|
|
|
| |
| | | |
III Kritieken
| | | |
Magische figuur
H. Marsman en S. Vestdijk, Heden ik, morgen gij. N.V. Em. Querido's Uitgeversmij. [Amsterdam 1936].
Heden ik, morgen gij heet deze roman met een titel daarom zo gelukkig omdat hij betrekking heeft op de vorm niet minder dan op de inhoud. Het is de briefwisseling tussen twee vrienden, Rudolf Snellen en Evert van Millingen; dus: heden ik, morgen gij. Deze briefwisseling bevat voor een groot deel de waarschuwing van Van Millingen uit Holland aan zijn vriend Snellen die met zijn vrouw in Spanje reist en hem met enthousiasme bericht van een ontmoeting met een vroegere wederzijdse kennis, Alex Wevers; Van Millingen waarschuwt: het volgende heeft hij mij, Van M., aangedaan - precies hetzelfde zal hij ook jou, Sn., aandoen. Ook hier: heden ik, morgen gij. Een kunstwerk is samengesteld uit symbolen waarin de vorm niet minder sprankelt dan de inhoud. Men kent de uitspraak: inhoud en vorm zijn een. Ook de wraakstemming van Van Millingen tegenover Lex Wevers wijst de richting uit van heden ik, morgen gij. Laten wij evenwel de waarde van een titel niet overschatten; een goed kunstwerk blijft ook bij averechtse titel zijn waarde behouden, uit eigen kracht. Nu echter ook de naam lukte, kan men zeggen dat dit werk geslaagd is van het eerste tot het laatste woord.
Theoretische overwegingen, voorafgaand aan de lectuur, zouden merkwaardig genoeg eerder tot skepsis leiden. Wij hebben te maken met twee bekende auteurs van wie wij bepaalde verwachtingen koesteren. Onder andere hebben wij niet verwacht dat zij zouden overgaan tot een amalgaam van hun in vele opzichten antipodische naturen. Bovendien roept de roman in brieven de herinnering op aan de langdradigheid
| | | | der achttiende eeuw. Maar vooral het onderwerp was hachelijk bij deze twee schrijvers die behoren, tenminste voor een belangrijk deel van hun wezen tot de Forum-groep.
Het onderwerp is de demonie van Wevers. Deze bestaat daarin dat Wevers de vrouwen, die hij aan zijn macht onderwerpt, ten slotte in de dood drijft om haar ‘over het graf heen’ lief te hebben. Daartoe bedient hij zich van de middelen der suggestie, van magie en occultisme. In een zijner brieven valt Van Millingen Keyserling bij waar deze opmerkt dat de meeste magiërs ‘seelische Krüppel’ zijn. En Van Millingen vervolgt: ‘de verleiding om van de witte magie af te dalen tot de zwarte - de diepe betekenis van Christus' verzoeking door de duivel - is voor de meesten te groot.’ Dit weinige moge volstaan om van het fenomeen Wevers een indruk te geven, vaag, niettemin voldoende scherp, om te wijzen op het gevaar dat bij behandeling van dit fenomeen door deze twee schrijvers dreigde. In verband met Wevers dringen zich aan ons op de namen van twee experts in de psychologie der gruwzamen: Poe en Villiers de l'Isle Adam. Ofschoon dezen bij mijn weten niet een roman in brieven schreven. Verderop zal ik een bekende roman in brieven ter sprake brengen om ook naar de vorm te vergelijken. Hier gaat 't alleen om de zwarte magiër Wevers. In de handen van een Poe zou hij geworden zijn tot een in zichzelf besloten geheel, onvermengd met de morele waardeschattingen van de auteur. Het op de grens leven van wat voor een mens mogelijk is, psychisch en sociaal, zou de figuur de spanning en de voortdurende bedreigdheid gegeven hebben die de lezer hem had doen volgen zonder zich te bekommeren om goed of kwaad of, moderner, om, behoorlijk of niet behoorlijk, waardig of onwaardig. Met Poe of De l'Isle Adam, die al zoveel jaren dood zijn, is deze wijze van componeren allerminst uitgeput. In onze tijd wordt dit procédé zelfs voor het leveren van Schund op knappe wijze gehanteerd. Niet altijd is het Schund. Dezer dagen nog las ik bijvoorbeeld de uitstekende kleine novelle van Ben Hecht (Amerikaan) waaraan de
