terug  begin  verderprepost
[p. 13]

Inleiding

Het was Bastiaan Willink die in 1980 in een artikel in Hollands Maandblad de term ‘Tweede Gouden Eeuw’ introduceerde.1 Of beter gezegd: herintroduceerde, onwetend van de toespraak die Melchior Jan Bos in 1914 als rector van het Groninger studentencorps Vindicat atque Polit afstak ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van zijn universiteit. Ook Bos had het over de tweede gouden, ja zelfs diamanten eeuw.2 Gedoeld werd op de periode rond 1900, toen de natuurwetenschap in Nederland bloeide, met als meest in het oog springende getuigen de Nobelprijzen voor Van 't Hoff (1901). Lorentz en Zeeman (1902), Van der Waals (1911) en Kamerlingh Onnes (1913). Een lange periode van terugval was afgesloten, eindelijk had Nederland weer geleerden van het kaliber Christiaan Huygens, Antoni van Leeuwenhoek en Jan Swammerdam.

Willink promoveerde in 1988 op een onderzoek naar de oorzaken van bloeiperioden in de natuurwetenschappen, in Nederland en elders in Europa. Die studie heeft brede aandacht gekregen en al snel raakte de term ‘Tweede Gouden Eeuw’ ingeburgerd. Niettemin is kritiek op Willinks aanpak mogelijk. Opvallend detail in zijn overzichtslijst van toponderzoekers (die letterlijk langs de meetlat zijn gelegd via telling van het aantal kolommen dat de Poggendorf-overzichten hun toebedeelde) is het ontbreken van de hoofdpersoon van dit boek, Kamerlingh Onnes.3 Op een studiemiddag over de rol van de Akademie van Wetenschappen in de Tweede Gouden Eeuw, op 21 september 2001 in het Trippenhuis, vroeg Klaas van Berkel zich af of de onderwijshervormingen van 1863 (invoering van de hbs) en 1876 (nieuwe wet op het hoger onderwijs) werkelijk zo bepalend waren als Willink deed voorkomen - zelf opperde Van Berkel de toenemende sociale dynamiek aan het eind van de negentiende eeuw als bredere oorzaak.4 En wanneer stopt die Tweede Gouden Eeuw eigenlijk, bij de Eerste of de Tweede Wereldoorlog? In het Trippenhuis bepleitte W.W. Mijnhardt zelfs het afdanken van de term Gouden Eeuw, Eerste én Tweede, omdat deze ‘schatplichtig’ zou zijn aan een ‘heel specifieke, tijdgebonden en direct met de culturele preoccupaties van 1900 verbonden zienswijze op de Nederlandse

[p. 14]

geschiedenis’.5 Intussen haalde de Tweede Gouden Eeuw het ijkpunt 1900 van Jan Bank en Maarten van Buuren6 en is de wetenschapshistorische belangstelling voor die periode flink toegenomen.

De Nederlandse natuurkundigen van de Tweede Gouden Eeuw maakten met hun vier Nobelprijzen Nederland tot ‘ein Grossmacht in der Physik’.7 Onbetwist centrum van die vaderlandse fysica was Leiden. Maar die positie weerspiegelt zich niet in de overzichtsstudies die tot op heden over de Nederlandse fysica (en fysici) zijn verschenen. De Utrechtse fysica van W.H. Julius en L.S. Ornstein was in 1994 het onderwerp van het proefschrift van Han Heijmans,8 terwijl Buys Ballot in 1953 een biografie kreeg (geschreven door zijn opvolger E. van Everdingen Jr.).9 Ad Maas promoveerde in 2001 op de Amsterdamse fysica van 1877 tot 1940.10 Over J.D. van der Waals, wiens baanbrekende proefschrift uit 1873 over de continuïteit tussen een vloeistof en zijn damp het begin van de Tweede Gouden Eeuw markeert, verscheen in 1985 een Russische biografie die elf jaar later een Engelse editie kreeg: Van der Waals and molecular sciences.11

