terug  begin  verderprepost

III

Herfst 1953

Van de grote villa ‘Sunrise’ - de residentie van de familie Pousekovsky, waar ook Alec's bar was - leidden twee wegen naar het complex van laboratoria. De ene ging over land en was een brede, goed verlichte betonweg, daarvoor indertijd speciaal aangelegd. De rit naar de laboratoria duurde ongeveer tien minuten. De tweede weg was veel langer en ging over het meer. Er waren altijd motorboten genoeg, veel en veel meer dan het geval was geweest voor de Pousekovskys in Oaklake waren neergestreken.

De professor koos de weg over het water. Het gezelschap, dat naar de steiger liep, was bijzonder klein en bestond - behalve uit de professor - uit monsieur Jacquard, Alec en een stroeve, geuniformeerde man met een groot model pet. De academici uit de bar waren al vroeg naar huis gegaan en zouden wel op eigen gelegenheid komen.

Het liep nu tegen achten en het werd al aardig donker; het was September. De geuniformeerde man nam staande plaats achter het stuurwiel van de kleine, overdekte motorboot. De motor sloeg aan en de boot voer weg. De mannen keken allen over het water, waarin de vele lichten van Oaklake wiegend weerspiegelden. Het grootste licht - een klein heelal van sterren - kwam van het brede, veelblokkige en hoge gebouw, ‘Het Pousekovsky-Complex’. Het lag niet dadelijk aan de oever, maar zeker anderhalve mijl het bos in. Helemaal aan het uiterste einde van het meer, mijlenver weg, knipten de lichten aan op de stuwdam. Het was een prachtig gezicht, dat snoer daar in de

[p. 17]

verte, opgehangen van bos tot bos, als een brug van licht, maar Alec hield er niet van. Hij kon nooit vergeten hoe Oaklake vroeger was geweest. Hij keek achter zich, naar het Oaklake-Hotel, de oude, gezellige tent van Charley Bickleston, waarheen hij in de goeie, vredige jaren altijd was teruggekeerd, elke September opnieuw. Er brandden maar een paar lampen buiten bij Charley, het leek nu slecht verlicht. Maar vroeger waren er zeker niet méér lampen aangeweest, en die hadden genoeg kracht gehad om des avonds de goeie, ouwe Oaklake-kolonie naar Charley's bar te trekken. In die dagen was het na de schemering altijd ouderwets donker geweest in de herfst; het meer was toen een oud-zilveren spiegel, met daarom heen de mollige, mistige rand van het omhooglopende bos en er boven de nooit geheel duistere hemel, ook als er geen maan was en zelfs wolken de sterren verduisterden. En in de mollige, mistige rand had hier en daar een klein licht geschenen, geheimzinnig en met een eigen intiem leven, als een glimworm. Dat waren de huizen geweest van de vrienden, zomerhuizen, voor een krats bewoond door zorgeloze, vrolijke en meestal arme drommels van kunstenaars. Ze zaten daar bij de gratie van de rijken, die in de donkere maanden liever in hun steden hokten.

Nu was het volop licht daar in de bossen, de oude huizen waren alle overduidelijk bewoond door heldere academici die van licht hielden in elk hoekje. Er waren nieuwe huizen bijgekomen, strakke, brutale huizen van schraal beton. Verder het bos in, nog diep achter Het Complex, was zelfs een heel dorp gebouwd van beton; een dorp met echte winkels, een paar scholen, een kleine bioscoop, een dancing, een zwembad - alsof het meer niet groot genoeg was - een speeltuin en een bewaarplaats voor kinderen. In dit dorp, eigenlijk een kleine stad, woonden de leden van het lagere personeel, de technici, de mannen van de administratie, de terrein-politie, de onderhoudsdienst, honderden en honderden gezinnen.

Schuin achter Het Complex, naar de kant van de stuwdam, lag De Heuvel, een opvallende en vrij steile ver-

[p. 18]

hoging in het landschap, vroeger een geliefd aantrekkingspunt voor klauteraars. In de steeds duister wordende schemering was nu op De Heuvel een reusachtig, rond bouwwerk zichtbaar, een half-bolvormig netwerk van staal, de radarspiegel. Plotseling begon er licht te flikkeren in die spiegel, zoals neonbuizen doen, en even later straalde er uit de enorme, halve bol een zachte, veelkleurige gloed. Het spectrum was er tientallen keren vertegenwoordigd in honderden cirkels.

Professor Pousekovsky snoof. Hij mopperde onduidelijk: ‘Dat zal wel weer storing geven. We moeten William dadelijk bellen’.

De Coloradar van zijn zoon William was een grote handicap voor professor Pousekovsky's laboratorium-werk; het werd dikwijls in de war gestuurd door de nadelige invloeden van de Coloradar-golven, waartegen men nog geen voldoende afscherming had kunnen vinden.

