Herfst 1950
Geen der Pousekovskys was ooit in Oaklake geweest. Wel was er eens een man komen kijken, die iets met de Pousekovskys te maken moest hebben. Dat werd tenminste verteld door Bill Thompson, de bedaarde, slungelachtige aannemer uit het dorp, die voornamelijk bestond van het op orde houden der villa's. Er was een kwieke man geweest met een zwarte bril en een rossige snor. Hij had een vreemd accent en heette Jacquard of zoiets, zei Bill. Die had hem zelf een hele dag rondgereden in zijn oude Buick en de man had vooral véél belangstelling gehad voor de waterval en de loop van de beek. Die man had het allemaal wel goed bekeken, zei Bill, want later was hij hem nog weer eens tegengekomen in het bos, samen met een troep hoge heren, die maar sigaren hadden gerookt of er geen brandgevaar bestond. Ze hadden bovendien niet eens gegroet. Nee, dan waren die landmeters heel wat aardiger kerels geweest, eenvoudige jongens, die nog eens wat geld in het dorp hadden gebracht; ze hadden er wel twee weken lang gelogeerd, bij Wilson, de postbode, die het wel gebruiken kon na de operatie van zijn vrouw.
Dat van die landmeters was overigens oud nieuws; twee hadden een kamer gehad bij Charley; op een avond waren ze met een paar collega's aangeschoten geraakt en daar was bijna een vechtpartij op gevolgd. Zo nu en dan werd er nog over gepraat, ofschoon niemand goed meer wist, wat de reden van de ruzie was geweest. Maar het feit bleef belangrijk, omdat het de enige concrete aanraking met de wereld van de Pousekovskys was gebleven.
Maar op een dag in September van het jaar 1950 kwam Charley opgewonden naar het zwembad gelopen, waar Alec lag te zonnen op een springplank. Alec was een paar dagen daarvoor aangekomen - met de coctail ‘While waiting’ uit Nick's Bar in Albuquerque - en hij lag zich nu gapend uit te rekken in de geprolongeerde zomerwarmte.
Charley kwam hem hijgend vertellen, dat hij juist vijf kamers had geboekt, voor de Pousekovskys en een meneer Jacquard.
‘Alle Pousekovskys?’, vroeg Alec.
‘Alle’, zei Charley, diep doordrongen van de ernst van het geval. Had niet een krant het jaar daarvoor geschreven, dat de Pousekovskys zich zelden tegelijk vertoonden? Een half uur later luisterden ze naar de nieuwsberichten. Korea, Korea, Korea, de kolen- en staalprijzen stegen nog steeds, generaal MacArthur had een ferme verklaring afgelegd.
‘Geen nieuws’, zei Charley.
In de volgende nieuwsuitzending werd de naam Pousekovsky al evenmin genoemd, millioenen werd het nieuws onthouden, dat nu door de interne Oaklakese berichtendienst van villa tot villa werd verspreid; overal in de heuvels rinkelden telefoons, moderne tom-toms. Maar de radio bleef erover zwijgen. Korea was het woord. En door de dreiging van dat woord kreeg de komst van de Pousekovskys de betekenis van oorlog in Oaklake: zou daar binnenkort een geheim front worden gebouwd? De atmosfeer werd geladen, Korea was in Oaklake gekomen, en niemand wilde dat.
De bar maakte 's avonds de indruk van een overvol sterfhuis. Alec had het druk; men vroeg in hoofdzaak short drinks, rye, veel goedkope rye. Om de tien minuten kwam Charley binnen. ‘Nog niks’, zei hij dan fluisterend. Maar om elf uur was het zover. ‘Ze zijn er. Dadelijk naar hun kamers gegaan. Maar ik geloof, dat die éne griet nog komt, ze vroeg iets over sluitingstijd’.
Men drong dichter samen om de bar, mannen met baarden en bruine gebitten, magere kerels in schotse hemden met opgerolde mouwen, dikke jongens met rose hemden en bruine vlinderdasjes, bestoppelde ouwe knapen met donkerblauwe truien aan. Men drong om de bar alsof dat voorname bolwerk van Oaklake duur verdedigd moest worden.
Het barzaaltje was langwerpig en zeker de helft van de ruimte was benut voor de bar zelf, die was gebouwd als een uitgerekte letter u. Daar, samengeperst tussen de bar en de wanden, zat en stond de Oaklake-kolonie. En in het andere deel van de ruimte stond eensklaps dr Helen Pousekovsky, temidden van de lege tafeltjes en stoeltjes.