Maar overzichtsstudies over de Leidse en Groningse natuurkunde ontbreken. Was de noordelijke fysica van Haga en Wind kleinschalig en zonder veel uitstraling, in Leiden deed Kamerlingh Onnes aan Big Science. Zowel hij als zijn vriend Lorentz, die de theoretische natuurkunde bestierde, genoot internationale faam. Alle reden om dit wetenschapshistorische gat te dichten. Dit boek richt zich op de Leidse experimentele natuurkunde tijdens het bewind-Onnes. Lorentz is in handen van A.J. Kox, in Amsterdam hoogleraar geschiedenis van de natuurkunde. Naar zijn selectie uit Lorentz' correspondentie en biografie wordt de nodige jaren uitgezien - hopelijk komt het goed. Leven en werk van Paul Ehrenfest, die Lorentz in 1912 opvolgde, zijn het onderwerp van Martin Kleins biografie Paul Ehrenfest. The making of a physicist.12 Helaas is deel twee, over de periode na de Eerste Wereldoorlog tot de tragische zelfmoord in 1933, nog altijd niet verschenen en het lijkt onwaarschijnlijk dat het er nog van komen zal.

 

Toen Heike Kamerlingh Onnes op 11 november 1882 in Leiden als hoogleraar aantrad wist hij precies wat hij wilde: de moleculaire theorieën van zijn ‘hooggeachte vriend’ Van der Waals aan experimentele controles onderwerpen en uitbouwen. Dat programma resulteerde in het opzetten van een wereldwijd uniek cryogeen laboratorium, een technisch geavanceerde en grootschalige koudefabriek waar aan de lopende band experimenten op hoog niveau werden verricht. De centrale vraag in dit boek: hoe kon die onderneming, voor het Nederland van het laatste kwart van de negentiende eeuw bepaald uitzonderlijk, zo glansrijk slagen? En daarvan afgeleid: wat gaf de

[p. 15]

doorslag, Onnes' kwaliteiten als wetenschapper, zijn organisatietalent, of zijn persoonlijkheid? Deze studie wil duidelijk maken dat beide laatste factoren bepalend zijn geweest.

Nauw in verband met de hoofdvraag staat de keuze voor de vorm: een biografie - waarover straks meer. Die biografie wil behalve de wetenschap die binnen de muren van het Leidse laboratorium gestalte kreeg ook de context belichten: juist die context werpt licht op zijn functioneren als wetenschapper. Wie waren Onnes' tijdgenoten? Hoe zag zijn omgeving eruit? Hoe ging hij om met de overheid, welke contacten onderhield hij met de industrie? Waarom slaagde hij waar concurrenten faalden? Welke status genoot hij, nationaal en internationaal? En wie was de mens Kamerlingh Onnes? Hoe stond hij in zijn tijd, wat waren zijn wortels, zijn stijl, zijn visie op onderzoek en onderwijs, zijn methode? Welke rol speelde zijn wankele gezondheid? - altijd dreigde de bronchitis. Wat is de balans van het leven van monsieur zéro absolu, de man van het absolute nulpunt? Antwoorden op zulke vragen zijn niet zozeer in gepubliceerde artikelen te vinden als wel in archiefmateriaal: correspondenties, begrotingen, notitieboekjes, jaarverslagen.

Een samenhangend overzicht van de Leidse lage-temperaturenfysica, in het bijzonder een biografie van Kamerlingh Onnes, mag tot nu toe ontbroken hebben, over deelaspecten is het nodige gepubliceerd. Het Leidse onderzoek en de opbouw van het cryogeen laboratorium (handig gebundeld in de Communications from the Physical Laboratory at the University of Leiden) staan ‘op lerarenniveau’ beschreven in beide gedenkboeken die Onnes bij de viering van zijn 25-jarig doctoraat (1904)13 en 40-jarig professoraat (1922)14 kreeg aangeboden. Die boeken - andere jubilerende hoogleraren kregen bundels gelegenheidsartikelen zonder veel verband - bieden een helder overzicht van wat er aan onderzoek speelde. Tegelijk zal het niet verbazen dat ongerechtigheden en zaken die niet in de kraam te pas kwamen ontbreken, zoals de ruzie tussen Van der Waals en Onnes over retrograde condensatie en het pak slaag dat de Berlijnse groep van Walther Nernst aan Leiden uitdeelde op het gebied van soortelijke warmte. Ook uit 1922 dateert de biografische schets Van Boerhaave tot Kamerlingh Onnes van de Utrechtse chemicus Ernst Cohen.15 Een kwart eeuw later verschenen er nog twee, met niet minder bewondering geschreven. Die van August Crommelin (opgenomen in Nederlandsche helden der wetenschap)16 is nog het interessantst. Crommelin maakte in 1903 als student zijn entree in het Leidse laboratorium en vanaf 1907 was hij er conservator en onderdirecteur.

