiek zuiver houdend. De moderne rationalist waant zich volkomen vrij van de hebbelijkheden van de Verlichting, die de mensen verdeelde in twee soorten: degenen, die tot rede ofte wel intelligentie geraakt waren en de anderen, die in monsterlijke paranoia's voortwoekerden. De moderne rationalist, die de betrekkelijkheid van de rede heeft leren inzien, bezit niettemin niet zelden een frappante gelijkenis met deze man van de Verlichting. Enerzijds drager van culturele waarden, die hem beletten in obscurantismen te verzinken, werkt hij anderzijds afstotelijk door de pretentie van iemand die de wijsheid in pacht heeft. (Er zijn onder de rationalisten genoeg aanhangers van een neo-Verlichting, die wij natuurlijk nog beter de neon-Verlichting kunnen noemen.)

Wij mogen nu al te midden dezer tegenstellingen - zo onwezenlijk en chaotisch gesteld soms, dat wij met recht van verwording kunnen spreken - naar nieuwe criteria zoeken, wij

[p. 13]

mogen zelfs ons tijdschrift Criterium gedoopt hebben, dit betekent allerminst, dat wij ons in het gelukkig bezit van een toverformule wanen, waardoor alle bestaande tegenstellingen cito komen te vervallen. Wezenlijke tegenstellingen zijn oud als de wereld, reiken met hun wortels tot in de diepste grond. Wie deze tegenstellingen wenst te verzoenen, schept een atmosfeer, allervriendelijkst, allerhartelijkst, allerkoelst, maar vernietigt tegelijk met de mogelijkheid tot wrijving, die soms een grijnzend karakter kan aannemen, ook de scheppingsdrift, die iedere tijdschriftleider in de eerste plaats wenst wakker te houden.

Wij zullen deze tegenstellingen niet overbruggen; wij zullen ze niet verzoenen noch opheffen. Wanneer dit tijdschrift allang weer ad Orcum zal zijn, wanneer wij persoonlijk, medewerkers en redacteuren, reeds lang gesuccombeerd zijn, zullen de tegenstellingen nog steeds hun oplossing niet hebben gevonden. De mensen, hoop ik persoonlijk, zullen zich nog steeds warm maken over tegenstellingen als ‘persoonlijkheid en vorm’, ‘verlichting en romantiek’, ‘romantiek en realisme’ etcetera, etcetera. Neen, opheffen zullen wij deze tegenstellingen niet. Dit is evenwel geen aanleiding om het bijltje erbij neer te leggen; het is slechts van bepaalde ‘maisons’ de ‘spécialité’ zelfmoord te plegen, omdat men het probleem van het leven niet kan oplossen. Wij mogen de tegenstellingen al niet kunnen opheffen, wij kunnen wel steeds nieuwere maatstaven vinden, uitmuntend door scherpte of openhartigheid, waaraan wij de bestaande tegenstellingen kunnen toetsen en daarmede zullen wij het leven, ons toebedeeld, in alle openhartigheid hebben geleefd.

Wanneer wij persé een toverformule wensten, hoe makkelijk zou het niet zijn, gezien de tegenstellingen van het ogenblik, er een te vinden, die klinkt als een klok. Wij zouden kunnen beweren, dat wij de bijdragen voor ons tijdschrift zouden toetsen aan een maatstaf, die wij zouden kunnen noemen het ‘romantisch rationalisme’.

Wij zullen onze bijdragen hier niet aan toetsen, want de opzet zou met mathematische zekerheid de werkzaamheid bederven van de medewerkers niet minder dan van de redac-

[p. 14]

teuren. Tegenstellingen wortelen in de zogenaamde ‘diepste grond’ (bedoeld is natuurlijk van de menselijke natuur), omdat zij de weerspiegeling zijn van de tragische tegenstrijdigheden in de mens. Wie de erkenning van deze tragische tegenstrijdigheden wil omzeilen, schaart zich direct bij de oudere heren, die eveneens volmondig beamen, dat tegenstellingen in de diepste grond wortelen, maar deze beaming geschiedt met ander motief: zij aanvaarden het bestaan van tegenstellingen teneinde zelf in een van de polen van de tegenstelling te kunnen verstenen. Aangezien de tegenstellingen, zo redeneren zij, volgens de pathetische zegswijs wortelen tot in de diepste grond, is het ons toegestaan belangrijke gebieden van geest en gemoed te laten atrofiëren en ons rustig te houden aan onze portie van de tegenstelling. Nogmaals: wij zullen ons werk niet toetsen aan een toverformule die maar al te spoedig zou petrifiëren; want juist daardoor zouden wij niet datgene bereiken wat wij als topprestatie van de hedendaagse literatuur beschouwen: het romantisch rationalisme. In ons tijdschrift zal men dus alle tinten en alle halftinten vinden van de tegenstelling romantiek en rationalisme. Wij zullen ons slechts verzetten, zelfs waar gekundheid tot zekere eerbied zou dwingen, wanneer de verstening ons aangrijnst.

