terug  begin  verderprepost

VII

In 1914 was Victor Alexander Pousekovsky de jongste hoogleraar aan de Academie voor Wetenschappen in St. Petersburg. Hij was toen vierentwintig jaar, ongehuwd en in hoge mate begunstigd door een hofdame van de Tsaar, die overigens weinig moeite bij het hof hoefde te doen om de gedrongen, roodharige man van boerenafkomst een eigen laboratorium te verschaffen: zijn in perfect Frans gestelde proefschrift ‘Mogelijkheden van draadloze energieverplaatsing over verre afstanden’ had zelfs ver buiten de grenzen allerlei beroemde hersens op een geheel nieuw denkspoor gebracht. Vrij kort na zijn promotie werd hij tot hoogleraar benoemd, en kort daarop opende de hofdame, als vertegenwoordigster van de Tsaar, het eerste, particuliere Pousekovsky-laboratorium, een bescheiden, houten gebouw, waar hij, behalve een aantal radiophonische apparaten en een installatie voor radioenergetische onderzoekingen, die merkwaardige blik ontwikkelde. Niet een blik, waarmee hij iets zàg in de verte, maar waarmee hij voortdurend iets begòn te zien, zodat zijn ogen steeds aandachtig tuurden in een geheimzinnig niets. Ondanks de moeilijke oorlogsomstandigheden bleven de subsidies van de Tsaar regelmatig binnenkomen en dat bezorgde hem vijanden in allerlei kringen. Het drong niet tot hem door, hij werkte. En wanneer hij na middernacht nog bezig was met het schrijven van zijn publicaties - waarvan er een aantal waren, die door precies dertien mensen ten volle werden begrepen - kwam de hofdame hem persoonlijk zwarte koffie met caviaar-sandwiches brengen. Hij mompelde dan iets van dank en vroeg haar nieuwe inkt in zijn potje te doen, wat ze glimlachend deed; ofschoon ze na haar vertrek zuchtte achter de ge-

[p. 39]

sloten deur. Ze kon het niet helpen, ze hield van hem. Op een avond in 1917 kwam ze zonder koffie en caviaar bij hem binnen. Ze was zeer opgewonden en vertelde hem wat er gaande was. Hij zag geen gevaar, en ze had een uur nodig om hem te vertellen hoeveel vijanden hij had. Toen hij de deur van het laboratorium achter hen sloot, verliet hij het land in gedachten reeds voorgoed. De hofdame werd twee dagen later gegrepen, professor Pousekovsky ontkwam. Hij dook op in Parijs, waar de deuren van de Sorbonne gemakkelijk voor hem opengingen. De studenten verstonden elk woord, want zijn Frans was vloeiend, maar waarover hij het had, begrepen ze maar half. De rustige mannen van de industrie begrepen het des te beter, er volgde een hard spel van bieden en loven, en Amerika won. Al gauw was hij daar staatsburger en gehuwd met de donkere, mollige dochter van een roomrijkeolie-boer uit Californië. Deze vrouw had reeds twee echtgenoten verloren, de één bij een overstroming tijdens een vacantie in Key West, de ander in één der slagen bij Verdun. Beide echtgenoten waren aan de universiteit van Harvard verbonden geweest, want Maria - op zoek naar hoger leven, haar vader was als kroegbaas begonnen - hield hartstochtelijk van wetenschap in een man. Hoe dan ook, de wetenschap in het eerste huwelijk bracht William voort, haar lieveling. In haar tweede huwelijk baarde ze Albert, lichamelijk een enigszins min, sukkelend kind. Met de beroemde naam van haar derde man was ze zo vereerd, dat ze kosten noch vooral moeite spaarde om de kleine sukkelaar Bertie zowel als de verwende, hooghartige jongen William te voorzien van de achternaam Pousekovsky. De nieuwe vader vond het allemaal goed, die tuurde maar aandachtig in het geheimzinnige niets, schreef nu met steeds groter gemak zijn publicaties in het Engels voor een steeds kleiner wordende lezerskring, en Maria bracht hem 's avonds zwarte koffie en sandwiches met ham. Ze vulde zijn Swan-vulpen vóór hij er om vroeg. Ze zuchtte niet achter de gesloten deur, want ze paste een eenvoudige techniek toe, waarop de hofdame van weleer