Het was een lange, jonge vrouw, zeer rechtop en zelfbewust. Ze droeg een groen mantelpak van fijne tweed, en een eenvoudige dunne trui daaronder van zwarte wol; ze stond op zwarte pumps. Donkerrood haar liep strak langs kleine oren, kwam achter op het hoofd samen en viel weg in een lange, golvende paardestaart over de rug. Nogal Frans, dacht Alec. Hij had die zomer een krantenfoto van haar gezien: ‘Dr Helen Pousekovsky bezoekt Maurice Chevalier in zijn kleedkamer in het Casino de Paris’.
Helen Pousekovsky bekeek het interieur, blijkbaar overwegend of het de moeite van het binnengaan waard was. Ze keek naar de stoelen, die bekleed waren met roodbonte koeienhuiden, naar de wanden, waar oude jachtgeweren hingen en verschrikte hertenkoppen met grote geweien en oude, langstelige porceleinen pijpen met Duitse woorden erop. Ze keek naar het schilderij ‘Jagers voor een Herberg’, een niet geheel geslaagde Paulus Potter-copie van de vrolijke, kreupele Joe Sandler, die er een onbetaal-
de rekening mee had voldaan. Er zat - heel toevallig - precies één beroemd man aan de bar, de illustrator Daniel O' Shea, een knappe, cynische man, die een beetje teveel gewerkt had, naar hij achteloos had meegedeeld, en die nu logeerde bij een neef, de dikke, melancholieke componist Schulz.
Niemand wist, of dr Helen Pousekovsky O' Shea herkende, maar ze richtte in ieder geval naar hem haar weloverwogen schreden. De dikke Schulz stond onmiddellijk op en ruimde stuntelig zijn plaats voor haar in. Ze knikte vriendelijk tegen hem, erkentelijk.
‘Een Calvados’, zei ze.
Het was een moeilijk moment voor Alec; er was geen Calvados. Hij deelde haar mee, dat het nooit gevraagd werd, en...
‘Een Pernod is ook goed’, zei ze.
‘Misschien kan ik u een plezier doen met Kirsch, dat komt er een béétje bij’.
‘Bij Calvados? Kom nou’.
O' Shea zei: ‘Het wordt in elk geval óók van vruchtensap gestookt, van kersen. Mag ik u...’
‘Welja’, zei ze.
Alec schonk twee kleine glaasjes in. O' Shea toastte. Schulz zei verbaasd: ‘Ik dacht altijd, dat het róód was’, en hij bestelde ook een glaasje. Daarop wilde iedereen Kirsch proeven en plotseling was er stemming, men had iets gemeenschappelijks gevonden. O' Shea en Helen raakten rustig, ongeïnteresseerd aan de praat, over Calvados, Frankrijk, de Côte d'Azur. Zoiets kon je wel aan O' Shea overlaten.
Charley kwam eens kijken. Met zijn dikke, bleke hoofd knikte hij tevreden tegen Alec, die een vaag gebaar maakte van ‘in orde’; hij had het druk. Maar hij zag best wat er overal gebeurde. O' Shea had zich al voorgesteld, was nu een werkelijk gesprek begonnen. Charley luisterde mee, ofschoon hij lachend praatte met Schulz.
‘Nog in Vallauris geweest?’, vroeg O' Shea.
‘Een paar uur’, zei Helen. ‘Een echte charlatan, die Pi-
casso. Ik vind, dat...’ Het gesprek verging in het zachte rumoer.
Een doen alsof, dacht Alec, maar waarom? Ze is waarschijnlijk wel aardig, maar waarom doet ze zo stellig? Waarom doen sommige mensen niet precies zoals ze zijn? Van pottenbakkerskunst liep het naar porcelein. O' Shea begon haar te vertellen wat porcelein was, maar dat wist de chemica Pousekovsky ook wel: ‘Om precies te zijn, meneer O' Shea’, zei ze zelfverzekerd glimlachend, ‘petuntse en kaolin, dat is’ - ze verduidelijkte het bijna neerbuigend - ‘een kiezelzure steen en een aluminiumaarde’. ‘Ja juist’, zei O' Shea. Hij liet het er niet bij zitten en begon over het mooiste Chinese wit-en-blauw, dat van Chien Lung.
‘Ik dacht, dat het mooiste uit de Ming-periode was’, liet dr Pousekovsky achteloos vallen. Schulz mengde zich in het gesprek, gaf Helen gelijk. Joe Sandler ging aan de kant van O' Shea staan, iedereen wist ineens iets over wit-en-blauw porcelein, maar het was allemaal zeer onduidelijk. Het debat verliep, Helen trok zich terug in een stilzwijgen. ‘Weet jij het Alec?’ vroeg Charley. Daar had je het weer. Hij moest Charley toch eens ééns-en-voor-al zeggen... Maar al de jongens keken hem nu aan. ‘Ja, weet jíj het Alec?’ vroeg Schulz.