De gigantische halve bol met de honderden kleurencirkels draaide langzaam, als op zoek naar een onbekend punt in de hemel. Het was een geheimzinnig, angstaanjagend gezicht. Alec keek er niet lang naar, hij was er aan gewend en hij draaide zich om naar de stille kant van het meer, waar hier en daar maar een enkel licht brandde. Hij zocht naar een bepaalde plek in het bos, en nog ternauwernood ontdekte hij een donker huis. Dat was Tom's Cabin. Altijd, na al die tijd, keek hij nog even naar Tom's Cabin. En altijd, bijna zonder het zelf te weten, trok hij dan even met de schouders. En dan was het weer voorbij. Er was immers toch niets aan te doen.

De boot gleed langzaam langs de brede steiger van Het Complex. Booglampen flitsten kwaadaardig aan, uit een wachthuisje kwamen drie met stenguns bewapende mannen. Alec wist het wachtwoord.

‘Walnoten’, zei hij. Toen moest hij - evenals monsieur Jacquard en professor Pousekovsky - nog een pas laten zien.

Een auto stond klaar op de betonbaan, die zo breed was, dat er best een vliegtuig kon landen, wat soms inderdaad

[p. 19]

gebeurde, ofschoon men het meest gebruik maakte van watervliegtuigen. En paar minuten later waren ze bij Het Complex. Weer het wachtwoord en weer de passen. De politiebewaking was hier veel zwaarder. Een groep van zes bewakers begeleidde hen door de zeer grote, helverlichte ingangshall. Alec wist, dat ze nu door allerlei infra-rode stralen liepen, ergens begon het te zoemen in verschillende toonhoogten, de grote bronzen deur aan het eind van de hall gleed automatisch open. Toen ze erdoor waren, sloot hij zichzelf weer. Ze naderden de lift. Vlak voor de deur van de lift was een eigenaardige constructie aangebracht, een ongeveer tien meter brede gang van chroom en een dik soort matglas. Dat was de röntgen-detector. Terwijl professor Pousekovsky, monsieur Jacquard en Alec door de ziekenhuis-achtige gang liepen, verdeelde de groep bewakers zich; ze gingen met drie links en drie rechts langs de buitenkant van de matglazen wanden. ‘O.K.’, riepen de beide voorsten elkaar toe. De liftdeur ging open. Ze stapten in en stegen, ze waren hun bewakers kwijt.

Ze kwamen langs de eerste verdieping, eens de afdeling van dr Helen Pousekovsky, die nu uit Oaklake was verbannen. Ze passeerden de tweede, waar dr Bert Pousekovsky had gewerkt, ook verleden tijd. Op deze verdieping was Alec wel geweest, evenals op de derde, de afdeling van dr William Pousekovsky. Er brandde een rood lichtje boven het cijfer drie en dat betekende: Geen Toegang. Tot het cijfer vier was Alec nooit gekomen. Het licht erboven was groen. De deur ging open, natuurlijk stonden er weer een paar bewakers. Maar deze keer konden wachtwoord en passen achterwege blijven. Een gebrilde, streng uitziende man in een witte overall tekende hun namen af op een presentie-lijst. ‘Ze zijn nu allemaal aanwezig’, zei hij. Hij ging hun voor - door een doodgewone houten deur - naar een grote, machinekamer-achtige ruimte, waar het bijzonder heet was. Toen ze de hoge, zachttrillende apparaten voorbij waren, zag Alec een betegelde zaal waarin op een college-tribune de wetenschapsmannen

[p. 20]

zaten, die hij 's middags aan de bar had bediend. Tegenover de tribune stond een onvoorstelbare warwinkel van grote en kleine technische attributen, waarvan een enorm matglazen televisie-scherm, verder een zeker vier meter hoog en drie meter lang en breed ding, dat het midden hield tussen een monsterachtige brandkast en een fantastische telefooncel, het meest in het oog vielen.

Monsieur Jacquard wees Alec een plaats aan in een der banken. Toen hij ging zitten, ruiste er een zacht gefluister door de gebrilde gelederen. Alec keek om zich heen en glimlachte welwillend. Wat kon hem gebeuren? Maar diep in hem was er twijfel. Hij dacht: imbecielen licht men niet in, imbecielen gebruikt men. Maar waarvoor in hemelsnaam zou professor Pousekovsky hem willen gebruiken?

Voor...

‘Stilte, heren’, zei meneer Jacquard zachtjes.

Een aantal mannen in witte overalls schaarde zich om de merkwaardige apparaten. Vlak voor het televisie-scherm stond een klein, stalen tafeltje, waarop een paar telefoontoestellen en een paar rijen witte knopjes waren aangebracht. Boven het tafeltje hing een kleine microfoon; een man bracht een draaistoel aan en daarin nam professor Pousekovsky plaats, met zijn rug naar de tribune. De microfoon werd ingeschakeld. Een tienvoudig vergroot gemompel klonk door de ruimte. Het waren de woorden: ‘Laten we beginnen’.

prepostterug  begin  verder