[p. 40]

nooit gekomen was: ze sliep 's middags stevig en gezond en was klaar wakker als de wetenschap 's nachts laat te bed ging. Desondanks werd er uit dit huwelijk maar één kind geboren, een spits, vuurrood meisje, dat ze Helen noemde, en dat ze dadelijk begon op te voeden als haar ideaal-beeld. Maria stierf in 1945, toen de bonbons het eindelijk van de insuline wonnen. Ze had haar taak volbracht: een half jaar daarvoor was Helen gepromoveerd in de chemie op het proefschrift: ‘De hormonen van de bijnier en het geluksgevoel’. Het was een winderige dag, toen ze Maria begroeven. Niemand huilde, alleen de knappe, hooghartige dr William Q. Pousekovsky trok even met zijn mond op een manier, die niet bij hem paste. Twee jaar later trouwde hij met een donker, mollig meisje, dat enigszins op oude foto's van zijn moeder leek, zoals het meisje verrast ontdekte, toen hij ze haar toonde. Joan Marylin Beasly was één van zijn assistenten geweest aan het sterrenkundig observatorium van Harvard, waar ze, na kennismaking met de veelbewonderde, maar nogal afwezig-doende dr William Q. Pousekovsky ontdekte, dat ze meer om de liefde dan om de wetenschap gaf. Maar voor het altaar werd ze met de wetenschap verbonden, tot in de dood, en dat zou ze merken. Ze bleef hem toch trouw en volgde met lieve aandacht zijn steeds stijgende ster door vele hemelkringen van de wetenschap. Een boek van hem, dat in slechts vierhonderd exemplaren verscheen en dat als titel had ‘Radar Telescopisch Toegepast’ werd merkwaardig snel in het Russisch vertaald. Naderhand betwijfelde men, of hij het wel had mogen publiceren. Maar zijn goede trouw stond vast: gedurende een groot deel van de oorlog was hij op een geheime post zeer nuttig geweest voor de marine. Zijn vader had hij al die tij niet gezien, die verbleef ‘ergens’ in Tennessee, omgeven door een lijfwacht van militairen, aardige jongens, die hem nog tot diep in de nacht zwarte koffie en hamburgers brachten en het lint in zijn schrijfmachine vernieuwden. Hij werkte zo hard, dat, zoals men zei, hij met de dag grijzer werd. In Mei 1945 had hij geen rode haar meer over.

[p. 41]

De kleine sukkelaar Albert was al vroeg een in zichzelf gekeerd letteretertje en werd later een bescheiden, vriendelijk mens, een ietwat mistige figuur, die op zijn twintigste jaar al begon te grijzen. Hij was met een onopvallende, verlegen soort hink-stap-sprong door het onderwijs gegaan, studeerde vergelijkende taalwetenschappen en promoveerde op ‘De Psychologie van het Sanskriet’. In Bagdad, Amsterdam en Rio de Janeiro werd er hevig over gedebatteerd. Bert B. Pousekovsky doceerde aan verschillende universiteiten en kreeg in de oorlog een buitengewone plaats in de code-opsporingsdienst van het leger. Hij construeerde een machine, die enigszins leek op een hollerith-apparaat en waarmee het ontsleutelen van codes zeer versneld kon worden. Hij slaagde er in dezelfde tijd in de grondslagen te leggen voor een vertaalmachine, waarover omstreeks 1949 reeds iets doorlekte in de dagbladpers. Door de regering werd daarna een oekase op dergelijke berichten afgekondigd. Dit wekte in besloten kring verkeerde voorstellingen, omdat in feite niet de regering Bert Pousekovsky's voornaamste opdrachtgever was, maar een bekende industrie van schrijf- en rekenmachines.

Maar de regering liet zich geregeld op de hoogte houden van de werkzaamheden der drie mannelijke Pousekovsky's en na verloop van tijd had uitgebreid overleg met een aantal grote industrieën tot resultaat, dat men professor Victor Alexander Pousekovsky een plan liet opstellen, waaruit later het Oaklake-plan zou groeien, en waarbij ook dr Helen Pousekovsky betrokken zou worden, ofschoon tegen haar in bepaalde kringen wel enige reserve bestond. Want er was een tijd, dat er portretten van haar in de kranten stonden met daaronder: ‘Is dr Helen Pousekovsky een Commy?’; ze had een sterke aanleg voor het formuleren van opvallende verklaringen, die elkaar dikwijls tegenspraken. Ze was kennelijk niet afkerig van enige publiciteit. Minstens één keer per jaar dook haar naam groot in de dagbladen op; de ene keer was ze ver gevorderd met een middel tegen poliomyelitis, de andere keer opende ze ergens een Maria Pousekovsky-hospitaal, dan

[p. 42]

weer had ze de aard van het vergif vastgesteld waarmee een opzienbarende moord was gepleegd, en eenmaal werd ze genoemd in verband met een beroemde filmacteur: ‘Nadat het gezelschap een rustig uur in de Stork Club had doorgebracht, sloeg Helen hem plotseling in het gezicht en verklaarde luid, dat hij “het ijdelste en domste creatuur” was, dat “het imbecielen-instituut Hollywood” in jaren had gekweekt. Daarop barstte ze in tranen uit’. De foto erbij toonde overigens alleen maar het welbekende beeld: een nog jonge vrouw met een iets te spits gezicht. De hoogmoedige blik en de nerveuze stand van de smalle neusvleugels waren op de één of andere manier met elkaar in tegenspraak.

prepostterug  begin  verder