Ons tijdschrift heeft weinig appreciatie voor leeftijdsgrenzen. Wij hebben bezwaren tegen het stellen van de tegenstelling jongeren en ouderen, omdat deze tegenstelling in twee betekenissen kan worden opgevat. De tegenstelling jongere en oudere in de zin van leeftijdsgrens wordt eigenlijk nog het liefst gemaakt door de ouderen zelf, want daardoor zijn zij in staat de reële waarde ‘jeugd’ tot een onschadelijk begrip te reduceren: het zijn immers, zo redeneren zij bij iedere aanstootgevende (i.e. bijzonder zuivere) uitlating, ‘maar’ de jongeren, eens zullen zij de wilde haren verliezen, wij zien ze straks met hangende pootjes verschijnen. De neiging, die men ziet ontstaan om in tijdschriften (binnenkort ook dagbladen?) een bepaalde afdeling te reserveren voor de jongeren (bepaald karikaturaal is de terminologie ‘allerjongsten’) is, God vergeve mij de germanistische constructie, een onschadelijkmakingsmechanisme. In zijn goede tijd heeft

[p. 15]

Kloos dit ook zeer wel doorzien, toen hij het op een zeker ogenblik ‘verdomde’ langer als een jongere te worden beschouwd, met het overigens eigenaardig argument, dat hij tenslotte even oud was als de Duitse keizer, die eensdeels door het Duitse prestige anderdeels door zijn snorren, in hoog aanzien stond. De welwillendheid van de ouderen voor de jeugd is de welwillendheid voor de padvinderij. Padvinderij op haar beurt is het zoeken, met een frisse blos en een goed gebit, naar de bekende weg. De jeugd, waar de ouderen erg welwillend tegenover staan, is eigenlijk al een gecompromitteerde jeugd.

De wezenlijke tegenstelling ‘ouderen en jongeren’ is die enerzijds van de verstening van de man, die zich onder het profijtelijk banier geschaard heeft, dat tevens voor zijn belangen zorgt, en anderzijds de erkenning van de tragische tegenstrijdigheid, die zich niet op het belang, maar op de reële belevenis richt. Wie zal ontkennen, dat men onder de jongeren in jaren de meeste cultureel gesproken onbaatzuchtigen vindt? Maar zij zijn dan ook niet belast met de druk van de kunde noch met die van het persoonlijk belang. Vandaar dan ook de grote verrassing, die ons vaak wacht van een jongere, die na het verwerven van een zekere kunde en een zeker emplooi, onmiddellijk overgaat tot een hardnekkig belangenfanatisme. Vandaar dan ook, dat wij in ons tijdschrift hopen te scharen niet diegenen, die aan zekere leeftijdsgrens beantwoorden (bijvoorbeeld van 3 tot 25), maar diegenen, die zich niet vastgelegd hebben, onverschillig hoeveel jaren zij op hun kerfstok hebben.

Deze uitweiding over tegenstellingen in verband met het verschijnen van Criterium, zou men kunnen uitdijen tot in het oneindige. Misschien zou men door hen, die een oprechte belangstelling hebben, beter verstaan worden. Maar wanneer onze bedoelingen in een paar pagina's konden worden vervat, dan hoefden wij er geen tijdschrift aan te wijden. Dit is juist het bezwaar dat men tegen vele tijdschriften kan aanvoeren: dat hun bedoelingen in enkele pagina's zijn uitgeput, de rest kan men geredelijk als herkauwen opvatten. Tegenover deze oprecht belangstellenden staan de anderen, die ons

[p. 16]

niet zullen verstaan, nu niet en later evenmin. Voor dovemansoren spreken is een lastige zaak. Deze doven spreek ik persoonlijk nog het liefst toe in een vreemde taal, in het Frans bijvoorbeeld on se comprend énormément.

Wij hebben maar één eis: leg u nooit ofte nimmer vast!

Wij hebben maar één hoop: dat wij, in óns tijdschrift liefst, maar ten slotte ook in andere tijdschriften, werken zullen aantreffen, die mede door onze werkzaamheid aan de eis beantwoorden van wat ik hierboven zo voorzichtig aangaf als: het romantisch rationalisme.