De recente literatuur over de Leidse fysica van Kamerlingh Onnes en Lorentz is lange tijd gedomineerd - althans onder Nederlandse wetenschaps-

[p. 16]

historici - door een artikel van de historicus Jan Oosterhoff uit 1984: ‘De opkomst van een “Vaderlandsche Natuurkunde” aan de Leidse Universiteit in de tweede helft van de negentiende eeuw.’17 Oosterhoff wees - vier jaar na Willink - vooral de hbs aan als wegbereider van wat later de Tweede Gouden Eeuw zou gaan heten. Zijn beschrijving van de Leidse natuurkunde is over het algemeen uitstekend, al zijn de ‘filosofische uittreksels’ die Heike als Gronings student uit de werken van Fichte, Hegel en Kant gemaakt zou hebben in werkelijkheid wat bescheiden aantekeningen van het testimoniumcollege van Van der Wijck. Ook Oosterhoffs opmerking dat de kans dat Onnes in 1882 de leerstoel van Rijke zou overnemen op voorhand niet groot was, klopt niet: Heike had in Leiden ‘invloedrijke vrienden’ en zag de benoemingsprocedure met vertrouwen tegemoet. En dat de nieuwbouwplannen voor de chemie in zijn voordeel zouden hebben gewerkt, klopt evenmin: die verhuizing, waardoor de fysica het hele laboratorium zou krijgen, was Onnes al kort na zijn aantreden beloofd maar werd steeds uitgesteld; pas in 1919, in zijn nadagen, was het zover. Maar het grootste manco van Oosterhoffs artikel is dat het geen stap buiten Leiden zet, terwijl Onnes' cryogene inspanningen zich toch overduidelijk in een internationale arena afspeelden.

Sinds het artikel van Oosterhoff is Kamerlingh Onnes aan bod gekomen in diverse biografische bundels voor een breed publiek, waarvan de schetsen van L. Beek18 en H.N. de Lang19 het bekendst zijn. Het miniboekje Doctor Diepvries van Marco Daane is in zijn details onbetrouwbaar.20 Dat geldt eveneens voor Absolute Zero and the Conquest of Cold, een vlot geschreven koudegeschiedenis door de buitenstaander Tom Shachtman.21 Accurater - maar zich eveneens beperkend tot een serie koudehoogtepunten en zonder bronvermeldingen - is Op jacht naar het absolute nulpunt van Kurt Mendelssohn, een fysicus die de jaren dertig tot en met zestig in Duitsland en Engeland aan het cryogene front vertoefde.22 Uiterst kleurrijk zijn de passages over de Leidse natuurkunde in de autobiografie van H.B.G. Casimir.23 In breder verband figureert die Leidse natuurkunde in Klaas van Berkels In het voetspoor van Stevin24 en, diepgaander, in een artikel van Frans van Lunteren over de opkomst van de experimentele natuurkunde in negentiende-eeuws Nederland.25

Wetenschapshistorici en fysici hebben sinds 1980 deelaspecten van de Leidse fysica in kaart gebracht. Zo is de cascade voor het vloeibaar maken van zuurstof beschreven door Anne C. van Helden.26 Het werk aan mengsels, inclusief de Amsterdamse component, komt aan bod in een gedetailleerde monografie van Anneke Levelt Sengers.27 Dat boek zet de verrichtingen op dit (gecompliceerde) gebied op grondige en overzichtelijke wijze

[p. 17]

uiteen, veronderstelt bij de lezer natuurkundekennis op bachelorniveau, maar een wetenschapshistorische context bij alle thermodynamica ontbreekt. Die is wel aanwezig in twee artikelen waarin Per Fridtjof Dahl de supergeleiding in Leiden en elders minutieus uiteenrafelde,28 later ondergebracht in een boek.29

