Gerrit Achterbergs gedicht ‘Schaatsenrijder’ is weinig bekend. Rodenko nam het niet op in zijn bloemlezing Voorbij de laatste stad en ook mevrouw Achterberg koos het niet voor Het weerlicht op de kimmen. Vermoedelijk kennen vooral verzamelaars van Achterberg-drukken het gedicht, omdat het in 1944 door Hans Roest in Dordrecht als rijmprent clandestien werd uitgegeven, in een oplage van 130 exemplaren, waarvan hooguit de helft bewaard zal zijn ge-
bleven. Het uitgaafje is ‘zeer zeldzaam’; in 1980 vroeg Reflex er 1000 gulden voor, Huijer in 1983 toch nog altijd 990 gulden.
De geschiedenis van de rijmprent is door Roest in zijn brochure Schaatsenrijder; terugdenken aan Gerrit Achterberg (Heemstede, Lojen deur pers, 1982) vastgelegd. Om Achterberg financieel een beetje te helpen bedacht Roest de uitgave van een rijmprent, een idee waar Achterberg - die blijkens zijn bibliografie in de oorlogsjaren al enigszins vertrouwd was geraakt met plaquettes en kleine (soms door Cees Bantzinger geïllustreerde) drukjes - wel voor voelde. De keus viel op ‘Schaatsenrijder’, dat in 1941 in Criterium had gestaan.

Achterberg was met de tekening van de Dordtenaar Jaap Beckmann erg tevreden, hij schreef tenminste aan Roest: ‘De prent doet me goed. Er is iets van het ijskoude in overgebleven.’ Dat Beckmann intussen nogal eigenzinnig Achterbergs tekst had uitgebeeld, was ook de dichter zelf niet verborgen gebleven, getuige zijn uitspraak in een brief aan Roest: ‘Die nacht met sterren is zo'n typische interpretatie.’
De plaquette van Roest is een aan één zijde bedrukt vel met links Beckmanns tekening en rechts Achterbergs gedicht, waarna het colofon volgt (‘Van het gedicht “Schaatsenrijder” van Gerrit Achterberg met een teekening van Jaap Beckmann zijn 130 exemplaren gedrukt, welke door den dichter werden gesigneerd en genummerd van 1 tot en met 130.’). Roests verhaal laat er weinig twijfel over bestaan dat veel van de maar met moeite verkochte exemplaren in handen zijn gekomen van mensen die er niet werkelijk waarde aan hechtten.
Was Achterberg te spreken over Beckmanns tekening, Bantzinger was er minder gelukkig mee. In zijn boekje drukt Roest de tekening af die Bantzinger nadien, voor hem persoonlijk, op een handschrift van het gedicht ‘Schaatsenrijder’ heeft gemaakt: inderdaad geen romantisch-anekdotische, maar een meer elegantlijnige uitbeelding. Toch zijn beide kunstenaars gebrekkige lezers van het gedicht.
De schaatsenrijder van Beckmann wekt de indruk aan een lange afstand bezig te zijn, gezien het feit dat hij beide handen op de rug heeft. Hij schaatst over een ijsoppervlak waaruit, vóór hem, een vrouwenfiguur opdoemt. De lijnen van haar lichaam zijn van dien aard dat ze op krassen lijken die een schaats in het ijs maakt, maar de schaatser moet het stuk ijs dat voor hem ligt nog gaan berijden.
Het is duidelijk wat Beckmann heeft willen uitdrukken, namelijk dat het schaatsen in dienst staat van een vrouw die al blijkens haar proporties niet van deze wereld is. De manier waarop hij het vrouwenlichaam heeft getekend, suggereert dat de schaatsenrijder al rijdend een figuur trekt die bij nadere beschouwing een vrouw zal blijken te zijn.
Ook Bantzinger lijkt dat te willen zeggen. Maar hij trekt zich van de anekdote niets aan en daarin wijkt hij dan ook sterk af van Beckmann. Bantzinger toont alleen het resultaat van het schaatsen, de krassen en krullen in het ijs waaruit een vrouwenlichaam zichtbaar wordt, maar hij laat de schaatser in persoon weg. Bovendien zet hij zijn tekening ten opzichte van de tekst op z'n kop, een gelukkige

