terug  begin  verderprepost

II

Herfst 1953

De bar zag er uit als elke andere internationale bar; misschien was hij wat kleiner dan gewoonlijk het geval is en had men hem met iets meer smaak ingericht. Ook ontbrak er een vleugel, muziek werd er nooit gemaakt. Er stonden zes eenvoudige tafeltjes van donker eikenhout; daaraan kon men zitten op lage krukjes, waarvan de zittingen waren overtrokken met zachtgroen leer. De halfronde bar was bekleed met hetzelfde materiaal, evenals de zittingen van de twintig hoge krukken erom heen. De betimmering was overal van donker eikenhout of iets, dat er veel op leek; het was er altijd besloten, intiem. Dat kwam ook door het indirecte licht, dat een groenig, niet te overvloedig licht verspreidde. Een enkele kaars hier en daar versterkte de schemersfeer. Ramen waren er niet. Waar die eens gezeten hadden, waren nu panelen, waarin reproducties waren geplaatst van oude meesters die het goede van het leven hadden geprezen. De Bruiloft van Brueghel hing er, een Jan Steen, Rembrandt met Saskia en het opgeheven glas, Het Boerenmaal van Louis Le Nain, de Drinkende Jongen van Frans Hals en een stilleven van Chardin.

Eens was deze ruimte een slaapvertrek geweest, een inderdaad vrij groot slaapvertrek, zoals er wel meer voorkomen in de luxueuze zomervilla's aan de bosmeren van Maine. Maar zomin als de bar nog een slaapvertrek was, zo min stond deze ruime, hoge villa eigenlijk nog in Maine. Topografisch was dat wel in orde, Oaklake lag nog waar het altijd gelegen had, maar het begrip vrijheid, dat zo wijd ruist door het liefelijke woord Maine, dat begrip was vernietigd door electrisch geladen omheiningen, door grote borden overal - mijlen en mijlen in de wijde omtrek - met

[p. 12]

de woorden Streng Verboden Toegang en Levensgevaarlijk; het was vernietigd door zwaar bewapende mannen in blauwe uniformen, die altijd gerechtigd waren je verblijfsvergunning te vragen en niet alleen bij de grote ingang, maar overal: in de geheime afgeslotenheden van de enorme laboratoria, maar ook in het bos, op het meer, en zelfs in deze bar, waar niet voor niets boven het hoofd van de barkeeper in gouden letters stond geschreven: Laat Uw Werk Hier Rusten.

In deze bar nu werd de shaker gezwaaid door een zekere Alec J. Weatherwood, een keurige, gladgeschoren man, wiens krullende haar eens zwart moest zijn geweest, maar dat nu al aardig aan de grijze kant was. En dat was merkwaardig, omdat hij naar zijn gezicht te oordelen niet ouder dan een jaar of vijf-, zes en dertig kon zijn. Van het harde werken kon het niet komen, want zijn bar ging geen dag vroeger open dan vijf uur en om acht uur was het meestal wel bekeken, een enkele uitzondering daargelaten. Voor de rest van de tijd was Alec J. Weatherwood vrij, dat wil zeggen: zo vrij als men kan zijn binnen electrisch geladen omheiningen.

In zekere zin was deze bar één der heiligste vertrekken van de geheime Pousekovsky-wereld: hier kwamen alleen de ingewijden. In het begin was dat wel anders geweest, maar de maatregelen waren steeds strenger geworden en nu schaarden zich alleen nog maar de kardinalen van de wetenschap rond de bar, overigens heel gewoonuitziende intellectuelen, in het dragen van hun sobere confectie even nonchalant als hun lager geplaatste collega's. Ook hun introverte glimlach was niet opvallend meer of minder vreemd. En aan de geijkte academische, droge en vaak wat kinderlijke humor ontbrak het hun ook niet. Het kwam voor, dat tijdens het hoogtepunt van het borreluur de lach niet van de lucht was, een korte, hoge lach. Deze mannen, die de merkwaardigste, schokkendste geheimen met zich meedroegen, hadden de vreugde niet verloren. Wat dat betreft, had Alec het dus nog niet zo slecht. Bovendien wisten al de bezoekers van de bar drom-

[p. 13]

mels goed wie Alec was en welke bijzondere geschiedenis hem binnen de electrische afrastering hield; ook híj had iets tegen de nieuwsgierige buitenwereld te verdedigen. Dat maakte, dat hij bijna een van hen was; dàt - samen met het feit, dat hij een aantal van hun geheimen doorgrondde zonder er op te zinspelen - gaf hem het recht mee te lachen in deze zonderlinge wereld vol tegenstrijdig heden.

Maar nu heerste er een merkwaardige ernst in de bar. Het was er vol, er werd genoeg gedronken en er werd ook veel gepraat, maar de gesprekken hadden iets onnatuurlijks, alsof er met opzet werd gesproken over dingen, waarbij eigenlijk niemand zijn hoofd had. De sfeer was gespannen en nerveus, als in de wachtkamer vlak voor of tijdens een operatie. Alec was hier lang genoeg om te weten dat er iets bijzonders aan de hand was, en hij had er een sterk vermoeden van wat het zou kunnen zijn. Meneer Jacquard kwam binnen. Hij groette joviaal, niet eens met het gewoonste gezicht van de wereld, en zijn collega's van de wetenschap groetten achteloos terug ieder had zijn eigen waarde en was zich daarvan bewust. Toch was meneer Jacquard - Alec zei altijd ‘monsieur’ Jacquard - de eerste assistent van professor Pousekovsky. Hij was een kleine, scherpe man met rood, borstelig haar en een korte, rossige snor; hij droeg een bril met dunne, zwarte randen, waardoor hij achterdochtig kon kijken. Maar hij was de kwaadste niet; dikwijls grinnikte hij in zichzelf en Alec kon het goed met hem vinden. Met een nog steeds sterk Frans accent zei hij:

‘Heb je voor mij nog wat van die goeie pernod, Alec?’