gelijknamige film is ontleend: Crime Without Passion. Men kan zelfs zeggen: artistiek ligt dit procédé voor de hand. De Forum-groep heeft echter, om re- | | | | denen die in dit korte bestek zelfs niet kunnen worden aangestipt en trouwens misschien ook algemeen bekend zijn, er scherp oog voor tot welke onbeduidendheden dit ‘objectieve procédé’ kan leiden, nauw verbonden als het is met het beginsel van l'art pour l'art waarmee vaak mindere geesten hun onbelangrijkheid in een Kunstnebel hullen. De Forum-groep ziet gaarne zijn auteur stelling nemen. Dit heeft allicht met het genre dat beoefend wordt, niet te maken; ook in een roman-niet-in-briefvorm kan de auteur hetzelfde doen door zich met een der figuren te identificeren zodat de lezer met de auteur rekening moet houden. Dat een kunstwerk zo niet kan ontstaan, is een vooroordeel. Reeds van andere zijde is er herhaaldelijk op gewezen. Diderot heeft zo geschreven, Multatuli eveneens. Een kunstwerk kan op alle wijzen ontstaan als het maar een kunstenaar is die de handen uit de mouwen steekt. Van Marsman en Vestdijk was te verwachten dat zij direct hun houding zouden bepalen tegenover de gruwelijke Wevers, dat hun boek zou worden: de compositie van hun reacties tegenover het gruwelijk fenomeen. Men kent de uitspraak van Paulus: geen onzer is zonder zonde. Welnu het gevaar van deze methode is dat er een dermate gespannen verhouding ontstaat tussen de auteur en zijn figuur (en juist een figuur als Alex Wevers) dat de nodige lenigheid, voor het kunstwerk vereist, zou ontbreken.
Men ziet, redenen te over om, nu dit voortreffelijke boek voor ons ligt dat in de laatste brief van Vestdijk zelfs grootse afmetingen aanneemt, maar wijsgerig het hoofd te schudden: ook de nadelen hebben blijkbaar hun voordelen. Het is een genoegen op zichzelf onze verstandelijke overwegingen te zien tenietgedaan. Ofschoon het wellicht niet zo is, dat er hier iets plaatsvond, voor ons verstand ontoegankelijk. Alleen waren er factoren in het spel die wij niet konden overzien. Ik zal ze niet trachten te achterhalen, het zou op spitsvondigheid uitlopen. Op enige in het oog springende feiten dient de aandacht te worden gevestigd. Deze roman dankt voor een niet gering deel zijn slagen aan een zijner ‘nadelen’: dat het geschreven is door twee zeer uiteenlopende auteurs. Men zou
| | | | haast zeggen: een roman in briefvorm dient steeds tot stand te komen door twee of, indien er meerdere briefschrijvende subjecten in voorkomen, door meerdere auteurs. Dan was men meteen af van de technische moeilijkheid dat iedere figuur over een eigen woordenschat, een eigen ritme moet beschikken. Bovendien levert Nederland het klassieke voorbeeld van Wolff en Deken. Zo makkelijk is het echter niet. Wanneer een boek niet wil vervallen tot een rammelende chaos, moeten de samenstellers iets hebben wat hen bindt. Dit is althans bij Marsman en Vestdijk in sterke mate het geval. Wel is er diepgaand verschil: de elegische toon van Marsman afgewisseld door de agitatie van Vestdijk. Dit toon- en tempoverschil verleent aan het boek een bijzondere bekoring. Naast verschil vindt men ook diepe overeenkomst, die echter even duidelijk voelbaar als moeilijk onder woorden te brengen is, omdat juist dit een der factoren is die wij niet konden overzien. Dit boek is het produkt van de zeer bijzondere ontmoeting van twee schrijvers op een tijdstip dat zij beiden psychologisch in gelijke sterke mate geboeid werden door de geheimzinnigheid