Tekening C.A.B. Bantzinger op handschrift van Gerrit Achterberg.
vondst, waardoor de esthetiek van het lijnenspel niet direct in het anekdotische vervalt.
Bij Beckmann is het nacht, het ijs is als zodanig te herkennen en de schaatsenrijder rijdt af op de reusachtige vrouw die voor hem ligt. Bij Bantzinger niets van dit alles: geen nadere bepaling van plaats en tijd, geen schaatser, alleen de arabesken van een vrouwenlijf. Beide kunstenaars hebben, daarover hoeft geen twijfel te bestaan, de indruk die Achterbergs gedicht op hen maakte uit willen beelden. Toch zijn ze beiden erg vrij met de tekst omgesprongen, wat aan het bekoorlijke resultaat natuurlijk weinig hoeft af te doen.
De schaatsenrijder wordt in Achterbergs gedicht voorgesteld als iemand die ‘over zijn strenge cirkels heengebogen’ is. Die ‘cirkels’ staan er niet voor niets. We moeten ons de schaatsenrijder dan ook niet indenken als een lange-afstandrijder of als een zwierige krullentrekker, maar als een fanatieke kunstrijder die zich geconcentreerd toelegt op het perfect rijden van cirkels die op het punt van hun afronding overgaan in nieuwe cirkels. De schaatsenrijder schaatst dus achtjes, hij schakelt cirkel aan cirkel, een moeilijke kunst waarbij het zaak is ‘de middelpunten’ scherp in het oog te houden.
De acht-vorm is, per traditie, en ook in ‘de mathematica’, het symbool van de oneindigheid. Het is dus niet verbazend dat de schaatsenrijder, zolang hij deze kunstige vormen produceert, het ‘tijdeloze’ dat hij met behulp van cirkels ‘wekt’ duur geeft door middel van de acht-vorm.
Nu de vrouw. Achterberg spreekt van ‘vrouweschim’ en hij doet dat bovendien in een, voor Achterberg-lezers retorisch op te vatten, vraag: ‘Of houdt een vrouweschim, die wij niet zien / hem vast binnen dit eenzaam veld van krachten?’ De veronderstelling dat de schaatsenrijder uiteindelijk gefascineerd wordt door ‘een vrouweschim, die wij niet zien’ is terecht. Dat blijkt uit de slotstrofe, die buiten de handeling valt en een toelichting geeft op het veelzeggende beeld (‘Zie hem’) van de rijder. Er is ‘eenmaal’ een tijd geweest dat er geen ijs op de vijver lag en lelies op het water dreven en dat de vrouw leefde; een andere tijd dan die waarin het gedicht speelt, want nu zijn de lelies ‘dode lelies onder water’, ligt er wel ijs op de vijver en - onvermijdelijke conclusie - is de vrouw dood. Onder het ijsoppervlak is kennelijk een andere wereld gesitueerd dan de wereld van het hier en nu, en de schaatsoefeningen van de rijder hebben tot doel dat ‘tijdeloze’ te wekken.
De schaatsenrijder schaatst geen vrouwenfiguur. Nee, hij maakt

Tekening C.A.B. Bantzinger bij het gedicht ‘Schaatsenrijder’ in Gerrit Achterberg, Sphinx ('s-Gravenhage, A.A.M. Stols, 1946).
in volledige concentratie, monomaan en wilskrachtig, want ‘liefde die niet sterven wil’ drijft hem ertoe, cirkels tot achtjes, om zo doende in contact te treden met of te belanden in de wereld van het ‘tijdeloze’ waar de ‘vrouweschim’ leeft. Curieus genoeg geven beide beeldende kunstenaars de indruk dat de vrouw ‘geschaatst’ wordt, en misschien is er wel een ingenieuze redenering mogelijk waardoor die opvatting, althans in figuurlijke zin, te verdedigen is, maar het blijft een feit dat de schaatser in werkelijkheid kunstige achtjes rijdt, die de vrouw niet zichtbaar maken, maar die een bemiddelende rol spelen - zoals een mantra dat bij meditatie doet - om daar terecht te komen waar zij is.
In laatste instantie is ‘Schaatsenrijder’ geen gedicht over een schaatsenrijder. De bewoordingen waarvan Achterberg zich bedient wijzen dat al uit. Het gebruik in symbolistische poëzie van het genre ‘rolgedicht’ komt daar nog bij, te meer nu het hier over een kunstrijder gaat: de schaatsenrijder is een dichter. Net als hij probeert ook de dichter in uiterste concentratie en met behulp van de ‘mathematica’ van het vers door het ijs heen te breken en wetten van ruimte en tijd te beschamen. Hij wil het ‘tijdeloze’ wekken. Deze poëtica wordt in talloze gedichten van Achterberg aangetroffen en is al dikwijls genoeg aan de hand van de Ballade van de gasfitter of van ‘Code’ in bespreking gebracht. Ook het gedicht ‘Schaatsenrijder’ kan ten slotte poëticaal gelezen worden. Wie dat doet kan zich ruimschoots verdiepen in de parallellie tussen kunstrijden op de schaats en verzen schrijven met de pen. Een formulering als ‘dit eenzaam veld van krachten’ wordt plotseling pregnant, want ‘dit’ gaat slaan op het gedicht zelf. De dichter ontwerpt al dichtend een verbaal ‘veld van krachten’ dat zich op het ‘tijdeloze’ richt. Ook formeel heeft Achterberg naar een equivalent gezocht voor het achtjes-rijden van de schaatser: de eerste vier strofen enjamberen namelijk zo opzichtig dat het ‘kantelend in tegenkringen’ leiden van de ‘cirkels’ erdoor lijkt te worden uitgebeeld.
1983