‘Deze zeker, monsieur Jacquard?’ Alec hief de fles in de hoogte en de Fransman knikte. De keeper nam een hoog glas, meneer Jacquard wees met zijn vinger hoeveel van het gele vocht hij wenste, en daarop mikte Alec er een stuk ijs in en schoof hij een kruikje water aan. De Fransman schonk het water voorzichtig bij en vroeg: ‘Weet je, wie ik zo straks in het dorp heb gezien? Je oude vriend Chester Hobson’.

[p. 14]

Alec en meneer Jacquard keken elkaar strak aan. Alec floot zachtjes. Hij vroeg: ‘Zou het hier lèkken?’

De Fransman trok zijn schouders op.

‘Die man’, zei Alec, ‘heeft de neus van een... van een...’

‘Van een rat’.

Alec knikte. Chester Hobson. Chester F. Hobson. Hoe lang was de blauwe zomerdag geleden, dat hij deze grijnzende gom-kauwer had ontmoet. En dat was toen niet eens de eerste keer geweest! Plotseling rook hij weer de volle, prikkelende geur van de dennen. Hier in Oaklake waren ook dennen, maar ze gaven niet dezelfde geur, niet meer, zo lang al niet meer. De wereld was voor Alec J. Weatherwood niet meer een oord waar hij rustig en ongestoord kon gaan en staan waar hij wilde. Voor hem was er alleen maar de keuze tussen het gekkenhuis binnen de omheining en het gekkenhuis daarbuiten. Hij had gekozen voor de rust van de gevangenis Oaklake.

‘Ja, een rat’, herhaalde Alec. Wat was er niet al gebeurd sinds de rustige dagen met de heer Eric T. Dall. Zonder het te weten wreef hij zich langs zijn gladgeschoren kin. Hij miste veel.

Eensklaps werd het zeer stil in de bar. Er kwam een korte, gedrongen zestiger binnen, een dom uitziende man, die zich voortbewoog met plattelandspassen. Op zijn buikje hing een zware, gouden horlogeketting en uit zijn borstzak stak een ouderwetse brillendoos. De man droeg zijn volle, grijze haar en brosse, waardoor zijn rode en wrattige gezicht nog roder en wrattiger leek en zijn verontwaardigd neerhangende onderlip nog verontwaardigder.

Alec vond altijd, dat professor Pousekovsky leek op de redacteur van een blad voor de binnenscheepvaart; zo iemand had hij eens zien binnenlopen op een bijeenkomst van kunstcritici.

De professor kwam altijd een kop melkchocolade drinken; die moest worden aangemaakt aan de bar, en Alec bukte zich al om de melk te pakken, die warm klaar stond in een pannetje op een electrische kookplaat. Maar de professor,

[p. 15]

die naast monsieur Jacquard geschoven was, mopperde: ‘Whiskey puur’.

De bar hield de adem in. Bij sporadische gelegenheden kwam het voor, dat professor Pousekovsky een scheut rum in zijn chocola beliefde. Whiskey puur was een revolutie, het inluiden van een nieuw tijdperk in de geschiedenis. Alec zette een hoog glas neer en keek vragend naar monsieur Jacquard, die onopvallend wees hoeveel. Monsieur Jacquard wist altijd alles. Waarschijnlijk was hij in de ogen van de professor de enige volledige mens op de wereld, die - een dergelijke indruk kreeg men altijd - naar zijn mening waarschijnlijk bevolkt moest zijn met negen en negentig procent gekken. En Alec J. Weatherwood had altijd sterk het gevoel, dat de professor hem als de gekste en domste van die gigantische groep beschouwde.

De professor mompelde verontwaardigd in zichzelf, dat het goeie whiskey was. En terwijl de barbevolking moeite deed om weer ongedwongen aan de praat te gaan, zei het mannetje met de roodglimmende, bultige gelaatshuid: ‘Nog één, Alec’. Dat ‘Alec’ was zeer ongewoon en klonk bijna teder. Ja, dit wàs een bijzondere dag. Er zouden die avond in het lab stellig belangrijke dingen gebeuren; niet voor niets was de terreinversterking zwaarder dan anders. En Alec had al lang begrepen, dat alleen de mannen van professor Pousekovsky's eigen afdeling bij de proef - of wat het dan ook was - aanwezig zouden mogen zijn.

De professor zag Alec met bijzondere aandacht aan. Was het verbeelding, of had hij hem de laatste tijd vaker zo geobserveerd? Alec had de overtuiging, dat de professor hem wel niet minder gek of dom vond, maar op de één of andere, ondoorgrondelijke manier interessanter. De professor mompelde onverwachts; ‘Hoe is je gezondheid?’ ‘Dank u’, zei Alec glimlachend. ‘De lichamelijke conditie is uitstekend’.

Professor Pousekovsky dronk nadenkend van zijn whiskey en wendde zich tot meneer Jacquard. Ze mompelden in het Frans, te onduidelijk en te snel voor Alec om te verstaan. Meneer Jacquard keek verbaasd. Toen deelde hij,

[p. 16]

haast geamuseerd, aan de barkeeper mee: ‘Professor Pousekovsky stelt hedenavond prijs op je tegenwoordigheid in het lab’.

In de bar viel weer een vreemde stilte. Ja, dit was een uiterst merkwaardige dag. De professor zei: ‘Geef me nu de soda maar’.

prepostterug  begin  verder