in de uitwisseling van menselijke antipathieën en sympathieën. Psychologisch ligt voor mij de belangrijkheid van dit boek niet in de uitbeelding van de figuur Wevers maar in de behandeling van de geheimzinnige verhoudingen in de sfeer der menselijke aanhankelijkheden of, bij gemis aan sympathie, afhankelijkheden. Wevers boezemt zijn vrienden afschuw in met zijn daden maar ontlokt hun terzelfder tijd het gebaar van hopeloosheid wanneer zij er zich rekenschap van geven, dat hun vrouwen niet alleen door Wevers naar zich toegelokt worden maar dat zij ook die kant opgedreven worden door hun eigen tekortkomingen. Bovendien beperkt Wevers' invloed zich niet tot de vrouwen maar strekt zich ook verder uit, tot Snellen en Van Millingen zelf. Vooral Van Millingen mag zich terecht afvragen of zijn functie niet die is van handlanger van
Wevers. Deze verhoudingen zijn zo gecompliceerd dat ook de reacties op Wevers van een onontwarbare complicatie zijn. Dat Wevers ook niet als een afgeronde figuur werd uitgebeeld, is een van de sterke punten van deze roman.
| | | |
Ik heb tot nu toe deze roman een roman in brieven genoemd. Formeel is dat zeker ook zo. Wanneer wij echter dit boek vergelijken met de bekende Liaisons dangereuses, zien wij waar het verschil schuilt met de roman, waarin de handelingen niet alleen verteld worden in brieven, maar zich ook voltrekken door de reactie van brief op brief. Denk aan de correspondentie tussen Valmont en La Marquise wier langzaam aangroeiende haat gevoed wordt met uiterst kleine zinswendingen, waarin zij venijn proeft. Denk aan La Présidente, wier verstandsverbijstering veroorzaakt wordt door een episteltje, in de literatuur berucht geworden om zijn giftigheden. In Heden ik, morgen gij wordt over de hoofdpersonen in brieven verteld maar zelf schrijven dezen geen brieven, noch Wevers noch zijn slachtoffers. De briefschrijvers zijn hier te vergelijken met het koor dat in de Griekse tragedie de gebeurtenissen bijwoont en zich daarover verwonderd, ontzet of smartelijk uitspreekt. Ook dit was een ‘voordeel der nadelen’. De roman kon aanmerkelijk worden bekort, de reactieve instelling van Snellen en Van Millingen werd zelfs een vereiste. Bij deze vergelijking met de Liaisons dangereuses zeg ik niet veel anders dan wat ik in verband met Poe reeds opmerkte: de auteurs laten hun handelingen niet objectief verlopen, maar identificeren zich met de twee briefschrijvers die de geschiedenissen vertellen, er commentaar op leverend.
Dit zegt noch iets voor noch iets tegen het boek, het constateert slechts een bepaalde compositie. De auteur mag componeren op de wijze die hij verkiest. Het gaat om het uiteindelijk resultaat. Ik heb reeds gewezen op sommige voordelen die de schrijvers uit hun compositie wisten te trekken. Wanneer men de roman als een geheel neemt, ging het erom of de twee geschiedenissen, die verteld worden - die uit het verleden als een waarschuwing door Van Millingen, en de andere die in het heden door Snellen wordt beleefd - gelijke tred zouden houden, zodat de ene de werking van de ander niet zou verzwakken maar versterken. Men moet dit boek lezen om te zien hoe schitterend Marsman en Vestdijk hierin geslaagd zijn. Met de grootste natuurlijkheid vertelt Van Millingen het
| | | | slot van zijn verhaal juist op het moment dat Snellen zijn ervaring in het heden opdoet.
Tot slot nog iets over de details. Ik zal nog vaak dit boek opslaan, dat rijk is aan voorvallen; sommige van een sombere ernst, sommige omzoemd door hilariteit. De laatste brief van Van Millingen behoort mijns inziens tot het aller-allerbeste dat waar ook ter wereld geschreven wordt.
|
|
|