Alec kuchte. Hij zou maar iets zeggen. Hij kon het werkelijk niet helpen, dat hij het eens in een boekje had gelezen en het toevallig had onthouden. ‘Ik weet er niet veel van’, zei hij, ‘maar ik geloof dat in elk geval het oudste en mooiste wit-en-blauw uit de tijd van de Ming-dynastie afkomstig is. Er is maar heel weinig uit de tijd daarvoor. En Chien-Lung was làng daarna, in ònze achttiende eeuw’. Schulz vroeg: ‘En wanneer was die Ming-tijd precies?’ Iedereen luisterde toen Alec zei: ‘In de vijftiende en zestiende eeuw zo ongeveer. Iets daaromtrent. Het mooiste wit-en-blauw is in elk geval gemaakt in één van die beide eeuwen’.
Helen keek verbaasd naar Alec. Ze vroeg zachtjes: ‘En onder wie dan wel?’
‘Ik geloof onder iemand’, zei Alec, ‘die Hsuan-Te heette. Die heeft maar kort geregeerd, een jaar of negen’.
‘Een geheugen als een ijzeren pot’, zei Schulz bewonderend, ‘die knul onthoudt alles wat ie heeft gelezen’.
‘Niet alles’, zei Charley. ‘Ga het eens precies opzoeken, Alec’.
Hij verzette zich: ‘Hé nee’, zei hij, een beetje nijdig.
Maar iedereen was benieuwd of het wel goed was. Behalve Helen zeiden ze allemaal, dat hij het moest opzoeken. Hij kreeg een lichte kleur, hij voelde zich beschaamd tegenover die vrouw, maar hij wist niets beters te doen dan toch maar te gaan. Toen hij met het naslag-werk onder zijn arm terugkwam, zaten er twee nieuwelingen aan de bar, een onbekende vrouw en een jongensachtige, verlegen man; Alec herkende in hem dr Bert Pousekovsky.
Er ging een vrolijk gejuich op, als om O' Shea te pesten: dr Bert Pousekovsky had Alec's woorden juist bevestigd. Hij zei zacht en hakkelend tegen O' Shea, verontschuldigend: ‘Chien-Lung had niet het mooiste wit-en-blauw, zeker niet, zeker niet. Dat was onder Hsuan-Te, zeker, zeker. Van eh...’ - hij dacht even na - ‘van 1426 tot 1435 of zoiets. Zoiets, ja’.
In de bar hing de stilte der bewondering. ‘Schenk nog eens in’, zei O' Shea. ‘Nog een Kirsch?’, hij keek naar Helen, die niets zei, en vroeg toen aan de vrouw en aan dr Bert Pousekovsky: ‘Drinkt u een Kirsch?’
‘Graag’, zei de vrouw. Ze was jong, donker en mollig, met een niet onknap, lief gezicht. Ze had de wat droevige vriendelijkheid van mensen, die niet genoeg aan het Iachen worden gemaakt.
‘En u?’, vroeg O' Shea. Bert Pousekovsky kwam terug van een vaag reisje door de mist en zei, alsof hij er drommels goed bij was: ‘Eh nee, nee, dank u, ik eh...’, en tot Alec: ‘Heb je soep?’ Alec belde naar de keuken. ‘Er is alleen nog gebonden kippesoep’.
Dr Bert Pousekovsky lei de handpalmen strak tegen elkaar en wreef ze snel en vrolijk, alsof dit gróót nieuws was. ‘Dat is fijn, dat is goed, dat is goed’. Hij keerde zich naar
de mollige vrouw en zei: ‘Zeg Joan, 't is hier best gezellig, niet?’
‘Het zingen ontbreekt er nog maar aan’, zei ze glimlachend. En toen, strakker: ‘O’. Er kwam een steile, hooghartige man binnen. De vrouw zei tegen Alec: ‘Zet maar vast een whiskey klaar. Whiskey puur’.
De man groette kort, onaantastbaar. ‘Ik kom je halen, kindje’, zei hij, en daarna, alsof hij zich bedacht: ‘Eén whiskey dan eerst nog’. En de vrouw die Joan heette zei: ‘Die is al onderweg’.
Charley praatte lachend met Helen. Ze lachte afwezig, fronste vermoeid toen Charley haar iets toefluisterde. En al die tijd keek Helen naar Alec, de bruinverbrande en krulharige heer Alexander James Weatherwood, die zo moeiteloos omging met flessen en glazen.