Ten slotte zijn er de verrichtingen van het Griekse wetenschapshistorische duo Kostas Gavroglu en Yorgas Goudaroulis, dat vanaf 1984 een half dozijn artikelen publiceerde.30 De focus lag op methodologische kwesties, toegespitst op de ontdekkingen van supergeleiding en superfluïditeit. Het zijn nogal onevenwichtige stukken, die dan weer de fysica als ging het om een tekstboek uit de doeken doen, om even later bij een onderwerp historische details te geven of te filosoferen over de Leidse achterdocht voor generalisaties en overhaaste conclusies. In 1991 zijn ze geïntegreerd tot inleidende tekst bij een ruime selectie uit de artikelen van Onnes: Through Measurement to Knowledge. The Selected Papers of Heike Kamerlingh Onnes 1853-1926.31 Supergeleiding is rijkelijk vertegenwoordigd terwijl instrumentatie, een wezenlijk onderdeel van het Leidse werk (en succes), ontbreekt. Verder bevat het boek een met citaten uit de Communications gelardeerd kort overzicht van de Leidse cryogene hoogtepunten van de hand van R. de Bruyn Ouboter, sinds 1998 emeritus hoogleraar experimentele natuurkunde aan de Universiteit Leiden.

Wat veel van deze studies gemeen hebben is het veronachtzamen van archiefmateriaal, met name het Nederlandstalige. En dat terwijl de correspondentie van Kamerlingh Onnes met Van der Waals, Zeeman, Lorentz en Keesom, om enkele hoofdrolspelers te noemen, en niet te vergeten met de curatoren van de Leidse universiteit, pas echt de beweegredenen, tactieken en leiderschapsstijlen in beeld brengt. Ook gaat geen van de tot nu toe verschenen studies dieper in op de persoon Heike Kamerlingh Onnes. En juist zijn karakter, sociale instinct, lef, ijzeren wil, visie en uitgekooktheid waren van doorslaggevend belang voor het welslagen van zijn missie.

Daarmee is tegelijk een rechtvaardiging gegeven voor de keuze voor een biografie. Nu is de biografie in kringen van wetenschapshistorici niet onomstreden. In de begindagen van het vakgebied, eind negentiende eeuw, was de biografische aanpak overheersend. Maar deze aandacht voor wetenschapsgeschiedenis diende niet zozeer de geschiedenis zelf, er speelden andere motieven: de voorbeeldfunctie van een roemrijk verleden, het ventileren van morele waarden, nationalisme.32 De hagiografie heeft de wetenschapsgeschiedenis weinig te bieden. Grote namen, anekdotes, het aaneenrijgen van doorbraken - iedereen die de tempel der wetenschap hielp oprichten krijgt lof toegezwaaid voor de stenen die hij had aangedragen.33

[p. 18]

Nog steeds verschijnen er boeken volgens dat stramien.

Het kan ook anders. In zijn artikel ‘In defence of biography’ brak wetenschapshistoricus Thomas L. Hankins, zelf auteur van een biografie van de Ierse wiskundige Hamilton, een lans voor het genre.34 Het type biografie dat Hankins voorstaat voldoet aan drie eisen. In de eerste plaats moet de wetenschap van de hoofdpersoon niet ontkoppeld worden van het persoonlijk leven, opdat de diepere beweegredenen voor die wetenschap uit de verf kunnen komen. Die wetenschap moet zich niet beperken tot publicaties; dat berooft de biografie op voorhand van iedere waarde voor de wetenschapshistoricus. Die wil weten wat de hoofdpersoon tot zijn keuzes bewoog, hoe zijn ideeën zich ontwikkelden en op welke manier hij ze testte. Ook al zijn laboratoriumdagboekjes en (concept) brieven bijna onleesbaar - ‘overschrijven helpt mij niet,’ zei Onnes; en dat was na het inleveren van kopij voor een weekblad - en is de betreffende wetenschap voor de biograaf allerminst gesneden koek, die moeite dient hij zich te getroosten. Een Kamerlingh Onnes-biograaf die experimentele natuurkunde heeft gestudeerd, kan geen kwaad. Evenmin is het een nadeel als hij het laboratorium waarin de hoofdpersoon opereerde uit eigen ervaring kent. ‘Je kunt nauwelijks een biografie schrijven zonder betrokkenheid,’ zei Sem Dresden, auteur van De structuur van de biografie35 - en broer van Max Dresden, de biograaf van H.A. Kramers.

Als tweede eis noemt Hankins het integreren van de verschillende aspecten aan het leven van de hoofdpersoon tot één coherent beeld. En ten derde moet een biografie leesbaar zijn: ‘Writing biography is unquestionably a literary art.’36 De lezer moet geboeid blijven en dat bereikt de biograaf alleen met het inzetten van literaire middelen als stijl, spanningsboog, dosering, et cetera. Samengevat: ‘A fully integrated biography of a scientist which includes not only his personality, but also his scientific work and the intellectual and social context of his times, is still the best way to get at many of the problems that beset the writing of the history of science.’

De uitdaging is het evenwicht te bewaren. Van Einstein bestaat een biografie die een badkuip vol familiemisère aanlengt met een vingerhoed wetenschap, terwijl Abraham Pais' Subtle is the Lord... voor een niet-fysicus vrijwel onbegonnen werk is.37 Mijn boek houdt zich verre van extremen. Deze biografie van Kamerlingh Onnes wil de wetenschapsgeschiedenis vooruit helpen én een breed publiek aanspreken.

1B. Willink, ‘Een inleiding tot de Tweede Gouden Eeuw. De wetten van 1863 en 1876 en de wedergeboorte van de Nederlandse natuurwetenschap’, Hollands Maandblad 22 (1980) 3-9.
2Klaas van Berkel, ‘De oude en de nieuwe universiteit’, Citaten uit het boek der natuur (Amsterdam 1998) 149-150.
3Bastiaan Willink, Burgerlijk sciëntisme en wetenschappelijk toponderzoek; Sociale grondslagen van nationale bloeiperioden in de negentiende-eeuwse bètawetenschappen (Rotterdam 1988).
4K. van Berkel, ‘Stuwende kracht of deftig ornament?’, in: K. van Berkel (red.), De Akademie en de Tweede Gouden Eeuw (Amsterdam 2004) 8-9.
5W.W. Mijnhardt, ‘De Akademie in het culturele landschap rond 1900’, in: K. van Berkel (red.) De Akademie en de Tweede Gouden Eeuw (Amsterdam 2004) 36.
6Jan Bank en Maarten van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur (Den Haag 2000) 270-272.
7Waldemar Voigt, Chemiker Zeitung, 11 december 1913, 1518-1520.
8H.G. Heijmans, Wetenschap tussen universiteit en industrie. De experimentele natuurkunde in Utrecht onder W.H. Julius en L.S. Ornstein 1896-1940 (Rotterdam 1994).
9E. van Everdingen Jr., C.H.D. Buys Ballot, 1817-1890 (Den Haag 1953).
10Ad Maas, Atomisme en individualisme: de Amsterdamse natuurkunde tussen 1877 en 1940 (Hilversum 2001).
11A.Ya. Kipnis, B.E. Yavelov en J.S. Rowlinson, Van der Waals and molecular science (Oxford 1996).
12Martin J. Klein, Paul Ehrenfest, Volume 1: the making of a physicist (Amsterdam 1970).
13Het Natuurkundig Laboratorium der Rijks-Universiteit te Leiden in de Jaren 1882-1904 (Leiden 1904).
14Het Natuurkundig Laboratorium der Rijksuniversiteit te Leiden in de jaren 1904-1922 (Leiden 1922).
15Ernst Cohen, Van Boerhaave tot Kamerlingh Onnes (Utrecht 1922).
16C.A. Crommelin, ‘Heike Kamerlingh Onnes’, in: Sevensma T.P., (red.), Nederlandsche helden der wetenschap (Amsterdam 1946) 201-238.
17J.L. Oosterhoff, ‘De opkomst van een “Vaderlandsche Natuurkunde” aan de Leidse Universiteit in de tweede helft van de negentiende eeuw’, in: W. Otterspeer (red.), Een universiteit herleeft (Leiden 1984) 103-124.
18L. Beek, ‘Heike Kamerlingh Onnes; Pionier van de lage temperaturen’, Pioniers der natuurwetenschappen: van Mercator tot Zernike (Assen 1983).
19H.N. de Lang, ‘Heike Kamerlingh Onnes 1853-1926’, in: A.J. Kox en M. Chamalaun (red.), Van Stevin tot Lorentz: portretten van Nederlandse natuurwetenschappers (Amsterdam 1990) 209-225.
20Marco Daane, Doctor Diepvries; H. Kamerlingh Onnes (1853-1926) (Leiden, z.j.).
21Tom Shachtman, Absolute Zero and the Conquest of Cold (Boston 2000).
22Kurt Mendelssohn, The Quest for Absolute Zero (New York 1966).
23H.B.G. Casimir, Het toeval van de werkelijkheid. Een halve eeuw natuurkunde (Amsterdam 1983).
24Klaas van Berkel, In het voetspoor van Stevin. Geschiedenis van de natuurwetenschap in Nederland 1580-1940 (Meppel 1985).
25Frans van Lunteren, ‘“Van meten tot weten”: de opkomst der experimentele fysica aan de Nederlandse universiteiten in de negentiende eeuw’, Gewina 18 (1995) 102-138.
26Anne C. van Helden, De koudste plek op aarde; Kamerlingh Onnes en het lage-temperaturenonderzoek 1882-1923 (Leiden 1989).
27Johanna Levelt Sengers, How fluids unmix. Discoveries by the Schools of Van der Waals and Kamerlingh Onnes (Amsterdam 2002).
28P.F. Dahl, ‘Kamerlingh Onnes and the discovery of superconductivity: The Leyden years 1911-1914’, Historical Studies in the Physical Sciences 15 (1984) 1-37.
P.F. Dahl, ‘Superconductivity after World War 1 and circumstances surrounding the discovery of a state B=0’, Historical Studies in the Physical and Biological Sciences 16 (1986) 1-58.
29Per Fridtjof Dahl, Superconductivity, Its Historical Roots and Development from Mercury to The Ceramic Oxides (New York 1992).
30K. Gavroglu en Y. Goudaroulis, ‘Some Methodological and Historical Considerations in Low Temperature Physics. The Case of Superconductivity 1911-1957’, Annals of Science 41 (1984) 135-149.
K. Gavroglu en Y. Goudaroulis, ‘From the History of Low Temperature Physics: Prejudicial Attitudes that Hindered the Initial Development of Superconductivity Theory’, Archives for the History of the Exact Sciences 32 (1985) 377-383.
K. Gavroglu en Y. Goudaroulis, ‘Some Methodological and Historical Considerations in Low Temperature Physics ii: The Case of Superfluidity’, Annals of Science 43 (1986) 137-146.
K. Gavroglu en Y. Goudaroulis, ‘Kamerlingh Onnes’ Researches at Leiden and Their Methodological Implications', Studies in the History and Philosophy of Science 19 (1988) 243-273.
K. Gavroglu en Y. Goudaroulis, ‘From Physica to Nature: The tale of a most peculiar phenomenon’, Janus 73 (1990) 53-84.
K. Gavroglu, ‘The reaction of the British physicists and chemists to Van der Waals's early work and the law of corresponding states’, Historical Studies in the Physical Sciences 20 (1990) 200-237.
31Kostas Gavroglu en Yorgos Goudaroulis (red.), Through Measurement to Knowledge. The Selected Papers of Heike Kamerlingh Onnes 1853-1926 (Dordrecht 1991).
32K. van Berkel, ‘De beoefening van de wetenschapsgeschiedenis in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw’, Gewina 18 (1995) 181-191.
33Thomas L. Hankins, ‘In defence of biography: the use of biography in the history of science’, History of Science 17 (1979) 1-16.
34Zie noot 33.
35S. Dresden, Over de biografie (Amsterdam 1987) 245.
36Zie noot 33, 9.
37Dirk van Delft, ‘Heike Kamerlingh Onnes en de geleerdenbiografie’, De Gids 158 (1995) 96-102.
prepostterug  begin  verder